Willem Roda: Een jongensboek

Part 17

Chapter 173,961 wordsPublic domain

In gedachten verdiept, was hij voortgeloopen en lette eerst nu op zijn omgeving. De oorspronkelijke, houten huizen van de veertigjarige stad waren reeds grootendeels door steenen gebouwen vervangen. Reusachtige hôtels waren er verrezen. Bonte uithangborden en aanplakbiljetten met schreeuwend gekleurde teekeningen bedekten halve gevels. In de breede, lijnrechte straten wemelde het van voetgangers, maar meer nog van ruiters, die meestal een tweede, met hun goederen beladen paard aan den teugel medevoerden. Ruwe karren, soms met paarden, soms met tien of twaalf ossen bespannen, en tot verbazende hoogte met balen wol beladen, dreunden over de slecht geplaveide straten. Goudgravers in hun roodflanellen hemden, die de borst half naakt lieten, slenterden van de eene kroeg naar de andere. Rijke squatters in sierlijke kleeding, met gele, breedrandige hoeden van koolpalmbladeren, galoppeerden op hun vurige volbloedpaarden de straat op en neer. Hier en daar lag in de schaduw van een stapel wolbalen een inboorling te slapen of te rooken.

Daar kwam een drift van eenige honderden koeien, loeiend en brullend, de straat inhollen, gevolgd door bereden herders, die schreeuwden, gilden, of met de ellenlange zweepen klapten. Verschrikt sprong Willem ter zijde, en had nog juist den tijd zich achter een stapel huiden in veiligheid te stellen.

Terwijl hij, half verdoofd door het geweld, de dieren en ruiters nastaarde, voelde hij zich aan zijn broekspijp trekken.

„Toembakko, Missa, little toembakko!” klonk het achter hem op vreemden toon.

Verschrikt keerde Willem zich om, en deed onwillekeurig een stap achteruit.

Een inboorling, op den lendendoek na geheel naakt, lag op de knieën, hield de hand op en herhaalde op luiden toon zijn bede om een weinig tabak.

’t Was een magere, oude man, met een afzichtelijk leelijk gelaat. Een ondraaglijke stank ging van den viezen zwarte uit, die, toen hij bemerkte, dat hij met een nieuweling te doen had, listig glimlachte. Willem wilde zich vol afschuw verwijderen, maar de zwarte stond op en hield hem bij de mouw vast. Tegelijk haalde hij met de vrije hand uit zijn warbosch van vuile, witte haren een smerige steenen pijp te voorschijn en wees met den vinger in den kop. Willem trachtte zich los te rukken; de wilde echter hield stevig vast en liet zijn scherpe, witte tanden zien.

Er bleef niets anders over, dan aan zijn wensch te voldoen en hem een sigaar te geven; daarmee zocht de man dadelijk zijn schaduwrijk plekje achter de huiden weer op, vlijde zich neer, en, na in zijn haren ook een lucifer gezocht en gevonden te hebben, begon hij met gesloten oogen te dampen.

„Zou dat een exemplaar zijn van dat wilde volkje, dat het den squatters in de verwijderde districten zoo lastig maakt?” dacht Willem, terwijl hij zich haastig verwijderde, „dan was ’t misschien wel geraden eenige balen tabak mede te nemen naar de stations. Ze schijnen zich nog al gemakkelijk tevreden te stellen.” Weinig vermoedde hij, dat hij nog wel onaangenamer en vrij wat gevaarlijker ontmoetingen met dat woeste gespuis zoude hebben.

Lord Greybury wachtte Willem reeds in het hôtel op, waar zij ’s morgens hun bagage hadden laten brengen. De Engelschman voorkwam zijn wenschen, toen hij hem dadelijk bij zijn binnenkomen het verlangen te kennen gaf, gezamenlijk eens de plannen voor de naaste toekomst te bespreken.

Ze gingen in een afzonderlijk vertrekje. Lord Greybury sloot zorgvuldig de deur, zette zich in een hoekje van de gemakkelijke sofa neer, en altijd even stijf en deftig, verzocht hij Willem naast hem plaats te nemen.

„William, ik heb een lang en ernstig woord met je te spreken; je moet me aanhooren, zonder me in de rede te vallen; ik ben niet gewoon lange redeneeringen te houden en zou in dat geval den draad kwijt raken. Eerst als ik uitgesproken heb, kun je me zeggen, hoe je denkt, over hetgeen ik je voorstel.

Ik ben in meer dan één opzicht je schuldenaar. Neen! Niet in de rede vallen, was onze afspraak. Jouw belangen zijn de mijne geworden; ik heb van het oogenblik af, dat het toeval mij je deed ontmoeten, mijn volle vertrouwen in je gesteld en toen reeds besloten je rijk te maken.

Noem het een gril, een dwazen inval, zoo je wilt; ik heb het recht grillen te hebben; mijn vermogen veroorlooft mij de weelde, wanneer het mij in het hoofd komt, dingen te doen, die de wereld dwaasheden of excentriciteiten noemt; misschien doe ik het juist daarom, ik heb er mij zelf nooit rekenschap van gegeven.

Een van die dwaasheden was, dat ik verleden jaar, voor een niet klein deel van mijn vermogen, bijna alle aandeelen opgekocht heb in twee runs in Queensland, het eigendom van een in Londen gevestigde maatschappij.

Ik wil je in het kort vertellen, wat ik te Londen en dezen morgen bij mijn agenten ben te weten gekomen; het laatste is tot mijn spijt niet veel goeds.

De „runs” beslaan gezamenlijk meer grondgebied dan de grootste provincie van je vaderland. Ze zouden volgens de ruwe berekeningen bij den inkoop twintig à vijf-en-twintig duizend schapen, eenige duizenden runderen, benevens een groot aantal paarden bevatten en jaarlijks groote winsten opleveren.

Mijn agenten in deze stad Bell & Co., die ik ten volle vertrouw, hebben me zooeven nauwkeuriger medegedeeld, hoe de zaken staan. De rekening, die mij voorgelegd werd, wijst eerder op verlies dan op winst. De oorzaak daarvan werd mij spoedig duidelijk gemaakt. De „managers”, hoofdbestuurders door de vroegere directeuren der maatschappij aangesteld, wisten, dat de aandeelhouders een halven aardomtrek ver zijn. Ze hebben klaarblijkelijk meer op hun eigen belangen gelet, dan op die der maatschappij, en getracht zoo spoedig mogelijk rijk te worden.

Die van de verst afgelegen run is voor eenige maanden spoorloos verdwenen, na den boel in het honderd te hebben laten loopen. De runderen zijn er verwilderd of gestolen; de schapen zijn ongeschoren gebleven, en reeds zijn eenige herders door de inboorlingen vermoord, de hoofdgebouwen geplunderd en in brand gestoken.

Aan die run is naar het oordeel der heeren Bell & Co. niets meer te doen, doch de andere kan nog gered worden.

In hoofdzaak werd mij de slechte toestand mijner bezittingen in deze streken naar Londen bericht, en dit deed mij besluiten mij persoonlijk daarvan te gaan overtuigen. Op zulke slechte tijding evenwel was ik niet voorbereid.

En nu kom ik tot mijn plannen. Mijn agenten raden mij ten sterkste af, mij bij den manager, Mr. Walebone, bekend te maken en rekening en verantwoording te eischen; de man zou zijn ontslag nemen en daar ik geheel onervaren ben in squatterszaken, was in dat geval de zaak verloren. Zoolang zijn eigen belang er mee gemoeid is, zorgt hij ten minste dat de zaken de waarde behouden.

Ik moet de juistheid van hun zienswijze erkennen en heb besloten incognito mijn goederen te bezoeken. William, mijn plan is voor een bloedverwant van je door te gaan.”

„Van mij?” kon Willem niet nalaten uit te roepen.

„Van jou; jij bent een jongmensch uit Amsterdam, geprotegeerd door Lord Greybury te Londen, en wenscht in het squattersbedrijf opgeleid te worden. Ik, Mr. Stake, te Brisbane woonachtig, kom je brengen en in de hoede van Mr. Walebone, den bestuurder, aanbevelen. Begrepen?”

„Volkomen wat de zaak, maar niet wat het doel betreft.”

„Dat is toch anders duidelijk. Een half jaar leertijd is voor een jongen als jij voldoende, om je op de hoogte te stellen van alles, wat er op Darlingstation en de geheele run te verrichten valt. Dan is die heer, die intusschen wel rijk genoeg zal zijn, om zijn ontslag te kunnen nemen, niet meer onmisbaar; en jij, gesteund en geholpen door eenigen uit de ondergeschikten, die je als vertrouwbaar hebt leeren kennen, neemt zijn plaats in.”

„Uitmuntend! heerlijk! maar—”

„Neen, ik vergeet niet, dat je niet om je zelfswil naar Australië bent gegaan, maar om de fortuin van je ouders te herstellen. Welnu, je hebt op reis achthonderd pond verdiend; van dat bagatelletje stel ik Mr. Walebone een klein gedeelte ter hand, als jouw fortuintje, waarvoor je aandeel in een of andere kudde schapen krijgt. Hij zal misschien trachten je te bedriegen, maar dat belet hem tevens je als staljongen te gebruiken. De rest blijft hier in Brisbane bij Bell & Co. tot je beschikking. Bovendien geef ik je van heden af twintig pond wekelijks, benevens een deel in de winst; ten minste wanneer er weder winsten gemaakt worden.”

Willem greep de hand van zijn weldoener.

„Neen, dank me niet; als de zaken gaan, zooals ik wensch en zooals zij nu gaan moesten, verdien ik er meer bij dan jij. Ik handel geheel uit eigenbelang.”

Lord Greybury wischte, vermoeid door het lange spreken, zijn voorhoofd af, Willem wist niet of hij waakte of droomde.

„Ik zou zoo gaarne zelf het geld naar huis gebracht hebben,” zei hij aarzelend.

„Maar dat kan immers nog geschieden; wacht daarmede dan een jaar, misschien zijn in dien tijd de zaken hier weer in orde. Ingeval je hier zonder geldmiddelen waart aangekomen, zou je immers ook niet op den eersten dag rijk geweest zijn. Je zult spoedig genoeg opmerken, mijn jongen, dat hier evenmin als in Europa het goud voor het oprapen ligt. Zulk goud bestond alleen in je jongensverbeelding. ’t Wordt nergens ter wereld door onbemiddelden zonder ontzaglijke moeite verkregen. Honderd arme jongelieden gaan hier in den strijd om het bestaan onder, tegen één, die op eerlijke wijze fortuin maakt.

Nu William, neem je mijn voorstel aan?”

„Van harte gaarne, Sir; iets echter is er, dat me hindert. ’t Is of u mij op een heusche manier geld in overvloed wilt schenken en alle mogelijke schijnambten zoekt, om mij het met nietsdoen te laten verdienen. Dat wil ik niet, betaal mij, zooals u ieder ander zoudt betalen, dan behoef ik mij niet te verwijten, dat ik een belooning aanneem, omdat ik u door een toeval het leven redde.”

„Neen, William, daarin vergis je je deerlijk. Ik heb je al gezegd dat ik in meer dan één opzicht je schuldenaar ben. Dubbel dank ik het toeval, dat ons saamgebracht heeft. Indien ik jou niet had, zou ik een ander moeten zoeken, wien ik minder zou betalen, maar dien ik ook eerst door ondervinding moest leeren kennen. Kom, laten wij er niet meer over spreken; als ik me rekenschap van mijn daden moet geven, geraak ik uit mijn humeur. Je hebt de betrekking of liever de compagnieschap aangenomen, en daarmee uit.

„A propos, ik heb dezen morgen al over je beschikt. Bell & Co. hebben wijselijk aan mijn verzoek, den manager op Darlingstation mijn komst bekend te maken, geen gevolg gegeven. Ik heb hem een brief geschreven, die een aanbeveling bevat van den directeur en éénigen aandeelhouder der United Australian Pastoral Co. Lord Greybury te Londen, voor William Roda, dien hij als squattersleerling op Darlingstation in de hoede van Mr. Walebone aanbeveelt. Deze brief is reeds verzonden met een tweede schrijven van de hand des heeren Bell; daarin wordt je aankomst te Brisbane gemeld, en verzocht, voor den bewusten leerling en voor Mr. Stake, zijn oom, die hem naar het binnenland vergezelt, paarden en een geleider te zenden. Wij reizen dien te gemoet en kunnen nog in deze week onze bestemming bereiken.”

Willem bleef een poos in gedachten verzonken. De uitkomst had zijn stoutste verwachtingen overtroffen. De illusies, die hij als dwaze, onervaren knaap had gevormd waren goed op weg werkelijkheid te worden. De toekomst van zijn ouders was verzekerd; zijn vader behoefde niet meer voor anderen te werken; zijn zuster—

„Ik heb nog een tweeden plicht te vervullen, vóór ik mijn nieuwe werkzaamheden begin. Ik heb een brief te bezorgen voor mijn zuster,” zeide hij, het papier uit zijne borsttasch te voorschijn halend.

„Dat heb je mij in Maastricht al verteld; ik dacht er zooeven nog aan. Laat mij het adres eens zien.... Hm, Ipswich, dat ligt nu juist niet op onzen weg; maar we hebben nog wel een dag te missen. Hoe oud is dat adres?”

„’t Was een half jaar oud, toen ik den brief kreeg en is dus nu bijna twee jaar.”

„Dan is het mogelijk, dat dat jongmensch in dien tijd naar Europa teruggekeerd is!”

„Mogelijk is het wel; waarschijnlijk echter niet. In alle brieven, die ik van huis ontvangen heb, heeft mijn zuster minstens een groet geschreven. Ze zoude er mij met een enkel woord van in kennis gesteld en mij van de opdracht ontslagen hebben.”

„Nu, goed; we zullen zoeken. We vertrekken nog dezen avond; de muskieten laten ons nu al geen oogenblik met rust, daaruit valt op te maken, welk onthaal ze ons nieuwelingen van nacht zullen bereiden. Ipswich ligt een uur of tien landwaarts in, misschien zijn die gezellige diertjes daar in minder groot getal aanwezig of ten minste niet zoo menschlievend.”

De daad werd bij het woord gevoegd. De sneltrein bracht hen naar Ipswich. De muskieten bleken daar evenwel even goede bloedproevers te zijn als te Brisbane; zoodat de reizigers er reeds vroeg uit de veeren waren en hun onderzoekingstocht begonnen.

De straten van Ipswich boden ongeveer hetzelfde schouwspel aan, als die te Brisbane; de huizen waren evenwel nog voor het meerendeel van hout, het aantal komende en gaande ruiters en knarsende wolkarren nog grooter en het plaveisel nog slechter. Troepen inboorlingen, meest vrouwen en kinderen, lagen op de hoeken der straten en onder de luifels der huizen te rooken of zongen op eentonige wijze een onverstaanbaar deuntje.

Lord Greybury, van nu af aan Mr. Stake, stapte eerst zwijgend naast Willem voort, maar scheen langzamerhand met zijn lordschap ook zijn stilzwijgendheid af te leggen. Hij begon opnieuw een gesprek.

„Als we het geluk hadden, dat jongmensch te ontdekken, en we hem soms in minder gunstige omstandigheden aantroffen—wat wel eens de oorzaak van zijn stilzwijgen tegenover je zuster kon wezen—zou er wel iets voor hem te doen zijn.

Bij Bell & Co. is het grootste gedeelte der klerken door de goudkoorts aangetast. De gehuwden zelfs hebben geen weerstand kunnen bieden, vertelde mij een mijner agenten. Ze hebben een zekere toekomst verschopt voor het gevaarlijke en onzekere goudzoeken in de binnenlanden. Een enkele is reeds arm en beroofd teruggekomen; zijn gezondheid is te erg geschokt, om zijn vroegere werkzaamheden te hervatten. De meesten van die ongelukkigen, verlokt door een enkelen kennis, die, misschien als één op de duizend, een fortuin in de goudvelden vond, verdwijnen spoorloos; evenals een tiental jaren geleden, toen voor het eerst goud in Victoria werd ontdekt.

Als Borgers lust heeft, kan hij hier een winstgevende betrekking vinden. Of wat misschien nog beter is, als jij voor hem instaat, kan hij ook als squattersleerling naar Darlingstation gaan. Dan is er nog mogelijkheid in dit jaar de tweede verwaarloosde run weer te bevolken.”

Willem gaf geen antwoord, een donker vermoeden rees bij hem op. Als Herman ook eens naar de goudvelden was gegaan?

„Willem, je kunt toch wel paard rijden?” vroeg de Engelschman eensklaps.

„Ik? Wel neen! Ik heb wel eens op onze paarden door den stal gereden of een eindje in de stille straat, waarop ons koetshuis uitkwam, maar meer niet. En dat waren koetspaarden; rijpaarden hielden we er niet op na; ik zou het volgend jaar een ponny gekregen hebben.”

„Dan zullen we onmiddellijk twee paarden koopen!”

„Maar ik zeg u immers, dat ik niet rijden kan!”

„Dan moet je het dadelijk en al doende leeren. Hoe wil je anders op Darlingstation komen?”

„Dat is waar ook, daaraan had ik niet gedacht.”

„En de paarden, die men ons tegemoet zendt, zijn misschien niet van de makste.”

Willem wist reeds uit de beschrijvingen, die hij op de boot gelezen had, dat de paarden op de stations niet gestald worden en, indien men ze noodig heeft, worden opgevangen. Het woordje „misschien” had dan ook gevoeglijk kunnen wegblijven.

Paardenkoopers waren er in Ipswich genoeg, evenveel als kroeghouders en meer dan bakkers.

Lord Greybury, een kenner, zocht een paar fraaie merries uit; Willem besteeg de makste. Ook Pollo scheen het niet te bevallen, dat zijn meester zoo opeens van voetganger tot ruiter was verheven, en sprong met woedend geblaf tegen het paard op. Gelukkig voor Willem scheen het dier aan dergelijke vriendelijkheden gewend te zijn, althans het nam er niet de minste notitie van. Eerst toen de hond het haar te lastig maakte, en haar in de voorpooten trachtte te bijten, hapte de merrie hem even in den staart, wat hem jankend beenen deed maken. Hij schikte zich nu in het onvermijdelijke en draafde op korten afstand achter de paarden aan.

Onze ruiters bereikten het bankierskantoor, waar volgens het adres Herman Borgers werkzaam was geweest.

„To the diggings!” (naar de goudvelden), was het korte en norsche bescheid van een der chefs.

De portier was spraakzamer:

„Een jaar geleden is hij nog eens teruggekomen; ik denk, om het restant van zijn kapitaaltje te halen, en spoedig daarop weer vertrokken. ’t Is jammer van den vent, ’t was een beste jongen; maar hij is de eenige niet!”

Magere troost voor Willem! De goudvelden waren meer dan een maand reizen verwijderd en lagen over een groote uitgestrektheid verspreid. Bovendien, iemand te vinden onder die duizenden, die elkander niet kenden en onophoudelijk heen en weder trokken, was een onmogelijkheid.

Teleurgesteld, en om zijn zuster in ’t hart bedroefd, liet Willem zuchtend het hoofd hangen.

„Voor ’t oogenblik is er niets aan te doen. Laat den moed evenwel niet zinken, William. Ik hoop eenige weken gastvrijheid op Darlingstation te genieten, daarna blijf ik nog minstens een half jaar in de kolonie. Werkeloos te Brisbane blijven is mijn plan en mijn aard niet. Ik heb reeds lang gehoopt de goudgravers eens aan ’t werk te zien; daaraan zal ik nu gevolg geven en dan tevens al het mogelijke doen om Herman Borgers op te sporen. Als hij leeft en nog in Queensland is, zal ik hem wel vinden, en dan is ook zijn fortuin gemaakt.”

„Daar twijfel ik niet aan; u heeft den sleutel om alle deuren te openen!” riep Willem opgebeurd uit.

Hij keek zijn reismakker eens oplettend aan; nog nooit had deze zoo openhartig met hem gesproken als in de laatste twee dagen. Dit gaf hem den moed een vraag te doen, die hem op de lippen brandde.

„Mijnheer, wat beweegt u toch nu weer voor dien jongen man te doen, wat u reeds voor mij gedaan heeft? Hij is u immers geheel vreemd?”

Een lichte blos kleurde een oogenblik de bleeke wangen van den Engelschman. Half onwillig antwoordde hij:

„’t Is een gril. Ik heb u immers reeds gezegd, dat ik doe wat het oogenblik mij ingeeft.”

Willem schrikte van den norschen toon, waarop die woorden gesproken werden.

„’t Was mijn bedoeling niet, u te krenken, Sir!”

„Neen, dat begrijp ik wel, maar vraag me niet weder naar de reden van mijn doen en laten!”

Er was tot Willems spijt een spanning ontstaan; zijn reisgenoot maakte er na een poosje echter een eind aan door veel zachter en vriendelijker te hernemen:

„Die Herman Borgers is immers naar Australië gegaan, toen door het faillissement van je vader, zijn huwelijk met je zuster onmogelijk werd?”

„Juist, mijnheer, dat heb ik u al verteld!”

Willem verwachtte, dat Mr. Stake voort zou gaan, maar er kwam niets meer, en hij wachtte zich wel, opnieuw te vragen.

Ze waren intusschen reeds een eindweegs buiten de stad gekomen. De vlakte rondom hen moest vroeger een bosch geweest zijn; thans waren alleen nog de stompen der boomen boven het korte gras zichtbaar. Stammen en takken hadden ongetwijfeld tot brandhout en tot het bouwen der huizen gediend.

De ruiters keerden naar de stad terug. Willem was blij te kunnen afstijgen: het rijden deed hem geweldig pijn.

„We moeten nog heden voor uw uitrusting als squatter zorgen,” zeide Mr. Stake na het middagmaal. „Morgen vroeg gaan we op reis, de bush in, de ons gezonden paarden te gemoet.”

HOOFDSTUK XIV.

De zon was pas opgekomen, toen Willem en Mr. Stake reeds bij de gepakte en gezadelde paarden stonden te wachten.

Een stalknecht uit het hôtel, een ervaren „bushman”, zou hun tot gids verstrekken, totdat iemand van Darlingstation het geleide kwam overnemen.

Willem droeg een zeemleeren broek, een flanellen hemd en een grooten koolpalmhoed, waarvan de breede rand niet alleen het gelaat maar ook den nek en de schouders beschaduwde. Een fraai geweer van het nieuwste stelsel hing in een foedraal naast zijn zadel en een paar ruiterpistolen staken in de holsters. Ook Mr. Stake en de gids droegen bushkleeding en waren behoorlijk gewapend. De paarden waren beladen met opgerolde dekens, tinnen potten en kannen en alles wat voor een lange reis in een onbewoonde streek noodig kon zijn. Een vierde paard droeg de levensmiddelen. Behalve Pollo galoppeerden nog twee honden van den stalknecht vooruit.

Eenige uren had het gezelschap langzaam doorgereden. De palissaden, die de verkochte en gedeeltelijk bewoonde gronden omheinden, werden schaarscher. Toen men de laatste bereikt had, hief de gids van blijdschap een vervaarlijk geschreeuw aan en zwaaide zijn hoed boven het hoofd.

Zijn paard gaf door een luid gehinnik te kennen, dat het de vrije natuur ook wist te waardeeren en zette het zonder aansporing in een stevigen galop.

Willem en Mr. Stake keken elkander verwonderd aan, maar moesten den gids wel volgen in zijn halsbrekende vaart; hun paarden gingen ongenoodigd den vooruitijlenden makker na. Vooral Willem zette een angstig gezicht; gelukkig zat hij stevig vastgesjord tusschen de opgerolde dekens en een pak kleeren; ten overvloede klemde hij zich aan de manen van het hollende rijdier vast. Hij behoefde dus niet bang te zijn zandruiter te worden, maar gevoelde zich toch niet prettig gestemd.

Langzamerhand echter, toen hij zag, dat er weinig gevaar bij was, schikte hij zich onderworpen in zijn lot en liet, toen hij een spottenden blik van den gids ontving, de manen los.

De weg, dien de ruiters volgden, was door het gebruik ontstaan; de boomen, die den eersten reiziger in den weg stonden, waren geveld en het gras en de struiken waren van lieverlede onder de voeten van menschen en dieren voor het grootste gedeelte verdwenen. Diepe wagensporen bewezen, dat ook de zwaar beladen wolkarren langs dezen weg uit het binnenland naar de kuststeden werden geleid.

Zoover het oog reikte, strekte zich aan weerszijden een golvende, met hoog gras bedekte vlakte uit, op enkele plaatsen afgewisseld door een bosch met verbazend hooge rechtstammige boomen. In het verschiet, wat meer naar links, vertoonden zich in blauwe, nevelachtige omtrekken de toppen van een bergketen.

Tot Willems vreugde gingen de paarden spoedig in een meer bedaarden tred over. Van mennen was evenwel bij de dieren geen sprake. Wanneer een er lust in had, bleef het staan, snuffelde in de struiken langs den weg, maaide hier of daar een grasscheutje of het loof van een jongen boom weg, en haalde met een paar sprongen de overigen weer in.

Van tijd tot tijd reed een wagen met zingende of drinkende goudgravers en werklieden in snelle vaart voorbij, of haalde men terugkeerende voerlieden met hun ossenwagens in.

Ook reed men een paar malen dwars door een onafzienbare kudde schapen.

Tegen den middag bereikte men een waterplas, dicht bij den weg gelegen. De boomen rondom waren gekapt en talrijke hoopen asch bewezen, dat deze plaats meermalen tot kampplaats voor reizigers had gediend. Leege jampotten en theebussen, kreeften- en sardinenblikken lagen te midden van gebroken zadels, versleten laarzen en jeneverflesschen.

De ruiters stegen af. De paarden, ontladen en ontzadeld, werden aan de voorpooten gekluisterd en verder aan hun lot overgelaten. Ze strompelden weg, wentelden zich naar hartelust in het hooge gras of speelden krijgertje met de honden.

Willem en de gids gingen hout kappen, waarvoor ze tamelijk ver moesten loopen. Aan Mr. Stake viel de taak ten deel, intusschen water te scheppen in de blikken ketels, en uit den meegebrachten voorraad de benoodigdheden voor den maaltijd klaar te zetten.

Drie vuurtjes knapten vroolijk onder de blikken kannen en de reizigers vlijden zich neder in het gras, in afwachting dat de thee gereed zou zijn.