Part 16
Ieder der toehoorders beijverde zich, haar op kiesche wijze zijn gave over te reiken. Hoewel ieder geldstuk vergezeld ging van een vriendelijk woord, was het toch aan hare verlegen houding en den blos op haar gelaat duidelijk merkbaar, dat ze er niet aan gewoon was en het haar pijn deed, met geld beloond te worden.
„Ik dank u voor mijn vader,” lispte ze telkens met neergeslagen oogen.
Lord Greybury had, terwijl het meisje hare hoorders door zang en voordracht in verrukking bracht, met onverstoorbare kalmte zijn Times gelezen, althans hij had er de oogen niet van afgewend.
Nu de menschen om het meisje heendrongen, en haar zilver in de hand stopten, wierp hij van tijd tot tijd een steelschen blik over den rand van zijn reusachtig nieuwsblad, en die blik versterkte hem in zijn vermoeden, dat hij niet met een gewone liedjeszangster te doen had, maar met een meisje, dat door den nood gedrongen, het kloek besluit had genomen, haar kennis en haar gaven te gebruiken, om haar ouden vader, wellicht een verarmd edelman, voor gebrek te behoeden.
Eenige Leidsche studenten, die van geestdrift voor de schoone zangster blaakten, had de schijnbare onverschilligheid van den lezenden Engelschman reeds lang geërgerd.
„Zou je zoo’n kouden kikvorsch de krant niet uit zijn lange vingers slaan?” zeide een van hen zoo hard, dat de omstanders het hoorden; ook Willem hoorde het en ging angstig bij zijn meester staan; deze moest het ook wel verstaan hebben, hoewel geen spier van zijn gelaat er iets van verried.
De student, aangemoedigd door uitroepen van zijne medereizigers, werd driester en ging op den Engelschman toe. Een kring van nieuwsgierigen sloot zich om hem heen.
„Staat er zooveel nieuws in de krant, oude heer, dat ge geen oogenblik tijd hebt om te luisteren?” vroeg hij brutaal, en klopte den Lord op den schouder.
Deze gaf geen antwoord, keek evenmin den student aan, vouwde dood bedaard de krant op, nam een banknoot van honderd pond uit Willems tasch, en schreef er met potlood achterop, zoodat de student, die vrijpostig over zijn schouder keek, het lezen kon:
„Voor uw vader, en zing ten minste in dezen zomer alleen voor uw genoegen!”
Beschaamd droop de student af, en groette beleefd. Toen Willem het meisje het gevouwen briefje overgaf, zocht een blik van onuitsprekelijke dankbaarheid den man, die in haar ziel had gelezen; deze echter was reeds weder achter de opnieuw ontvouwde krant verscholen. Aan de eerstvolgende aanlegplaats verliet de zangster met haar vader de boot.
’t Was reeds donker, toen men te Bingen aankwam en onze reizigers aan wal stapten.
De Lord besloot daar niet te overnachten, maar naar Mainz te sporen, om van den nachttrein naar Bazel gebruik te maken. Men moest zich haasten, wilde men nog voor het vertrek aan het station zijn.
Pollo, die op de boot vrij had mogen rondloopen, en van de kinderen aan boord, die onbevreesd met hem solden en dartelden, menig klontje had gekregen, werd, hoe hij ook jankte, evenals te Maastricht voor langen tijd in een mand gesloten en in den bagagewagen geschoven.
Te Mainz nam Willem en de Engelschman in den slaapwagen plaats, en geen van beiden ontwaakte, voor ze de plaats hunner bestemming hadden bereikt.
In de ontbijtzaal van het hôtel, waarheen Pollo en de bagage gebracht werden, waren nog weinig gasten, toen Willem en zijn reisgenoot binnentraden. Lord Greybury scheen dezen morgen wat minder afgetrokken te zijn dan gewoonlijk, want hij vertelde Willem, zonder echter veel woorden te gebruiken, dat hij zonder ergens langer te vertoeven dan noodig was, zijn reis zou voortzetten, en tevens welken weg hij dacht te nemen. Willem hoorde nu voor het eerst, dat Lord Greybury te Londen eigenaar was geworden van uitgestrekte „stations” in Queensland met duizenden stuks vee, en dat hij eens met eigen oogen zijn bezittingen wilde zien, en het beheer op de plaats zelf ging regelen.
Willem wenschte niets liever dan het land, waarvan hij nu reeds een jaar lang droomde, zoo spoedig mogelijk te bereiken. Ook de brief van zijn zuster zou dan eindelijk zijn bestemming bereiken. Zijn gedachten dwaalden af naar de verre landen en weer terug naar Amsterdam, zoodat hij niet eens bemerkte, dat twee heeren zich tegenover hem hadden neergezet.
Toevallig keek Willem op—en verbleekte.
„De schooier,” gilde hij verschrikt, en sprong achteruit, zoodat een stoel omviel. De mannen tegenover hem waren Walling en zijn zoon.
Ook zij schrikten nu op en herkenden Willem, die zichzelf verraden had.
Een grijnslach van voldoening en leedvermaak vertoonde zich op het gelaat van den ouden Walling, toen hij Willems ontsteld gelaat zag.
„Eindelijk,” grinnikte hij, „nu zullen we eens zorgen, dat de vogel weer in het kooitje komt.”
Lord Greybury had onmiddellijk alles begrepen; hij tikte den heer Walling, die zich driftig wilde verwijderen, op den schouder en verzocht hem even alleen te mogen spreken. Op verzoek van den Engelschman opende de „Oberkellner” buigende de deur van een zijkamer voor de heeren.
„Mag ik u verzoeken mij te zeggen, wat u met Willem Roda voorheeft, mijnheer?” zoo begon Lord Greybury beleefd, zoo goed mogelijk Hollandsch sprekend.
„Mag ik u verzoeken mij te zeggen, wat u dat aangaat?” antwoordde Walling minder beleefd.
„Willem Roda is mijn reismakker!”
„Dan moet ik u zeggen, dat uw reisgezelschap niet van de allerfijnste soort is. Weet u wel, mijnheer, dat uw heertje niets meer of minder is dan een voortvluchtige gevangene, die wegens een poging tot moord...”
„Ik weet alles, mijnheer!”
„Dan is ’t hier ook zeker, zooals ’t spreekwoord zegt: „soort zoekt soort.”
Lord Greybury begreep de beleediging volkomen, maar liet het niet blijken, en vroeg langzaam en kalm:
„Wat denkt u te doen, mijnheer?”
„Dat zijn eigenlijk uw zaken niet, maar het is anders zeer natuurlijk. Ik laat hem door de politie aanhouden en telegrafeer naar Amsterdam. Heeft u nog meer te vragen?” vroeg Walling, ging naar de deur en legde de hand op den knop. Lord Greybury stond in stijve houding bij de tafel, waarop hij de eene hand plat had neergelegd, en streek met de andere de lange, vlasachtige bakkebaarden glad.
„En wat kan u van dat plan, dat u geen voordeel geeft, doen afzien?” vroeg hij uiterst langzaam en eentonig.
„Niets!” beet Walling hem toe.
„U heeft kosten gemaakt tijdens de ziekte van uw zoon. Ik geef u vijftig pond!” herneemt de Engelschman zonder Walling aan te zien.
„Je wilt mij omkoopen? Neen, brommen zal hij, al zou het mij vijftig pond kosten. En in een gevangenis, niet weer in een verbeterhuis, daaruit kunnen ze zoo gemakkelijk niet ontsnappen.”
„U heeft ook reiskosten voor uw zoon gehad. Laat Willem Roda vrij en ik geef u honderd pond, dat is twaalfhonderd gulden!”
„Dacht je dat ik niet wist, hoeveel honderd pond is? Neen, ik laat hem niet vrij, al was het alleen om zijn vader,” roept Walling en opent driftig de deur.
„Tweehonderd pond!”
Walling weifelt in de deur. „Neen!”
„Driehonderd pond!”
„Walling sluit de deur. „Jij hebt er zeker belang bij, oude; wie weet wat jij op je lever hebt; maar ik doe het niet!”
„Vijfhonderd pond.”
Walling laat de deurknop los. Hij strijkt met de hand door het haar en ziet den Engelschman met groote oogen aan.
Deze kijkt echter hardnekkig naar de zoldering en klopt met de punt van zijn laars op het tapijt.
„Ik doe het niet!” schreeuwt Walling, en slaat met de armen van zich af, als worstelde hij tegen een onzichtbaren vijand.
Hij wankelt naar de deur.
„Duizend pond,” zegt Lord Greybury op ijskouden toon.
Wallings oogen fonkelen.
„Geef op!” sist hij tusschen de tanden.
Terwijl Lord Greybury met den ouden Walling onderhandelde, zat Willem in duizend angsten tegenover den zoon.
Hij geloofde niet, dat de Lord den opvliegenden man tot stilzwijgen zou kunnen bewegen, en zag zich reeds door de Zwitsersche politie achter slot gebracht, om in de vreemde gevangenis het bevel tot opzending naar Nederland af te wachten.
Albert Walling bemerkte, hoe de angst van zijn voormaligen schoolmakker zich op diens gelaat afteekende. Over de tafel heen stak hij Willem zijne hand toe en fluisterde:
„Willem, het was alles mijn schuld! Ik zal zorgen, dat vader je niet laat arresteeren!”
„Dank, hartelijk dank, Albert,” antwoordde hij, met een zucht van verlichting diens hand drukkende, „maar het was mijn schuld, ik had niet zoo driftig....”
„En ik had je niet moeten sarren; maar we waren toen beiden nog kwâjongens!”
„Dat waren we; maar ik ben zeer veranderd. Ik heb een goeie les gehad!”
„En ik niet minder. Ik ben ook niet meer dezelfde van vroeger. Wat dunk je er van, Willem, als we hier eens vriendschap sloten?” vervolgde Albert Walling, na een oogenblik zwijgens om de tafel op Willem toetredend.
„Mijn hand er op!”
„En de mijne! Wees gerust, van nu af zal vader je geen strootje meer in den weg leggen.”
De beide jongelui stonden nog hand in hand, toen Walling met den Engelschman binnenkwam.
Een blik op Wallings gelaat overtuigde Willem, dat hij ook van de zijde des vaders geen gevaar meer te vreezen had; toch trok de oude heer zijn wenkbrauwen samen, toen hij zijn eigen zoon en dien van den gehaten Amsterdamschen bankier vertrouwelijk naast elkaar zag staan.
Albert trad op zijn vader toe, en zeide op beslisten toon, terwijl hij hem veelbeteekenend aanzag:
„Willem Roda en ik zijn voortaan vrienden, vader!”
„Zoo,” antwoordde Walling kortaf, „dan hebben we hier niets meer te maken. We gaan onmiddellijk verder op naar het Noorden.”
„En wij naar het Zuiden,” zei Lord Greybury en verliet de ontbijtkamer, zonder Walling te groeten: hij gaf Willem een wenk hem te volgen; want het voorval begon opzien te baren.
Willem wisselde nog een handdruk met Albert Walling. Hij groette ook den vader, doch deze achtte het beneden zich dien groet te beantwoorden. Walling liet zijn zoon in den waan, dat hij om zijnentwil Willem vrij liet gaan, en Lord Greybury vertelde zijn reisgenoot ook niet, wat de reden van ’s mans goedgunstigheid was.
Eenige uren later stoomden beiden over bergen en dalen, dwars door het onvolprezen Zwitserland.
HOOFDSTUK XIII.
Blauwe meren met donkere, rotsige oevers,—grauwe bergen met glinsterende sneeuwtoppen, zwarte, grijnzende afgronden en malsche lachende bergweiden,—klaterende watervallen en bruisende bergstroomen zweefden in gedurige afwisseling voorbij; het dichtstbijzijnde in snelle vogelvlucht; wat veraf was, langzaam en statig, in zacht draaiende beweging.
Half uit het raampje van den voortsnellenden wagen gebogen, genoot Willem de verrukkelijke en tegelijk indrukwekkende schoonheid van het Alpenlandschap. De lust bekroop hem eens uit te stappen en een dier sneeuwgevaarten te beklimmen, wier blinkende toppen boven een krans van donkere wolken uitstaken; Lord Greybury had hem echter ten tweeden male zijn vast besluit medegedeeld, nergens langer te vertoeven, dan hoog noodig was. De ontmoeting met Walling scheen hem afkeerig gemaakt te hebben van een langer verblijf in Europa.
Een schel fluitje—en plotseling wordt het bekoorlijke, zonnige landschap door diepe duisternis vervangen; een vunzige grondlucht dringt door de geopende raampjes; men hoort ze in alle waggons haastig dichttrekken.
De trein vaart met een verdoovend geraas door de ingewanden der aarde; de duisternis is zoo diep, dat ze Willem onmiddellijk aan den Pietersberg herinnert. Eindeloos lijkt hem de tocht door den zwarten tunnel, waarin de trein schijnt op en neer te springen in plaats van voort te gaan, tot een voorbijschietende vonk, het seinlicht van den wachter, of de lantaarn op een mijlpaal, zijn snelle vaart bewijst.
Een zwakke schemering, en onmiddellijk daarna het verblindend licht van zon en sneeuw! De raampjes vliegen open, in een oogwenk verjaagt de zuivere bergwind de duffe lucht, en voort gaat het weer, rijzend en dalend, langs scheuren en kloven.
De spoortrein schiet in ijzing- en duizelingwekkende vaart vooruit; de weg schijnt sterk en aanhoudend te dalen.
„De Povlakte!” klinkt het uit den mond van een der medereizigers. Zelfs Lord Greybury neemt de moeite, over Willems schouder een blik uit het raampje te werpen.
Daar in de diepte ligt ze, de schoone, groene vlakte; een tapijt van smaragd, doorvlochten met blinkende linten; nu eens verdwijnt ze achter een rotsblok, dan weer achter een dennenbosch, om een oogenblik later, en telkens grooter en duidelijker zichtbaar weer te verschijnen.
Reeds stoomen ze door de vlakte; als een reuzenmuur rijzen achter hen de Alpen ten hemel.
„Milano! Mailand! Milan!” roepen de conducteurs.
Willem en zijn reisgenoot verlieten den trein, om in een anderen te stappen, die hen naar Venetië bracht. Ook van de stad der kanalen kreeg hij tot zijn spijt weinig te zien. Nog denzelfden avond van hunne aankomst voerde een stoomboot hen over naar Triëst, waar Willem den volgenden morgen hutten besprak op de „Frans Joseph”, een stoomer van de Oostenrijksche Lloyd, die voor Port-Saïd, aan den Noordelijken mond van het Suez-kanaal, bestemd was.
Eén dag hadden zij, om uit te rusten van hun vermoeienissen en zich voor te bereiden op de groote zeereis.
De „Frans Joseph” lichtte het anker en weldra flikkerden achter hen de tallooze strandlichten op de wild verbrokkelde Dalmatische kust.
In den morgen van den tweeden dag doemde Korfu, het eerste der Jonische eilanden, uit den nevel op. Willems peinzende blik weidde langs de stranden, waar de helden der Grieksche sagen hun avontuurlijk leven hadden geleid. Die grijze streep, daar achter dat groote eiland, is Ithaka. Hoe menigmaal waren tijdens de schooluren, bij het lezen dier heldendaden, zijn gedachten afgedwaald naar het land, waar Odysseus woonde; dan bezielde hem de hoop nog eens in zijn leven die kusten te mogen aanschouwen.
Nu voer hij dicht langs het Grieksche strand, doch aan landen viel niet te denken. Wel wierpen de matrozen een paar maal het anker uit, maar slechts om haastig eenige balen en kisten te laden of te lossen.
Kandia kwam in zicht; de rotsachtige zuidkust stak scherp tegen den blauwen hemel af. Na een voorspoedige reis van vier dagen ankerde de stoomboot tusschen de duizenden meters lange hoofden, die de haven van Port-Saïd en den mond van het Suez-kanaal vormen.
De „Sydney”, een Engelsche boot op reis naar de stad van denzelfden naam aan den Stillen Oceaan en juist aangekomen, nam de reizigers voor Indië en Australië over, en vertrok na een oponthoud van weinige uren.
Lord Greybury was tevreden met het lot, dat zijn reisplannen begunstigde. Ook Willem voelde weinig spijt, niet langer in Port-Saïd te kunnen blijven, waar alleen de bonte mengeling van Arabieren en Egyptenaren, Turken, Negers en Europeanen een poos zijn aandacht boeide.
Langzaam stoomde de Sydney door het Suez-kanaal. In de Roode zee werd de hitte ondraaglijk, zoodat door de meeste passagiers ook de nacht aan dek werd doorgebracht. Met blijdschap zagen zoowel de reizigers als de equipage de kale oevers elkander meer en meer naderen, en de zee zich vernauwen tot de smalle straat Bab-el-Mandeb. Perim, een naakte lavaklomp, van welks hoogten de Engelsche vuurmonden dreigend neerzagen, versperde den weg. Door de nauwe opening, die het rotsnest vrijliet, zette de steamer koers naar Aden, waar hij weldra het anker uitwierp.
Het oponthoud in de haven bracht er weinig toe bij, de reis te veraangenamen. De hitte was er nog grooter dan in de Roode zee, geen koeltje was er merkbaar, de haven geleek een brandende oven; het pek en de teer van touwen en planken werd vloeibaar. De stad zelf zag er even onverkwikkelijk uit. De vierkante, witte huizen lagen als groote, kalken dobbelsteenen op het zwarte kolengruis van het strand, en kaatsten met de naakte kalkbergen op den achtergrond om het hardst de zonnestralen terug.
Een gedrukte stemming heerschte onder de reizigers; lusteloos en gemelijk, zichzelven tot last, lagen ze onder de zonnetent te blazen, en wischten zich onophoudelijk de droppels van het voorhoofd.
Eerst toen de „Sydney” het kolenstation verliet en weer in het ruime sop kwam, week de matheid en loomheid; een stijve koelte schonk verademing en weldra bewezen gelach en gezang, dat de opgeruimdheid aan boord was teruggekeerd.
Na een gelukkige reis van tien dagen—waarvan het nog geen uur onmogelijk was aan dek te vertoeven,—riep de matroos op den uitkijk: „land!”
Aller oogen tuurden in de aangeduide richting. Met behulp van een zeekijker kon men aan den Oostelijken gezichteinder een kegelvormige hoogte ontdekken. Willems ongewapend oog zocht echter lang te vergeefs; maar de kegel werd gaandeweg grooter en hooger: het was de Adamspiek: de grijze streep aan zijn voet, de kust van Ceylon.
Nu is het eiland duidelijk zichtbaar. Welk genot voor het oog, dat zich zoolang met lucht en water of kale kalkrotsen moest vergenoegen, de tropische plantenwereld in al haar weelde te aanschouwen. Breed gekroonde platanen versieren het strand tot waar de zee hun voet met schuim bespat. Boven de sierlijke, tengere kaneelboomen wuiven er tamarinden en bananen, op hun beurt overschaduwd door de wiegelende kruinen der hooge palmen. De cocospalm vormt er langs de kust wouden van verscheidene dagreizen lengte; daardoor geleek van de boot af gezien, het Oostersch Sicilië een drijvend woud, uit welks midden de Adamspiek verrijst, die zijn top in de wolken verbergt.
Op de reede van Columbus ankert de „Sydney”, de passagiers voor Bombay en Calcutta gaan op andere booten over. Terwijl hun goederen gelost en weer andere geladen worden, hebben de reizigers naar Australië tijd, zich een poosje aan wal te gaan vertreden.
Willem en Lord Greybury stapten in een der prauwen, die in groote menigte om het schip zwierven. Met forsche riemslagen doet de Hindoe het lichte vaartuig over de watervlakte vliegen en zet hen aan wal. Een bonte menigte wemelt door de belangwekkende Oostersche stad. Trotsche Parsen wandelden in witte, wijde mantels te midden van benden schreeuwende, naakte koelies en zwoegende Maleiers; Arabische venters dringen den Europeaan van allerlei nationaliteit hun snuisterijen op. Singhaleezen schrijden vol waardigheid met de hand op den sabelknop, langzaam voort. ’t Bedrijvig tooneel, hoe boeiend ook bij den eersten aanblik, vermoeide spoedig.
Lord Greybury begaf zich naar het telegraafkantoor en seinde naar zijn agenten te Brisbane, dat hij in aantocht was, om zijn zaken in persoon te regelen; hij verzocht hun de bestuurders van zijn „station” in het binnenland van zijn komst te verwittigen. Willem zond zijn ouders bericht van zijn behouden aankomst op Ceylon.
Den volgenden dag wonden de matrozen den ankerketting op, en de „Sydney” wendde den steven naar het Zuiden. Na eenige dagen stoomens werd den passagiers op plechtige wijze aangekondigd, dat men zich binnen weinige minuten onder de linie zou bevinden. Alle opvarenden verzamelden zich op het dek, om den stuurman met zijn instrumenten. Op het juiste oogenblik wenschte de kapitein hen in een korte toespraak een voorspoedige reis en heette hen welkom in ’t Zuidelijk halfrond; waarna een matroos de fooien voor zich en zijn kameraden kwam inzamelen. Aan een Neptunusdoop werd op het deftige Engelsche schip niet gedacht.
De eerste dagen na het passeeren van de linie boden nog eenige afwisseling door het vangen van een haai, een tooneelvoorstelling en dergelijke uitspanningen meer. Spoedig evenwel kwam de vijand aan boord, die op een lange zeereis en vooral op eene stoomboot zelden wegblijft, namelijk de verveling.
De meeste passagiers liepen van boven naar beneden, van de rookzaal naar den salon en van daar weer naar de hutten, zonder ergens iets te vinden, dat hun aandacht boeien en den lastigen vijand verdrijven kon; ze maten zwijgend met groote schreden het dek en tuurden telkens, als ze den voorsteven naderden naar ’t Zuiden, ofschoon ze met zekerheid wisten, dat in de eerste tien dagen nog geen land te zien zou zijn. Sommigen verlangden zelfs heimelijk naar een niet al te hevigen storm; het eindeloos mooie weer werd onuitstaanbaar vervelend.
Willem doodde den tijd door alle reisbeschrijvingen van Australië te lezen, die in de scheepsbibliotheek te vinden waren, of leerde Pollo, die de lieveling der matrozen was geworden, kunstjes op het dek. Lord Greybury had zich te Colombo een geheel pak Engelsche en Indische kranten aangeschaft en las nu, oudergewoonte, zwijgend het eene blad na het andere.
Eindelijk kwam er afwisseling. Men naderde de koraalriffen; nu eens was het een boomloos cirkelvormig eilandje, dat zich als een groene weide slechts even boven den waterspiegel verhief, dan weder een kale, grillig gevormde rots. Op sommige plaatsen was het water zoo helder, dat men tot op den bodem de koraaltakken kon zien, waartusschen visschen van zonderlingen vorm en prachtige kleuren krijgertje speelden.
„De heads in zicht!” klonk het van boven uit den mast.
Alles stormde nu naar voren. In de verte waren twee rechthoekige rotsen zichtbaar. ’t Waren de natuurlijke hoofden voor de haven van Sydney. Men naderde het einddoel der reis. Nu ontstond er een gewoel en gedraaf aan boord, dat hooren en zien verging. De passagiers liepen elkander in hun haast bijna omver onder het bij elkander zoeken hunner bagage.
Uren te vroeg stonden allen reeds gepakt en gezakt, zoodat men zich opnieuw begon te vervelen. Tot tijdverdrijf ging men weddenschappen aan over het juiste oogenblik, waarop de boot tusschen de hoofden zou doorstoomen. Eerst om een paar shilling; toen het wat lang duurde om steeds hoogeren inzet, zoodat in een paar uur tijds er eenige honderden ponden gewonnen en verloren werden. Een goed deel van de winst gleed in de wijde zakken van de stuurlui, die den voorzichtigen en minder eerlijken wedders menigen goeden raad hadden ingefluisterd.
Willems eerste werk na de landing was naar Amsterdam te telegrapheeren, om zijn aankomst bij de tegenvoeters te berichten.
Maar daarmede was het doel van de reis nog niet bereikt.
Pas waren ze in de schoone hoofdstad van Nieuw-Zuid-Wales aangekomen, of een andere boot nam hen op en zette hen, na twee dagen stoomens langs de kust aan land, te Brisbane, de hoofdstad van Queensland; daarmede was tot Willems blijdschap de zeereis geëindigd.
Terwijl Lord Greybury met zijn agenten zijn zaken besprak, wandelde Willem, door Pollo op den voet gevolgd, de stad door.
Zoo had hij dan eindelijk de plaats bereikt, waarop hij in De Kruisberg reeds zijn hoop gevestigd had.
Maar hoe verschilde nu zijn toestand van dien, waarin hij dacht te zullen aankomen. Destijds zag hij zichzelf, in zijn droomen, als een boerenarbeider of werkman aan land stappen, met een onzekere toekomst voor oogen: zonder andere hulp of steun dan zijn vertrouwen op eigen kracht en werklust. Hij was bereid, evenals „de goede kennis” van den meester op De Kruisberg, zich alle ontberingen te getroosten, honger en ellende te trotseeren, tot de fortuin hem zoude toelachen, en dan slechts één doel voor oogen te houden: geld verdienen en besparen, tot hij zijn ouders weer rijk had gemaakt.
En nu, in plaats van arm aan te komen, bezat hij reeds verscheidene honderden ponden sterling; in plaats van zonder steun te zijn, had hij een onmetelijk rijken beschermer. Wel wist hij nog niet, welke plannen zijn zwijgende weldoener omtrent hem gevormd had, maar dat de Engelschman het goed met hem meende en slechts zijn welzijn beoogde, daarvan hield hij zich overtuigd. Uit enkele woorden, die Lord Greybury hem toevoegde, wanneer hij hem op de boot de eene reisbeschrijving na de andere zag lezen, maakte Willem toen reeds op, dat hij hem tot opzichter of iets dergelijks op zijn uitgestrekte bezittingen wilde aanstellen. Nu nam hij zich voor, den Lord er naar te vragen, om zekerheid te verkrijgen. Als tolk had hij, sedert ze op een Engelsche boot reisden, slechts bij uitzondering dienst kunnen doen, en voor nietsdoen wilde hij liever niet betaald worden.