Willem Roda: Een jongensboek

Part 15

Chapter 153,783 wordsPublic domain

Maar nu was het zomer. In het hooge gras en de struiken was het spoor moeielijk, voor niet-ingewijden in de kunst van spoorzoeken, onmogelijk te vinden. Een der zoekers was op de gedachte gekomen den vorigen avond fijn zand op de paden te strooien, die het wild gewoonlijk volgde. En de uitkomst beloonde de moeite. Toen ze aan het rendez-vous terugkwamen, konden ze mededeelen dat in het kreupelhout op korten afstand twee evers en verscheidene zeugen verborgen waren. Dit verwekte groote blijdschap onder de jagers, die zingende en fluitende opstonden, om de buksen nog eens na te zien en den haan te beproeven.

Een luid gejuich ging op, toen een der spoorzoekers snel kwam aanloopen en reeds uit de verte riep, dat Satan ontdekt en omsingeld was. Satan was een oude ever, in den geheelen omtrek onder dien naam bekend; drie achtereenvolgende winters was hij reeds gejaagd, maar de slimme rakker was niet onder schot te krijgen. De honden boezemden hem weinig vrees in, hij den honden des te meer. Meer dan één hond had kennis gemaakt met zijn geduchte slagtanden; een drietal had reeds het hachje er bij ingeschoten.

Terstond werd opgebroken, en de afdeeling, waarbij zich Lord Greybury en Willem bevonden, begaf zich naar de aangeduide plaats, waar Satan zich volgens het zeggen van den boer, moest bevinden.

Weldra bereikte men den voet van een tamelijk hoogen berg. De geheele helling was met hooge eikenstruiken bezet. De top was kaal en glinsterde in het morgenlicht.

„Stilte!” commandeerde de opperjager.

Oogenblikkelijk verstomde het gesprek der jagers en het geblaf der honden. De jagersstoet werd in twee deelen gesplitst. Een afdeeling, waarbij de hondenbaas met zijn dieren, moest de berg omtrekken, aan de andere zijde weer beklimmen en op den top post vatten. Den overigen werd aan den voet of op verschillende plaatsen van de helling hun post aangewezen.

„Dekken!” luidde het tweede commando.

Allen verdwenen achter struiken of lage boomen. De helling scheen eensklaps verlaten. Iemand, die van de jachtpartij geen kennis droeg en den berg had gezien, zou niet vermoed hebben, dat in het kreupelbosch een veertigtal jagers en evenveel honden op de loer lagen.

Willem knielde, met kloppend hart, naast Lord Greybury neer. Vlak aan den voet van den berg was hun achter een hooge eiken struik een plaats aangewezen. Menig jager benijdde hun dien voordeeligen post; want daar had men kans Satan den eersten kogel toe te zenden; want vandaar konden ze den geheelen weg, die zich om den voet slingerde, overzien.

„Ben je bang?” fluisterde Lord Greybury hem in ’t oor.

„Neen; maar ik beef wel ’n beetje.”

„Dat is niets, je behoeft niet te schieten; voordat de ever hier op den weg is—als hij tenminste dom genoeg is, uit het kreupelhout te komen—heeft hij al een kogel beet.”

„Maar misschien zit hij hier vlak bij verborgen.”

„Dat is niet onmogelijk en in dit geval hebben we een gevaarlijk plaatsje,” was het troostrijk antwoord, en Lord Greybury trok zijn hartsvanger uit de scheede en legde het blanke mes naast zich op het gras.

„Wat wilt u doen?”

„Het dier te lijf gaan, als het me te na komt.”

Het geheele voorkomen van den Engelschman was veranderd. Op zijn anders zoo strak gelaat was de hartstocht voor de jacht zichtbaar en zijn oogen fonkelden van strijdlust.

Willem rilde bij de gedachte, dat de Lord zich roekeloos aan gevaar zou blootstellen, en hij voelde, dat hem zelfs de moed ontbrak, zijn heer te hulp te komen.

Het duurde wel een uur, eer het drijven begon; want zij, die den berg van de andere zijde moesten beklimmen, hadden een moeilijken en langen tocht te doen. Eindelijk verried een verwijderd, flauw hoorbaar gehuil, hetwelk door de echo van de overzijde in plaats van uit de hoogte scheen te komen, dat de honden waren losgelaten en de jacht was begonnen. Daarop werd alles weer doodstil. Met angstige spanning tuurde Willem door een opening in de struiken. Hij meende op korten afstand de honden te hooren snuiven en snuffelen.

Weer verstreek een half uur. Plotseling stiet een hond, dicht in zijn nabijheid een zegevierend gehuil uit. De ever was ontdekt.

„Hoera, zwijn! Hond, tsa! Hond, pak aan!” schreeuwden de hondenbaas en de drijvers om het hardst. De lucht daverde van het geblaf en het gehuil der honden, die van alle zijden door de struiken kwamen toesnellen, en van het geschreeuw der drijvers, die den ever naar beneden of zijwaarts-af trachtten te drijven.

Willem rilde van angst. Hij was bijna niet in staat zijn buks vast te houden. Lord Greybury lag op de knieën, het bovenlijf voorovergebogen, de kolf tegen de heup gedrukt, den vinger aan den trekker, gereed elk oogenblik aan te leggen en af te drukken, zoodra de ever maar een handbreed van zijne borstelhuid te zien gaf.

Het geblaf en geschreeuw kwam nader. Van tijd tot tijd bewees een jammerlijk gehuil, dat een onervaren hond in zijn overmoed den ever te na was gekomen, en voor zijn vermetelheid met een stoot van de geduchte slagtanden was gestraft.

„Dek je achter mij; ze komen hier heen,” fluisterde de Lord, die Willems angst op zijn gelaat las. Een duidelijk hoorbaar, dof gebrom bevestigde de woorden van den Engelschman. Het kraken van de doode takken, het ritselen van de dorre bladeren wees voor het gehoor den weg aan, dien de ever al vluchtende volgde. Te zien was er niets, van de honden, noch van de drijvers; van den ever het allerminst.

„Klim in dat boompje,” gaf lord Greybury meer door gebaren, dan door woorden Willem te verstaan; er was iets minachtends in zijn blik. Dat was te veel voor Willem; de schaamte joeg hem het bloed naar de wangen.

De kalme moed van den Engelschman stak hem een hart onder den riem, en zooals wel meer gebeurt, ook het naderen van het gevaar verdreef zijn angst. Het beven hield eensklaps op; hij knielde naast den Engelschman neer en omklemde stevig zijn hartsvanger.

„Ho, zwijn! tsa hond!” schreeuwden de drijvers van boven af. De ever moest vlak tusschen deze en Willem zijn; het dier scheen stil te staan. Door de openingen van het boschje konden ze nu den zwartborstel zien. Hij snoof de lucht in en scheen te overleggen, wat hem te doen stond. De honden, die in een kring om hem heen stonden te huilen en te blaffen, telde hij weinig. Geen van alle durfde naderen. Achter hem stonden de drijvers te razen en te schreeuwen als bezetenen, doch zij waren evenals de honden gereed, ijlings op de vlucht te gaan, zoodra mijnheer Satan het in zijn dikken kop mocht krijgen, om te keeren.

Vóór hem bleek het echter ook niet pluis te zijn. Wat te doen? Daar naderde een van de honden hem wat te dicht. Eén zijsprong, één stoot van den ever, en de waaghals vloog met opengescheurden buik vijf voet hoog in de lucht, boven het kreupelhout uit.

Nu nam het wilde zwijn zijn kans waar. Het stoof vooruit. „Paf,” knalde het schot van Lord Greybury. De ever brulde als een varken, dat geslacht wordt; hij stond een oogenblik stil, boog toen den kop en vloog in razende vaart recht op Lord Greybury af. Deze had geen tijd, uit zijn knielende houding op te staan. Willem stiet een gil van angst uit; hij liet zijn mes vallen, maar gaf tegelijkertijd den Lord een duw, die dezen een eindweegs op zijde deed vallen; hij zelf rolde door den terugstuit eveneens om. De ever vloog tusschen beiden door, onmiddellijk gevolgd door den geheelen troep hijgende of jankende honden en gillende drijvers.

„Dat is de tweede maal, dat je mij het leven redt,” zei de Engelschman opstaande.

Doch Willem, die reeds van den schrik bekomen was, hoorde het niet eens; hij wijdde al zijn aandacht aan de jacht, die nu in haar geheel zichtbaar was. Satan was uit het kreupelhout gedreven, en draafde den lavaweg op; een bloedspoor teekende zijn loop. Het was een reusachtig dier; de zwarte borstels op den rug stonden overeind en deden hem nog grooter schijnen dan hij werkelijk was. Zijne slagtanden waren even lang als zijn kop. De honden haalden hem in, en nu zij hem aangeschoten wisten, waagden zij het, op hem los te springen; een stuk of vijf beten zich vast.

Maar de ever schudde ze brullende af, en deed er een paar een luchtreis maken. Dit boezemde den anderen ontzag in.

Daar sprong de hondenbaas uit het kreupelhout op den weg, gevolgd door twee honden, die tot nu toe geen deel aan de jacht hadden mogen nemen.

„Ho zwijn, tsa Turk! pak aan Caro!” riep hij hun toe. De ophitsing was overbodig.

Nauwelijks had Caro den ever gezien, of hij vloog hem naar den kop, maar lag een oogenblik later met opengereten buik in een greppel te spartelen.

Turk gaf geen geluid, terwijl hij op den ever toe rende. Met een vervaarlijken sprong greep hij het rechteroor van het wilde zwijn tusschen zijn scherpe tanden, en op hetzelfde oogenblik, dat de ever den kop bukte, om hem op dezelfde wijze als zijn kameraad Caro onschadelijk te maken, sprong Turk met ongelooflijke behendigheid over het zwijn heen. Hij hield echter het rechter oor tusschen zijne tanden geklemd, zoodat hij het zwijn belette naar hem te stooten. De ever brulde van pijn en van machtelooze woede, daar zijn kop naar rechts getrokken werd, en zijn aanvaller zich links bevond. De overige honden hadden op deze manoeuvre van Turk gewacht, om opnieuw aan te vallen en zich weder vast te bijten. Bedolven onder een door elkander krielende hoop honden, sukkelde de ever nog een eind weegs voort. Nu was ook de hondenbaas naderbij gekomen; met opgeheven hartsvanger snelde hij op den ever toe. Deze bemerkte hem. Met inspanning van zijn laatste krachten trachtte hij zijne aanvallers af te schudden, doch Turk en drie andere honden hielden vast. Wel keerde het zwijn zich nog om, ten einde weer in het kreupelhout te komen, maar het bloedverlies had hem te zeer verzwakt, om snel te kunnen loopen.

De hondenbaas haalde hem in, greep hem met de linkerhand van achter bij de lange rugborstels en liet zich meesleuren. Het blanke staal flikkerde een oogenblik in de lucht, en verdween daarop tot aan het hecht tusschen de ribben achter het schouderblad.

De ever brulde weer als toen hij het schot van Lord Greybury ontving, en vóór nog de hondenbaas het bloedige wapen aan het gras had afgeveegd, zakte Satan ineen.

Een der drijvers blies het signaal: „Zwijn dood,” en van alle zijden kwamen de jagers uit hun schuilplaatsen te voorschijn.

„Een prachtig schot, een koningsschot,” riep de hondenbaas, toen hij met de zweep de honden van den ever had verjaagd, „de kogel is door de beide longtoppen gegaan. Als er niet zoo goed gemikt was, zou de rakker ons nog ontsnapt zijn. Wie heeft zoo goed getroffen?”

Geen der jagers antwoordde.

„Dan was het zonder twijfel Uwe Hoogheid,” zeide de opperjager naderbijtredende. „Wij wenschen u geluk met het prachtige schot en zouden daaraan alleen reeds uw waren stand herkennen.”

De Lord boog, bedankte voor de vriendelijke ontvangst, en zeide, dat hij verder geen deel aan de jacht zou nemen.

De jagers trokken gezamenlijk terug naar het rendez-vous, waar ze hun collega’s aantroffen, die reeds in een andere streek twee wilde zwijnen gedood hadden.

De honden waren intusschen weer gekoppeld. Vier der gewonden moesten afgemaakt worden; daar volgens den hondenbaas geen genezing meer te wachten was. Vijf andere, wien de ingewanden uit het lijf hingen, schenen aan dergelijke kleinigheden gewoon te zijn. Ze kwispelstaartten, toen de hondenbaas het verbandlinnen voor den dag haalde, en lieten zich verbinden, zonder een kreet van smart te uiten.

Na een stevig ontbijt gebruikt te hebben, namen onze reisgenooten afscheid van de jagers. De opperjager bood hun een der slagtanden van Satan aan, als een herinnering aan deze jacht, en geleidde hen naar Buschweiler terug.

Lord Greybury en Willem gingen niet weer naar Bonn terug, maar reisden nog denzelfden dag naar Coblenz aan den Rijn, vanwaar zij hun reis met de stoomboot wenschten voort te zetten.

HOOFDSTUK XII.

De stoomboot, een zoogenaamde salonboot, waarmede Willem en Lord Greybury den volgenden dag den Rijn opvoeren, geleek veel op een drijvende villa. Het vaartuig had een aanzienlijke lengte en breedte, en was van al de gemakken voorzien, waaraan de toeristen, die er van gebruik maakten, thuis gewend zijn.

Een fraaie eetzaal, met glazen wanden, op de eerste verdieping bood gelegenheid aan den inwendigen mensch te versterken en te verkwikken met al wat het gehemelte streelde en het hart slechts begeerde; hiervan werd dan ook druk gebruik gemaakt. Op het dek onder de zonnetent stonden groote tafels en gemakkelijke leuningstoelen. Een talrijk gezelschap, grootendeels uit Engelschen en Nederlanders bestaande, bevolkte het dek, en beschouwde met blikken vol bewondering de bekoorlijke, onvergetelijk schoone Rijnoevers. Voorbij Coblenz naderden de bergen de oevers zoo dicht, dat er nauwelijks ruimte overbleef voor een rij- en spoorweg. De hellingen der meest grillig verbrokkelde leisteenbergen waren bijna zonder uitzondering met wijnstokken beplant, en vormden dertig, veertig, zachthellende terrassen boven elkaar. En tusschen deze bergen ingeklemd, kromt en wringt zich de Rijn en baant zich in vele bochten een weg. Telkens waant men zich op een langwerpig, blauwachtig meer, door bergen ingesloten, inplaats van op een duizend mijlen lange rivier, maar nauwelijks heeft men den tijd gehad, den blik te verzadigen aan het schoon, dat de oevers bieden, of daar opent zich de bergenreeks, die de voorzijde van het meer scheen af te sluiten, onverwachts naar rechts of links.

De boot zwenkt, en een nieuw panorama, nog schooner dan het genotene, ontrolt zich voor de verbaasde blikken der reizigers. Onwillekeurig dwalen de gedachten, bij het zien der ruïnes, terug naar de tijden, toen roofridders uit de smalle vensters al van verre de kooplieden bespiedden, en plotseling mét hun dienstknechten uit een hinderlaag aanstormden op de vreedzame reizigers om ze van hun geld en goed te berooven.—In het midden van den machtigen stroom liggen langgerekte eilanden met ouderwetsche kerkjes of fraaie villa’s, half verscholen achter hoog geboomte. Lieflijke dorpjes met kleine, witbepleisterde huizen en bevallige torentjes glinsteren in het zonlicht en teekenen zich helder af tegen den onbebouwden voet der bergen. Ginds hangt een prachtig kasteel, het eigendom van de Duitsche keizerlijke familie, als een zwaluwnest tegen de boschrijke helling.

Allen zijn stil op het dek. De indrukwekkende schoonheid der omgeving doet het gelach en gezang verstommen; zelfs de kinderen staken hun spel en rekken de halzen, om over de verschansing te zien of klauteren op de knieën der ouders. Alleen het eentonige stampen der machine verbreekt de stilte.

Willem zag deze schoone streek niet voor de eerste maal, maar hij kon toch zijn oogen niet van de ruïnes en herstelde burchten wenden. Lord Greybury daarentegen las onafgebroken in zijn reisboek en had schijnbaar geen oog voor het verrukkelijk natuurtafereel. Slechts nu en dan, wanneer hij den reisgids voor de Times verwisselde, keek hij even op, maar noch zijn oogen, noch zijn gelaat toonden dan eenige verrassing; er was immers geen gevaar bij!

Eensklaps wendden zich aller blikken naar een punt op den dichtstbijgelegen oever, en een kreet van blijde verrassing ontsnapte veler mond.

Met de eene hand op den schouder van een jong, schoon meisje steunend, staat daar een grijsaard. Zijn sneeuwwitte haren dalen in golvende lokken op zijn schouders neer; een fluweelen mantel omgeeft in wijde plooien zijn eenigszins gebogen gestalte. Witte kousen en zwarte schoenen met lange punten dekken beenen en voeten.

Met de vrije hand houdt hij een harp omklemd, waarvan het verguldsel in ’t zonlicht schittert. Het meisje is in een hemelsblauw, ruim golvend kleed gehuld, dat met een langen sleep tot op het roode oeverzand neerhangt. Een zilveren gordel omsluit boven de heup het middeleeuwsche gewaad. Op de lange, glanzende, goudgele haren ligt een krans van versche eikenbladeren, die tevens een gedeelte van het mooi gewelfde voorhoofd bedekt.

„Oedipus en Antigone!” klinkt het hier op een toon, die duidelijk de aangename verrassing verraadt, en daar: „de Winter en de Lente!”

Handen en zakdoeken van kinderen en volwassenen wuiven den oude en het meisje een groet toe. Doch de twee blijven onbeweeglijk op den oever staan.

De kapitein van de salonboot treedt op de toeristen toe.

„Dames en Heeren,” zegt hij. „Ik heb in last, het legendenmeisje alleen dan aan boord toe te laten, wanneer het grootste deel der passagiers het verlangt.”

„Ja, ja, aan boord brengen,” klinkt het bijna eenstemmig. Een sloep wordt uitgezet en weldra stappen beiden aan boord van de stoomboot over.

De belangstelling klimt, nu men bemerkt, dat de grijsaard van het licht der oogen is beroofd.

Voorzichtig leidt het meisje den ouden man tusschen stoelen en tafels door naar het voordek, waar alle passagiers hen spoedig omringen.

Het meisje doet met kinderlijke zorg haren blinden vader in een stoel plaats nemen, strijkt hem de witte haren naar achteren, zet de harp tusschen zijn knieën en blijft naast hem staan. Haar schoon gevormd gelaat, dat eerst wat bleek zag, gloeit, nu zij de blikken van allen op zich gevestigd voelt.

Een pijnlijke trek, die wellicht van doorgestaan leed getuigt, rust om haar mond, en dit maakt de lieflijke verschijning nog belangwekkender. Terwijl de grijsaard de harp stemt, laat het meisje haar oog over de oevers weiden, als zoekt ze naar een onderwerp voor haar lied.

De kinderen gaan op het dek zitten en vormen een kring; de stoelen worden naderbij geschoven voor de dames; de heeren blijven staan.

Eindelijk schijnt het meisje een keus gedaan te hebben; ze strekt den arm uit en wijst een punt op den top van een hoogen berg. Aller oogen, van kijkglas voorzien of ongewapend, zoeken en vinden de aangeduide plaats.

Op eenigen afstand vooruit, staat hoog op den kalen top van een steile rots een gedeeltelijk ingestorte muur, te midden van eenige hoopen puin.

„De vloek van den zanger,” fluistert het meisje den ouden toe.

Eenige akkoorden klinken op de harp.

„Heeft een der passagiers haast om in Bingen te komen?” vraagt eensklaps de kapitein. Niemand antwoordt, want allen reizen voor hun plezier.

„Niet? Dan zal ik met halve kracht laten stoomen, als de dames en heeren het goed vinden!”

„Ga uw gang, kapitein.”

„Halve kracht!” klinkt het door den roeper.

„Halve kracht!” roept de echo door de machinekamer.

Het stampen is nauwelijks meer hoorbaar. De stilte wordt indrukwekkend.

En nu begint het meisje, den blik gewend naar het punt, dat ze zal bezingen, zonder een der reizigers aan te zien, en blijkbaar zichzelve en deze vergetend, haar lied. Met een stem, zoo hoog, zoo helder en zoo zuiver als de klank van zilver tegen fijngeslepen kristal, zingt ze, op een eenvoudige, bijna eentonige wijze, door den grijsaard, begeleid: [14]

In lang vervlogen jaren Stond daar een fier kasteel Met hooge, slanke torens, Met tinnen en kanteel.

Een krans van schoone tuinen, Met beeld en springfontein, Omgaf de grijze muren, Begroeid met eedlen wijn;

Daar woonde een machtig koning. De schrik van heel de streek, Wiens aanblik ieder vreesde, Dien ieder liefst ontweek.

Zijn handen waren geesels, Zijn woorden waren bloed, Zijn oogen spitse dolken, Zijn daden dolle moed.

Eens reed naar ’s konings poorten Een grijze harpenaar; Flink stapte naast den ruiter Een knaap met gulden haar.

„Welaan”, zoo sprak de oude; „Thans opgepast, mijn zoon; Hef aan de schoonste lied’ren, Zing luid, met vollen toon!

„Welaan, wees onverschrokken, En spot en hoon getart! Thans geldt het te vermurwen Des konings steenen hart!”

Een drom van edelvrouwen. Van ridders, trotsch en wreed, Omringt de beide zangers, Tot spel en zang gereed,

Daar treedt de norsche koning, De marm’ren troonzaal in, En naast hem buigt zich minzaam De schoone koningin.

Hij plaatst zich op den zetel, Met grimmig, bleek gelaat, Naast haar, die zonnig straalde In ’t lelieblank gewaad.

De grijsaard slaat de snaren; Eerst liefelijk en zacht, Dan voller, telkens voller. En zingt met jonge kracht.

En god’lijk schoon verheft zich, Als leerden de Englen ’t hem, Zoo hoog, zoo vol, zoo zuiver, Des knapen zilv’ren stem.

Zij zingen van lente en van liefde. Van dapperheid, strijdlust en kracht; Ze zingen van moed en vroomheid Van God en van Hemelsche macht.

Ze zingen van alles, wat schoon is En ’s menschen borst verheft, Ze zingen van al wat goed is En ’t menschelijk harte treft.

De schaar der hovelingen Vergeet èn hoon èn spot; De fiere, felle krijgers— Ze buigen zich voor God.

De koningin, getroffen In ’t diepst van ’t teer gemoed. Werpt snel een blanke lelie Den jong’ling voor den voet.

Maar eenklaps rijst de koning: Zijn oogen bliks’men haat; En wrok en wraak verwringen, Misvormen zijn gelaat.

„Mijn vrouw hebt gij betooverd! Verleid hebt gij mijn volk!” Zoo krijscht de woeste wreedaard, En drilt met kracht zijn dolk.

„Wee, die den leeuw komt tergen, Hem in zijn hol nog tart!”.... En ’t moordend staal dringt eensklaps Den jongeling in ’t hart.

Een bloedstroom kleurt het marmer; De ridders in het rond, Ze staren ’t aan en vlieden Het slot in d’eigen stond.

En stervend valt de jong’ling Den grijsaard aan de borst, Die sidderend hem opvangt En in zijn armen torst.

Hij draagt zijn lieven doode En spoedt zich met hem voort; Hij tilt hem in den zadel En voert hem voor de poort.

Daar in zijn grijzen mantel Hult hij den dieren last; Hij kust hem op het voorhoofd En bindt hem zittend vast.

Dan grijpt hij naar zijn speeltuig, En met der wanhoop kracht, Slaat hij zijn harp te pletter Op een porfieren schacht.

En als het beeld der wrake, Staat woest, met fladderend haar, Den rechterarm geheven De grijze harpenaar.

De linkerarm des ouden Den doode ondersteunt; Dan roept hij, dat het somber Door hof en zalen dreunt;

„Vervloekt gij trotsche muren, Gij wallen van arduin, Stort neder, marm’ren zuilen. Verga tot stof en puin”.

„Vervloekt, gij schoone tuinen, Fontein en beeldenrij Verdor, verdroog, verbrokkel Wordt wilde woestenij!”

„Vervloekt gij snoode wreedaard, Vervloekt zij uw geslacht; Verguisd, versmaad, verafschuwd. Vernederd en veracht”.

„De dood jaagt u geen vrees aan! Dat waar’ te lichte straf, Neen, leven zult ge! leven! Maar hunk’ren naar het graf!”

„Uw arm, die ’t moordtuig drilde Hij miss’ voortaan zijn kracht! Uw oog, dat zoo juist mikte, Het staar in eeuw’gen nacht”.

„Uw moed, uw heldendaden. Geen lied dat ooit ze roem’! Uw naam zelfs zij vergeten, Geen boek, dat ooit dien noem’.”

De grijsaard heeft geroepen, De hemel heeft gehoord; Dra huisden in den bouwval De vossen ongestoord.

En ’s konings naam vermeldt er Noch heldenlied, noch boek! Vervallen en vergeten,— Dat was des zangers vloek.

Het was uit, en onder blijde bijvalsbetuigingen zette de zangster zich naast haar vader neer.