Part 14
Willem bood aan, eens te beproeven, of hij hem dragen kon tot aan het naaste hôtel. De man was zeer lang; toen hij op Willems rug zat, sleepten zijn beenen over den grond. Gelukkig was hij niet zwaar. Zoo ging de tocht verder. Daar klonken voetstappen en menschenstemmen door de stille straten. Een stoet van verscheidene mannen, waarbij overheidspersonen en eenige officieren, sommigen te paard, zich aangesloten hadden, naderde; twee gidsen gingen voorop. Ze hadden bij Willem aangeklopt, en hem natuurlijk niet thuis gevonden. Het plan was, den geheelen volgenden dag en desnoods nog langer den berg stelselmatig te doorzoeken. Daartoe had men paarden en een kar met voedsel meegenomen.
Daar verscheen Willem, met den vermiste op zijn rug, op den hoek der straat. Een luid gejubel en hoerageroep ging uit den stoet op. Men vloog meer dan men liep op beiden toe, en wenschte hun beurtelings geluk.
De Engelschman was inmiddels afgestegen; hij had zijne gewone kalmte herkregen en keek met onverschilligen blik voor zich uit. Zijne koelbloedigheid bekoelde tevens de geestdrift van hen, die hem wilden zoeken en tamelijk stil en kalm ging de optocht naar het hôtel. Willem nam afscheid van lord Greybury,—zoo bleek volgens het kaartje de naam van den Engelschman te zijn,—ten einde wat rust te nemen,—nadat hij beloofd had, ’s middags terug te zullen komen.
Hij vond bij zijn terugkomst in het hôtel den Engelschman in een gemakkelijken leuningstoel zitten. Zijn lordschap had zijn nauwsluitend reisgewaad met een zeer wijden, zwart fluweelen kamerjas verwisseld; in de diepe zakken waren zijn armen tot aan de ellebogen verborgen. Hij wees Willem een laag stoeltje in zijn onmiddellijke nabijheid en verzocht hem plaats te nemen.
Willem had in ’t Engelsch gegroet. De Engelschman antwoordde echter in ’t Hollandsch.
„Jij kan spreek Hollandsch. Ik versta jou zeer wel. Ik heb geweest in Holland voor een langen tijd, en ik kan spreek het zeer wel ook.”
Willem was te beleefd, om te laten bemerken, wat hij van zulk Hollandsch dacht. Dit scheen Lord Greybury te bevallen, die waarschijnlijk wel wist, dat hij het niet „zeer wel” sprak, maar Willems Engelsch misschien niet goed verstond en daarom nog liever Hollandsch hoorde. Hij trok de jaloezieën nog wat meer aan, zoodat in de sierlijk gemeubileerde kamer een gezellig halfduister heerschte, en hij begon het gesprek met te zeggen:
„Jij zijt niet een boerenzoon, ik denk, jij zijt niet, wat jij lijk, mijn vriend. Jij kunt vertellen mij, al wat jij wil; ik kan zwijgen.”
Willem was blij, iemand gevonden te hebben, bij wien hij zijn hart eens kon uitstorten; zijn geheim brandde hem reeds te lang op de tong. Nu begon hij zijn geschiedenis te vertellen; in ’t begin wat onsamenhangend, maar later kwam hij beter op dreef; hij verhaalde achtereenvolgens met kleuren en geuren, wat er in de verloopen twee jaren met hem, zijn ouders en zijn zuster gebeurd was.
Lord Greybury was onbeweeglijk blijven zitten; hij vertrok geen spier van zijn gelaat, dat evenmin als zijn naar den muur starende oogen eenige deelneming in Willems lot verried. Alleen toen Willem vertelde, hoe hij nijdig Van Dals tienguldenstukje over de sloot wierp, had er iets geflikkerd in die oogen.
„En jouw naam?” vroeg hij, toen Willem geëindigd had en met hooggekleurde wangen voor zich keek, te laat bedenkende, dat hij wel wat al te vlug zijn vertrouwen had geschonken aan een vreemdeling, al was hij diens redder.
„Wat is jouw naam?” herhaalde Lord Greybury, toen hij bleef zwijgen.
Willem noemde dien.
„Willem, jij zijt een goede jongen; geef mij jouw hand,” zei de Engelschman, en terwijl hij ijverig de glazen van zijn lorgnet afwreef, alsof er een dikke laag stof op zat, vroeg hij verder:
„En wat is de naam van het gefailleerde huis, dat was de eerste oorzaak van jouw ongeluk; was het eene Amsterdamsche firma?”
„Neen, mijnheer; Howell en Co. te Londen.”
Indien zich een adder voor zijn voeten had opgericht en hem had aangesist, Lord Greybury had niet verschrikter en sneller kunnen opspringen. Zijn gelaat teekende schrik en woede te gelijk. Het lorgnet ontgleed zijn vingers, en met groote schreden liep hij de kamer op en neer.
„Toeval! wonderlijk toeval!” bromde hij voor Willem onverstaanbaar in zijn moedertaal.
„Kent u die heeren?” vroeg Willem, die zelf opgeschrikt was door de plotselinge beweging van den Engelschman.
Deze zat intusschen reeds weer volkomen kalm met zijn lorgnet te spelen.
„Neen, den heer Howell ken ik alleen bij naam, maar den Co. ken ik zeer goed. Dat is een slecht, een zeer slecht mensch,” zei hij met een pijnlijken trek op het gelaat.
Het gesprek stokte. Na een stilte van eenige minuten zei de Engelschman:
„En jij wilt, dat ik jou geld, veel geld geef?”
„Neen, mijnheer!”
„En voor jouw ouders dan?”
„Mijn vader neemt evenmin een aalmoes aan als ik.”
„En jij gaat naar Australië?” vroeg de lord langzaam.
„Ja, mijnheer!”
„Dan gaan wij te zamen!”
Willem zette een gezicht, alsof hij ’t in Keulen hoorde donderen:
„U—gaat—ook?”
„Naar Australië, o yes!” zei Lord Greybury, die altijd zijn lorgnet maar niet schoon kon krijgen.
Willem sprong van blijdschap drie voet in de hoogte en toen de kamer rond, zoodat de bibelots op de étagères rinkelden en een langgestaarte, zwartgesnorde chinees in de tafel beet. Willem hielp hem voorzichtig weer op de been. Lord Greybury wreef nog steeds voort en vervolgde:
„Jij spreek ook Duitsch, niet waar?”
Willem knikte.
„En Fransch ook?”
„Ja wel, Sir.”
Met een nauw merkbaar glimlachje hernam de lord: „Even goed als Engelsch?”
„Beter, Sir!”
„Zeer goed. De trein vertrekt om 6.35. ’t Is nu twee uur. Laat ons voortmaken!”
„U vertrekt nu al? Ik kan nog niet weg. Ik moet afscheid nemen....,” zei Willem, met de handen in het haar van den eenen stoel naar den anderen loopende, niet wetende wat te doen.
De Engelschman sprak doodbedaard op zijn eigenaardigen, half zingenden toon:
„Jij hebt vier uur tijd voor afscheid nemen en brief schrijven aan je ouders, en aanpassen andere kleeren van gentleman. Ik zal ze laten brengen hier.”
Nog altijd wilde het stof niet van zijne lorgnetglazen wijken.
„Dat is gemakkelijk gezegd,” zei Willem, „maar ik heb nog pas de helft van mijn reisgeld bij elkaar, en als ik daarvan kleeren koop....”
„Jij kan ook bij mij jouw reisgeld verdienen. Ik geef jou honderd pond een week. In Australië zal ik jou wel aan een betrekking helpen.”
Willem zette mond en oogen wijd open en sloeg de handen in elkaar; hij was niet in staat een geluid voort te brengen.
„Twaalf honderd gulden in de week!” schreeuwde hij, toen hij van de schrik bekomen was, „maar dan zijn mijn ouders binnenkort weer rijk!”
Wat beteekenden nu de vierhonderd gulden, die hij overgehouden had, bij de ontzaglijke som, die hij in één week zou verdienen!
Hij had grooten lust den langen lord om den hals te vallen, maar deze kon het linkerglas maar niet schoon krijgen. Willem begreep zeer goed, dat die koude kalmte slechts een pantser was, waaronder een warm en edelmoedig hart klopte, en toch bekoelde ze ook hem. Die geveinsde onverschilligheid werkte aanstekelijk.
„En wat moet ik daarvoor doen? Ik wil het verdienen!”
„Daarvoor jij moet wezen mijn tolk, mijn kassier, mijn secretaris, mijn vriend en mijn redder, als ik in gevaar ben.”
„Het laatste neem ik niet betaald; dat doe ik op den koop toe.”
„All right. Je hebt nog drie uur en een half tijd. Maak haast!”
Willem vloog meer dan hij liep het hôtel uit en de straat op naar zijn kosthuis.
Hij schreef een korten brief aan zijn ouders, waarin hij hun zijn buitenkansje mededeelde, maar niet vertelde hoe vorstelijk de Engelschman zijn diensten wilde betalen, want hij had een aardig plannetje voor een verrassing in ’t hoofd.
Hij nam hartelijk afscheid van Volsteke en diens vrouw, die hem herhaaldelijk de hand drukten en hem veel geluk wenschten op zijn verre reis. Willem beloofde spoedig iets van hem te laten hooren.—Toen hij bij zijn weldoener terugkwam, was deze juist bezig eenige guldens op de hôtelrekening te beknibbelen, die volgens zijn oordeel veel te hoog was gesteld. Dit deed hem vreemd opzien, na het bewijs van mildheid, dat hij zooeven ontvangen had. In een andere kamer wachtte een kleermaker met een halven winkel jassen, broeken, vesten, hoeden en laarzen.
Willem paste aan en koos onder toezicht van lord en kleermaker, wat hem goed voorkwam.
Een paar uur later stapten de twee reizigers in den trein en nog een half uur later kwamen ze aan het eerste station op Duitsch gebied.
In den laatsten tijd waren er soms weken voorbijgegaan, zonder dat Willem er aan dacht, dat hij nog altijd gevaar liep opgepakt en naar De Kruisberg teruggezonden te worden. En toch viel hem een pak van het hart, nu hij zich in het buitenland bevond en derhalve de kans weer gevangen genomen te worden veel geringer was; te meer nu hij in gezelschap van Lord Greybury reisde en voor een tolk doorging.
Vóór hun vertrek had Lord Greybury Willem zijn reistasch overgegeven en diens eerste werk was geweest, twee kaartjes eerste klasse naar Keulen te nemen en te betalen. Een blik in de portefeuille deed hem van angst beven; ze was vol Engelsche banknoten en wissels. Hij durfde de tasch niet meer op zijde te laten hangen. Hij legde ze op zijn knieën en bedekte ze met beide handen. In ieder zijner medereizigers vermoedde hij een dief, die het op den schat gemunt had, welke hem ter bewaking was toevertrouwd. Lord Greybury was weer in zijn reisboek verdiept, dat hij om het half uur met een reusachtig Londensch nieuwsblad verwisselde. Sedert het begin der reis had hij nog geen woord gesproken. Willem wist niet beter te doen dan uit het raampje van den voortsnellenden trein te kijken en voor de toekomst plannen te maken, die nu niet geheel meer in de lucht hingen.
Nog vóór het geheel donker was, gebruikten zij het avondmaal te Keulen; ze bezochten den Dom en sliepen nog dienzelfden nacht bij Bonn in een prachtig hôtel, waarvan de slaapkamers uitzagen op groote tuinen en op de nevelachtige omtrekken van het Zevengebergte.
HOOFDSTUK XI.
Aan de ontbijttafel zat naast Willem een reusachtige Duitscher; naar zijn kleeding te oordeelen, moest het een jager zijn; want die bestond uit een donkergroen jachtbuis, een grijze kniebroek, slobkousen en lage, met ijzer beslagen schoenen. Aan zijn gordel droeg hij een breeden hartsvanger met hertshoornen gevest. In een hoek had hij een buks neergezet, die door een geel lederen foedraal tegen stof en vocht beschermd werd, en nu tijdelijk tot kapstok diende voor een vilten hoed, met een haneveer versierd.
Het was een spraakzaam man, die zich weldra als koninklijk jager bekend maakte, en vertelde, dat hij op reis was naar den Eifel, waar op groote schaal een drijfjacht op wilde zwijnen zou gehouden worden.
„Zijn er dan nog zooveel wilde zwijnen in die streken?” vroeg Willem, die als elke jongen reeds belang stelde in alles, wat op de jacht betrekking had, en die, vooral nu het een jacht op wilde zwijnen betrof, gaarne het verhaal daarvan eens wilde hooren. Lord Greybury dronk, schijnbaar zonder op het gesprek te letten, zijn zesde kopje thee.
„Of er veel zijn?” antwoordde de jager, „als er niet elken winter een drijfjacht werd gehouden, zou daar gewis geen boer meer zijn land kunnen bebouwen. De zwartborstels graven en woelen in één nacht een geheelen akker om, zonder dat men er iets tegen doen kan. Dan moet men opnieuw gaan graven en poten. En die beesten vermenigvuldigen zich zoo sterk en zijn zoo moeilijk onder schot te krijgen, dat de boeren op dit oogenblik met de handen in het haar zitten. Van de winter zijn er dertig stuks afgemaakt; maar nu is ’t weer zoo erg, dat de landbouwers zich tot de regeering gewend hebben om hulp. Nu zal tegen de gewoonte een drijfjacht in den zomer plaats hebben. Kijk maar eens hier; ik heb eergisteren deze oproeping gekregen.”
Terwijl de jager zijn broodje at, las Willem op het gedrukte vel papier:
De regeering van Trier noodigt bij dezen den Heer Waidmann uit, zich met alle jagers, houtvesters en drijvers, die onder zijn bevelen staan, den vijfden van dezen maand, ’s morgens voor zonsopgang in het dorp Buschweiler te bevinden, om in vereeniging met alle jagers uit het district een drijfjacht op zwartwild te houden.
Lord Greybury keek het papier ook in. Hij kende juist zooveel Duitsch, om Willems gesprek met den Heer Waidmann te begrijpen en de oproeping te kunnen lezen.
Aanstonds droeg hij Willem op, een flesch morgenwijn voor den jager te bestellen. Deze bedankte den heer Lord onderdanigst, schoof zijn theekopje en melkkan op zij, en in minder dan tien minuten was de fijne flesch voor drie vierden geledigd.
Lord Greybury klonk met zijn theekopje tegen het gevulde glas van den heer Waidmann en wenschte hem, zoo goed en zoo kwaad het ging, een voorspoedige jacht.
Het ijs was gebroken. Een gesprek, waarbij Willem als tolk tusschen Engeland en Duitschland dienst deed, ontwikkelde zich. Willem had zijn reisgezel nog nooit zooveel na elkander hooren spreken, al had ook nu de jager het leeuwendeel van het gesprek. Het bleek, dat Lord Greybury in jachtzaken, en vooral wat de zwijnenjacht betrof, geen vreemdeling was. Hij vroeg, of Waidmann ook honden had meegebracht.
„Niet noodig mijnheer? In verscheidene steden van den Eifel, en ook te Trier houdt de regeering der stad er een eigen troep honden op na, die op de zwijnenjacht afgericht zijn.”
„Kunnen wij van de partij zijn?” vroeg de Engelschman op den man af en sprak daarmede uit, wat Willem zeer gaarne wenschte, doch niet durfde vragen.
De jager zette een bedenkelijk gezicht. Hij mompelde iets van levensgevaar, verantwoordelijkheid, dat er slechts jagers van beroep aan de jachtpartij deelnamen, en dat alleen de opperjachtmeester liefhebbers mocht toelaten.
„En dan een onervaren jongmensch, die misschien nog nooit eene buks heeft afgeschoten,” voegde hij er met een half medelijdenden, half minachtenden blik op Willem bij.
„Wel wis en zeker kan ik met een geweer omgaan, en goed mikken ook,” viel Willem in, vreezende dat door zijn onervarenheid het plan in duigen zou vallen, „toen ik vijftien jaar was, kreeg ik al een buks present, en daarmee heb ik eens een haas en een eend geschoten.”
Hij zei er niet bij, dat de haas al aangeschoten en de eend toevallig een tamme was.
De jager proestte het uit van lachen.
„Een haas en een eend! En dat wil op de zwijnenjacht gaan; daar komt nog iets anders kijken, hoor!”
„Juist daarom zou ik gaarne eens meegaan!” zei Willem.
Een tweede flesch werd op een wenk van den lord den jager gebracht. De milde gever bewonderde intusschen met kennersoogen de buks van den jager.
Tegen zooveel mildheid en vriendelijkheid bij een schatrijk man was de jager niet bestand.
„Maar ’t is zoo gevaarlijk!” zeide hij, weifelend het verzoek toe te staan.
„Gevaar moet er zijn”, antwoordde Lord Greybury, „anders is het moorden.”
De jager beloofde de verantwoordelijkheid op zich te nemen.
„Afgesproken,” zei Willem, „een man, een man, een woord, een woord?”
„Natuurlijk! Ik zal u over een paar uren komen halen. Zorg voor buksen en koop vooral lederen slobkousen, want anders wordt in de struiken uw broek spoedig aan flarden gescheurd. Ik zal mijn makkers en den opperjager zeggen, dat u zulken fijnen wijn laat schenken. Daar doet een jager veel voor!”
„Bij ankers, als het noodig is!” zei Lord Greybury op zijn gewonen kalmen toon.
Waidmann keek verbluft op en met overtuiging zei hij:
„U kunt de geheele jacht meemaken, al duurt ze ook drie weken; daar sta ik voor in!”
„Dat is niet noodig; één dag is voldoende,” antwoordde de Engelschman met een fijn glimlachje.
Tegen het middaguur stapte ons drietal, nadat Pollo opnieuw aan de zorg van den conducteur was aanbevolen, in den trein die hen tot op eenige uren afstands van de verzamelplaats der jagers voerde.
Lord Greybury en Willem hadden nog tijd gevonden, zich een volledig, splinternieuw jachtcostuum met toebehooren aan te schaffen. Na het verlaten van den trein stapte Willem, deftig met zijn buks op den rug, en zijn weitasch en veldflesch op zijde, tusschen zijn beide jachtgezellen op den weg naar Buschweiler voort. Hij was niet klein en toch geleek hij een kind tusschen zijn beide vleugelmannen.
„Holland tusschen Engeland en Duitschland,” merkte de jager aan.
„Dat straks, als de nood aan de man komt, op beider hulp rekent,” gaf Willem ten antwoord.
Bij het vallen van den avond bereikten zij de eerste huizen van het dorpje. Reeds uit de verte klonk hun gelach en gezang tegen.
Meer dan honderd jagers en drijvers zaten voor verschillende herbergen aan den weg en zongen, dat het een aard had.
Bij de aankomst van ons drietal verstomde het gezang van de vroolijke jagers. Van alle zijden werden de aangekomenen met nieuwsgierige blikken bekeken. Waidmann had de voorzorg genomen, een zijner bekenden vooruit te zenden naar het rendez-vous, om een vriendelijke ontvangst voor te bereiden. Deze voorlooper had reeds zooveel verteld van de onnoemelijke schatten, waarvan de Engelschman bezitter was, van diens verkwistende mildheid, dat velen onder de jagers zich reeds bij voorbaat overtuigd hielden, dat de vreemdeling minstens een prins van den bloede moest zijn, die incognito reisde, vergezeld van zijn adjudant. Toen Lord Greybury met Willem naderbij waren gekomen stonden de jagers op, en salueerden op militaire wijze. Lord Greybury groette terug met een genadige handbeweging, zooals vorstelijke personen dat gewoon zijn; dit versterkte de heeren jagers in hun meening, met een lid van de koninklijke familie uit Engeland te doen te hebben. „De prins van Wales misschien,” fluisterde een der jagers zijn buurman in het oor. Het woord ging van mond tot mond; het „misschien” bleef natuurlijk achterwege en weldra stond bij de jagers vast, dat ze de hooge eer genoten, den prins van Wales van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. De Lord reikte den opperhoutvester en leider der jacht, die inmiddels, buigend als een knipmes, nader was getreden, zijn kaartje over. ’t Lord Greybury werd als een aangenomen naam beschouwd, waaronder de prins reisde. Deze begreep spoedig, voor wien men hem hield. Hij verwaardigde zich in alle deftigheid aan een tafeltje plaats te nemen en noodigde eenige der jagers uit, zich naast hem te zetten. Willem vond de comedie vermakelijk; om den waan der jagers niet te verstoren, speelde hij mee en plaatste zich achter den stoel van den Engelschman.
Zonder diens bevelen af te wachten, liet hij den waard roepen en gelastte hem tamelijk luid, den jagers zooveel te drinken te geven als ze verlangden.
Een driemaal herhaald: „Hoch!” beloonde den „prins” voor zijn vrijgevigheid. De wijn stroomde over de tafels door de altijd dorstige kelen der jagers, en spoedig raakten de tongen weer los.
Nu ging het aan het opsnijden; de ongeloofelijkste heldendaden werden opgedischt en voor goede waar geslikt. Niemand scheen de geloofwaardigheid slechts een oogenblik in twijfel te trekken.
Een jong ventje, wiens baard aan het uitkomen was, en dat onophoudelijk over het stoppelveld van zijn kin streek, bleek boven allen uit te munten door de vaardigheid, waarmee hij het jagerlatijn sprak.
„Verbeeld u, hoogheid, gisteravond zit ik op post aan den rand van een hollen weg, om een haas te schieten. Daar komt links van mij een haas uit het kreupelhout, rechts een reebok; pif, paf, beide wentelen tegelijk in hun zweet. Nauwelijks heb ik weer geladen, of boven mij merk ik een havik, die een houtsnip vervolgt; pif, paf, beide tuimelen naar beneden. Ik sta op, om mijn buit wat nader te bekijken en laad ondertusschen mijn tweeloop weer. Wat zie ik daar in de verte? Een wilde zeug met een jong! Ik leg aan, pif, paf, beide rollen om.”
Lord Greybury schudde vol verbazing het hoofd over zooveel schotvastheid en gaf Willem een wenk.
„Mylord is vermoeid, en wenscht zich ter ruste te begeven,” zei Willem op plechtigen toon.
Dadelijk verdrongen zich de opperhoutvester, de opperjager en nog eenige anderen om den gewaanden prins, ten einde dezen naar de herberg te leiden; ze waren onuitputtelijk in verontschuldigingen, Zijne Hoogheid slechts zulk een armzalig slaapvertrek te kunnen aanwijzen.
Willem bedankte de heeren uit naam van Mylord voor hun bereidwilligheid, en verzocht den jagers hen den volgenden morgen vroegtijdig te willen wekken; wat de heeren dienstvaardig beloofden.
Nog lang bleven de jagers drinken en zingen, doch het laatste niet meer uit volle borst; want ze vreesden Zijne Hoogheid in diens slaap te storen.
’s Morgens voor dag en dauw braken de jagers en met hen Lord Greybury en Willem, groepsgewijze op, naar een gehucht, op een uur afstands van Buschweiler gelegen. Pollo ging op verzoek van den jachtmeester niet mee, maar werd in de herberg vastgelegd. ’t Was een vermoeiende tocht. Het ging berg op, berg af, door kreupelhout en over kale hoogvlakten.
De weg slingerde nu eens langs afgronden, dan weer door een stuk bouwland, aangelegd op de helling van een sedert onheuglijke tijden, uitgebluschten vulkaan. De lava, waaruit de weg bestond, was tot poeder verweerd en dwarrelde in stofwolken op onder de voeten der stevig doorstappende mannen. Allengs verbleekten de sterren en een strook geelachtig licht aan den oostelijken hemel verkondigde den naderenden dageraad. In de verte teekende zich de zwarte lijn van een bosch tegen den minder donkeren hemel af. Dat was een dennenbosch, aan welks zoom rendez-vous was gegeven voor de jagers, drijvers en honden.
Een luid geblaf bewees, dat de dieren reeds de nadering der menschen hadden opgemerkt.
Juist toen de voorste groepen het bosch bereikten, verlichtten de eerste zonnestralen den omtrek.
Het woud was op een hoogte gelegen, en strekte zich, zoover het oog reikte, over de toppen en hellingen van tallooze groote en kleine bergen uit.
Een oorverdoovend geblaf en gejank, vertienvoudigd door de echo’s der achterliggende bergen herhaald, begroetten de jagers; meest oude bekenden of vroegere meesters der honden. Men zag er van allerlei soort en ras. Herdershonden, brakken, Engelsche doggen, hazewinden, Mexicaansche doggen, die alle sterk en wel doorvoed, één eigenschap gemeen hadden, namelijk voortreffelijke zwijnenpakkers te zijn. Ze waren twee aan twee gekoppeld, en elk paar werd in bedwang gehouden door een knecht van den hondenbaas. De laatste was een vreemd personnage. Hij was zeer klein van gestalte, maar in verhouding buitengewoon breed en gespierd. Zijn peper-en-zoutkleurige baard reikte tot aan de knieën en bedekte bijna zijn geheel gelaat. Een blik uit zijn kleine, staalblauwe oogen was voldoende om een paar vechtende honden te scheiden en in bedwang te houden. Zijn kleeding was gelijk aan die der jagers, doch de buks ontbrak; die zou hem in ’t kreupelhout ook meer tot last, dan tot nut geweest zijn. Naast zijn reusachtigen hartsvanger hing aan zijn gordel een korte, stevige zweep, waarmede de honden gekastijd werden, wanneer ze ander wild dan zwijnen najoegen. Van de honden en daardoor van hem, hing grootendeels de goede uitslag van de jacht af.
De jagers en drijvers zetten zich op den hoogen rand van den weg neer, of vlijden zich onder de boomen op het zachte, gladde mos en wachtten geduldig de bevelen van den opperhoutvester af.
Geen der spoorzoekers was nog teruggekomen. Om niet nutteloos een bosch af te jagen, zonder te weten, of er zich zwijnen in ophielden, waren reeds een dag te voren beproefde spoorzoekers uitgezonden; meest boeren uit den omtrek, die belang hadden bij een goede vangst. Deze lieden hadden een moeielijke taak te vervullen, vooral in den zomer. ’s Winters wanneer er versch gevallen sneeuw ligt, is het gemakkelijk aan de sporen te zien, of er wilde zwijnen uit of in een bosch zijn gegaan, en daarnaar tevens te berekenen, hoeveel er op het oogenblik, dat de jacht begint, nog in zijn.