Part 13
„Ja, dat lijkt wel wat op een boomstam, maar als je het mij niet gezegd hadt, zou ik het nooit geweten hebben.”
„En hier ziet ge voor uw voeten de versteende wortels, uitgehold door den gestadigen drop. Tel maar eens; precies om de zes seconden valt een druppel uit dien boomstam in zijn wortel en dat gaat zoo in eeuwigheid door. Is dat geen wonder?—Hier in den wortel ligt een glas; daar hebben keizers en koningen uit gedronken. Proef het water maar eens, het smaakt goed.”
Om zijn gids genoegen te doen, dronk Willem, ofschoon met tegenzin een paar teugen van het in de kom van den wortel verzamelde water. Het smaakte werkelijk goed.
„Nu gaan we maar terug. We konden nog wel drie uur loopen, eer ge alles had gezien, maar de fakkel wordt kort, en ook zal de vrouw met het eten op ons wachten. Mijn maag zegt dat het niet ver van twaalf uur is, en het zal wel niet de laatste maal zijn, dat ge in den berg komt. Als ge er maar eens aan gewend zijt, Willem, dan gaat ge er van houden, evenals ik. Hoe ik er soms naar verlang kan ik je niet zeggen.
„Zie, hier hebt ge nog de voerbakken en de ringen voor het vee van de boeren uit den omtrek. Die hebben hier in oorlogstijd dikwijls een veilige schuilplaats gevonden tegen de woeste soldaten. Maar ook hebben hier in vroegeren tijd veel dievenbenden gehuisd, die den omtrek onveilig maakten; daar moet ge oude menschen uit Maastricht maar eens over hooren vertellen.
„Nu doof ik de fakkel, maar niet om je te verschrikken, want ge zult een schoon schouwspel zien.”
Volsteke voegde de daad bij het woord. Diepe duisternis omringde hen.
„Geef me de hand, dan gaat het sneller. Hier hebben we onze jassen.”
Den hoek omslaande zagen ze in de verte boven hen een grooten helderblauwen sluier hangen; hoe dichter ze er bij kwamen, des te grooter en schitterender werd hij. De steenklompen waren met zilveren franjes omzoomd. De sluier werd wit, sneeuwwit, en sneeuwwit werden ook de wanden van den gang. Daar waren ze buiten den berg. Oogverblindend schitterde alles hun tegen; de huizen en boomen schenen uit louter blinkend ijs te bestaan. Dit duurde zoo eenige minuten. Voor ze de helling van den berg waren afgedaald, had alles weer zijn gewone kleur gekregen.
Eenige weken later werd Willem als werkman in de mijnen van den St. Pietersberg aangenomen.
Zijn eerste werk was, de blokken, nadat ze uit den berg waren gezaagd, van een teeken te voorzien, dat aangaf, op welke wijze ze in den berg waren geplaatst geweest.
„Vergis je niet”, zei de ingenieur, „die blokken zullen tot gruis vallen, als je het merk verkeerd zet. Ze bestaan uit verschillende dunne lagen, die de zee aangespoeld heeft. ’t Is met die dingen als met een boek, dat je plat op den grond legt. Je kunt er dan wel honderd kilo opzetten en het zal er des te steviger door worden. Maar zet je het op den snee of op den rug en plaats je er één kilo op, dan zakt het in elkaar.”
Willem betoonde zich een vlugge leerling en spoedig daarna was hij een handig en vlijtig werkman.
Eens nam Willem zijn hond mede naar den berg, doch het dier was onder den grond zóó bang voor het licht der fakkels, dat het hem onophoudelijk voor de voeten liep. Hij liet hem in ’t vervolg thuis, waar hij vrouw Volsteke, die nu ook den geheelen dag alleen was, gezelschap hield.
Menigen langen en kouden winteravond bracht hij op de kamer van den vriendelijken ingenieur door, die, toen hij Willems weetgierigheid opmerkte, hem allerlei werken over den St. Pietersberg en het mijnwezen verschafte, o. a. eene kaart of plattegrond van de gangen van den St. Pietersberg, die, zooals hij zeide, Napoleon I had doen vervaardigen. Op aanraden van den ingenieur teekende hij een gedeelte van dit plan op groote schaal na. Van deze kaart en een kompas voorzien, waagde hij zich spoedig alleen in de verwijderdste gangen en kende weldra den weg in den berg even goed en wellicht beter dan de oudste mijnwerkers, daar die alleen hun geheugen konden raadplegen.
De winter snelde om voor Willem, en zijn kapitaaltje vermeerderde gaandeweg. De fossielenoogst viel voor de werklieden beter uit dan eenig jaar te voren.
De lente kwam, aangediend door sneeuwklokjes en crocussen.
Het kleinhoefblad vertoonde reeds op den eersten warmen dag zijn goudgeel bloemkorfje, schitterend op den viltachtigen, bladerloozen stengel. De roodbruine knoppen der iepen zwollen, de kastanjeboomen wilden hun buren niets toegeven, en sloegen ’t kleverige omhulsel van hun knoppen terug om de wollig witte, bijeengevouwen bladeren te laten zien. Hier en daar keek een welriekend viooltje schuchter tusschen de dunne grassprietjes uit, als vertrouwde het de zon nog niet recht. Madeliefjes en paardebloemen verborgen hun knoppen nog in ’t gras. Zij hadden ook den geheelen zomer tijd!—Een ooievaar en een zwaluw hadden het er ook maar op gewaagd, ofschoon ze evenmin als het viooltje het vroege zonnetje vertrouwden.
De ongevleugelde trekvogels, voor welke Maastricht een der verzamelpunten is, wilden eerst de kat uit den boom zien en afwachten of het ernst was met de lente; en zoolang de toeristen nog niet kwamen konden de werkzaamheden in den berg ongestoord worden voortgezet.
Toen Willem eens toevallig uit de diepte van den berg opdook, was het tot zijn verbazing buiten warmer dan in den berg. De zon scheen hem in het gelaat, en vlak bij den uitgang floot een tjif-tjaf zijn welkomstlied, als een hulde aan de terugkeerende lente. Door Willems komst opgeschrikt klapte het vogeltje met de wieken, en nam nu rijzend dan dalend in golvende lijn de vlucht. Willem ademde met volle teugen de heerlijke lentelucht in en staarde het vroolijke piepertje na. Hij rekte de armen uit boven zijn hoofd, en zwaaide ze in ’t rond, als wilde ook hij zijn vlucht nemen uit de donkere mijn, die hem nu erg duf en dompig toescheen.
Van dien dag af vlotte het werk niet zoo goed meer. De vrije natuur waarvan hij eens het ontwaken had aanschouwd, lokte hem met onweerstaanbaar geweld. De Zondag, dien hij buiten kon doorbrengen, was hem niet voldoende, en ’s avonds na den arbeid was hij te moe, om aan een wandeling te denken.
Volsteke en zijn vrouw, en ook de ingenieur, die meer zijn vader dan zijn baas was, zagen den levenslustigen jongen langzamerhand in zwaarmoedigheid vervallen.
„Ge moet geen week langer in den berg blijven, Willem, anders wordt ge ziek. Ge eet en drinkt bijna niet meer. De ingenieur zal het je vandaag wel zeggen,” zei Volsteke, toen hij op een heerlijken morgen met Willem naar de mijn ging.
Willem gaf geen antwoord, maar een zucht ontsnapte zijn borst.
Een oogenblik later zei hij: „Ja, Volsteke, ik kan ’t ook niet meer uithouden, hoe gaarne ik ook wil.”
„Dat geloof ik wel, jongen. Ik heb ’t wel meer van boerenjongens in den berg gezien, dat ze in ’t voorjaar het heimwee kregen, en ziek werden van verlangen naar het gras en de koeien.
„Maar als ge zooveel van een vrij leven houdt, waarom wacht ge dan nog niet een paar weken, dan komen hier al vreemden, en kunt ge gids worden. Dan kunt ge rondzwerven van den morgen tot den avond en daarbij een schoonen cent verdienen. Of hebt ge zooveel haast van ons weg te komen?”
„Neen, op mijn woord niet, dat weet je wel beter. Daartoe heb ik het veel te goed bij je gehad. Maar je zei daar zoo wat. Ik ken den omtrek op een prik, van Valkenberg tot Luik toe. Gids worden zou net een kolfje naar mijn hand zijn.”
„Je bent er als voor geknipt. Je kunt je, wat de taal betreft, redden met alle vreemdelingen, en van den ingenieur hebt ge zooveel geleerd, dat ge de geleerden, die hier naar fossielen komen snuffelen, goede diensten kunt bewijzen. Die heeren komen ook gewoonlijk in het voorjaar.”
„Ik doe het,” riep Willem opgeruimd, „mijn besluit staat vast; ik blijf nog een poos bij je.”
’t Was Willems laatste dag in den St. Pietersberg. Hij nam afscheid van den ingenieur, die hem beloofde, het hem te laten weten, als er vreemden kwamen, en hem aan te bevelen als gids.
En zoo gebeurde het. Het was een voorjaar, zooals men er sedert jaren geen gekend had. Van alle zijden stroomden natuurvorschers en natuurliefhebbers naar de voor beiden zoo schoone streken om Maastricht, en Willem was binnen korten tijd de meest bekende, de meest begunstigde gids.
HOOFDSTUK X.
Voor de sociëteit op den St. Pietersberg zaten op een zonnigen Julimorgen eenige heeren gezellig te kouten, onder het genot van een glas Maastrichtsch bier en van het verrukkelijk vergezicht op de Limburgsche heuvels en het schoone Maasdal.
Het gesprek liep over allerlei onderwerpen, dwaalde van het weer op de politiek, liep vandaar over op het reizen, en eindelijk op den St. Pietersberg. Aanleiding tot dien overgang was er genoeg bij de heeren; al was het alleen de wetenschap, dat men er zich op bevond, en dat diep in de aarde onder hen de toeristen hun verbaasde blikken op de gele zuilen en donkere gangen lieten rusten.
Telkens beklommen troepjes, van de stad of van den kant van Luik komende, alle met een gids aan het hoofd den berg en verdwenen dicht in hun nabijheid in de gapende opening. De heeren maakten zich vroolijk over de verbaasde gezichten der menschen, die uit den donkeren berg plotseling in het helle zonlicht kwamen. Met vriendelijken wedergroet beantwoordden zij de gidsen, telkens als deze in het voorbijgaan even de pet lichtten.
„Een goeie, vandaag, hé Willem? Man, je wordt rijk, als dat zoo voortgaat!”
„Dat moet ook, heeren!” zei Willem en ging groetend voorbij, gevolgd door een troepje zingende en stoeiende Belgische studenten. Allen hadden hun jassen uitgetrokken, aan den wandelstok over den schouder gehangen, en sprongen in hun hemdsmouwen rond.
Een van het gezelschap koutende heeren maakte de opmerking:
„Die heeren studenten zouden toch wat minder dartel zijn, dunkt me, als onze Willem ze straks in den berg eens in den steek liet.”
„Och wat! Ze zouden ook zonder gids den weg wel terugvinden!” meende een officier.
„Daar vergist ge u in; als ge u dat verbeeldt, zijt ge er nog nooit in geweest, vriend!”
„Dat ben ik ook niet, maar ik hoop me er eerstdaags door Willem den weg te laten wijzen. Ik heb een ijzersterk geheugen, en wil eens zien, of ik er met behulp van een aantal merkteekens op de wanden, en met een klos stevig touw tot leiddraad, niet weer uit zou komen!” was het luide antwoord van den officier.
Het gesprek werd tamelijk luidruchtig voortgezet. Op korten afstand van het tafeltje, waaraan de redekavelende heeren gezeten waren, zat een zeer lange en magere man. Zijn gelaat was voor ’t oogenblik onzichtbaar, daar het geheel verscholen was achter een vuurrood reisboek; alleen staken zijwaarts onder het boek de vlasachtige punten van een paar bakkebaarden, en boven den rug van het boek de zuurkoolkleurige top eener kuif uit. Voor zoover zijn lichaam boven het tafeltje en tusschen de vier pooten daarvan zichtbaar was, bleek het bedekt te zijn door een buitengewoon engsluitend, leverkleurig jasje. Een dik, zwart koord verried, dat de ijverig lezende man een lorgnet droeg, waarschijnlijk niet alleen, omdat het bij zijn kleeding paste, want het boek moest bijna zijn neus raken, zoo dicht hield hij het bij zijn gezicht. Van de broek was slechts een zwart fluweelen randje zichtbaar. De lange beenen, die ver onder de tafel uitstaken, waren van de knieën tot de voeten in zeemleeren slobkousen geknoopt; de voeten staken in stofkleurige klimschoenen. Op het tafeltje lagen, naast twee leeren tasschen aan lange zwarte riemen,—waarvan de een blijkbaar een reiskijker inhield,—een rond, grijs hoedje van geruite wollen stof en voorzien van een sluier bijna van dezelfde stof als de hoed, een geruite sjaal, die om den knop van zijn zonnescherm was geknoopt, en bovendien een paar parelgrijze handschoenen.
De eigenaar van al deze fraaie zaken scheen zeer verdiept in zijn lectuur, doch terwijl het gesprek der heeren vóór hem over de gevaren van een tocht zonder gids in den berg tamelijk luid werd gevoerd, kwam van tijd tot tijd een hoog, blank voorhoofd met een paar hemelsblauwe, glinsterende oogen boven den rooden reisgids uitkijken. Die oogen tintelden met een zonderlingen glans, toen de officier opstaande, verzekerde, dat hij het toch eens alleen wilde wagen, al had het in den laatsten tijd nooit iemand gedaan. Als er om gewed werd, zou hij ’t zonder draad van Ariadne wagen, alleen om ’t genot, eens in levensgevaar te verkeeren.
Daarop verdiepte de lange vreemdeling zich weer in zijn Baedeker. De heeren stonden op, gingen heen en de geheele omtrek scheen verlaten, daar het langzamerhand etenstijd was geworden. Nu rees de geelgrijze reiziger langzaam op en keek behoedzaam rond. Daarop zette hij kalm zijn hoedje op, sloeg den sluier over den rug, hing over den rechterschouder den kijker, over den linker zijn reistasch, over den arm zijn sjaal, trok zijn handschoenen aan, stak zijn zonnescherm op en wandelde uiterst bedaard het pad af, dat naar den ingang van den berg leidde. In de sociëteit was niemand te zien; zelfs de kellner was naar beneden gegaan, om te eten of een dutje te doen.
Aan den ingang gekomen, scheen de donkere, gapende grot den vreemdeling te doen aarzelen. Althans, hij bleef een oogenblik staan, maar ook slechts een oogenblik. Toen sloeg hij met zijn parasol een paardebloem, die aan den rand wies, van den stengel, haalde een doos met groote waslucifers,—zooals die door de toeristen in de tunnels werden gebruikt—uit zijn tasch, en stapte altijd even bedaard, met vasten tred de gang in.
Den volgenden morgen was geheel Maastricht in rep en roer. Er was een Engelschman zonder gids den berg ingegaan en niet teruggekomen. Op last van de stedelijke regeering doorzochten Willem en nog twee oudere gidsen alle gangen, waarin gewoonlijk de bezoekers geleid worden; te vergeefs. De waaghals was nergens te vinden; hij moest dieper den berg ingegaan zijn. Tot laat in den avond ondernam men in verschillende richtingen tochten in den berg; aanzienlijke personen vergezelden de gidsen en spoorden hen aan tot verder zoeken, wanneer ze den moed lieten zinken. Een belooning werd uitgeloofd, alles zonder gunstig gevolg. Men begon te twijfelen, of werkelijk iemand in den doolhof was verdwaald. Opnieuw werd aan het station en in de omgeving gevraagd. Niemand had den man dien dag weergezien. En toch was het getal der toeristen in dezen tijd van het jaar nog niet zoo groot, of hij zou tenminste door iemand opgemerkt zijn geworden. Zijn uiterlijk onderscheidde zich genoeg, om de opmerkzaamheid tot zich te trekken.
De volgende dag verliep met herhaalde pogingen zonder het gewenschte gevolg. Indien men stelselmatig alle gangen wilde doorloopen, zouden er minstens veertien dagen noodig zijn, en in dien tijd was de ongelukkige zeker verhongerd.
Doodmoede ging Willem den derden nacht na het verdwijnen van den reiziger te bed. Hij sliep wel in, doch een benauwde droom deed hem met schrik ontwaken. Duidelijk had hij gezien, hoe de Engelschman op het zwarte stof met den dood worstelde. De akelige gelaatstrekken, die hem het gezicht van den schooier, toen deze werd weggedragen, voor den geest riepen, beletten hem opnieuw in te slapen.
Hij stond op, stak de lamp aan en voor de honderdste maal in drie dagen nam hij den plattegrond van de gangen ter hand.
Dicht bij den ingang was nog eene gang, die niet doorzocht was, hier weer een, daar nog een zijgang, tien minuten van den ingang bij de sociëteit. Moedeloos liet Willem het papier op den grond vallen; onmogelijk alle te onderzoeken.
Maar waarom zooveel moeite te doen voor iemand, die willens en wetens zijn verderf te gemoet was gegaan? Want de Engelschman kende het gevaar: hij was den dag te voren door Willem in den berg rondgeleid. O, als hij dien man eens had kunnen redden! Eens had hij een mensch aan den rand van het graf gebracht; als hij nu dien man eens levend uit zijn reusachtig graf kon bevrijden! Maar dat was immers nog niet onmogelijk!
Vóór er vijf minuten verloopen waren was Willem aangekleed en in den donkeren nacht op straat; een half uur later stond hij, van twee lange fakkels, een zakje brood en een flesch rum voorzien, voor de opening van den berg. Daar binnen leed een mensch op verschrikkelijke wijze, of had reeds uitgeleden. Om het even! Al weigerden de beenen na drie dagen onverpoosde inspanning hem bijna hun dienst, Willem stoorde er zich niet aan; hij had een gevoel als kon hij op dit oogenblik een vroegere misdaad boeten en verzoenen, en dat gevoel schonk hem telkens nieuwe kracht. Toch moest hij van tijd tot tijd op den grond gaan zitten, om niet van vermoeienis neer te vallen.
Drie uren lang had hij reeds gezocht en geen spoor van den vermiste ontdekt. Hij was wel een uur van elken uitgang verwijderd en besloot wat uit te rusten. Een eeuwenoud stof bedekte een voet hoog den grond. Hij gevoelde, dat de slaap hem dreigde te overmannen en om dien te verdrijven, begon hij met schorre stem te roepen, ofschoon hij wel wist, dat het geluid zich in den berg niet ver voortplantte. Zijn keel begon hem weldra te steken; zuchtend wilde hij opstaan om terug te keeren en tevens een ander gedeelte te onderzoeken, toen hij een dof, zwak geluid meende te hooren.
Was het zijn door zwakte verhitte verbeelding of werkelijkheid?
Ademloos luisterde hij, en drukte de hand tegen zijn borst, als wilde hij het kloppen er van beletten. Hoor, daar was het weer, een geluid, als van iemand, die roepen wil, en er geen kracht meer toe heeft. ’t Was hem of er plotseling koud water over zijn hoofd werd geworpen; als door een veer in beweging gebracht, sprong hij op. Van welke zijde kwam het geluid?
Willem hoorde het weer duidelijk; nu scheen het van links, zooeven van rechts te komen, nu van achteren, dan van voren. Hij hoorde het van alle kanten tegelijk. Hij wilde roepen, zijn keel weigerde. Het hoofd duizelde hem; hij drukte zijn gloeiend gelaat tegen den kouden muur, om zijn bedaardheid en zijn gedachten terug te vinden, en meester van zijn zenuwen te blijven. Hoor, nu was het steunen duidelijker. Het was in dezelfde gang, waar hij gezeten had. Hij keerde terug, en, om de grootst mogelijke oppervlakte te verlichten, de fakkel met zijn bevende handen zoo hoog houdend als hij kon, ijlde hij de gang in.
Ja, daar ginds aan ’t eind lag een voorwerp, waarvan de omtrek niet te onderscheiden was. De fakkel viel Willem uit de sidderende handen, zijn knieën knikten. Op den tast kroop hij voort, geen geluid hoorde hij meer. Eindelijk voelde hij iets, een mensch—plotseling kreeg hij al zijn geest- en lichaamskracht terug. Hij schudde het lichaam door elkander, geen geluid: hij tilde de armen op, ze ploften, toen hij ze losliet, als lood met een doffen slag op het zand neer. God! Zou hij nog te laat zijn gekomen? Zou dat geluid het laatste van een stervende geweest zijn? Zou hij weer een lijk met verwrongen gelaatstrekken moeten zien?
Willem durfde haast geen licht ontsteken, doch hij sprak zichzelf moed in en stak de fakkel weer aan. Onbeweeglijk lag de ongelukkige op den grond, het gelaat naar Willem toegekeerd; het was doodsbleek, doch niet misvormd. De ontstelde jongen nam zijn fleschje rum; hij huiverde bij de aanraking van dat koude gelaat. Hij trachtte rum in den mond te gieten, doch de tanden waren stijf op elkander geklemd. Radeloos knielde hij naast den ongelukkige neer; dikke tranen rolden over zijn wangen. Hulp halen, een dokter roepen, was onmogelijk. Dit zou minstens twee uur tijd kosten, en indien de man niet reeds gestorven was, zou hij het binnen dien tijd zeker zijn.
Eensklaps herinnerde Willem zich, dat hij gezien had, hoe Emilia toen zijn moeder eens in onmacht dreigde te vallen, haar den pols en de slapen met brandewijn had gewreven. Snel kreeg hij zijn zakdoek; rum zou wel even goed zijn. Zoo hard hij kon, wreef hij polsen, slapen en voorhoofd van den Engelschman. Vijf minuten van inspanning gingen voorbij, zonder gevolg. Toen liep er een rilling door het koude lichaam. Willem verschrikte eerst, toen stiet hij een juichtoon uit en verdubbelde zijn pogingen.
Hij voelde, dat het onbeweeglijke lichaam onderdehand warmer werd.
Het zweet gutste hem langs het gelaat: hij lette er niet op. Eindelijk slaakte de bezwijmde een diepen zucht en sloeg de oogen op, om ze dadelijk weer te sluiten. Nu beproefde Willem opnieuw zijn patiënt wat rum in den mond te gieten, en o, blijdschap, het gelukte. De man hoestte. De jongeling richtte hem op en plaatste hem in zittende houding. Een stukje brood geraakte ook, hoewel niet zonder moeite, naar binnen.
„Sir, sir, awake,” riep Willem, zoo hard hij kon, „you are saved.” [12]
De Engelschman sloeg voor de tweede maal de oogen op en keek verwonderd eenige oogenblikken in ’t rond; toen scheen hij zich iets te herinneren van wat er met hem was voorgevallen; hij stak Willem de hand toe en zei nauwelijks hoorbaar:
„I thank you. What o’ clock is it?” [13]
Willem doopte kleine stukjes brood in de rum, en stak ze den Engelschman in den mond, die zich liet voeren als een musch en opende den mond al wijd voor het hapje klaar was. Langzamerhand kwamen de krachten van den uitgehongerden man terug; hij kon zijn armen weer bewegen. Aan loopen was nog geen denken. Doch ook de beenen werden met elke minuut sterker, de bloedsomloop herstelde zich ook daar, en wankelend, op Willems schouder steunend, deed de Engelschman eenige schreden.
Het loopen was hem evenwel nog steeds onmogelijk. Willem bood aan een paar dragers en een dokter te halen. Doch de geredde wilde niet alleen blijven. Er bleef voor Willem niets anders over, dan rustig een uurtje te wachten, tot de zwakke man weer loopen kon. Hij gebruikte het overschot van het ontbijt en zette zich tegen den muur. De Engelschman ging naast hem zitten en geen vijf minuten later waren beiden de een door inspanning en vermoeidheid, de ander door uitputting in slaap gevallen.
Ze schenen tegelijk wakker geworden te zijn; beiden gevoelden zich gesterkt en verkwikt. De tweede fakkel werd snel opgestoken en Willem hielp den Engelschman zijn boeltje weer bij elkaar rapen. De parasol en de plaid, de tasch en de kijker lagen voor de hand; één handschoen ontbrak; de tweede legde een stom getuigenis af, van wat de man had moeten lijden; de vingers waren er afgeknaagd.
„Ik kon niet eten iets meer,” zei de Engelschman kalm, toen Willem het overschot opraapte.
Voetje voor voetje werd de tocht uit de onderwereld naar het licht ondernomen. De vreemdeling moest nog steeds op Willem steunen, om niet te struikelen. Toen ze buiten den berg traden, kwam juist de zon op, en overgoot boomen en velden met vloeibaar goud. De vogels kwinkeleerden, de bijen en vliegen gonsden. Bonte vlinders ontwaakten en fladderden naar de bloemen, waarop dauwdroppels schitterden, of het heusche diamanten waren.
Nu scheen de Engelschman zijn koude kalmte te verliezen; hij was blijkbaar ontroerd, wankelde en moest gaan zitten. Willem bleef naast hem staan. Met beide handen greep toen de Engelschman zijne hand en zei in zijn moedertaal met iets trillends in zijne stem:
„Ik dank u!” Toen haalde hij den handschoen zonder vingers uit den zak, stak er zijn naamkaartje in, reikte beide Willem over en zei: „Behoud dit en toon het mij, wanneer ge wilt. ’t Is een geaccepteerde wissel tot een onbepaald bedrag.”
Willem glimlachte. „Ik zal ’t bewaren, als een gedachtenis, maar wil geene belooning, mijnheer! Ik heb een schuld afgedaan, die met geen geld was te betalen.”
De Engelschman keek nieuwsgierig op; zijn onverschilligheid was geweken.
„Is ’t een geheim?” vroeg hij.
„Hier wel, ofschoon in een andere stad ieder het weet.”
„Blijf dan vandaag bij mij, en maak me dat eens duidelijk; wil je?”
„Met genoegen,” zei Willem, „maar laten we nu opstappen, U moet een dokter raadplegen.”
De Engelschman stond op en beiden sloegen de richting in naar de stad, waar alles nog sliep. Dicht bij de poort kon de Engelschman niet verder. Zijne krachten waren uitgeput.