Part 12
Op twee planken van het kastje lagen netjes geordend verscheidene grijsgele steenen van een korrelige stof, en van allerlei vorm; ronde en hoekige, platte en hooge. Op de meeste steenen waren papiertjes met nummers en opschriften geplakt. Sommige waren in lichtrood vloeipapier gewikkeld.
„Wel mijn jongen, kijk er gerust in, en zie eens of ge er kennis van hebt.”
„Mag ik?” zei Willem, die uit vrees vrijpostig te zijn, zijne nieuwsgierigheid had bedwongen.
„Wel zeker! Wacht een oogenblik; ik zal het kastje even van den muur nemen, dan kunt ge mijn museum eens bewonderen.”
Voorzichtig, alsof hij bang was de steenen door aanraking te beschadigen, legde Volsteke ze één voor één uit het kastje op de tafel. Met welgevallen bekeek hij sommige van alle kanten, stofte ze met een pauweveer af, alsof het een kostbaar kleinood was en bleef in de beschouwing er van verdiept. Ja, hij scheen zelfs de reden, waarom hij ze voor den dag had gehaald, geheel vergeten te zijn.
Nieuwsgierig bekeek ook Willem de steenen. In de bovenvlakte van elk voorwerp zag hij een indruk als met een graveerstift gegrift; enkele indrukken waren bleek gekleurd; de meeste ervan geleken op schelpen, zoowel van gewonen als zonderlingen vorm. In één steen scheen een veer van een varenplant gegrift te zijn; ook waren er bolletjes, die van nabij beschouwd veel op galnoten geleken.
„Willem,” zei Volsteke eensklaps, van het voorwerp, dat hij zoo aandachtig beschouwde, opziende, „kunt ge goed Fransch lezen?”
„Jawel,” zei Willem, „dat zal ik nog wel niet vergeten zijn.”
„Dan gaat ge van morgen af niet weer naar de fabriek, verstaat ge!”
Verwonderd keek Willem op.
„Ge begrijpt me niet, hè? Wel, ik zal het je verklaren. Al de steenen, die gij hier ziet, zijn versteeningen, fossielen, ziet ge, die ik in den berg heb gevonden en waar de geleerden handen vol geld voor geven. Maar wij werklieden strijken er niet veel van op; de geleerden gaan bij de gidsen in den berg om te koopen; die praten allen Fransch en Duitsch, want de meeste vreemden, die hier komen zijn Franschen of Duitschers. Als wij nu met iets, dat we gevonden hebben, bij de gidsen komen, kunnen ze ons wijs maken, wat ze willen: „dat is niets bijzonders,” en „dit is niets zeldzaams,” verstaat ge? Ik geloof, dat ze ons voor een prikje afkoopen, wat hun soms wel een hoop geld opbrengt.—Nu heb ik van den zomer aan een stalletje van een uitdrager boeken gekocht. Aan de platen kon ik zien, dat ze over fossielen handelen, maar ’t is ook al weer in ’t Fransch geschreven. Nu kunt ge, als ge wilt, me helpen door te vertalen, wat er bij de platen geschreven is.
De verzameling, die ge daar ziet, heb ik bewaard op raad van den ingenieur in den berg, die mij heel veel van de fossielen verteld heeft. Het rechte weet hij er echter ook niet van. Van twee schelpen, waartusschen wij beiden geen onderscheid konden zien, bracht de eene vijf franks op, terwijl de gidsen voor de anderen nog geen sou wilden geven. Maar niet alleen om er geld uit te slaan, zou ik willen weten wat er in die boeken te lezen is. De ingenieurs vertellen je zulke vreemde dingen, die in den berg gebeurd zijn, dat ge nieuwsgierig wordt er meer van te weten. Als ge me nu wilt helpen, studeeren we van den winter ’s avonds in die boeken en gaan ’s Zondags in den berg fossielen zoeken. De winst zullen we samen deelen. Maar dat kunt ge niet, als ge doodaf uit de fabriek komt.”
„Heel gaarne,” zei Willem, „als u mij maar zegt, waar ik dan in den winter van leven moet. Ik wil u niet beleedigen, maar ik heb wel gezien, dat u niet rijk is, en de herberg loopt ook niet druk.”
„Daar heb ik over gedacht, en met de vrouw over gesproken, mijn jongske. De volgende week begint het mergelzagen in den berg. Ik sta in een goed blaadje bij den ingenieur, ik zal wel zorgen, dat ge als werkman aangenomen wordt. Ge verdient er misschien een gulden minder dan in de fabriek, maar men behoeft er zich ook niet dood te werken,—al is het geen kinderwerk. Wat ge er minder verdient, zullen we er met de fossielen wel weer uithalen. Kijk, dat moet me een tien francs opbrengen,” vervolgde Volsteke, zonder Willems antwoord af te wachten, en wikkelde een scherpen zwarten tand met een stuk zandsteen er aan uit een vloeipapier, „dat is de tand van een rog. Er zit nog een stuk van zijn kakement aan; die heeft zeker in de zee gezwommen, waar nu de St. Pietersberg staat. Dat is me al menig duizend jaartje geleden.”
„Hier in de zee, op zoo verren afstand van de Noordzee?” vroeg Willem ongeloovig.
„Ja, jongen, van de ingenieurs zult ge nog wel meer vreemde dingen hooren.—Dit is een versteende worm; vijf franc waard, zoo goed als een cent; hier hebt ge een versteend stuk hout. Dit is het versteende oog van een visch.”
„En dit dan,” vroeg Willem, op een langwerpig rond voorwerp wijzend, „als er een handvat aan zat, zou ik zeggen, dat het een steen was om messen op aan te zetten.”
„Dat,” zei de koopman in fossielen, medelijdend over Willems onkunde glimlachend, „dat is een versteende rugstekel van een inktvisch. Kijk eens op de breuk. Hij is hol en zwart van binnen. Het moet een baas geweest zijn. Wie weet hoeveel visschen en andere waterdieren in de kronkels van dat beest verstikt zijn.”
Willem begon belang te stellen in de voor hem geheel nieuwe dingen; ook de herbergier was van lieverlede van koopman liefhebber geworden. Als hij eens met zijn versteeningen bezig was, wist hij niet van ophouden. Hij toonde en noemde Willem al de voorwerpen, die hij bezat, en voor die, waarvan hij den naam niet wist, bedacht hij er zelf maar een, die een kenner zou doen schateren.
Zoo was het al laat geworden.
„Dat blijft dus afgesproken, Willem. Aanstaanden Zondag en de volgende dagen gaan we samen in den berg. Dan kunt ge eens hoogte nemen en langzamerhand wennen aan het verblijf onder den grond; ik zal je nog wel het een en ander vertellen. Als de ingenieur je dan aan het werk zet, staan je de handen niet verkeerd, en gevoel je je niet als een kat in een vreemd pakhuis. Ga nu maar naar bed; je oogen vallen haast dicht. Wel te rusten!”
Den volgenden Zondag was het vinnig koud, en een scherpe Oostenwind joeg grauwe wolken, grillig van vorm als de flarden van een gescheurden sluier, door het luchtruim. Willem en zijn kostbaas, vandaag zijn gids en meester, verlieten Wijk vroeg in den kouden herfstmorgen, doorkruisten Maastricht en kwamen weldra voor een der ingangen van den St. Pietersberg: ’t was er een, die alleen door de werklieden werd gebruikt. Ze lag halverwege de helling van den berg en geleek van verre een reusachtig konijnengat. Eenigszins huiverig deinsde Willem voor de zwarte, gapende opening terug.
„Ge behoeft niet bang te zijn,” zei Volsteke, die zijn aarzeling bemerkte; hij gaf Willem een lantarentje en stak een twee meter lange, armdikke fakkel aan. „Ik ga hier al meer dan tien jaren ’s winters elken morgen in en elken avond uit, ik ken er den weg even goed als in Maastricht. Ziezoo, nu voorzichtig; pas op, het is hier glibberig en ’t gaat zoetjes aan naar beneden. Houd me maar bij de hand.
Een warme lucht woei Willem tegen.
„Kom aan, nu kunnen we onze jassen en dassen wel uitdoen; leg ze hier maar neer. Het is hier, zomer en winter, even warm of koud, altijd 8° Réaumur, zegt de ingenieur. Dat het nu warm schijnt, komt, doordat het buiten koud is; ’s zomers rillen de menschen van koude, als ze den eersten stap doen.”
De niet zeer hooge en breede gang daalde langzaam. Willem, die ofschoon de fakkel flink brandde, niets dan dansende sterren en vurige strepen voor zijn oogen zag, durfde zijn voeten haast niet verzetten; telkens vreesde hij in een gat of in een afgrond te stappen. Maar langzamerhand gewenden zijn oogen aan de duisternis en fakkellicht. De gang was bemetseld en werd hier en daar door stevige palen geschoord. Voetje voor voetje ging het voorwaarts.
„Nu zijn we in het binnenste van den berg; kijk nu eens rond!” zei Volsteke na een poos en hield de lange fakkel boven zijn hoofd.
De eerste indruk was schrikwekkend, en een rilling voer Willem door de leden, toen hij bedacht, hier een dag te moeten werken. Indien hij zich niet geschaamd had, zou hij zijn gids gevraagd hebben met hem terug te keeren.
Door het flikkerende fakkellicht schenen de dichtbijzijnde voorwerpen veraf en de verste dichtbij. Onafzienbaar schenen de dubbele rijen breede, gele zuilen, die zich naar alle zijden uitstrekten en tallooze galerijen vormden. Het gewelf was nauwelijks zichtbaar en het inwendige van den berg geleek een ruime, onderaardsche tempel met machtige pilaren en hooge gewelven. Daarbij was de stilte zoo groot, dat ze hoorbaar werd: het suisde Willem in de ooren.
„Komaan, nu gaan we een gang in,” zei Volsteke. Zijn stem klonk dof, geheel zonder galm of echo. „Nu zult ge wel aan de duisternis gewend zijn. Kunt ge de namen op gindschen muur al lezen?”
„Neen,” zei Willem, „ik zie wel strepen, maar ik kan geen letters onderscheiden.”—De gids sloeg nu met de brandende fakkel tegen een pilaar; de vonken vlogen naar alle zijden, en helderder flikkerde de vlam.
„Zie zoo, nu voorwaarts, want we hebben nog menig uurtje te loopen; je oogen den kost geven, zult ge. Als ge wat weten wilt, vraagt ge maar.”
Nu ging het steeds vooruit; de eene gaanderij kruiste de andere. Ze liepen door elkaar als de mazen van een net, nu recht-, dan scheefhoekig. Soms liepen twee gangen boven elkander, dan weer was er een afgebroken en zoo ondiep, dat de fakkel den achtermuur verlichtte. Nergens de minste tegenklank; de voetstappen weerklonken niet; ze waren nauwelijks hoorbaar, daar de bodem met een vochtig, grijs stof bedekt was.
De muren waren bezaaid met namen, met houtskool of rood krijt op de wanden der gaanderijen geschreven, van den bodem tot boven aan het gewelf op acht à tien meter hoogte.
„Volsteke,” zei Willem staan blijvend, „hoe komen die namen zoo hoog? Daar kan toch niemand bij.”
„Die vraag had ik al eerder verwacht, mijn jongen. Dat is heel gemakkelijk te verklaren. De gangen, muren en pilaren, die ge hier ziet, zijn niet door de natuur gevormd, maar ontstaan door het uitgraven van den zandsteen of mergel. Waar we nu staan, lag voor eenige jaren nog steen. Begint men nu de volgende week te werken, dan zetten hier de arbeiders de zaag in den grond en zagen een vierkant blok uit van een halven meter hoogte en wat breeder en langer. Zoo wordt blok na blok uitgezaagd en weggekruid, eerst één blok, dan twee blokken, dan drie, zoodat er een trap ontstaat; dan wordt de bovenste trede weer afgezaagd en van de trap gekanteld, totdat alle treden weggezaagd zijn en de gang weer gelijkvloers is, maar ligt nu een paar meter dieper. Komen hier nu in ’t volgend jaar bezoekers, dan schrijven ze hun namen ook een paar meter lager. Begrijpt ge?
„Wel zeker,” zei Willem, „maar die gang daar; waarom is die zoo ondiep?”
„Daar zit te veel vuursteen in. Ziet ge die bruine streep in die gele zandsteen? Dat is de vuursteen, die het uitzagen belet. Ga maar eens mee de gang in. Hier hebt ge nog zoo’n trap van blokken gevormd; klim er maar eens op!”
Een zwart stof bedekte den bodem van de uitgehouwen trap.
„Awel,” zei Volsteke, en schopte met den voet het stof op, dat in zwarte wolken omhoog dwarrelde, „zoude ge wel gelooven, dat hier in geen driehonderd jaar iemand den voet gezet heeft? Kijk, die boventreden zijn nog met het houweel bewerkt; ze zijn uitgehakt. Ge kunt de houwen duidelijk onderscheiden, en al kondet ge ze niet zien, ge kunt het voelen,” en hij streek met de toppen der vingers over den wand.
„Hier, Willem,” riep hij toen eensklaps, „houd de fakkel vast!”
„Wat is er?” riep Willem verschrikt en greep de fakkel aan.
„Geef mij dat lantarentje eens.”—In een oogenblik brandde het kaarsje. „Doof nu de fakkel uit; door het gewakkel van de vlam kan ik niet zien, waar het zit.”
Verbaasd keek Willem Volsteke aan.
„Ik heb immers licht, jongen! Wees niet bang. Zijt ge nog niet aan den berg gewoon? Straks zal ik eens voor altijd die vrees er uitjagen. Maak daar staat op. Dan zal ik den berggeest doen verschijnen. Druk nu de fakkel tegen den grond, zoodat hij uitgaat. Goed zoo! Licht me nu bij met het lantarentje!”
Nu sneed Volsteke met zijn mes een klein rechthoekig blokje uit den weeken steen, en knoopte het in zijn zakdoek.
„Awel, Willem, onze dag is goed gemaakt, er zit wat in.”
„Wat dan?” vroeg Willem.
„Dat weet ik nog niet, maar het is wat bijzonders, dat weet ik wel. Nu maar weer verder. Durft ge zoo meegaan, of zal ik de fakkel weer aansteken?”
Het lantarentje was niet groot, en het kaarsje bijzonder dun. De duisternis scheen door dien gloeienden spijker nog dieper; het was of men ze tasten en snijden kon. Zichzelf zien of zelfs de hand, die hij voor de oogen hield, was voor Willem geheel onmogelijk, ook bij de meeste inspanning. Van Volsteke was alleen de helft van het gelaat en één arm verlicht. Geen wonder, dat Willem antwoordde: „ik zal de fakkel maar weer opsteken.”
Vooruit ging het weer; nu eens rechts-, dan weer linksaf. Willem wist niet meer, of hij den uitgang vóór of achter, boven of onder zich te zoeken had. Hij ondervond al het onaangename, geheel afhankelijk te zijn van iemand, dien hij wel vertrouwde, maar die toch ook een mensch was, en zich derhalve vergissen kon. Hij gevoelde zich gedrukt, alsof de berg met zijn geheele gewicht op hem rustte. Zwijgend met gebukt hoofd ging hij achter Volsteke aan. Deze echter was op zijn praatstoel geraakt, ratelde onophoudelijk door en had nu dit, dan dat aan te wijzen.
„Nu komen we in den eigenlijken doolhof; hier leiden de gidsen de reizigers gewoonlijk rond. Kijk, daar staat de handteekening van Willem III, onzen koning, daar van andere vorsten en grooten. Daar onder aan die pilaar heeft Napoleon de Eerste zijn naam gezet. Een kleingeestig Pruisisch officier heeft het met zijn sabel later doorgehakt. Voor de gidsen zijn alle namen heilig; nauwlettend zorgen ze, dat geen schendende hand ze aanraakt. De toenmalige gids, die de Pruisen leidde, was een Franschman; hij werd door twee kameraden van dien officier vastgebonden, en terwijl hij tranen stortte van woedde, moest hij het lijdelijk aanzien, dat de naam onleesbaar werd gemaakt, waarop hij zoo trotsch was, en dien hij iederen bezoeker toonde, onder het eerbiedig afnemen van zijn muts, met een waardig: „Voilà le grand empereur, monsieur.” Toen ik hier in den berg kwam, leefde de oude man nog en ik heb hem dikwijls met bevende stem het geval hooren vertellen; zacht voegde hij er dan in gebroken Hollandsch bij: „als ik toen maar geen vrouw en kinderen te verzorgen had gehad, ik zou mijn fakkel weggesmeten hebben, op de vlucht zijn gegaan en de ellendelingen hebben laten doodhongeren.”
„Zou men hier niet zonder gids uitkomen?” vroeg Willem onder ’t voortgaan.
„Evenmin als de drie paters, waarvan ge hier de schilderij ziet,” antwoordde Volsteke, en wees op een pilaar, waarop een onduidelijke houtskoolteekening met het jaartal 1798 te zien was. Ze stelde drie monniken voor; de een stervende, de twee anderen als lijken met afzichtelijk verwrongen gelaatstrekken. „Die paters dachten met een draad, dien ze aan den ingang hadden vastgemaakt, den terugweg wel te kunnen vinden, maar de draad werd doorgesneden op den scherpen kant van een vuursteen en ze kwamen ellendig om het leven.
Aan den anderen kant van den berg, onder het fort, is laatst door onzen ingenieur het lijk van een werkman gevonden. ’t Moet er zeker wel een vijftig jaar gelegen hebben, ofschoon het zich in het drukste deel van den berg bevond. Het had den hoed nog op het hoofd en een paternoster in de hand; ’t was geheel verdroogd, maar niet ontbonden. Geen beentje was afgeknaagd; waarschijnlijk was van dit alles de droge lucht de oorzaak en het feit, dat er geen enkel insect in den geheelen berg te vinden is. Ik heb ook in de kolenmijnen in de Borinage gewerkt; daar krioelde het van slakken en nachtvlinders, en de oude gangen waren er bedekt met schimmelplanten en paddestoelen. Daar zou een lijk niet zoo lang bewaard zijn gebleven.
Ik ben er zelf ook eens bijgeweest, dat er een man gevonden werd, maar dat liep minder treurig af.
Een troepje boeren uit Canne had in Maastricht kermis gehouden. Toen ze ’s avonds den berg langs naar huis gingen, hadden ze wat veel oud Maastrichtsch geproefd; ten minste een van hen zag een ingang van den berg voor den hollen weg aan, dien ze moesten passeeren. Nadat hij wat te lang naar zijn zin geloopen had, zonder een kroeg op zijn weg te zien, begon hij te roepen en te schelden, en toen hij eindelijk met zijn hoofd wat onzacht tegen een muur aanliep, dacht hij waarschijnlijk in zijn bedstede aangeland te zijn; hij legde zich doodbedaard op een zandhoop te slapen en snorkte weldra als een os.
Nu kunt ge begrijpen, hoe we den volgenden morgen schrikten, toen wij bij het flikkerende licht der fakkels in een gang, dicht bij de plaats waar we steenen zaagden, een lichaam zagen liggen. Geen van ons durfde er heen gaan, want we dachten er niet aan, hier een levende te vinden en de dooden hier uit den berg hebben alle zulke akelige gezichten. Dat hebt ge aan de paters wel kunnen zien. Maar opeens hoorden we een geluid, en legde het lijk zich op de andere zijde. De meesten van ons vlogen weg en schreeuwden: „de geest, de geest!” maar ik en nog een paar kameraads dachten, dat het geluid wel eens het gerochel van een stervende kon wezen en gingen er op af. Met de rozen op de kaken lag de boer zoo gerust te slapen, als deed hij in zijn hooiberg een middagdutje. Toen we hem met ons vieren flink door elkaar schudden werd hij wakker en wreef zich de oogen uit. De anderen waren intusschen van hun schrik bekomen en kwamen naderbij.
Ge kunt begrijpen wat voor oogen de boer opzette, toen hij daar een dertigtal mannen met brandende fakkels en lantarens om zich heen zag. Hij ging overeind zitten, zette zijn oogen en mond zóó ver open, dat we eerst dachten dat hij zijn kaken verrekt had, en wij lachten dat wij dachten te stikken. Waarschijnlijk dacht de domme vlegel, dat hij in de hel was en wij duivels waren, want inplaats van ons te bedanken, sprong hij ineens op en zette het gillend op een loopen. Wij hem na. We hadden hem gauw te pakken en brachten hem meer dood dan levend boven den grond.
Ik volgde daarna zijn spoor, dat duidelijk zichtbaar in de dikke stoflaag was gedrukt, en tot mijn verbazing bemerkte ik, dat de kerel gangen doorgestrompeld was, waar sinds eeuwen geen mensch een voet had gezet.
Wacht, laten we even driemaal rechts en viermaal links gaan, dan zal ik je het aardsche paradijs laten zien.”
Nieuwsgierig naar dat Eden onder den grond, volgde Willem, die door het verhaal van den boer eenigszins uit zijn gedrukte stemming was opgewekt. De blinde gang, met dien wijdschen naam begiftigd, was ongeveer even lang en breed en vormde een soort van kamer; de achterwand was beschilderd met levensgroote, ruwe figuren van Adam en Eva. De zijwanden stelden tooneelen uit den Bijbel voor, die op deze twee betrekking hebben, o.a. de verdrijving uit het Paradijs.
„En hier,” zei Volsteke, een andere gang intredende, „hier is de kamer der heidensche godheden.”
Allen waren tegenwoordig: Jupiter bovenaan, en Pluto, Mercurius, Neptunus en anderen, minder duidelijk geteekend, aan de voeten van den oppergod. Zelfs Venus, Minerva en Juno ontbraken niet op het appèl.
„Nu maar weer verder op. Verveelt het je?”
„Neen, nog niet, maar mijn oogen doen pijn!”
De fakkel begon ook slechter te branden. Volsteke sloeg ze van tijd tot tijd met het vlammende eind tegen de pilaren. Dit hielp.
Eensklaps werd de fakkel uitgebluscht.
„Volsteke, jij hebt de lucifers! Steek gauw aan!” riep Willem, maar de arbeider had zich door een zijgang van hem verwijderd.
„Blijf op de plaats, waar ge staat,” klonk eene zwakke stem, die uit den grond scheen te komen.
Willem begreep wel, dat Volsteke hem eens bang wilde maken; maar toch kon hij het kloppen van zijn hart niet bedwingen. Nu hij alleen was, en hij ’t geluid van voetstappen, hoe dof ook, en ook Volstekes stem niet meer hoorde, begon het weer hevig in zijn ooren te suizen. Stilte en duisternis, beide waren zoo volkomen, dat men er zich nauwelijks een denkbeeld van kan vormen.
Willem durfde geen voet verzetten uit vrees Volsteke niet terug te zullen vinden. Twee minuten bleef het donker en zweefden allerlei visioenen zijn oogen voorbij. Draken met vurige tongen en vlammende neusgaten, gevleugelde spoken, afzichtelijke lijken van monniken. Al die gedrochten begonnen een rondedans voor zijn voeten.
Het angstzweet gutste Willem over het gezicht. Een tijdlang was zijn geleider reeds weg; daar flikkerde het in de verte uit een zijgang en de spoken waren verdwenen. Willem haalde weer vrij adem. Maar opnieuw werd zijne keel toegeknepen van schrik: het was Volsteke niet. Eene reusachtige gedaante vloog den hoek om, zwaaide als een bezetene een fakkel boven het hoofd en kwam met verbazende schreden aangerend. Het gezichtsbedrog, door den vorm der gang ontstaan, duurde slechts een oogenblik. Weldra stond Volsteke naast hem, en lachte hem hartelijk uit om zijn kinderachtigen angst. Willem lachte op het laatst ook mee, ofschoon zijn hart nog hoorbaar bonsde.
„Ja,” zei Volsteke voortloopend, „ik heb wel ouderen dan jij zien zweeten van angst, als ik dat grapje uithaalde. Maar nu hebt ge den doop ondergaan en zijt ge door de wol geverfd. Ge zult nu geen spoken meer zien in den berg, al is het donker.
„Pas op, kijk goed voor je op den brugweg; rechts en links is een afgrond. Ha, nu krijgen we de eenige gang, waar een echo is.”
„Willem, we moeten terug,” zei Volsteke, staan blijvend, „er is eene orgelpijp leeggestort.”
„Wat is leeggestort?” vroeg Willem, die meende verkeerd verstaan te hebben.
„Ja, wij noemen dat orgelpijpen. Ziet ge dien hoop gruis en steenen, die ons den weg verspert? Kijk, er zitten beenderen van dieren tusschen; die zijn er boven den grond ingeraakt. Dat alles zit in een soort van loodrechten koker, die van het diepste van den berg tot aan den top reikt. Van boven vallen steenen, planten en dieren er in, en dat verstopt de pijp. Verleden winter was deze nog vol en nu zie ik dat ze leeggestort is. Ik durf er niet onder doorgaan, omdat ik niet zeker weet of ze wel geheel leeg is; somtijds vallen er nog steenen na. Anders konden wij door dien natuurlijken schoorsteen van honderd meter lengte den hemel zien.
Terug dan maar Willem, dan kan ik meteen zien, of ge me ook gefopt hebt, toen ge me vertelde, dat ge op de latijnsche school hebt gelegen. Wat staat daar op dien wand?”—„Via fontis” en daar weer hetzelfde „via fontis.” „Nu wat is dat?” vroeg Volsteke.
„Ja, dat weet ik niet. Het beteekent letterlijk: de weg naar de fontein of de bron; maar dat kan niet. Er zal hier toch geen fontein onder den grond zijn?”
„Die is er wel, en een, zooals ge waarschijnlijk nooit hebt gezien of weer zult zien. Ja, ik heb je wel gezegd, dat ik je vreemde dingen zou aanwijzen,” zei Volsteke, met zelfvoldoening Willem op den schouder kloppend. „Zie daar hebt ge weer: via fontis, en daar staan de namen van de monniken uit het klooster op den berg, die er dagelijks heen wandelen. De meeste namen kunt ge nog lezen; frater Ambrosius, fr. Paulus van Weert, fr. Lens de Leodi, fr. Frans van Diepenbeek. Ik ken al die namen uit het hoofd, en ’t is net of het oude bekenden van me zijn; toch staat er het jaartal 1341 bij.
„Luister nu eens,” zei Volsteke, Willem staande houdend, die onwillekeurig zijn pas versneld had, om de fontein te zien. „Hoort ge niets?”
Inderdaad, daar klonk met gelijke tusschenpoozen een zilveren toon; het was, of er met een hard voorwerp telkens tegen een fijngeslepen wijnglas werd getikt. Nieuwsgierig volgde Willem zijn gids.
„Daar hebt ge nu de fontein.”—„Waar?” vroeg Willem.
„Hier vlak voor je voeten en boven je hoofd. Ziet ge daar dien doorgebroken, versteenden boomstam, in het gewelf?”