Part 11
De nieuwe knecht beviel den boer best, en de vrouw betoonde hem ook vriendelijkheid; ze stopte den aardigen jongen nog wel eens extra spekpannekoeken toe. Maar aan de knechten en meiden was hij een doorn in het oog. Ze konden dien vreemden snoeshaan niet uitstaan; hij dronk nooit jenever en kon hun veel te fijn praten. „Strooplikken doet hij,” zeiden ze, „om den boer te paaien, dat hij hem voor vast zal aannemen en dan misschien een van ons zijn congé geven zal.”
Ze staken hun nijd dan ook niet onder stoelen en banken, en gaven Willem op de grofste wijze te verstaan, dat hij hun te veel was. Deze stoorde zich weinig aan hun ongerechtvaardigde afgunst en zocht zich bij het werkvolk bemind te maken.
Dat hij geen dagdief wilde zijn, zooals de anderen, die, zoo gauw de boer of zijn vrouw den rug gekeerd hadden, hun tijd verluierden, konden ze hem echter niet vergeven, en hun nijd groeide met den dag aan. Ze plaagden en sarden hem bij elke gelegenheid, zonder dat hij ooit aan een van hen de voldoening gaf, dat ze hem kwaad hadden gemaakt; dit nam niet weg, dat hem dikwijls de vuisten jeukten, doch hij bedwong zich en bedacht, dat een aanval van drift hem in de gevangenis had gebracht. Hij bleef dan ook schijnbaar bedaard.
Dit wakkerde echter den haat nog meer aan, en nu werd hij alleen de verklaarde vijand van allen. In het geniep moest hij allerlei overlast verduren. Nu eens vond hij een half dozijn rupsen in zijn kannetje melk, dat hem op het land werd gebracht, dan weer was de stroomatras, waarop hij zich ’s avonds neer wilde vlijen, met deken en al druipnat gemaakt. Op een anderen keer hadden ze hun wrok op den hond gekoeld. Willem was dan ook van plan den boer te zeggen, dat hij verderop werk ging zoeken, toen er iets gebeurde, dat een plotselingen ommekeer in Willems verhouding tot het werkvolk bracht.
De Zondagavond werd gewoonlijk door de knechten, zoowel als door de meiden uit den omtrek in een herberg van het dorp met drinken en dansen doorgebracht. Dat er wel eens te diep in ’t glaasje werd gekeken, was geen zeldzaamheid, en meer dan eens was de herberg het tooneel van een vechtpartij.
Een handige opruier kon dan de verhitte gemoederen en benevelde hoofden gemakkelijk overhalen om persoonlijken wrok te koelen, zonder zichzelf bloot te geven.
Willem was verstandig genoeg, dergelijke herbergen niet te bezoeken of ze in elk geval Zondagsavonds zooveel mogelijk te mijden; als het hem thuis te warm was, placht hij met Pollo een wandeling in den omtrek te doen.
Op zekeren avond had de boer zijn volk verzocht, wat vroeger thuis te komen, omdat den volgenden morgen met den dag het koren moest binnengehaald worden. Allen beloofden het en hielden woord, op één van de meiden na. Ze kon van de danszaal niet scheiden: „ze zou den weg alleen wel vinden, als de anderen flauw genoeg waren, om zich aan den boer te storen. Als ze ’s morgens maar weer present was, ging het hem immers niet aan, hoe lang ze in de herberg bleef. De baas wou zeker wel, dat allen net zoo waren, als die saaie, nieuwe knecht.”
’t Was een donkere, zwoele avond, en Willem, die nog geen slaap gevoelde, zeide tot den boer, dat hij nog een luchtje ging scheppen.
„Ga je gang, maar wij gaan naar bed,” kreeg Willem ten antwoord.
Willem dwaalde verder van de hofstede af dan zijn plan was, en wilde terugkeeren, toen hij op korten afstand een onderdrukten kreet hoorde, onmiddellijk gevolgd door schreeuwende en tierende dronkemansstemmen. Daarboven was het geroep om hulp van een vrouw duidelijk te onderscheiden.
Zonder zich een oogenblik te bedenken, ging Willem, zoo snel de donkere weg het hem veroorloofde, op het geluid af. Pollo hem na.
„Zoo, nou ben je benauwd, hè,” verstond hij duidelijk onder ’t naderen, „je hebt Jan Verstee den bons gegeven om met Jan de Belg te kunnen uitgaan. Nu zullen we jou ook eens bonsen!”
Een gil en hulpgeroep overtuigde Willem, dat de spreker de daad bij het woord voegde en de anderen hem een handje hielpen.
Willem vloog meer dan hij liep; hij had aan haar stem een meid van de hoeve herkend. Hij dacht er geen oogenblik aan, dat juist zij het was, die hem het meest sarde en de anderen tegen hem opstookte. Zoover de duisternis het toeliet, zag hij dronke-mannen woest te keer gaan en als razend losslaan op een vrouw.
„Sla haar op haar gemeen bakkes, dat de Belg het niet meer terugkent,” riep er een met schorre stem, en zwaaide een touw door de lucht.
Een oogenblik stond Willem als versteend; in ’t volgende viel hij als een bom midden onder de aanvallers, deelde rechts en links vuistslagen uit, rukte den een zijn stok, den ander het touw uit de handen, en sloeg er mee om zich heen.
„Canaille, veepak! Ik zal je leeren een weerlooze vrouw te mishandelen,” schreeuwde hij.
Nu keerde de woede der aanvallers zich tegen hem, doch de smoordronken jongens waren niet tegen Willem bestand. Met een flinken duw wierp hij er een paar omver, die kruipend en huilend zich uit de voeten maakten; Pollo vloog een langen lummel, die zijn mes zwaaiend kwam aanwaggelen, naar de keel; de anderen, die met het touw een striem over het gelaat gekregen hadden, dropen insgelijks af.
Willem sneed het touw, waarmee de meid was vastgebonden door en bracht haar naar huis. Met geen enkel woord repte hij in het vervolg van het gebeurde; vreemd genoeg sprak ook niemand van het werkvolk er over, waarschijnlijk om de politie, door alle vechtersbazen zoo gehaat, buiten de zaak te houden. Aan de houding van al het volk begreep hij echter, dat het feit algemeen bekend was, en tevens hoezeer men zijn moedige daad en meer nog zijn stilzwijgen er over, op prijs stelde.
Sedert dien dag was hun gedrag jegens hem juist het omgekeerde van vroeger. Zoo barsch en hatelijk ze voorheen waren, zoo vriendelijk en voorkomend waren ze nu. Ja, als hij het toegelaten had, zouden ze hem ’t werk uit de handen hebben genomen.
HOOFDSTUK IX.
De winter kwam vroeg in den tijd, en Willem begreep, dat er weldra op de hoeve voor hem geen werk meer zou zijn. De boerin wilde hem wel houden; de vlijtige en gewillige knecht, die zoo geheel anders was dan het ruwe werkvolk, was haar lief geworden als haar eigen kind. Maar de boer had er geen ooren naar; de pacht was hoog en er was in ’t voorjaar werkvolk genoeg te krijgen. Hij raadde Willem aan naar Maastricht te gaan; daar was ’s winters in de fabriek werk genoeg te vinden. Op een mooien Novembermorgen pakte Willem zijn bundeltje en sloeg den weg in naar Maastricht.
Welgemoed wandelde hij voort en haastte zich volstrekt niet. De hemel was helder en met volle teugen dronk Willem de koude, frissche lucht. Opnieuw ging hij een onbekende toekomst tegemoet; opnieuw moest hij een woning, waar hij zich thuis gevoelde, verlaten; maar het bezwaarde hem niet, noch stemde het hem treurig. Hij was jong en sterk; het gevoel van een volmaakte gezondheid deed hem de toekomst rooskleurig inzien. ’s Zomers werken op het land, ’s winters in de stad, zoo vult zich bovendien de buidel; reeds was er meer dan honderd gulden in zijn zakboekje geborgen. Voor gebrek lijden was hij vooreerst bewaard; nog driemaal zooveel en de reis naar Australië was betaald. De ring van zijn zuster kon misschien ongeschonden, het tientje van Van Dal ongewisseld blijven.
De vrees voor ontdekking verminderde meer en meer; reeds was er een jaar verloopen en Willems uiterlijk tamelijk veranderd. Wie zou in dien roodwangigen, stevigen boerenjongen in de blauwe arbeiderskiel en met de lakensche pet, in dit afgelegen hoekje van Nederland, den bankierszoon uit Amsterdam herkennen?
De weinige voetgangers, die hij ontmoette, groetten hem vriendelijk en even hartelijk was zijn wedergroet. Slechts één oogenblik overviel hem een weemoedig gevoel, toen hij er aan dacht, dat hij zich meer en meer van zijn ouders verwijderde; maar niet lang evenwel kwelde hem die treurige gedachte. Hij ging immers naar een land, waar zoovelen heengingen, arm als hij en er schatrijk van terug kwamen. En rijk worden was zijn eenig doel; rijk worden; geld bij hoopen bezitten! Niet voor zichzelf—voor zich gevoelde hij niet den minsten dorst naar goud—maar om er zijn vader mede te overstelpen en te kunnen zeggen: „hier ben ik terug; nu heeft het lijden een einde. Nu behoeft u niet meer naar ’t kantoor te gaan om tegen weinig loon voor anderen te werken; nu kunt u uw ouden dag in ongestoorde rust en zonder zorgen slijten.”—Geheel opgewekt door dit blijde verschiet zong hij zijn hoogste liedje uit. Door luid geblaf gaf Pollo zijn instemming te kennen.
Weldra herinnerde hem zijn maag er aan, hoe de boerin er voor gezorgd had, dat hij onderweg geen honger behoefde te lijden. Het roggebrood met gerookte ham smaakte heerlijk, maar ’t was alleen een grondleggertje. Een flinke worst, die de ballast van den zak vormde, werd gevierendeeld en verdween voor drie vierden spoedig in zijn hongerige maag; het laatste vierde deel was niet de moeite van het opbergen waard en werd eveneens opgepeuzeld. Pollo nam een halve lever voor zijn rekening. Na aldus voor zijn gezondheid gezorgd te hebben, wierp Willem zijn aanmerkelijk lichter geworden knapzak weer over den schouder en zette zijn reis voort.
In de verte achter hem kwam een boerenkar aanhotsen; dichterbij gekomen bleek ze slechts door één boer bezet te zijn.
„Wacht,” dacht Willem, „dat zou een buitenkansje zijn.” Hardop: „Hei, baas! waar gaat de reis naar toe?”
„Naar Meersen,” was het antwoord, „moet ge altemet ook dien kant op?”
„Ja,” antwoordde Willem, „mag ik meerijden?”
„Met pleizier, stap maar op.”
Dit was echter gemakkelijker gezegd, dan gedaan. De boer reed wel wat minder snel, maar hield niet stil. Willem wierp zijn knapzak op de kar en met een fikschen sprong zat hij er naast. Nu moest Pollo pooten maken.
„Knap gedaan, jongen,” zei de boer, „gaat ge naar stad?”
„Ja, ik wil in Maastricht werk zien te krijgen voor den winter.”
„O, dat zal gemakkelijk gaan. In de fabriek van Regout zijn altijd handen te weinig. Maar ’t is jammer voor je frissche bakken; die hebt ge vast niet in een fabriek opgedaan, die zult ge daar snel verliezen, mijn jongske. Zoo van den vroegen morgen tot den laten avond half naakt voor ’t helsche vuur te staan, ik benijd je niks, verstaat ge? Hebt ge van den zomer bij den boer gewerkt? Ja? Nu dan voorspel ik je, dat je het geen drie dagen uithoudt.”
„Maar er zal dan toch wel wat anders te vinden zijn?”
„Ja, in de brouwerij misschien; maar daar moet ge eerst kennis van hebben, als ge genoeg verdienen wilt, om van te leven. In ’t aardewerkvak kunnen ze iedereen werk geven, al hebt ge nog nooit een fabriek gezien. Stoken kan men in een half uur wel leeren. Maar daarvan kunt ge ook niet alle dag biefstuk eten, verstaat ge?”
Willem begon de toekomst minder rooskleurig in te zien.
„Zie zoo, ik moet linksaf, gij gaat maar recht door, dan zijt ge in een uur te Wijk. Ik zou je raden daar logies te zoeken; daar is ’t goedkooper dan in Maastricht, en ge hebt er niet zooveel kwaad volk in de herbergen.”
Zooals de boer gezegd had, stapte Willem een uur later de eerste huizen van Wijk voorbij. Het trof hem, dat de opschriften boven de winkels meest in ’t Fransch geschilderd waren. De tongval en de kleederdracht der bewoners van dit uiterste stukje van ons land, deden duidelijk uitkomen, hoe weinig de aard der bevolking met die der overige Nederlanders overeenkwam.
Willem bracht zijn knapzak in een herberg, die er nog al zindelijk uitzag; wat van lang niet alle gezegd kon worden. De woning beviel hem, en weldra was men het over den prijs van kost en logies eens, ofschoon de herbergier, zoo hij beweerde, geen slapers hield. Maar hij had juist een bedstede leeg en wilde Willem wel in den kost nemen. Op diens vraag, of er wel werk te krijgen was, zei hij:
„Voor een jongen, die handen aan zijn lijf heeft, en niet te lui is, om ze te gebruiken, is in Maastricht wel werk te vinden.”
Willem nam deel aan den eenvoudigen maaltijd en gevoelde zich spoedig thuis bij de eenvoudige lieden. Hij vernam weldra dat de herberg maar een bijzaakje voor de vrouw was, en de man zelf ’s zomers met garen en band den boer opging en ’s winters in den St. Pietersberg werkte.
Willem kon hun vertrouwelijkheid niet met vertrouwen beantwoorden.
Hij verhaalde van zijn lotgevallen slechts zooveel als ze mochten weten. Hij vertelde, dat hij een zwerveling was, ofschoon zijn beide ouders nog leefden, maar dat deze door een ongelukkig toeval te arm geworden waren, om hem den kost te geven of te laten studeeren; dat hij zich schaamde in de stad zijner inwoning te gaan werken, maar overal elders met lust de handen uit de mouwen zou steken.
De goede lieden merkten het ongerijmde in zijn verhaal niet op, en begonnen hart te krijgen voor den flinken borst, die zoo mooi sprak en toch zoo minzaam was. De vrouw beweerde dat ze het samen wel zouden vinden, als Willem het weinige, dat ze hadden, maar voor lief wilde nemen.
Evenals de voerman, raadde ook zij Willem aan, als ’t eenigszins kon, niet in een aardewerkfabriek te gaan werken. Haar man was er vroeger ook geweest, maar was sedert dien tijd ook nooit weer goed gezond.
Willem nam met een „tot straks” afscheid van het spraakzame vrouwtje: hij wilde nog gaarne eens wat van de stad zien. Pollo mocht niet mede; hij oogde zijn meester na, zoo ver hij kon, en bleef voor de deur zitten wachten. Op zijn gemak drentelde Willem den rechteroever van de Maas langs.
Aan de overzijde van de diepgelegen rivier met haar hooge kaaimuren, tot aan het snelstroomende water met gras en struiken begroeid, lag het grijze Maastricht. Ver boven alle huizen staken de torens van de St. Servaas- en van de St. Janskerk hun sierlijke spitsen naar den blauwen herfsthemel op. Naar ’t Zuiden teekende zich de omtrek van den St. Pietersberg, met het plechtige torentje van dien naam, scherp af tegen opkomende wolken.
Na zich verlustigd te hebben in het bekoorlijk gezicht, dat het geheel oplevert, dacht Willem de Maasbrug over te gaan om de stad een bezoek te brengen, toen het gillende fluitje van een locomotief zijn aandacht trok. Daar achter de beuken moest het station liggen. Alle andere loofboomen waren reeds kaal, maar de beuken lieten nog geen doorzicht toe. De gele, droge bladeren, die aan de dunne twijgen trilden, schenen de takken, waarop ze geboren en getogen waren, niet te kunnen verlaten. Al rilden ze van koude, ze bleven liefst den geheelen winter hangen, indien ten minste de winterstorm niet al te grimmig raasde.
Willem kon de verzoeking niet weerstaan, eens een kijkje in ’t station te nemen, dat aan dezelfde zijde van de Maas ligt; hij hoorde er ook al meer Fransch en Duitsch dan Hollandsch, de buffetjuffrouw werd er met Madam aangesproken.
Daar stoomt juist de trein uit Venlo het station binnen. De conducteurs werpen de portieren open. „Reizigers voor Keulen en Bonn uitstappen!—Voyageurs pour Cologne et Bonn descendre!—Für Köln und Bonn umsteigen!” klinkt het in drie talen. Nieuwsgierig gaat Willem het perron op.
Uit een waggon eerste klasse stapt een heer; met den rug naar Willem toegekeerd, neemt hij een koffertje uit de hand van een bleek jongmensch aan;—’t zijn „de schooier” en zijn vader.
Omkeeren en op de vlucht gaan is Willems eerste gedachte; maar zijn beenen weigeren hem den dienst; geen lid van zijn lichaam, dat niet beeft. Als ze hem bemerken is hij binnen een half uur in handen der politie.... neen, onmiddellijk, want vlak naast hem staat een politieagent. Ze komen op hem af.... zouden ze hem herkend hebben? ’t Schemert Willem voor de oogen, hij is een flauwte nabij. Rakelings gaat de schooier, die blijkbaar nog moeilijk loopt, hem voorbij, de wachtkamer in. De heer Walling beladen met twee koffertjes volgt zijn zoon op de hielen. Willem is niet in staat uit te wijken en komt in het gedrang in aanraking met een der koffertjes. Het bloed stolde in zijn aderen.
„Lummel,” bromt Walling binnensmonds zonder naar Willem om te zien.
Goddank! het gevaar is voorbij. Willem haastte zich in de wachtkamer tweede klasse een glas water te drinken. Het was hoog tijd, want de onverwachte ontmoeting had hem zoo geschokt, dat hij zich niet meer staande kon houden.
„Instappen voor Aken!” klinkt het weer.
„Messieurs, en voiture pour Aix-la-Chapelle!”
„Einsteigen für Aachen.”
De nieuwsgierigheid deed Willem zijn veiligheid in gevaar brengen. Hij drukte het gezicht tegen de glazen van de wachtkamer en zag schuin in de verte. Eerst stapte de heer Walling in, hielp toen voorzichtig zijn zoon.
De portieren klappen, de conducteur geeft het sein, de locomotief doet een schril gefluit hooren en de trein zet zich in beweging.
Er wentelde Willem een steen van het hart. Met elken zucht van de locomotief werd zijn angst minder, en toen de trein uit het gezicht was verdwenen, ademde hij eerst weder geheel vrij.
Wel beefde hij nog van innerlijke ontroering, doch spoedig had hij zich van den schrik hersteld. Ja, die maakte weldra plaats voor blijdschap, nu hij zich met eigen oogen overtuigd had, dat hij geen moordenaar was, en het slachtoffer van zijn drift, zoo al niet geheel hersteld, toch weer sterk genoeg was om op reis te gaan. Zooals Willem terecht giste, ging hij in een warmere luchtstreek den winter doorbrengen, om door het zachte klimaat geheel te genezen.
Met luchtigen tred stapte Willem de eeuwenoude Maasbrug over, om, vóór de avond viel, nog wat van de stad te zien. Ook in de hoofdstraten van Maastricht trof het hem, dat de waren, zoowel voor de grootste als voor de kleinste winkels op de stoep lagen uitgestald, en de uithangborden en opschriften in ’t Fransch en ’t Hollandsch beide gesteld waren. De menschen zelf waren veel levendiger en spraken op straat veel luider dan men in Holland gewoon is.
Uit de verte klonk muziek. Willem richtte zijn schreden daarheen. Aan het eind der straat bevond hij zich tegenover een reusachtig vierkant plein, door een paar lindenlanen omzoomd, het zoogenaamde Vrijthof. Aan twee zijden wordt het ingesloten door openbare gebouwen: de sierlijke kerken van St. Jan en St. Servaas en de antieke, met fraai beeldhouwwerk versierde hoofdwacht.
De andere zijden zijn bezaaid met koffiehuizen en andere uitspanningsplaatsen, die wanneer zooals nu in de fraaie tent midden op het plein een muziekcorps zijn tonen doet hooren, altijd plaatsen te weinig hebben.
’s Zomers, wanneer het dichte gebladerte een beschermend dak vormt tegen de felle zonnestralen en tegen den regen, wandelt onder de linden een dichte menigte steeds in één richting onafgebroken voort.
Nu zijn de boomen kaal en men zoekt weder de zon, in plaats van ze te ontwijken; doch de gewoonte om onder de boomen te wandelen, is ingeworteld, de stroom, der wandelaars laat het overige deel van het plein geheel vrij en maakt het Vrijthof tot een effen tapijt met sierlijk medaillon en bonten rand.
Met genoegen zag Willem het vroolijk tafereel aan, verlicht als het was door de koesterende stralen van de najaarszon, en hij kon den lust niet weerstaan voor één der koffiehuizen een leegen stoel te zoeken en onder het genot van een glas bier den draaienden menschenstroom eens op zijn gemak te beschouwen.
In de koffiehuizen zaten gegoede burgers, rijke winkeliers en werklieden, die van de laatste muziekuitvoering nog eens wilden profiteeren, genoeglijk bijeen; de laatsten onderscheidden zich dan ook nauwlijks door kleeding of manieren van de eersten; de vereelte handen alleen deden hen als zoodanig kennen.
Willem werd om zijn blauwen kiel door den deftigen „garçon” geenszins met den nek aangezien en evengoed met een „s’il vous plaît, monsieur!” bediend als de dikke rentenier naast hem. Van het Maastrichtsch bier had hij echter weinig genot. Hij moest zeker een leelijk gezicht getrokken en een beweging van uitspuwen gemaakt hebben, want zijn buurman van het tafeltje, die waarschijnlijk aan zijn tongval dadelijk den vreemdeling in hem had herkend, kon zijn lachlust niet bedwingen. Willem wilde zich echter niet beschaamd laten maken, hij slikte de eerste zure teug moedig door en dronk tegen heug en meug onder het gesprek met zijn buurman zijn glas half leeg. Toen hij er zoover mede was gevorderd, was het concert afgeloopen, en met den stroom begaf hij zich naar Wijk, om in zijn nieuw kosthuis met een glas water, den leelijken smaak weg te spoelen, dien het zure brouwsel had achtergelaten.
De vrije dag was voorbij en den volgenden morgen ging de zwerver er reeds vroeg op uit, om werk te zoeken. Veel behoefde hij niet te verdienen; voor vijf gulden ’s weeks had hij kost en inwoning voor zich en zijn hond, en daarmede kon hij zich voorloopig behelpen; extra uitgaven had hij bijna niet; en toch, hoe weinig loon hij ook vroeg, hij vond niet zoo spoedig werk als hij verwacht had.
In de brouwerij werd werkvolk afgedankt in plaats van aangenomen, zei de meesterknecht, in den winter drinken de menschen weinig bier; hij moest in het voorjaar maar eens terugkomen.
In de laken- en flanelfabrieken konden alleen werklieden geplaatst worden, die eenige kennis van het vak bezaten, en hij was alleen op de hoogte van het boerenbedrijf. Voor schrijfwerk waren overal handen in overvloed.
Alleen in een der aardewerkfabrieken, zoo werd hem overal, waar hij tevergeefs aanklopte, gezegd, bestond er kans voor hem, en hoewel hij na alles wat hij er van gehoord had, er niet veel lust meer toe gevoelde, besloot hij daar werk te vragen.
Inderdaad werd hij aangenomen, tegen een laag loon echter. Denzelfden middag moest hij reeds op de fabriek komen om eens toe te kijken, den volgenden dag om te helpen. Het kijkje vooraf was weinig geschikt, om hem liefde voor ’t fabrieksleven in te boezemen.
Hier waren werklieden bezig met bloote voeten de klei te stampen, of werd deze voor fijner aardewerk door vrouwen en kinderen met handen gekneed, en van steentjes, plantenwortels en andere onzuiverheden gereinigd. Ginds waren mannen bezig de grondstof met water te vermengen. Anderen vormden met de pottebakkersschijfjes en plankjes van allerlei vorm, de weeke klei tot kannen, borden, kopjes en schotels.
Bij de ovens, waar Willem zijn werk was aangewezen, heerschte een ondraaglijke hitte. Zwijgend, met bleeke, uitgemergelde gezichten deden de arbeiders hun werk. Het magere bovenlijf geheel naakt en met bloote beenen stonden ze voor den vuurgloed, stortten nieuwe brandstof in den oven, schoven de gevormde voorwerpen in de vlammen, of wierpen zout in het vuur, dat daar in damp overging en zich als glazuur aan het aardewerk hechtte.
Het daglicht drong er weinig of niet door de zwartbewalmde, hooggeplaatste vensters. De gloed, die uit de ovens straalde, overgoot alles in den omtrek met een bleekrood licht. Die naakte, zwijgende, door elkaar wemelende menschen, wier bleeke gelaatstrekken in vuur stonden en wier geheele lichaam scheen te branden, het knarsen der ijzeren ovendeuren, de flikkerende, vreeselijk knetterende of grommende vlammen en de vliegende schaduwen, deden Willem denken dat hij in den Tartarus, de onderwereld der ouden, was verplaatst, waarvan hij op school gelezen had, en waar de schimmen der afgestorvenen de straf voor hun euveldaden op aarde ondergingen.
Drie dagen hield Willem het hier vol; elken avond had hij zware hoofdpijn, en, zooals hem voorspeld was, zijn gezonde gelaatskleur verdween.
Vrouw Volsteke, die zooals ze het uitdrukte, schik had in den netten en altijd beleefden commensaal, scheen er op een avond vóór Willems thuiskomst haar man opmerkzaam op gemaakt te hebben, want bij het avondeten keek deze onderzoekend en hoofdschuddend zijn kostganger aan. Willem was vermoeid en had zwijgend zijn brood genuttigd; hij wilde opstaan om naar bed te gaan, toen zijn oog op een kleine hangkast viel, waarvan de deur toevallig openstond.