Willem Roda: Een jongensboek

Part 10

Chapter 104,147 wordsPublic domain

„Wat zou de reden van dat uitblijven zijn? Kun je niets gissen, zusje?”

„Niets, Willem, ik heb op mijn laatsten brief geen antwoord ontvangen.”

„Arm zusje; denk je, dat hij niets meer van je weten wil?”

„Neen, Willem, dat is niet mogelijk! Eene verloving geldt, wat er gebeurt, onder eerlijke en brave menschen voor het heele leven; en voor een braaf man zal ik Herman blijven houden, zoolang ik leef!”

„Nu wat dan? Misschien is hij ziek!”

„Dat is ook niet het geval. Ik weet zeker, dat verleden week nog een brief bij zijn ouders is gekomen. Ik heb Emma gesproken!”

„Zou hij ook van mij gehoord hebben?” zei Willem. „Misschien schaamt hij zich in een familie te komen, waarvan een lid in de gevangenis heeft gezeten....”

„Neen, Willem, ook dat is het niet, daar ben ik zeker van. Ik heb hem alles naar waarheid, tot in de minste bijzonderheden geschreven, zooals het zich heeft toegedragen. In den volgenden brief, schreef hij, dat, zoo gauw je vrijgesproken was, je moest overkomen naar Australië en dat hij voor je zorgen zou.”

„Maar wat is dan de reden dat hij niet schrijft? Je zegt, dat hij je, ondanks alles wat er gebeurd is, toch nog als zijn verloofde beschouwt. Hij is gezond, het gaat hem goed, en hij schrijft je niet eens! Daar begrijp ik niets van!”

„Neen, dat kun je ook nog niet begrijpen; hij zal me nog wel als zijn verloofde beschouwen, daarvoor ken ik Herman genoeg. Maar als hij nu eens geen brieven van mij ontvangt, en van andere zijden berichten over ons ontving, die ons doen en laten in een verkeerd daglicht stellen?”

„Ah, zit hem daar de knoop? Nu begrijp ik alles! Jouw brieven worden niet overgezonden, de zijne ontvang jij niet en zoo worden jullie van elkaar verwijderd gehouden.”

„Ik zeg niet, dat het zoo is, Willem, maar ik denk het; ik wou haast zeggen, ik hoop het. Want een andere reden voor zijn gedrag kan ik niet vinden....”

„Zeg liever, wil je niet zoeken. Maar welk belang zou de oude Borgers daarbij hebben; hij was altijd even lief en vriendelijk voor je.”

„Toen was ik schatrijk, Willem! De Borgers zijn ook niet zoo rijk als ze schijnen; al doen ze groote zaken. En nu zal zijn zoon zich verbinden met een arme familie! Dat zou zijn crediet kunnen schokken. Ik begrijp heel goed, dat de oude Borgers, die de eer van zijn huis even hoog stelt als zijn leven, er zich tegen verzet, al houdt hij ook veel van mij. Nu tracht hij misschien, door de briefwisseling te beletten, waarin hij eerst toegestemd heeft, ons heelemaal van elkander te verwijderen.”

„Ja, maar dat gaat zoo niet! Ik ben er ook nog. Ik ga naar Australië en zal Herman wel vinden.”

„En dan, Willem?”

„En dan? Wel, dan zeg ik hem, dat het gemeen van hem is, mijn zuster zooveel verdriet aan te doen—dat hij dadelijk moet schrijven!”

„Dat zul je niet doen, integendeel, je zult niet eens over me spreken, als hij niet naar me vraagt, Willem!”

„Neen, maar nu begrijp ik er niets van. Jullie meisjes, hebt zulke rare manieren! Dan moet je nu maar alles precies vertellen, wat ik zeggen moet, als ik Herman spreek; anders durf ik er mij niet mee bemoeien. Ik kon wel eens meer kwaad, dan goed doen.”

„Dat is ook zoo. Maar Willem, we spreken er over, of je hem morgen ontmoeten zult, en het kan nog wel een jaar duren!”

„Ja, zoolang duurt het minstens wel, want ik neem geen cent reisgeld van vader aan. Ik zal het eerst zelf verdienen; kan ik niet genoeg bij elkaar krijgen, dan ga ik uit een of andere vreemde haven als koksmaat of als kolenjongen mee.”

„Ga je dan niet dadelijk uit Rotterdam of Vlissingen aan boord!”

„Ik zal wel oppassen, hoor! De politie met het signalement van alle voortvluchtigen kon wel eens op het oogenblik van vertrek de passagiers komen monsteren, en dan zou er wel een rechercheur bij kunnen zijn, die wat snuggerder is, dan die sukkel van vanavond; één die beter een signalement weet te gebruiken. Ik heb op De Kruisberg staaltjes van de slimheid van die lui hooren vertellen, waarvan je versteld zou staan. Neen, zusje zoo dom ben ik niet. Ze zullen me niet zoo licht weer snappen. Ik ga over land naar Duitschland of België en dan zullen we verder zien!”

„En waar moet je op reis dan van teren?”

„Geen nood, Emilia. Ik heb veel kwaads op De Kruisberg gezien. Neen, kijk maar niet zoo angstig, Milie, ik zal het nooit in praktijk brengen, dat beloof ik je! Maar ik heb iets meegebracht, dat me nooit iemand weer af kan nemen. Ik versta een handwerk! Het staat wel niet erg in aanzien bij de menschen, dat moet ik bekennen; maar voor mij is het onbetaalbaar.”

Emilia zette groote oogen op, en keek hem vragend aan.

„Ik ben namelijk ingewijd in de geheimen van landbouw en veeteelt en de voormalige bankierszoon....”

Hier ging Willem voor zijne zuster staan, wierp het hoofd in den nek, zette een hooge borst, schoof de duimen van de uitgespreide handen in de oksels onder zijn vest en zeide op komisch deftigen toon:

„En de voormalige bankierszoon beploegt en bezaait akkers, als de beste boer en slacht schaap of een kalf als de knapste slager.”

„Er is veel veranderd! Vader boekhouder tegen een karig loon en jij boerenknecht. Ja Willem, we zijn diep gedaald.”

„Om misschien weer hoog te stijgen, zusje! Kom, niet moedeloos worden, dat ben ik niet van je gewoon.”

„Neen, dat zal ik ook niet. Ik geef den moed niet op, evenmin als jij. Daarin zul je me ten minste niet boven het hoofd groeien. Je hebt gezegd, Willem, dat je geen reisgeld van vader zou willen aannemen. Dat vind ik braaf van je, ik geloof ook wel, dat je je zult weten te helpen. Maar er kunnen dingen gebeuren, waarbij het bezit van een beetje geld je laatste redmiddel is. Nee, nee, niet hoofdschudden! Laat me nu nog eens één enkelen keer je oudere zuster wezen, en beloof nu zonder tegenstribbelen te doen, wat ik je zeg. Beloof je het?”

„Ja, op mijn woord van ontvluchte gevangene.”

„Maak nu geen gekheid meer. Op het woord van mijn broer?”

„Ik beloof het je!”

„Nu, goed dan,” zei Emilia en ze haalde een klein ivoren doosje voor den dag, waaruit ze een in watten gewikkeld voorwerp nam, dat bij het losmaken bij elke beweging fonkelde.

„Kijk eens hier. Dit is de verlovingsring, dien ik van Herman heb ontvangen. Hoe groot de waarde is van den brillant, die er in gezet is, weet ik niet, en dat doet er ook niet toe. Verkoop den steen in den tijd van nood, maar in geen geval den ring; daarmee heb ik een ander plannetje.”

Emilia gaf zich moeite luchthartig te schijnen en sprak snel en tamelijk luid. Zelfs poogde ze grappig te zijn, doch ze bracht Willem niet in den waan, dat haar vroolijkheid ernstig gemeend was; hij bemerkte zeer goed, dat hare stem beefde bij elk woord dat ze sprak.

„Ik zal je morgen een brief voor Herman meegeven; dien geef je over, tegelijk met den ring, hè? Of de diamant er nog in is, doet er niet toe.”

„Ik heb het beloofd, ik zal woord houden, al moest ik dwars door Australië trekken om hem te zoeken. Maar....”

„Nu, wat maar. Je zoudt niet tegenspreken; dat was ook een deel van je belofte.”

„Nu, dat doe ik ook niet. Ik wilde alleen wat vragen. Wie weet hoelang het duurt, eer de brief zijn bestemming bereikt. Waarom schrijf je zelf niet? Of, als je Hermans tegenwoordig adres niet weet, waarom vraag je het Emma dan niet? Dat is toch een goed meisje, niet waar?”

Emilia nam Willems hoofd tusschen hare handen en drukte een kus op zijn voorhoofd. ’t Scheen Willem, of er iets warms op zijn gezicht viel, maar hij lette er niet op.

„Willem, ben je boos op me, als ik geen antwoord op de vraag geef? Zul je even goed trachten je belofte te vervullen?” zei ze haastig fluisterend.

„Ik kwaad op je zijn? Ben je mal? Je weet wel beter. Ik ben nog maar een domme jongen, dat zie ik nu. Ik begrijp je niet, maar ik vermoed toch zoo iets van een zelfopoffering.”

Eén dag slechts bracht Willem in zijn ouders huis door; ’t was een dag van innig, hartelijk samenzijn.

Ook Van Dal kwam eens kijken. Hij bekeek en betastte Willems boerenpak van alle kanten. „Wat een kerel ben je geworden. Je lijkt wel twintig in plaats van zeventien jaar! En durf je zoo alleen op reis te gaan? Dat zou mijn jongen niet durven, zie je! En zoo heelemaal zonder geld.” Hoofdschuddend ging Van Dal heen, mompelend: „Wat is een mensch zonder geld!”

’t Scheiden viel zwaar, maar het moest, en allen schikten zich gelaten, hoewel met een bloedend hart, in hun lot. Willems moed en zelfvertrouwen goot echter balsem in de wond, zoo zelfs dat zijn vader, die tegenwoordig alles zoo donker inzag, te midden der stormen licht in de verte meende te bespeuren, en niet twijfelde, of zijn zoon zou eens in veilige haven landen,—Willem vertrok op dezelfde wijze, als hij gekomen was; eerst ging Roda op verkenning uit, en toen er geen kapers op de kust bleken te zijn, verliet de vluchteling voor dag en dauw de ouderlijke woning.

En ’t was hoog tijd; want in den loop van den dag schelde een rechercheur met roode bakkebaarden en grijsgroene oogen bij Roda aan en vroeg de meid te spreken. Daar Willem zijn gesprek met den agent, niet van stukje tot beetje verteld had, kon Emilia niet weten, dat men den stevig opgeschoten boerenjongen voor den vrijer van de meid had gehouden; zij antwoordde dan ook rondweg, dat hier geen meid diende.

„Dan moet ik verzoeken, u nog even lastig te mogen vallen, juffrouw,” zeide de man en hij wenkte den agent, die blijkbaar op dit teeken gewacht had; zonder Emilia’s antwoord af te wachten, gingen de twee mannen naar boven om huiszoeking te doen.

Al vonden ze hier en daar een veertje, de vogel bleek reeds gevlogen te zijn; spijt en teleurstelling teekenden zich duidelijk op hun gelaat.

De agent, niemand anders dan de boer van Willems „kaante”, mompelde onophoudelijk nijdig niets anders dan: „Skobbejak, zoo’n gladdakker, zich veur een boer uut te gèven!”

De sukkel had zijn eigen domheid verraden; hij had aan een rechercheur verteld, dat bij Roda een meid diende, die een vrijer had, die een landsman van hem was. Onmiddellijk werd bij den buurt-secretaris geïnformeerd naar den naam van die dienstmeid, die onbewust als spion goede diensten zou kunnen bewijzen, en natuurlijk bleek het, dat er geen meid diende, of dat ze tenminste niet was aangegeven.

Den rechercheur kwam de zaak verdacht voor; en, de slimheid van den agent, die hem nu zijn geheele gesprek meedeelde, in twijfel trekkende, had hij verlof gevraagd een onderzoek te mogen instellen.

Terwijl de rechercheur, op de hielen gevolgd door den agent, het huis als een brak doorsnuffelde, was Willem reeds ver te zoeken. Welgemoed, een vroolijk deuntje fluitend stapte hij op den straatweg van Wageningen naar Arnhem voort. De trein had hem van het dorpje bij Amsterdam, waar hij instapte tot Wageningen gevoerd. Vandaar liepen verscheidene wegen en hij stond in twijfel, welken weg te nemen. Een bepaald doel voor zijn reis had hij niet; het aan het toeval overlatend, sloeg hij den eersten weg den besten in.

De spoorkosten hadden zijn portemonnaie reeds tamelijk plat gemaakt en naar zijn berekening zou hij, indien het noodig bleek, hoogstens nog een dag of vier op eigen kosten kunnen teren; derhalve moest de grootste zuinigheid in acht genomen en zoo spoedig mogelijk geld verdiend, in plaats van uitgegeven worden.

Wacht! Daar zit nog een cent los in zijn zak. „Op de kleintjes passen,” denkt Willem, „die zullen we bij ons kapitaal voegen.”

Doch tot Willems verbazing schittert inplaats van een doffen, bronzen cent een fonkelnieuw gouden tientje in de stralen van de morgenzon. Willem liet het van schrik bijna uit de handen vallen; hoe kon dat in zijn zak gekomen zijn? Een vergissing van den spoorwegbeambte was niet mogelijk. De vijf losse centen, die hij terugontvangen had, waren nog in zijn portemonnaie. Een gevoel van plotseling opwellenden wrevel overviel hem, en zijn vroolijk humeur leed er een oogenblik onder. Hij had immers dikwijls genoeg gezegd, dat hij geen geld van zijn ouders wilde aannemen; en nu had zijn vader of zijn zuster hem tegen zijn uitdrukkelijken wensch toch van teergeld voorzien. Hij had grooten lust het tientje in de sloot te werpen.

En zijn vader had nog wel gezegd: „Nu Willem: ik zal je niets opdringen,” en had daarbij zoo zonderling geglimlacht, zoo geheimzinnig en tevens zoo pijnlijk.

Willem herinnerde zich dien glimlach, en nu, een dag later, werd hem de zin ervan eensklaps duidelijk. „God, als ze eens geen reisgeld bezaten om mee te geven.” Het hart kromp hem inéén; zijn ouders leden geldgebrek. Daaraan had hij nog nooit gedacht, en nu werd het hem plotseling duidelijk.

Maar waarom getreurd? Voor het oogenblik kon hij er toch niets aan veranderen en het zou immers beter worden, als hij maar eens in Australië was. Die hoopvolle toekomst lachte hem tegen en deed den jeugdigen zwerver spoedig het treurige heden vergeten. Daar ginds lag immers het goud maar voor het oprapen! Kon hij maar à la Jules Verne in rechte lijn door de aarde dringen en bij de tegenvoeters uit den grond oprijzen, in plaats van die lange bochtige baan over de oppervlakte te beschrijven! Zijn ouders zouden eenige jaren minder lijden. Want dat ze leden, begreep Willem nu volkomen, ondanks de vroolijke gezichten, die ze hem getoond hadden. Hoe jong nog, zijn ervaring had hem reeds dit geleerd: Voor hen, die in armoede geboren en getogen zijn, wordt deze een gesloten wond, waarop zij niet meer letten, die alleen schrijnt, wanneer broodsgebrek dreigt, en waarop ieder geldstuk pijnstillend werkt. Voor den verarmden rijke bloedt de wonde gestadig, dien vergalt ze elk genot en maakt ze het leven tot een last.

Willem draaide het geldstuk in de vingers rond. Van wie kan het dan zijn? Eensklaps herinnerde hij zich, hoe Van Dal zijn kleederen betast had. Ja, het kwam van den oude: een aalmoes dus! Het bloed kookte Willem, en het tientje vloog door de lucht. Aan de overzijde van de sloot bleef het op een platten steen liggen en kaatste een zonnestraal naar Willems oogen terug. Hij bleef staan en staarde het blinkend muntstuk van uit de verte aan. Het lonkte en lachte hem zoo vriendelijk toe en scheen te spreken: „Wees toch niet zoo dwaas! Is dan elk geschenk een aalmoes? Het hart, dat me aan u schonk, is van zuiverder, beter goud dan ik. Gij zoudt dat edele hart pijn doen, als het uwe handelwijze zag. Neem me mee! Ik ben een steentje voor het gebouw van uw ouders geluk. Er kan een tijd komen, dat ik u voor hongerlijden behoed. Beschouw me als geleend geld, dat ge met interest zult teruggeven, als de fortuin u gunstig is.”

Een meesterlijke sprong over de sloot; één terug, en het tientje klonk, als bedankte het, tegen de weinige guldens in Willems beurs.

Vijf minuten later was de onaangename stemming verdwenen, en weergalmde de lucht van zijn gezang. De bosschen in de verte voegden er hun echo bij. De vriendelijke landhuizen lachten hem toe. De leeuweriken stegen uit het gras: ook zij zongen mee, als verblijdden ze zich in zijn moed, zijn zelfvertrouwen en zijn opgewektheid.

Onder het voortgaan rijpte bij Willem langzamerhand een plan voor de naaste toekomst: hij zou eerst naar de hut in de schadden terugkeeren om den ouden Branse en zijn vrouw vaarwel te zeggen en Pollo te halen; dan over den Rijn en de Waal, en langs de Maas naar het Zuiden trekken; in de boerderijen langs den weg zijn diensten aanbieden, en het zoo geheel aan het toeval overlaten, waar hij korter of langer zou vertoeven.

Hij was nog niet ten volle achttien jaar en al geheel zijn eigen meester; niemand was er, die tegenwerpingen maakte of zijn plannen dwarsboomde, maar ook niemand, die hem raad geven of op vergissingen opmerkzaam kon maken. Bij het aangename gevoel van onafhankelijkheid, dat hem tot zelfstandig handelen noopte, kwam ook het minder aangename bewustzijn van de verantwoordelijkheid voor zijn daden. Het was niet voldoende, plannen te maken, de hoofdzaak was ze uit te voeren en het welslagen er van zooveel mogelijk te verzekeren.

’t Eerste en onontbeerlijkste daartoe was voor het oogenblik een vertrouwbare en uitvoerige kaart; in een boekwinkel te Renkum schafte hij er zich een aan en bepaalde zoo nauwkeurig mogelijk zijn weg, vast besloten er alleen in geval van nood van af te wijken.

Na met een Geldersch stoetebrood, dat hij in den winkel liet smeren en een halve leverworst den inwendigen mensch versterkt te hebben, voorzag hij zich van een goeden voorraad mondkost voor de reis, keerde Rijn en Betuwe den rug toe en sloeg den weg in, die door de trotsche Doorwertsche en Papendalsche bosschen naar het hart der Veluwe voert.

Tegen den avond zag hij, nadat hij reeds een poosje gedwaald had en in onzekerheid verkeerde welke richting te volgen, een dunne rookwolk boven een heuveltje opstijgen; deze kon niet anders dan in de hut zijn oorsprong vinden. Hondengeblaf bevestigde zijn vermoeden; daar galoppeerde Pollo hem al te gemoet en sprong weinige oogenblikken later, huilend en blaffend van blijdschap tegen hem op.

De bewoners van de hut, al toonden zij hun vreugde niet op luidruchtige wijze, waren met Willems komst even blijde als de hond.

Hoe vermoeid hij ook was van den afmattenden tocht over hoog en laag, men legde zich niet ter ruste, voor de aangekomene zijn wedervaren te Amsterdam haarfijn had verteld.

Eén dag bleef hij nog de gast van de brave, arme menschen.

„Vaarwel,” zei Oldejan bij het afscheid nemen en drukte krampachtig Willems vereelte hand tusschen zijn eigen ontvleeschte handen. „Vaarwel, mijn jongen! Als we jou niet gehad hadden, waren we in den vergangen winter van kou en gebrek omgekomen. De Heer heeft jou eens uitverkoren, om Zijne weldaden op aarde uit te voeren, en het kan je nooit slecht in de wereld gaan. Je zult het ondervinden! Van nou af aan begeleiden je Gods engelen op al je wegen!”

Vrouw Branse zeide niets; ze veegde met haar voorschoot telkens en telkens weder over de oogen; ’t was ook zoo rookerig in de hut.

Jongejan vergezelde Willem een eind weegs en nam met een: „Reis met God! Tot weerziens!” afscheid.

Lang reeds was Jan uit het gezicht, en nog staarde Willem naar den heuvel, waarachter hij verdwenen was. Om hem heen golfde de onafzienbare, vaalzwarte heide, met haar spichtig kruid en haar schrale bremstruiken. Zijn gedachten voerden hem echter over heide en weide. Daar, in die richting, lag Amsterdam met de ouderlijke woning, waaruit het noodlot hem, als gevangene, had verdreven; daar, aan de rechterzijde, de Graafschap, met De Kruisberg, waaruit een onbedwingbare zucht naar vrijheid hem had verjaagd; en nu hier achter die heuvels, de armzalige hut, waarin hij, de vluchteling, een winter in tevredenheid had doorgebracht en die het verlangen, het lot zijner ongelukkige ouders te verbeteren, hem dwong te verlaten. Vóór hem lag de wereld open, maar een wereld, waarin hij niemand kende, waarin niemand hem mocht kennen, waarin hij moederziel alleen zijn weg en zijn onderhoud moest zoeken.

Net streek Pollo met zijn kop tegen Willems hand en keek zoo verstandig tot den jongen man op, alsof hij hem herinneren wilde, dat hij er ook nog was en zijn meester ten minste in hem een trouwen metgezel en bondgenoot zou vinden.

„Voorwaarts!” riep Willem luid, om zich te vermannen en ontrukte zich zoodoende met geweld aan de gedachten, die somber dreigden te stemmen. „Gods engelen begeleiden je op al je wegen,” zoo klonk hem nog de bevende stem van den ouden Branse in de ooren.

Weldra naderde hij „den fulpen zoom van het vale kleed” en daarmede was het bezwaarlijkste van den tocht volbracht.

Aan den rand van het bosch kwam een ree uit de struiken te voorschijn. Het fraaie dier toonde niet de minste schuwheid en bleef midden op het voetpad den wandelaar nieuwsgierig aankijken; maar daar kreeg het den hond in ’t oog, ’t wierp den kop in den nek, trok de dunne voorpooten onder de borst en was met één sprong weer in het struikgewas verdwenen.

Willem liet Arnhem opzettelijk rechts liggen en bereikte niet ver van Oosterbeek den Rijn; hij liet zich overzetten en betrad met een hoopvol hart de Betuwe.

Nu was hij aan het begin van zijn nieuwe loopbaan gekomen, want thans gold het, geld te verdienen en geld te overleggen voor de groote reis.

Boven aan den rand van den zwaren dijk zette hij zich neder om uit te rusten en tegelijkertijd zijn geld eens na te zien. Zijn bezitting bestond uit vijf gulden en eenige centen; het tientje van Van Dal en de ring van zijn zuster rekende hij niet mede. In elk geval was hij in de eerste dagen voor gebrek gevrijwaard.

Daar lag de rijke Betuwe voor hem met haar tallooze welvarende dorpen, wier aardige kerktorentjes, boven het groen uitstekend, in het zonlicht schitterden. Hier moest wel werk te vinden zijn!

Zijn hoop was niet ijdel; hij was dan ook juist in den goeden tijd aangekomen. Het kersenplukken was in vollen gang en in elken „bongerd” waren een paar flinke handen meer een welkome aanwinst. In de eerste boerderij de beste, waar hij zijn diensten aanbood, werden ze met graagte en tegen ruime belooning aangenomen.

Een nachtverblijf in den hooiberg of bij guur weder in den stal, werd Willem en zijn hond door elken boer gaarne gegund, en zoo groeide Willems kapitaaltje bij goede dagloonen en geringe uitgaven snel aan.

De kersen- en bessenpluk was afgeloopen en nu begon de hooitijd, maar daarmee werden de loonen lager en de gelegenheid werk te vinden minder.

Steeds zuidwaarts trekkende, werkte Willem nu eens hier een week, dan weer veertien dagen bij een boer verderop, zoodat hij tegen den oogsttijd te Lent was aangekomen en bij Nijmegen de Waalbrug overging. In het Rijk van Nijmegen was alles wat boer heette aan het maaien en weder kon Willem volop werk krijgen, zoodat, toen hij op zijn tocht de Maas bereikte, zijn kapitaal reeds tot tachtig gulden was aangegroeid. Nu besloot hij een dag of wat niet te werken, maar een eindweegs den straatweg langs de Maas te volgen. Nog steeds bevond hij zich in Gelderland en naar zijn zin te dicht bij De Kruisberg. In Limburg werd de kans, herkend te worden, veel kleiner, meende hij, en na zijn knapzak goed voorzien te hebben, zette hij altijd even opgeruimd zijn weg voort. Ook Pollo scheen zoo’n reizend leventje wel te bevallen; hij rende nu eens vooruit, dan weer achteruit en kwam van tijd zijn meester eventjes de hand likken. Mook en Kuik lagen weldra achter Willems rug, Gennep was spoedig gepasseerd.

Nu de Maas geen dijken meer behoefde, om in bedwang gehouden te worden, verloor ook het landschap zijn Nederlandsch aanzien.

De akkers en kampen weiland werden niet meer door slooten en greppels, maar door doornhagen gescheiden, en hier en daar was het graan tegen de hellingen der heuvels uitgezaaid.

Willem kreeg den indruk, of hij zich reeds in het buitenland bevond, en de gedachte, dat hij een ontvluchte gevangene was en elk oogenblik gevaar liep opnieuw ingerekend te worden, kwelde hem nu niet meer. Hoe dikwijls had deze gedachte in Gelderland zijne opgeruimdheid in bezorgdheid doen verkeeren!

Hij naderde een boerenhofstede. In de voordeur stond een Limburger boer zijn pijp te rooken. Willem groette in ’t voorbijgaan.

„Waar zal de reis naar toe!” riep de boer zonder de lange Duitsche pijp uit den mond te nemen, in ’t Limburgsch dialect hem toe.

„Naar Maastricht,” antwoordde Willem staan blijvend.

„Zoo? Ik dacht, dat je werk zocht! Ik had in dat geval je nog wel kunnen gebruiken bij het maaien. Je ziet me er nog al pootig uit.”

„Ik zoek ook werk,” zei Willem, naderbij komend, „en als je me plaatsen kunt, ben ik tot je dienst.”

„Ja, dat wil zeggen: niet voor vast. Voor een paar maanden op zijn hoogst. Ik heb vaste knechten genoeg in mijn dienst.”

„Dat treft goed: ik wil ook juist geen vasten dienst hebben.”

„Kom dan eens binnen, dan zullen we samen eens praten.”

Willem volgde den boer in huis en weldra was men het over loon en werk eens. Het avondmaal, dat hij met het huisgezin en de knechten deelde, spaarde hem weder eenige stuivers uit. Pollo werd niet vergeten, daar zorgden de kinderen van den boer wel voor.