Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 9

Chapter 93,780 wordsPublic domain

Ondertusschen had Oranje met volharding geweigerd, een geschreven overeenkomst te teekenen omtrent de toekomstige godsdienstige gebruiken, die Anna zou in acht nemen. Hij verzekerde den bisschop, de regentes en den koning, dat zijn vrouw zou leven als een "Katholieke." Aan Filips van Hessen wilde hij geen ander onderpand geven, dan de algemeene verzekering, dat hij de belangen zijner vrouw zou behartigen. Met Augustus behandelde hij de zaak tamelijk licht, als tusschen menschen van de wereld en aan diens echtgenoote, die zich de quaestie van den godsdienst meer aantrok, antwoordde hij op schalkschen toon hetgeen we reeds vermeldden van Amadis de Gaule en van de gaillarde.

De kern der zaak is deze, dat Oranje op zeer diplomatieke manier handelde en dat het alleen van het gezichtspunt afhangt, waar men meent, dat de diplomatie ophoudt en de huichelarij begint. Van persoonlijk godsdienstig gevoel was geen sprake, maar zeer duidelijk komt zijn hardnekkige onafhankelijkheid in deze quaestie aan den dag. Hij was bereid de zaak in een aangenaam licht te plaatsen voor Filips van Spanje, maar hij smeekte hem niet om zijn toestemming. Zijn eisch om de Spaansche troepen te verwijderen was zijn eerste daad van onafhankelijkheid, het Saksisch huwelijk was zijn tweede, die zeer spoedig door onafhankelijke daden, tot een andere orde van zaken behoorende, zou worden gevolgd. Nochtans verlangde hij Filips' gunst niet te verliezen en weigerde hij beslist eenig document te teekenen betreffende Anna's waarnemen van godsdienstplichten, zooals Augustus van hem hoopte te verkrijgen, om zich in de oogen zijner Duitsche stamgenooten te rechtvaardigen.

De reis van den Prins naar Dresden heen en weer gaf aanleiding tot veel banketeeren en vroolijkheid, waarbij de wijn en het bier niet werden gespaard. Toen Oranje den keurvorst schreef, om hem voor zijn ontvangst te danken, zei hij, dat hij en zijne vrienden zoo dikwijls op Augustus' gezondheid hadden gedronken, dat ze er nog de kwade gevolgen van bemerkten. In Januari schreef hij aan Schwartzburg, dat hij "behouden in Breda was teruggekeerd, al hadden ze het ook onderweg bont gemaakt, zooals gij reeds in den breede van uw broeder Hans Gunther zult vernomen hebben....."

"Ik verzeker U, dat ik mij hier erg eenzaam gevoel; ik kan de goede sier niet vergeten, die gij ons hebt bezorgd. Ik zou wel weer bij U verlangen te zijn, zoowel om Uwentwille, als omdat ik mij dan dichter bij "Fraielle (Fräulein) Ainge" (Anna) zou bevinden. Ik ben nog niet aan het hof geweest, daar ik genoodzaakt was een reis naar Holland te doen, zoodat ik geen nieuws weet."

Die bedoelde reis naar Holland geschiedde op Margareta's verzoek, om geld van de Staten te krijgen. De harde vorst en daarop volgende dooi maakten het reizen moeilijk en de strengen van de beurs der Staten waren ook bevroren. Ze waren alleen bereid een zekere som te geven op hun eigen voorwaarden, waartegen de regentes weer bezwaren had, zoodat de taak van den stadhouder om verzoening tot stand te brengen, geen sinecure bleek.

Op den 2en Maart schreef de oude landgraaf een beleefden en uitvoerigen brief aan Oranje, hem nader uiteenzettende, waarom het hem onmogelijk was, het huwelijk van Anna toe te staan. Behalve dat de godsdienstquaestie onoverkomelijk was, kon hij ook niet goedvinden, dat, daar Oranje's kinderen uit het eerste huwelijk noodzakelijk den voorrang hadden, de te wachten kleinkinderen van den grooten keurvorst een tweede plaats zouden innemen. Maar het was reeds bepaald, dat men zich ontslagen zou rekenen van de toestemming van den ouden grootvader, toen het duidelijk was geworden, dat men hem die nooit zou kunnen afpersen; ook zonder Filips van Hessen werden de voorbereidingen voor het huwelijk dus voortgezet.

In Maart verzoekt Oranje zijn broer Lodewijk, namens hem naar den keurvorst Augustus te gaan om dezen de bedoeling van den Prins inzake den godsdienst mondeling mee te deelen. Aan Fräulein Anna moet Lodewijk de groeten overbrengen, haar bedanken voor de brieven en tevens waarschuwen voor de moeilijkheden, die men nog in den weg zou kunnen leggen. Mochten de menschen probeeren haar tot andere gedachten te brengen, dan zal geen beter antwoord zijn, schrijft Oranje: "Waar God wil, dat deze zaak tot een goed eind komt, daar zullen wij het samen wel eens worden."

Aan het slot van den brief vertelt hij Lodewijk, dat hij een prachtigen speurhond heeft gekregen, wit als sneeuw en dat hij een reiger heeft geschoten, wiens vlucht een kwartier lang steeds stijgende duurde. Voor Lodewijk een bericht om van te watertanden, want als de tijd van de jacht was aangebroken, kon hij nauwelijks zijn ongeduld bedwingen een uitstapje naar Brussel te maken en met zijn broeder de genoegens van de valkenjacht in de Brabantsche of Luxemburgsche jachtvelden te smaken.

Lodewijk was altijd een getrouw afgezant en Anna bleek een zeer bereidvaardige leerling te zijn, want zij schreef kort en goed aan den Prins, na melding gemaakt te hebben van de pressie, die haar grootmoeder op haar wilde uitoefenen; "Mijne gevoelens jegens Uwe Hoogheid zijn dezelfde, als ik U laatst schreef en daar hoop ik bij te blijven, want ik geloof vast, dat wat God heeft besloten, de duivel niet verhinderen kan."

Na die samenkomst zond de keurvorst een klein document aan Oranje, waarin werd vastgesteld, dat Anna protestantsche godsdienstoefeningen mocht houden en haar kinderen Evangelisch gedoopt zouden worden. Lodewijk zond dat document aan zijn broeder met de opmerking erbij, dat het een vreemd, wijdloopig en spitsvondig stuk was en ontraadde zijn broer het te teekenen. Inderdaad kon de Prins er onmogelijk zijn naam onder zetten met het oog op zijn verhouding tot Filips. Ook zijn bekende voorzichtigheid zou hem wel terughouden van zulk een zelfvernietigende handelwijs. Hij besloot mondelinge verzekeringen te geven en daarbij bleef hij.

Augustus maakte blijkbaar van de onderteekening geen conditio sine qua non. Misschien voelde hij evenals Lodewijk, dat het schande zou wezen, in het stadium, waarin men reeds gekomen was, terug te trekken en in spijt van de weigering werden de voorbereidende maatregelen van het huwelijk voortgezet, dat bepaald werd op den Bartholomeusdag, een datum, die twaalf jaar later zeker niet zou gekozen zijn.

Nog stelde de Prins in Mei bij Lodewijk een belangstellend onderzoek in naar de schikkingen, die hij moest treffen voor de bruiloft en naar de kleuren der kleeding van de Prinses.

De Prins verlangde zeer, dat de Nederlandsche edelen hem naar Leipzig zouden vergezellen, waar het huwelijk zou worden voltrokken, doch Margareta gaf daartoe geen verlof; zij beweerde, dat zij niet alleen kon worden gelaten in het bestuur, zoodat Montigny door Filips als zijn persoonlijke vertegenwoordiger benoemd, de eenige Nederlandsche heer van beteekenis was, bij die gelegenheid tegenwoordig. De koning toonde dus zijn goedkeuring tot het huwelijk en droeg ook Margareta op, een ring voor de bruid te koopen, voor welk doel hij een wissel van 3000 kronen zond.

Filips van Hessen wilde op geenerlei wijze de feestelijkheid in bescherming nemen en waarschuwde den keurvorst, dat hij geen uitnoodiging tot zijn familie behoefde te richten, daar die toch vergeefsch zou zijn. Hij bleef staande houden, dat er een jong, onschuldig meisje werd opgeofferd en blootgesteld aan onnoemelijke gevaren. Vele andere aanzienlijke gasten namen aan de feesten deel, al werden ook de Nederlandsche edelen thuis gehouden en al bleef ook de Hessische familie op een afstand.

De koningen van Spanje en Denemarken waren uitgenoodigd, doch lieten zich door bijzondere gezanten vertegenwoordigen. Hertogen, keurvorsten, markgraven, aartsbisschoppen en stadsraden namen de uitnoodigingen aan en bleven niet in gebreke te verschijnen.

Iedere gast werd verzocht zijn eigen koks en botteliers, tafel- en keukengereedschap mee te brengen; voor de spijzen zou echter ruim worden gezorgd. Al de voornaamste gasten werden genoodigd dagelijks met den keurvorst op het stadhuis te eten, daar de keurvorstelijke woning voor de schitterende heeren en edelen, die zich op den 22en Augustus in Leipzig moesten vereenigen, gerestaureerd werd.

Eigenaardige voorschriften waren gegeven om de orde te bewaren. Aan de jongeren was bevolen zich van alle drinken en luidruchtige vroolijkheid te onthouden, terwijl de souvereinen en grooten dineerden. "Het zou schandelijk ongepast zijn, indien de vreemde autoriteiten, als zij aan tafel zaten, hun eigen woorden door het schreeuwen van hun gevolg niet konden verstaan. Ook werd hun bevolen, wanneer zij door iemand, aan de groote tafels gezeten, werden uitgenoodigd te drinken, eerbiediglijk te bedanken en de reden na het middagmaal uit te leggen."

Geheel Leipzig deed aan de feesten mee en voor de veiligheid van de stad waren bijzondere maatregelen genomen; de gewone politiemacht werd vijfmaal sterker gemaakt; aan vijftig schutters was de bescherming van het stadhuis opgedragen en een burgerwacht van 600 personen werd door de stad verdeeld, om tegen brandgevaar te waken. Een troep van tien ruiters kreeg o. a. bevel, met hunne lantaarnen al de straten en stegen op en neer te rijden, alle personen aan te houden, die zij op straat mochten vinden zonder licht, hun in beleefde termen te vragen, wat zij daar uitvoerden en naar huis te praten. Tegelijkertijd moesten ze zorgen voor de rust en veiligheid van de stad!

Op Zaterdag 23 Augustus kwam Oranje met een duizendtal vrienden te Merseburg aan en den volgenden dag reed Augustus met 4000 volgers uit, om hem te gemoet te gaan. Door dezen geheelen troep geëscorteerd, kwam de Prins Leipzig binnen en stapte aan het stadhuis af, waar hij door Anna op het balkon van de trap werd ontvangen. Na haar bruidegom begroet te hebben, trok zij zich onmiddellijk met haar vrouwen terug, om haar bruidsgewaad aan te trekken. Toen zij daarmede gereed was, verschenen beide partijen voor den notaris Wolf Seidel in een bovenkamer van het stadhuis. Willem werd daarbij door graaf Jan van Nassau en door Hendrik von Wiltberg, Anna door Sophia von Miltitz en de raadsheeren Hans von Ponika en Ulrich Woltersdorff vergezeld.

Een der raadsheeren richtte zich in naam van den keurvorst tot den Prins en vroeg hem, of hij zich den inhoud herinnerde van een memorie, hem op den 14en April toegezonden. Volgens dit stuk moest de Prins beloven, noch bedreiging noch overreding aan te zullen wenden om zijn vrouw de Augsburgsche confessie te doen verlaten, maar haar toestaan daarheen te gaan, waar zij de sacramenten kon ontvangen en in geval van nood ze zelfs in haar kamer te kunnen gebruiken. Ook werd van den Prins geëischt, dat Anna's kinderen in de Augsburgsche leerstellingen zouden worden onderwezen. De raadsheer vervolgde daarop, dat, aangezien de Prins om verschillende redenen geweigerd had zulk een overeenkomst op schrift aan te gaan, het toch bepaald was, dat hij in tegenwoordigheid der bruid en der getuigen een mondelinge belofte zou afleggen. De memorie werd toen gelezen en de Prins zei:

"Genadige keurvorst. Ik herinner mij het stuk, dat gij mij op den genoemden datum hebt toegezonden. Al de punten door den doctor vermeld, waren daarin vervat en hierbij beloof ik, dat ik er mij aan houden zal, zooals een Prins betaamt en beloof hetzelfde aan Zijne Keurvorstelijke Hoogheid met mijne hand."

Die verklaring diende alleen om den keurvorst in het oog van zijn protestantsche gelijken te rechtvaardigen. Van den kant van den Prins beduidde het niets meer, dan hij reeds gezegd had en niemand werd er door misleid. Zijn positie tusschen twee vuren in aanmerking genomen, handelde Oranje hier met zooveel oprechtheid als hem mogelijk was.

Toen die bijzondere formaliteiten waren afgeloopen, trad de bruidsoptocht, met de hofmaarschalken, raadsheeren en groote staatsofficieren en de keurvorstelijke familie, de groote hal van het stadhuis binnen. Daar werd onder voorzitterschap van den superintendent doctor Pfeffinger het huwelijkscontract geteekend. Onmiddellijk daarna plaatsten bruid en bruidegom zich in dezelfde hal openlijk op een schitterend verguld bed, met goud geborduurde gordijnen; de prinses werd daarheen door den keurvorst en de keurvorstin geleid. Confituren en gekruide dranken werden het jonge paar en het verzameld gezelschap aangeboden, na welke plechtigheid de Prins en de Prinses naar hunne respectievelijke vertrekken werden verwezen, om zich voor den maaltijd te kleeden. Voor zij de hal verlieten, beval markgraaf Hans van Brandenburg in naam van den keurvorst, de bruid plechtig den bruidegom aan, hem opwekkende haar met vertrouwende genegenheid lief te hebben en haar ongestoord te laten in de door haar erkende waarheid van het Evangelie en het recht gebruik der sacramenten. Daarop volgde een prachtig banket, terwijl de vroolijkste en geestigste muziek werd gespeeld. Na den maaltijd, waar alles op "zeer welvoegelijke en gepaste wijze" geschiedde, werden de tafels opgeruimd en begon er in hetzelfde vertrek een bal.

Den dag daarna, 's morgens om 7 uur, vormde zich een optocht, om het jonge paar naar de St. Nicolaaskerk te begeleiden, waar hun huwelijk zou worden ingezegend. In de prachtig versierde kerk hield wederom doctor Pfeffinger een lange rede en sprak hij van het altaar den zegen uit, waarna de Prins en Prinses met hun gevolg naar het stadhuis terugkeerden.

De huwelijksplechtigheden werden alzoo geheel overeenkomstig den Lutherschen vorm, het burgerlijk huwelijk eerst, gevolgd door een kerkelijke inzegening, voltrokken. Niettegenstaande de aanwezigheid van Filips' vertegenwoordiger, werd er geen aanspraak op iets anders gemaakt.

Godsdienstige gebruiken berustten toen in Duitschland op het systeem, dat elk land daarin, overeenkomstig het geloof van den vorst handelen moest. Zooals de regels van het land meebrachten, had ook de kerkdienst plaats en in de oogen van geheel Europa was het niets anders dan gepast, dat Augustus het huwelijk zijner nicht volgens de Luthersche gebruiken in Saksen liet voltrekken, gelijk het even goed gepast was, dat zij er in toestemde, als een katholieke te leven, wanneer zij in de Nederlanden was gekomen, waar Filips leenheer was.

Drie dagen werden nog aan feesten en tournooien gewijd. Leipzig leek dronken van pret; "er was geen plaats voor verdriet", zegt een oud gedicht ervan. Op den 1en September maakte de Prins een eind aan al die vroolijkheid en vertrok met zijn nieuwe Prinses, een eind weegs door den keurvorst begeleid, die met tegenzin van zijn nicht afscheid nam en haar nog eens haar echtgenoot aanbeval.

De landgraaf stond den Prins toe zijn vrouw door Hessen te leiden, doch vroeg hun niet bij hem af te stappen, ten einde zijn zegen te kunnen geven. Toch zette de oude man zijn wrevel niet op zij, toen het huwelijk, waartegen hij zich zoo ernstig had verzet, een voldongen feit was. In Januari zond hij een buitengewoon gezant naar Breda met een gouden keten voor Anna en een grootvaderlijken brief voor den Prins.

Anna dankte hem duizendmaal voor dat geschenk en verzekerde hem, dat zij niet gelukkiger kon zijn en niet beter kon behandeld worden, zelfs al ware zij eene koningin. Weinige maanden later schreef de landvoogd nog eens aan Anna en vroeg haar, of ze wel getrouw vasthield aan den godsdienst van haar vader, waarop zij met eerbied, maar in algemeene termen antwoordde, dat niemand zoo gelukkig kon zijn als zij.

Trots aller tegenstand was het huwelijk gesloten; de toekomst zou bewijzen hoe ongelukkig deze stap voor Willem was.

HOOFDSTUK VI.

TWIST MET GRANVELLE. HUISELIJK LEVEN VAN ORANJE. OVERWINNING OP DEN KARDINAAL. 1561-1564.

Toen de Hessische Filips zoo vol zorg aan Anna van Saksen schreef, wist hij ook niet, wat er in de jaren 1560 en 1561 plaats had in het kleine vorstendom, welks naam zijn aangehuwde kleindochter nu droeg. Had hij het geweten, dan zou hij zijn ergste vrees verwezenlijkt gezien hebben. Reeds in de eerste jaren der Hervorming had het Protestantisme uit Genève zijn intrede in Oranje gedaan. De nabijheid van Avignon, dat eigendom van den Paus was, maakte dit bijzonder onaangenaam voor het hoofd der kerk, dat dan ook aan den Prins een brief richtte, ten einde hem tegen de verspreiding der nieuwe denkbeelden te waarschuwen. Oranje antwoordde als een getrouw zoon der kerk, belovende zijn best te zullen doen, de aangroeiende ketterijen uit te roeien. Het is een zonderlinge brief van een man, wiens naam later een symbool van het Protestantisme is geworden. Vooral deze zin is merkwaardig: "Ik zou wel wenschen, dat die kettersche sekse, die tegen mijne verwachting uit naburige plaatsen van Gallië is binnengedrongen, met dezelfde gemakkelijkheid, waarmee zij is ingevoerd, er weer uit kon worden weggenomen." Typische woorden, zeer kenschetsend voor het godsdienstig standpunt, dat Oranje die dagen innam.

In 1560 en 1561 was hij nog zoover verwijderd van sympathie met de leerstellingen van het Protestantisme, dat hij vurig wenschte, dat èn in Nederland èn in zijn Prinsdom Oranje die onruststokers onschadelijk konden worden gemaakt. De wijze echter, waarop hij dit mogelijk achtte, was volgens zijn toenmalige meening niet "gemakkelijk".

Vandaar, dat hij ook gedurende de lente van 1561 met Granvelle correspondeerde over de beste middelen, om de godsdienstige zaken in Oranje te regelen. Hij stelde zelfs onder goedkeuring van den prelaat voor, een edict van algemeene vergiffenis uit te vaardigen voor allen, die aan de jongste godsdienstige troebelen hadden meegewerkt. Dat voorstel berustte volstrekt niet op sympathie met hunne meeningen, maar wel op medelijden met de arme slachtoffers der vervolging. Hij wil in die correspondentie Granvelle blijkbaar den indruk geven, dat de zachtheid van zijn voorgestelde maatregelen uit politiek en niet uit sympathie voortvloeide; hij zou het zelfs betreuren, indien hij misverstaan werd. Granvelle stelde daarop de verandering van eenige zinsneden voor, opdat de beklaagden niet zouden denken, dat zij in 't minst gerechtvaardigd zouden zijn, als ze weder in die zonde vervielen.

Deze vergiffenis, het "Juli-edict" genoemd, werd behoorlijk afgekondigd. Ze bewees aan de eene zijde den wensch van den Prins om het uitroeien van de Protestantsche inwoners van Oranje te vermijden, maar aan den anderen kant was ze geheel in het belang van "onzen waren en ouden godsdienst", gelijk het woordelijk luidt.

Was in 1561, Oranje's huwelijksjaar met Anna van Saksen, zijn verhouding tot Granvelle op het punt van godsdienst nog onveranderd--want men mag niet vergeten, dat ook Granvelle geen voorstander was van de uitroeiing der ketterij door geweld en hij volgens den afwezigen koning veel te laks was in de toepassing der bloedige plakkaten--op ander gebied was er reeds in hetzelfde jaar eene spanning tusschen beiden ontstaan, tengevolge van de nieuwe kerkregeling en de inrichting der bisdommen, welke in 1560 haar beslag kreeg.

Op zichzelf was die kerkregeling zeer gewenscht, doch wat er onmiddellijk uit voortvloeide, wekte de ergernis der Nederlanders op.

Gewenscht was het in zoover, omdat tot dien tijd de kerkelijke zaken in de Vereenigde Nederlanden onder de suprematie van Frankrijk en Duitschland stonden en de Nederlanden door die regeling even goed een aparte afdeeling van de Roomsche kerk werden, als zij sinds 1548 een afzonderlijke kreits van het Roomsche rijk vormden.

Men had in de Nederlanden slechts drie bisdommen, Atrecht, Kamerijk en Utrecht, die afhankelijk waren van den Duitschen en Franschen aartsbisschop van Keulen en Reims. Nu richtte men in de Nederlanden drie aartsbisdommen op, Mechelen, Kamerijk en Utrecht en van dezen zouden de vijftien in 't leven geroepen bisdommen afhankelijk zijn. Aan den aartsbisschop van Mechelen werd buitendien het primaat toegekend en daartoe werd Granvelle benoemd, die tegelijk met den kardinaalshoed was vereerd. Reeds dit feit op zich zelf, waardoor de positie van Granvelle nog zoozeer werd verhoogd, was een doorn in het oog van de Nederlandsche grooten en ook van Oranje, te meer omdat het niet lang duurde, of de Prins bemerkte, hoezeer hij zelf door die hooge stelling van Granvelle werd achteruitgezet.

Vroeger dacht men, dat daarom bovenal de bisschoppelijke organisatie de ergernis der Nederlandsche edelen opwekte, omdat die organisatie met de instelling der inquisitie hand aan hand ging. Ongetwijfeld, de uitroeiing der ketters viel niet in den smaak der Nederlanders, doch ook Granvelle was zelf niet bloeddorstig en poogde den roekeloozen geloofsijver van zijn meester te matigen en aan den anderen kant leert ons het geval van het Prinsdom Oranje en de wijze, waarop de Prins zelf daar tegen de ketterij wilde optreden, wel zijn afkeer van geweldige middelen, maar tevens ook zijn zucht om de oude moederkerk te steunen. De oorsprong van de vijandschap tegen Granvelle moet dan ook niet idealistisch gezocht worden in sympathie met de ketters, maar was bij de meeste grooten en ook bij Oranje met egoïstische en politieke bedoelingen vermengd. Hoe griefde de Nederlandsche edelen, die tot dien tijd de voordeeligste geestelijke posten hadden vervuld o.a. de bepaling van de pauselijke bul, dat voortaan alleen doctoren in de theologie een bisschoppelijk ambt mochten vervullen. Hoe werden de eerste families de Crois, de Bergens, de van der Marcks daardoor in hun belangen te kort gedaan! Bij Oranje was dit het geval niet, al is het waar, dat hij later gepoogd heeft zijn broer Hendrik met de rijke abdij van Marciennes te begunstigen. De Prins zelf stond daarvoor te hoog. Voor hem waren er andere grieven, voortvloeiende uit, althans samenhangende met de nieuwe inrichting van het episcopaat en de verheffing van Granvelle tot kardinaal.

Van groot belang voor de regeering was de samenstelling van de Staten van Brabant. In zekeren zin was dit gewest het hoofd der 17 provinciën; in haar hoofdstad Brussel zetelde de landvoogdes en een stadhouder was er dus niet noodig. Nu was de regeering er veel aan gelegen om in de vier hoofdsteden van Brabant de overheid onder haar invloed te hebben, want in de Staten vormden de magistraten dier hoofdsteden het derde lid. In de vergadering van de Brabantsche Staten, die spoedig zou worden gehouden, zou beraadslaagd worden èn over de bede èn over de quaestie, of de bisdommen de rijke abdijen bij zich zouden mogen inlijven om daarin het middel van bestaan te vinden. Van de zijde der abten en ook van den kant der edelen bestond daartegen groote oppositie.

Vandaar de ijver der regeering om bij de vernieuwing der wet de keus der vroede mannen ten gunste van haar te doen uitvallen. Geheel buiten Oranje om werden nu negen nieuwe leden door Margareta in Antwerpen aangewezen, niettegenstaande Oranje als burggraaf der stad, recht had bij die keuze geraadpleegd te worden.

En alsof die beleediging niet genoeg was, droeg Granvelle aan den Prins en aan Aremberg op, plechtig de keuze der nieuwe mannen aan de magistratuur bekend te maken. Deze dubbele beleediging krenkte den Prins zeer, te meer, omdat hij de bedoeling ervan geheel doorzag, namelijk de Staten van Brabant tot gewillige dienaars van de regeering te maken. Hij deed dan ook Granvelle weten, dat hij niet als lakei de boodschap van de regeering wenschte over te brengen. Ook Aremberg bedankte tot bitteren spijt van Granvelle.

Men kan zich voorstellen, dat bij de bekende trotschheid van Oranje, hij zich beleedigd achtte door Granvelle en nog wel over eene quaestie, waarin de koning hem indertijd niet voorbijging, maar wel degelijk over de keuze raadpleegde, zooals ook inderdaad tot Oranje's recht als burggraaf behoorde.

Deze beleediging naar aanleiding van de keuze der nieuwe stadsregenten te Antwerpen stond echter niet alleen, maar was eigenlijk slechts een onderdeel van de voortdurende krenking, die Oranje van de zijde der regeering moest ondervinden.