Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 8
De verschillende gewesten werden onder stadhouders gebracht. Holland, Zeeland en Utrecht kwamen onder het stadhouderschap van den Prins van Oranje, gelijk Vlaanderen en Artois onder dat van Egmond; Gelderland en Zutfen onder dat van Meghen; Friesland, Groningen en Overijsel onder dat van Aremberg, enz. Het was dientengevolge de eerste taak van den Prins, de staten van zijn bestuur samen te roepen en er voor te zorgen, dat zij voorzieningen zouden treffen om hunne quota's (aandeelen in de belasting) te voldoen. Te midden van deze bezigheden kwam er een oproeping tot hem, om aanwezig te zijn bij de kroning van den nieuwen koning van Frankrijk, Frans II, te Reims. In die dagen schreef Margareta den Prins uit Brussel op den 13en September het volgende:
"De weg, dien gij hebt ingeslagen, om de Hollanders te overreden, schijnt zeer goed geweest te zijn.... Ik zou liever gezien hebben, dat de Franschen u thans maar niet hadden opgeroepen, want ik heb voor het tegenwoordige uwe diensten zeer noodig. Men geeft mij echter de hoop, dat uw verblijf in Frankrijk van korten duur zal zijn."
Margareta beveelt verder Oranje ten krachtigste aan, in Frankrijk zijn invloed aan te wenden, dat men zich haasten zal met de restitutiën, bij den vrede bepaald; dan zal men ook van de zijde van den Spaanschen koning alles aanwenden, om hetzelfde te doen. Ook stelt zij in dat schrijven voor, in zoo verre eene verandering te brengen in de plaatsing van de gehate Spaansche troepen, die onder commando (?) van Egmond en Oranje waren gesteld, dat die naar de grenzen van Luxemburg en Henegouwen zouden vertrekken.
In Reims volbracht de Prins zijne zending. Op 15 October 1559 was hij in Brussel terug en daar ontving hij de droevige tijding, dat zijn vader, graaf Willem van Nassau, den 6en October op den leeftijd van 72 jaar was gestorven. Bijna zijn geheele leven had Oranje, van zijn vader verwijderd, doorgebracht en onder invloeden, die wel in staat waren, een jongmensch van ouderlijke invloeden te vervreemden. Bij den Prins was dit, gelijk wij in het volgend hoofdstuk zien zullen, niet het geval geweest. Bij de aanvaarding der erfenis van Chalons, had Willem van het grootste deel van zijn erfgoed in Nassau afstand gedaan en alleen ter wille der titels een zeker recht op de voorvaderlijke kasteelen behouden. Nu werd hij natuurlijk het hoofd der familie en als zoodanig ontving hij alle eer en onderscheiding aan het hoofd der Nassau's verschuldigd; maar de Duitsche landen vielen terecht aan zijne broeders ten deel, die op Duitschen bodem waren gebleven.
HOOFDSTUK V.
FAMILIEBETREKKINGEN. HUWELIJK MET ANNA VAN SAKSEN. 1559-1561.
Gedurende het eerste tiental jaren van het verblijf van Oranje in de Nederlanden, schijnt alle omgang tusschen den Prins en zijn betrekkingen te zijn vermeden; van briefwisseling zelfs is in die dagen geen sprake. Wie zal het zeggen, of Karel V, die den Prins aan zijn hof liet opvoeden, dat niet uit vrees voor het geloof van Oranje's ouders heeft verboden. In 1556 vinden we echter, gelijk we vroeger zagen, Lodewijk van Nassau in de Nederlanden, dienende onder de bevelen van Oranje. Daarna vertoefden ook andere zijner broeders en zusters aan zijn hof, zoodat er een nieuwe aanraking met het ouderlijk huis scheen gekomen.
Een jaar later werden door hem te Frankfort familiezaken met zijn vader geregeld en ook in 1558 vinden we den Prins te Dillenburg, waar hem het bericht bereikte van de ziekte zijner eerste vrouw.
Wij kunnen ons voorstellen, hoe die toenadering vooral naar het hart van de vrome Juliana van Stolberg was. Had Willem de Oude het nooit zoo diep met de Hervorming opgenomen, reeds zeer vroeg was Juliana, niettegenstaande haar vader en moeder aan de katholieke leer getrouw bleven, door de opvoeding van haar oom, graaf Eberhard von Königstein, een ijverige aanhangster der nieuwe leer geworden. Mildheid van opvatting had zij zeker wel geleerd tijdens haar eerste huwelijk met Filips van Hanau, die met groote nauwgezetheid aan de oude kerkgebruiken vasthield; ook als zij in Hanau's kerkgebouw, onder het gehoor van een Lutherschen prediker, een ander deel der Hanausche bevolking in hetzelfde kerkgebouw naar de mis zag gaan. Toch kan het niet anders dan met weemoed zijn geweest, dat zij haar oudsten zoon uit haar tweede huwelijk, ter wille van de erfenis van Réné, aan Karel V en aan het oud geloof moest afstaan.
Welk een vreugde moet het dan ook voor de moeder zijn geweest, toen zij na den afstand van Karel V, van de zijde van dien bijna verloren gewaanden knaap toenadering (ik zeg niet tot haar geloof), maar tot het ouderlijk huis ontdekte.
Zeer angstvallig kon ze zich uiten over het katholieke geloof van den Prins en over de vrees van besmetting harer andere kinderen, die in de omgeving van haar zoon leefden. De begrafenis van Anna van Buren gaf Juliana groote bekommernis; ze vreesde zelfs, dat haar zoon Lodewijk daarbij zou moeten tegenwoordig zijn en zeer verheugd was ze, toen haar werd meegedeeld, dat het "Frauenvolk" niet behoefde mee te gaan. "Ik zou zelfs wel wenschen," schrijft ze, "dat de Prins zelf ook niet tegenwoordig was bij die dingen, welke zoo tegen God strijden."
Juliana was een merkwaardige vrouw, een hoogst ernstige moeder, die zich altijd bleef wijden aan het geluk van al de haren. Zij werd door de kinderen als het middelpunt aller vereering beschouwd; ze kweekte bij hen een onverstoorbare eenheid en aanhankelijkheid aan, eigenschappen, die later van het hoogste gewicht zijn geworden voor de bevrijding der Nederlanden, waaraan de meesten van haar zonen hun leven en hun bloed gewijd hebben.
Dringende staatszaken hielden den Prins tot zijn innige droefheid van de begrafenisplechtigheid zijns vaders terug, doch aan hartelijke uitingen, later door daden gevolgd, is in de brieven van die dagen geen gebrek. Hij erkent, dat het thans een heilige plicht voor hem is geworden, in de voetstappen van den afgestorvene te treden en belooft zijn moeder, die nog meer dan 20 jaren na den dood van haar man als de hoogvereerde stammoeder aan het hoofd van haar huis bleef staan, dat hij voor zijn broeders en zusters een tweede vader zal wezen.
Hiervan geeft hij al dadelijk een bewijs door den echt hartelijken brief, dien hij naar aanleiding van het overlijden van zijn vader aan zijn broeder Lodewijk zendt. Na zijn droefheid te hebben uitgedrukt over het heengaan van hun goeden vader, spoort hij Lodewijk aan met de andere broers en zusters in de voetstappen te treden van hun vader, want dan, zegt hij, zal de goede naam van ons huis niet verloren gaan, maar nog beter worden.
In overeenstemming en liefde te leven, noemt hij als voornaamste hulpmiddel daartoe en van zijn kant geeft hij de verzekering hierin te zullen voorgaan. Zoo aardig zegt hij aan het slot: "Laat ons buitendien toezien, dat wij onze moeder voor de verplichting, die we jegens haar hebben, bijstaan, haar dienen en aangenaam zijn in al wat wij vermogen. Dan doet gij slechts uw plicht en verricht een dienst welbehagelijk in de oogen van God, een zaak, die u uw gansche leven tot eer strekken zal."
In een postscriptum van dien brief, welke 15 October uit Brussel was verzonden, doelt Oranje nog op een reis, die de graaf van Schwartzburg, zijn aanstaande zwager, met Lodewijk zou maken.
Deze reis hield verband met een huwelijksplan van Oranje met Anna van Saksen, eenig kind en erfgename van Maurits van Saksen, den beroemden bestrijder van Karel V. Zij was de kleindochter van Filips van Hessen. De geschiedenis van dit tweede huwelijk, op zich zelf niet zoo'n gewichtige gebeurtenis, heeft door hetgeen er ten onrechte door velen aan verbonden is, een plaats in het leven van den Prins gekregen, veel belangrijker, dan ze eigenlijk verdiende.
Men heeft er zijn geheele verandering van staatkunde en godsdienst op gebouwd en zelfs tengevolge daarvan, lijnrecht tegen de waarheid in, dit tweede huwelijk beschouwd als de oorzaak van Willems opstand tegen Filips II.
Tot aan dit huwelijk, zoo beweren tal van geschiedschrijvers, was de Prins een geloovig zoon der kerk en een getrouw onderdaan van Filips II. Door den invloed zijner tweede vrouw is hij van de moederkerk vervreemd en tot opstand tegen den Spaanschen koning aangezet. Zelfs wordt Anna van Saksen voorgesteld als een andere Helena van onzen Trojaanschen oorlog. Niets kan verder van de waarheid verwijderd zijn.
"De afval van de moederkerk, de opstand tegen Spanje is zoo weinig aan den invloed van deze Anna te danken, dat juist denzelfden tijd, waarin Oranje aan Filips de gehoorzaamheid opzegde, hij met zijn vrouw (door haar schuld) in de meest volslagen onmin leefde; dat op het oogenblik, toen hij goed en bloed ging wagen, zij haren gemaal opofferde en met den koning van Spanje tegen hem ging onderhandelen. Ja zelfs toen de kreet van vrijheid door Nederland weergalmde en de algemeene roepstem den Prins aan het hoofd der beweging geplaatst had, zuchtte Anna (als verdiende straf voor haar misdadig leven) in den kerker."
Anna van Saksen was een hartstochtelijke, zinnelijke vrouw; zij heeft geenerlei invloed op Oranje uitgeoefend, alleen misschien in zoover zij door haar ellendig gedrag en door de bittere ervaringen, die de Prins van haar had, zijn gemoedsleven heeft verrijkt.
In een levensgeschiedenis van den Prins is het dus wel noodzakelijk alles uitvoerig na te gaan wat met dit huwelijk in verband staat. Hoe werd Anna zijn bruid en welke gebeurtenissen zijn uit dat huwelijk voortgevloeid?
Na de beide mislukte huwelijksplannen, waarvan vroeger gesproken is, eerst met Madame de Touteville en daarna met Renée van Lotharingen, vermeed Willem van Oranje, bij het kiezen van een derde bruid, vreezende voor eene hernieuwde tegenwerking van den koning en van Granvelle, dezen in vertrouwen te nemen, voordat de zaak goed en wel haar beslag had. Dezen keer wendde hij zijn blik naar Duitschland. Wij zeiden het reeds, Anna was de dochter van den beroemden keurvorst Maurits van Saksen, den overwinnaar van de Smalkaldische ligue bij den slag bij Mühlberg, die daarna de vijand werd van Karel V en den keizer tot het verdrag van Passau dwong, dat tot den voor de Hervormden zoo voordeeligen vrede van Augsburg leidde. Maurits zelf was in 1553 gestorven; zijne weduwe hertrouwde met Jan Frederik van Saksen en zijn eenige dochter werd in Dresden aan het hof van haar oom, Augustus, opgevoed, die Maurits als keurvorst was opgevolgd, doch die niet in de schaduw kon staan van zijn dapperen broeder. Hij was een kleingeestig, schraapzuchtig en flauwhartig man. Vooral de tweede genoemde ondeugd maakte hem geneigd het oor te leenen aan het aanzoek van den Prins van Oranje om de hand van zijne nicht en pleegdochter. Geen huwelijk van haar met een der Duitsche vorsten kon voordeeliger zijn; ja, zelfs hare verwijdering van den Duitschen bodem vond Augustus voor zijn eigen veiligheid zekerder. De rijkdom van den Prins gaf in zijn gedachten den doorslag. Wat beteekenden toch de 35.000 rijksdaalders, die waren aangewezen als bruidsschat van Anna o.a. bij de 70.000 gulden jaarlijksch inkomen, die de Prins aan zijne kinderen uit dezen echt verzekerde? In weerwil van allen tegenstand dreef de keurvorst dus die verbintenis met kracht door.
Want er waren vele bezwaren. En zelfs de grootvader der bruid heeft niet opgehouden, ze als onoverkomelijk te doen gelden. Die grootvader was Filips van Hessen. Wie zich de veete herinnert, waarvan vroeger in den breede gesproken is, die er tusschen de graven van Hessen en van Nassau bestond, eene veete, die reeds van de Middeleeuwen af dagteekende en die sedert het proces Catzenellenbogen, door Willem den Oudere tegen Hessen jarenlang gevoerd en grootendeels ten voordeele van Nassau beslist, niet was verminderd, kan zich licht den wrevel van Filips van Hessen verklaren over dit voorgenomen huwelijk. Daarbij was Willem van Oranje de vertrouweling en geliefde beschermeling van Karel V geweest en kan het wel anders, of de naam van den ouden keizer klonk steeds in de ooren van den grijzen landgraaf als een sombere herinnering aan zijn jarenlange gevangenschap na den slag bij Mühlberg.
Wat Filips van Hessen echter het meest in den persoon van den Prins hinderde, was zijn katholiek geloof. Dat was voor den vurig ijverenden Protestantschen landgraaf een ergernis zoo groot, dat hij die onoverkomelijk achtte. 's Prinsen volgen van alle Roomsche gebruiken, zijn bijwonen van de mis (gelijk nog onlangs toen hij in Frankfort was), zijne onthouding van vleeschspijzen op vastendagen en zoo meer--het waren alle gemoedelijk en eerlijk gemeende bezwaren van Filips van Hessen tegen den bruidegom.
Men heeft het wel doen voorkomen, alsof die bezwaren niet zoo oprecht gemeend waren en beweerd, dat Filips van Hessen daarom zoo tegen dit huwelijk was, omdat hij een zijner eigen dochters met Oranje wilde doen huwen en in dat geval niet zoozeer tegen den overgang zijner eigen dochter tot de R. K. Kerk zou geweest zijn. Maar dit is een laaghartige beschuldiging, door geen enkel historisch bewijs gestaafd. Toch hangt dit verhaal niet geheel in de lucht. Het is een legende, voortgevloeid uit een gesprek van Filips van Hessen met den graaf van Schwartzburg, die Oranje's belangen bij den grootvader der bruid kwam verdedigen. Bij die gelegenheid gaf de oude landgraaf zoo kras zijn onwil te kennen, om zijn goedkeuring te hechten aan Oranje's huwelijk met zijn nicht, dat hij zeide nog liever zijn eigen dochter aan Oranje als bruid te willen geven dan de dochter zijner dochter. Men gevoelt, dit zeggen staat niet gelijk met de aanbieding van de hand zijner dochter, maar was eenvoudig een krasse manier van spreken, om zijn onwil uit te drukken. Wat er overigens op Filips den Grootmoedige is aan te merken, zijne weigering vloeide voort uit den ijver voor zijn geloof. Toch heeft die weigering het tot stand komen van het huwelijk, jammer genoeg, niet belet.
De bruid in quaestie was bij de eerste ontmoeting van den Prins van Oranje zeer met hem ingenomen en zelfs hartstochtelijk op hem verliefd geraakt. "Daar is geen ader in mijn lichaam," zei ze onder meer, "die niet voor hem klopt. Wensch hem duizendmaal goedenavond en zeg hem, dat hij er wel aan denke, dat ik hem nooit zal vergeten, al zou het ook de geheele wereld leed doen," zoo sprak ze tot den graaf van Schwartzburg, die Willems bemiddelaar was in deze zaak.
Het scheen wel, alsof haar eigenzinnigheid, die haar later tot zoo diepen val heeft gebracht, ook in deze aangelegenheid haar voornaamste raadsvrouw was. Door al de tegenwerking, die zij ondervond, werd haar welgevallen in den Prins van dag tot dag grooter.
Of de bruidegom ook zoo hartstochtelijk was, mag betwijfeld worden. Voor den Prins was dit tweede huwelijk bovenal een staatkundig huwelijk. Anna's uiterlijk was alles behalve bekoorlijk; zij was integendeel leelijk, ging mank en was een weinig misvormd. Maar eendeels de verwantschap met Saksen en Hessen, anderdeels de begeerte om buiten invloed van den koning van Spanje en Granvelle, na herhaaldelijk door hen te zijn tegengewerkt, een huwelijk te sluiten, prikkelden den Prins zeer. Daarbij viel ze hem bij de eerste ontmoeting niet tegen, zoodat van zijne zijde alles gereed was, mits hij, hetgeen toch eindelijk geschieden moest, slechts de toestemming van zijn landheer, den koning van Spanje, kon verwerven. Ten einde die te verkrijgen, het kan niet ontkend worden, heeft de prins een tamelijk dubbelzinnige rol gespeeld. Al zijne diplomatie was noodig, om Filips te winnen voor zijn huwelijk met een kettersche vorstin, die daarbij de dochter was van den grootsten vijand van Filips' vader. Door middel van Granvelle heeft hij den natuurlijken weerzin des konings overwonnen. Hij trachtte dezen te overtuigen, dat het in het rechtstreeksch belang van den koning zou zijn, indien hij hem door zijn huwelijk het bondgenootschap van Duitsche vorsten kon verzekeren. En wat den godsdienst aangaat, daaromtrent behoefde Filips zich niet te verontrusten; hij zelf (de prins) wilde alleen den waren katholieken godsdienst bevorderen, de koning kon zich daarop geheel verlaten.
Omstreeks dienzelfden tijd schreef de Prins een onderdanigen brief aan den Paus over de "pest der ketterij," die hij in zijn prinsdom Oranje hoopte te vernietigen en raadpleegde hij met Granvelle over de beste middelen, om dit doel te bereiken. Den keurvorst Augustus van Saksen bracht hij in den waan dat hij zelfs een geheim voorstander van het Protestantisme was en tegenover Filips getuigde hij van den katholieken godsdienst als van den "waren godsdienst". Aan Filips verzekert hij, dat Anna van Saksen in de Nederlanden als een "katholieke" leven zal en aan Augustus wordt beloofd, dat zijne aanstaande vrouw in hare vertrekken een Evangelische preek zou kunnen hooren!
Er zouden inderdaad geene woorden te vinden zijn, scherp genoeg, om die huichelarij te brandmerken, indien wij bij den prins in dat tijdvak van zijn leven eenig godsdienstig gevoel aantroffen. Dat was in die dagen kort en goed in het geheel niet 't geval. Hij moge ook toen reeds beseft hebben, dat er eerlijke en oprechte menschen bij beide eerediensten te vinden waren, zelf was hij, gelijk zijn meeste vrienden uit die dagen, wier leven opging in aardsche belangen, ontbloot van alle gevoelens, die godsdienstig genoemd kunnen worden. Waarneming van kerkelijke plichten behoorde nu eenmaal tot de vormen van het leven; daarom onttrok hij zich ook niet, maar zijn hart was er niet bij. Was dat wel het geval geweest, dan zou het spelen met de heiligste geloofsovertuigingen van anderen, gelijk hij in deze aangelegenheden deed, nog meer ten zijnen nadeele moeten worden uitgelegd. Hoe weinig ware levensernst bij den Prins in deze geheele huwelijkszaak in het spel was, blijkt o. a. uit het lichtzinnig antwoord, dat hij aan de keurvorstin gaf, toen deze haar vrees nog eens te kennen gaf over pogingen, die Oranje misschien zou aanwenden, om zijn vrouw roomsch te maken. Toen luidde zijn woord: "Hij zou haar niet vermoeien met de melankolieke quaestie van den godsdienst. Hij zou haar Amadis de Gaule en andere Spaansche ridderromans laten lezen en haar de gaillarde leeren dansen." Of de Prins later nimmer berouw heeft gehad over deze lichtzinnigheid, toen hij de gevolgen van die opvoeding in zijn eigen huiselijk leven ondervond? Ongetwijfeld. Als schakel in de keten van zijn karakterontwikkeling hebben wij vrede met deze levensfase--maar de schakel zelf is niet te idealiseeren. Daar het echter een punt is in de levensgeschiedenis des Prinsen, van te groot gewicht voor de kennis van zijn persoonlijkheid, moeten we nog nader bij de preliminairen van dat huwelijk stilstaan en hem zoo getrouw mogelijk volgen op den vrij langen weg, die tot de voltrekking van dezen tweeden echt leidde. De zaken van algemeen belang, die in dienzelfden tijd plaats hadden, kunnen, voor zoover ze in verband staan met het leven van Oranje, in het volgend hoofdstuk hunne plaats verkrijgen.
In October 1559 deed Lodewijk van Nassau, die toen reeds het volle vertrouwen van den Prins genoot en die de natuurlijke tusschenpersoon van den Prins en de Luthersche vorsten in Duitschland was, de eerste formeele openingen voor dit huwelijk ten behoeve van zijn broeder. Zijn voorstellen werden gevolgd door een bijzondere zending naar Dresden van den graaf van Schwartzburg en George von Holl, denzelfden overste, dien we ook vroeger leerden kennen. In April 1560 verkreeg de Prins van Margareta de vergunning, naar Duitschland te gaan, ten einde de nalatenschap van zijn overleden vader te regelen. Hij ging er in Mei heen en was slechts eenige weken afwezig, maar had in dien tijd een samenkomst met keurvorst Augustus te Deventer, waar zij de huwelijkszaak bespraken, maar tot geene overeenstemming kwamen, die trouwens moeilijk was. Oranje kon Filips van Spanje niet beleedigen, door te veel te beloven en Augustus was bevreesd, om Filips van Hessen te negeeren. In November 1560 werd het huwelijk voltrokken tusschen graaf Schwartzburg en 's Prinsen zuster, Catharina van Nassau; ook toen ging Oranje naar Duitschland om als hoofd van het huis Nassau daarbij op te treden.
Sedert de samenkomst te Deventer was zijn eigen huwelijksplan hangende gebleven. De oude landgraaf bleef zijn toestemming onthouden en schreef talrijke brieven, om zijn redenen uiteen te zetten. Na het huwelijk van zijn zuster ging Oranje naar Dresden, waar hij tien dagen bleef en trouw de Luthersche kerk bezocht. Dat bezoek behoeft niet als dubbelzinnig te worden aangemerkt, maar kan alleen als een beleefdheid beschouwd worden, aan de familie zijner bruid bewezen. Het was bij dat bezoek, dat de Prins den gunstigen indruk op Anna maakte, die reeds vermeld werd.
Anna was toen in haar 17e levensjaar; ze was namelijk in 1544 geboren. Wij zeiden reeds, dat ze hoogst eigenzinnig was en zeer moeilijk te leiden, een eigenschap trouwens, die zij niet van vreemden had--want èn haar grootvader van moederszijde, Filips van Hessen, èn haar vader, Maurits van Saksen, waren beide eigenzinnige mannen. Wat echter bij dezen tot iets grootsch leidde, maakte de vrouwelijke nakomelinge trotsch, ijverzuchtig en onhandelbaar. Zij wilde schitteren in hooger rang, dan haar plaatsing aan het Saksische hof haar schenken kon. Vandaar dat haar verbeelding geprikkeld werd door Oranje's plaats aan het Bourgondische hof, het schitterendste van Europa. Toen hij persoonlijk in Dresden kwam, werd zij geheel en al bekoord door zijn hoffelijke manieren, die veel beschaafder waren dan die der Duitsche edelen. De gracieuse toespraken van den hoveling klonken welgevallig in de ooren van het jonge meisje, dat niet gewoon was aan sierlijke spraakwendingen en zij begeerde van dat oogenblik af met al de kracht van haar eigenzinnige en ongebreidelde natuur dit huwelijk.
Of de Prins eveneens van haar bekoord was, is een andere vraag; ze viel hem niet tegen, meer wordt er niet van den indruk, door hem ontvangen, gezegd. Maar de verbintenis kwam hem te pas en al miste Anna dan ook schoonheid, zij had andere eigenschappen, die hij voor zijn bruid nog van meer gewicht achtte. Op zijn terugkeer naar huis schreef Oranje aan Granvelle, (met wien hij in die dagen op zulk een intiemen voet verkeerde, dat hij na een reis in Brussel terug komende, vaak eerst bij den kardinaal afstapte, voordat hij naar huis ging), dat zijn bezoek een goeden uitslag had gehad, al meende Augustus dat de bruiloft wel niet voor den Bartholomeusdag zou kunnen gevierd worden, omdat er nog zooveel te doen was. Het struikelblok was de toestemming van den landgraaf geweest, maar de keurvorst Augustus van Saksen had nu besloten, onafhankelijk van die toestemming te handelen, daar hij alleen beloofd had, den landgraaf Anna's huwelijk mede te deelen. Wat den Spaanschen Filips aanging, die had op Oranje's brief van 7 Februari 1560 geantwoord, dat zijne zuster die zaak beter zou kunnen beoordeelen dan hij.
Gedurende de daarop volgende maanden besprak Granvelle af en toe het onderwerp in zijn brieven met Filips en voegde er altijd bij, dat hij hoopte, dat het plan niet zou doorgaan; want al had de Prins zeker allen schijn van een katholiek, men kon nooit weten, wat iemand onder vreemde invloeden zou doen enz. Na het bezoek in Dresden, schreef Oranje wederom aan Filips en kondigde daarbij eenvoudig zijn huwelijk aan. Hij vroeg geen vergunning, maar gaf alleen kennis van zijn aanstaande verbintenis, zooals hij moest doen tegenover een man, jegens wien hij verplichting had.
De brief met Filips' antwoord aan Oranje is niet bewaard, maar wel een brief aan Granvelle, waarin hij zijn teleurstelling uitdrukt, dat het huwelijk niet is afgesprongen. Toch gaf hij daarin zijn zuster verlof, er in toe te stemmen, als er niets aan te doen was, daarbij voegende: "Ik begrijp werkelijk niet, hoe de Prins kan huwen met de dochter van iemand, die zoo tegen Zijne Majesteit den keizer is opgetreden, als hertog Maurits deed."