Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 7
Nadat Filips een vruchtelooze poging had gedaan om de hand van Maria's opvolgster te verwerven en daarbij niet onduidelijk was afgewezen, werden de onderhandelingen in Februari 1559 te Cateau Cambrésis, in plaats van te Cercamp heropend en kwam het verdrag op den 3en April tot stand. Geen der partijen behaalde na 8 jaren oorlog, die zooveel moeite en kosten na zich had gesleept, eenig stoffelijk voordeel. Al de veroverde plaatsen werden aan dien souverein teruggegeven, die ze in 1551 had bezeten. Had indertijd de keizer de grootste verliezen geleden, nu was zijn zoon aan den winnenden kant. Filips gaf aan de Franschen vijf steden terug, die hij in Picardië had veroverd, maar daarentegen stond Hendrik II hem meer dan 200 plaatsen in de Nederlanden en in Italië af. Filips zou huwen met Elisabeth van Valois en een bruidschat van 400.000 kronen ontvangen, ofschoon die dochter van Hendrik II eigenlijk bestemd was geweest voor don Carlos.
Philibert van Savoye werd door het verdrag rijkelijk bevoordeeld. De Fransche afgevaardigden hadden de belangen van 's konings zuster zeer behartigd en hij had er in toegestemd Margareta van Valois te huwen, die in haar bruidskorf een huwelijksgift van 300.000 kronen en de verbeurd verklaarde vaderlijke goederen van den hertog medebracht.
Het wezenlijk motief, dat de twee monarchen er toe geleid had om tot een schikking te komen, zonder elkander verder te bestrijden, was, gelijk ik reeds zeide, hun wensch om een krachtdadig eind te maken aan de ketterijen, die overal in hunne landen vermeerderden. Toen de contracten waren geteekend, koos Hendrik Oranje, Aerschot en Egmond uit, om hem naar Parijs te vergezellen en hem tot onderpand voor de vervulling van het verdrag te strekken. Oranje ging daar dan ook reeds vroeg in April heen.
Ongelukkig bestaan er geen particuliere brieven meer van Oranje gedurende dit Parijsche bezoek. Kleine aanteekeningen, zooals hij schreef uit het ongemakkelijke kampleven, eindigden voor altijd met het leven van Anna van Buren. De brieven aan zijne bloedverwanten in Dillenburg zijn verdwenen, zoodat het onbekend is gebleven, wat zijn indrukken waren van de Fransche hoofdstad.
Toch is een eigenaardig verhaal bekend geworden, waaruit het medelijdende hart van onzen Willem duidelijk blijkt.
"De Prins was te Parijs in een hotel gelogeerd, waar de provisiekamer van den bottelier uitzag op een laan door middel van lage vensters met ijzeren traliën. In de nabijheid stond een schenktafel met prachtig zilver. Een booswicht, die dat ontdekt had, peinsde op middelen, om er zich meester van te maken en voorzag zich van lange haken, waardoor hij de stukken een voor een naar het ijzeren traliewerk haalde en die niet door de gaten konden, met kracht omboog. Hij wist op deze manier al het schoonste naar zich toe te halen.
"Dit onaangenaam geval verontrustte hen, die de zorg voor het zilver hadden zeer, doch eindelijk werd de dief om een andere schurkenstreek gevat; hij bekende, dat hij ook dezen diefstal had begaan en werd tot den strop veroordeeld.
"Toen de dag van de strafoefening was aangebroken, werd juist op het oogenblik, dat de goede Prins met den koning van de jacht terugkeerde, de booswicht naar de galg geleid. De Prins zag dit en hoorde van een voorbijganger, om welke misdaad hij den dood moest ondergaan. Deze, die den Prins niet kende, antwoordde, dat het de man was, die het zilveren vaatwerk van den Prins van Oranje had gestolen. Met aandrang richtte de Prins zich daarop tot den koning, hem verzoekende het leven van den misdadiger te sparen.
"De koning bewilligde er in en in vollen galop reed toen de Prins zelf naar de menigte, die zich verzameld had om getuige te zijn van het akelig schouwspel, staakte de executie tot de aankomst des konings en redde alzoo den dief uit de handen van den beul. Na hem vermaand te hebben, in de toekomst een beter leven te leiden, gaf hij hem in naam des konings de volle vrijheid terug. Het grootste deel van het zilver kreeg de Prins weerom."
De gijzelaars vonden blijkbaar het vaststellen der eindbepalingen van het verdrag geen gemakkelijke zaak, want voortdurend werden die om nietige redenen uitgesteld. Met veel pracht en plechtigheid werd het huwelijksverdrag tusschen Elisabeth van Valois en Filips II op den 22en Juni, bij afwezigheid van den laatste gesloten, terwijl Alva zijn gevolmachtigde was. Op den dag van het huwelijk had Oranje zoo hard gewerkt, dat hij verplicht was den volgenden dag te bed te blijven.
Dat de onderhandelingen zoo langzaam vorderden, was ook onvermijdelijk, daar beide partijen bevreesd waren te zullen worden bedrogen; bovendien waren er tal van feesten, om de langwijligheid van de zaken wat te breken.
Daaronder was ook een jachtpartij in de bosschen van Vincennes, waarbij een belangrijk voorval plaats had. Op weg naar huis, waren Oranje en de Fransche koning van de rest der ruiters afgedwaald. Terwijl zij langzaam onder de boomen voort reden, begon Hendrik, in de meening, dat de jonge Hollandsche staatsman het volle vertrouwen van zijn Spaanschen koning genoot, hem te spreken over de bijzonderheden van het privaat verdrag, dat hij met Alva had gesloten, ten einde de ketterij uit de gezamenlijke landen van hem zelf en Filips uit te roeien. Wat er in Oranje moet zijn omgegaan, toen hij van het vreeselijke plan der vorsten hoorde, blijkt uit hetgeen hij later zelf in zijn Apologie schreef, n.l. dat hij "door medelijden getroffen werd met zooveel welvarende menschen, die aldus veroordeeld werden tot vernietiging, in 't bijzonder met dat land, waaraan ik zooveel verplichting had en waar men een inquisitie wilde invoeren, erger en wreeder dan die van Spanje.... Van deze dingen getuige zijnde, beken ik, dat ik van dat oogenblik af in ernst besloot, het Spaansche ongedierte uit dat land te verdrijven en nooit heb ik berouw gehad over mijn besluit."
Of het geval zoo dramatisch is geweest als de Prins het voorstelt in zijn Apologie, mag betwijfeld worden, als we bedenken, dat dit stuk in 1580 werd geschreven, dus ruim 20 jaar na het voorval, doch hier staat tegenover, dat Oranje deze geschiedenis reeds in 1562 aan Granvelle moet hebben meegedeeld.
De zelfbeheersching, getoond bij dat gesprek in het bosch van Vincennes, heeft den Prins den naam van den Zwijger geschonken, die hem het eerst door Granvelle moet gegeven zijn. Niet om een doorloopende karaktertrek, maar om een enkele daad is hem deze naam dus geschonken.
Op een der vele feesten, welke op die jachtpartij volgden, had het tournooi plaats waarin Hendrik II gewond werd, met het gevolg, dat hij enkele dagen later op 12 Juli overleed. Zelfs zijn lofredenaars konden niets goeds van hem vermelden.
Waarschijnlijk was Oranje toen niet meer te Parijs, want hij haastte zich, door Hendriks mededeeling verontrust, naar de Nederlanden te gaan zoo spoedig hij verlof kon krijgen, onder belofte echter onmiddellijk terug te keeren, zoodra hij werd opgeroepen.
Terwijl men in Parijs bezig was de eindbepalingen van het verdrag op te stellen, maakte Filips zich gereed aan zijn hartewensch te voldoen, de Nederlanden vaarwel te zeggen en die echt Spaansche rust te genieten. Hij had van zijn verblijf in het Noorden meer dan genoeg; de episode van zijn Engelsch huwelijk behoorde tot het verleden; van nu af was hij tot zijn eigen erfgoed bepaald. Een nieuw huwelijk was tot stand gekomen, terwijl het verbond met Frankrijk hem de gelegenheid had geopend, de vrijheid der godsdienstige gedachte uit te roeien, waartegen hij ieder jaar van zijn verder leven steeds meer haat koesterde.
Wat verlangde hij terug naar Spanje, waar hij zich in de landstaal zou kunnen uitdrukken en waar hij tenminste eene omgeving zou vinden, die meer met hem in aard en karakter overeenkwam. Vrijwel gedwongen was zijn verblijf in de Nederlanden geweest, maar nu belette hem niets meer die gewesten vaarwel te zeggen. Voor hij echter kon vertrekken, moest eerst zijn plaatsvervanger worden aangewezen, want Philibert van Savoye, de opvolger van Maria van Hongarije, was in zijn heerschappij over Piëmont hersteld en kon dus niet langer de betrekking van landvoogd vervullen.
Men zegt, dat Egmond en Oranje zich een oogenblik zouden gevleid hebben, dat de keus van den nieuwen landvoogd op een hunner vallen zou, maar waarschijnlijk is dit niet; zij moesten direct begrepen hebben, dat Nederlandsche edelen, hetzij inboorlingen als Egmond of genaturaliseerd als Oranje, geen landvoogden zouden zijn naar het hart van den tegenwoordigen koning.
Over twee mededingsters werd spoedig ernstig gedacht, n.l. de hertogin van Parma en die van Lotharingen; deze laatste werd door de Nederlandsche edelen begeerd, omdat zij onder haar naam zelf hoopten te regeeren.
Oranje vooral ijverde zeer voor haar, hetgeen ook verband hield met trouwplannen van den Prins.
Anna van Buren was slechts eenige maanden dood, toen Willem, het voorbeeld van zijn koning volgende, begon uit te zien naar een tweede echtverbintenis. Zelfs zeer kort na den dood zijner eerste vrouw, had de Prins een liaison, die niet tot een huwelijk leidde, maar toch te wereldkundig is geworden, om er niet van te spreken. Het was een Vlaamsch meisje, Eva Eliver genaamd, dat hem bekoorde en hem in September 1559 een zoon schonk, bekend onder den naam Justinus van Nassau, welke natuurlijke zoon van den Prins, naar de gewoonte der tijden, een opvoeding, overeenkomstig den stand van zijn vader ontving en dientengevolge ook later gouverneur van Breda en admiraal van Zeeland werd. Van een huwelijk met die Eva kon geen sprake zijn; zij huwde later met den secretaris van de stad Hulst, A. Arondaux.
De Prins zelf moest eene vrouw zoeken van zijn stand en geboorte. De eerste, op wie hij den blik vestigde, was Madame de Touteville, dochter van den graaf van St. Pol, schoonzuster van den koning van Navarre en weduwe van den hertog van Enghien. Deze weduwe, nauwelijks 17 jaar, was een der rijkste en schoonste erfgenamen van Frankrijk. De Prins leerde haar kennen tijdens zijn gijzelaarschap in Parijs en schijnt om hare hand aanzoek te hebben gedaan. Ongetwijfeld was haar rijkdom, bij den toenmaligen staat zijner eigen geldmiddelen, eene sterke attractie voor Oranje. Doch zoowel Filips II als Hendrik II werkte dit huwelijksplan tegen; Filips, omdat hij ongaarne de verbinding zag van Nederlandsche heeren met Fransche geslachten; Hendrik, omdat hij een ander voor de rijke erfdochter op het oog had, die haar echter ook niet kreeg.
Toen dit huwelijksplan was afgesprongen, richtte Oranje zijn blik op Renée van Lotharingen, oudste dochter van den hertog Frans van Lotharingen en Christierna van Denemarken. Deze was de door de Nederlandsche grooten, inzonderheid de door Oranje begeerde opvolgster van den hertog van Savoye als landvoogdes der Nederlanden; zij was, volgens Catharina de Medicis, "la plus glorieuse femme, que je visse jamais." Haar schoonheid was niet minder beroemd, dan die harer dochter. Misschien werd Oranje ook daardoor getroffen, maar de hoofdbedoeling van zijne poging, om Renée te huwen, lag in de politiek. Hare moeder, de fiere dochter van koning Christiaan van Denemarken en van Isabella, zuster van Karel V, was een eigen nicht van Filips II en zij had alle hoop, dat de koning van Spanje haar tot landvoogdes zou benoemen. Zij was een zeer eerzuchtige vrouw, steunde niet alleen elke poging om het huis Holstein uit Denemarken te verdrijven, maar sprak ook haar woord mede in de Europeesche staatkunde. Te Cateau-Cambrésis was zij zelfs een ijverige onderhandelaarster en daar schijnt ook het huwelijksplan van hare dochter met Oranje te zijn beraamd, omdat de laatstgenoemde hare kansen om landvoogdes te worden, zeer groot achtte en hij alsdan onder haar naam in de Nederlanden zou kunnen regeeren. Aan beide verwachtingen werd de bodem ingeslagen. "Tusschen de niet verloving van den Prins met Renée van Lotharingen en de niet benoeming van Christierna tot landvoogdes is een duidelijk voelbaar verband." Koning Filips schijnt zelf ook aan Christierna geschreven te hebben, dat zij het aanzoek van Oranje van de hand moest slaan. In het openbaar hield Filips zich, alsof hij dat huwelijk goedkeurde. Maar hij wilde zijn heerschzuchtige nicht buiten de Nederlanden houden en buiten staat, om onder de Nederlandsche edelen een partij te vormen.
Margareta werd tot landvoogdes gekozen, vooral door den invloed van Granvelle. De benoeming van deze bastaardzuster van den koning was de eerste gevoelige nederlaag voor de nationale partij onder Filips' bestuur. Margareta was het oudste kind van den overleden keizer, buiten huwelijk geboren, vier jaar voor zijn huwelijk, maar als een erkende dochter, door de zorg van Karels tante en later van zijn zuster, opgevoed. Op twaalfjarigen leeftijd was zij gehuwd met Alexander de Medicis, een ellendigen nakomeling van de familie Medicis, wiens dood binnen een jaar na dat huwelijk geen ongeluk was voor zijn jonge vrouw. Haar tweede echtgenoot was Ottavio Farnese, zeven jaar jonger dan zij, met wien zij vrij gelukkig was. Als vrouw was zij geen aantrekkelijke persoonlijkheid. "De waarheid is, dat haar geest niet alleen haar sekse te boven ging, maar zij ging zoo gekleed en had zulk een houding, alsof zij niet was een vrouw met een mannelijken geest, maar een man in vrouwenkleeren. Zij was zoo sterk, dat zij aan de hertenjacht gewoonlijk mededeed, hetgeen de lichaamskracht van vele mannen te boven ging. Op haar kin en bovenlip groeide een baardje, dat haar mannelijke gelijkheid gaf en groot gezag. Zij had een helderen geest en kon met wonderlijke handigheid de zaken van alle kanten bekijken."
Op het punt van godsdienst was zij bekrompen en bijgeloovig, op 't gebied van staatkunde reeds bedorven in de leerschool van Macchiavelli en wat haar kundigheden betreft was zij zeer middelmatig; ze kon nauwelijks het Fransch schrijven, dat te Brussel altijd als hoftaal had gegolden.
Hoe kon deze vrouw, die bij haar verschijning liefde noch achting kon inboezemen, bewaakt door het achterdochtig oog van Filips en geplaatst onder de voogdij van Granvelle, een krachtige, vrije ontwikkeling geven aan den adel, die haar omringde?
Ziedaar de nieuwe meesteres onder wie Oranje zijn loopbaan als staatsman aanving. Zijn leerjaren waren voorbij. Als page had hij den keizer trouw en loyaal gediend en onder zijn banieren zijn eerste campagnejaren doorleefd. Met den nieuwen meester had hij forten gebouwd en gekampeerd en daarna was hij ingewijd in het moeielijker werk, om verdragen tot stand te brengen. Voortdurend was zijne verantwoordelijkheid grooter geworden en nu stond hij aan den aanvang van het moeilijkste deel van zijn loopbaan. De ondervinding, die hij reeds had opgedaan en het hooge standpunt, dat hij innam onder de Nederlandsche heeren, gaven hem recht om mede te werken aan het eerste openbaar verzet tegen den wil des konings. Nog voor deze naar Spanje terugkeerde, zou hij van den aanvang van dat verzet getuige zijn.
De eenige regelmatige regeeringstroepen in de Nederlanden waren de zoogenaamde "bandes d'ordonnance", die uit 3000 ruiters bestonden, in 14 escadrons verdeeld, ieder onder het commando van een stadhouder of edele. Behalve deze troepen waren er in het jaar 1559 nog omstreeks 4000 vreemde soldaten, voornamelijk Spanjaards, in het land ingekwartierd. Wat moesten deze vreemde troepen nog na den vrede in het land doen? Toen Hendrik II in het bosch van Vincennes zijn vertrouwelijke mededeeling aan Oranje deed, was een van de punten, die bijzonder de verontwaardiging van den Prins hadden gewekt, dat die vreemde troepen van nu aan zouden gebruikt worden om de ketterij te onderdrukken, daar hun diensten niet verder noodig waren tegen een buitenlandschen vijand, sinds Frankrijk en Spanje zich hadden verbonden. Om elke schikking dienaangaande te voorkomen, had Oranje zijn verblijf in de Fransche hoofdstad bekort en zich huiswaarts gespoed; hij wachtte slechts op een gelegenheid, om tegen het langer verblijf dier Spaansche troepen op te treden.
De Staten-Generaal, die Filips, in strijd met het voorbeeld van Maria, de vroegere landvoogdes en met de waarschuwing van Granvelle, kort na den afstand van Karel V had bijeengeroepen, om beden toe te staan, werden, al was de uitslag van die eerste samenroeping niet naar wensch geweest, toch nog eenmaal vóór Filips' vertrek door hem te Gent vereenigd om afscheid van hem te nemen en Margareta als Filips' vertegenwoordiger te verwelkomen.
Op den vastgestelden dag waren de Staten vergaderd en verscheen de koning met de nieuwe landvoogdes, den hertog van Savoye en vele gezanten en edelen in hun midden. Aan Granvelle was de taak toevertrouwd de afgevaardigden in naam van den vorst toe te spreken. In sierlijken stijl en hoogdravende woorden werd meegedeeld, waarom Filips zijn geliefde gewesten ging verlaten, dat alleen innige liefde voor de Nederlanden hem had genoopt tot het einde van den oorlog hier te blijven. Het achterlaten der Spaansche troepen werd met een enkel woord vergoelijkt en aan de Staten op het hart gedrukt, de edicten van wijlen zijn vader alle uit te voeren. Bovendien verzocht de koning nogmaals een bede, nu van 3 millioen florijnen, daarbij herinnerende aan de omstandigheid, dat al het geld, evenals dat vroeger was geschied, ten nutte van de geliefde gewesten zou worden besteed. Na het eindigen dezer rede gingen de Staten uiteen, om volgens oud gebruik die bede te overwegen en op den volgenden dag deelde elk gewest afzonderlijk zijn antwoord mede.
De Staten van Artois waren de eerste, die hun besluit moesten voorlezen. In navolging van de rede van hun souverein spraken ze in niet minder sierlijke woorden van hun innige verknochtheid aan hun vorst; ze beloofden tevens plechtig, zoover hun aandeel betrof, de nieuwe bede op te brengen. Filips had hen onder al die vleiende woorden glimlachend aangekeken, maar op hetgeen aan het slot werd vermeld, had de koning niet gerekend. De Staten toch eindigden met Zijne Majesteit ernstig te verzoeken, als vergoeding voor hunne bereidvaardigheid, onmiddellijk de Spaansche troepen uit de Nederlanden te verwijderen.
Bij deze onverwachte wending in de toespraak van de afgevaardigden verdween niet alleen zijn glimlach, maar toonde de vorst zich diep beleedigd. De Staten der andere gewesten volgden, maar verzochten niet als die van Artois de verwijdering der vreemde troepen, doch stelden dit vertrek als voorwaarde voor het verleenen van de bede.
Behalve de antwoorden der afzonderlijke Staten werd nog voor het uiteengaan der vergadering een afzonderlijk formeel protest in naam der Staten-Generaal aangeboden, onderteekend door den Prins van Oranje, Egmond en vele andere Nederlandsche edelen. In dit protest werd de zaak bij den rechten naam genoemd, werd gewezen op de rooverijen en uitspattingen van het "Spaansche ongedierte" en bovendien met nadruk aangedrongen de belangen van den Staat niet aan vreemdelingen, doch zooals van ouds, aan inboorlingen over te laten.
Was Filips door de antwoorden der Staten reeds ten diepste beleedigd, de aanbieding van het laatste verzoekschrift deed de maat bij hem overloopen. Woedend stond hij op, verliet de vergadering onder het uiten der woorden: "Of ze hem die ook een Spanjaard was, niet mede het land wilden doen ruimen."
Voor het eerst had men zich in de noordelijke gewesten openlijk tegen den Spaanschen koning verzet en Oranje, die zooals we zagen, het stuk mede onderteekend had, was blijkbaar bij deze gelegenheid de man geweest, die de leiding had gehad. Vandaar, dat het niet vreemd is, dat men het volgend voorval vermeld heeft, al was het alleen maar om uitdrukking te geven aan de algemeene opinie, dat de Prins van Oranje de hoofdleider van die beweging in de zaak van het Spaansche krijgsvolk is geweest.
Toen alle toebereidselen voor het vertrek van Filips gemaakt waren, vertrok de koning naar Vlissingen, vanwaar de vloot naar Spanje zou uitvaren. Onder de aanzienlijksten van deze gewesten, die hem uitgeleide deden, behoorde ook de Prins van Oranje. Het afscheid was zeer hartelijk; Filips omhelsde de edelen, doch zich tot den Prins van Oranje keerende, verweet hij hem bitter de houding door de Staten tegenover hem aangenomen. De Prins verontschuldigde zich, zei dat alles langs regelmatigen weg was geschied en het niet zijne beslissing, doch die van de Staten was geweest, waarop Filips den Prins verontwaardigd bij den arm greep en uitriep: "No los estados, ma vos, vos, vos!" "Niet de Staten, maar gij, gij, gij!"
De Prins van Oranje zou na deze openlijke beleediging zich niet aan boord van 's konings schip hebben begeven, maar zich vergenoegd hebben hem van den wal af een goede reis toe te wenschen!
Hoewel het verhaal niet geheel betrouwbaar is, kan het als bewijs dienen hoe de tijdgenooten dachten over het aandeel, dat de Prins in het verzet had en hoe ze hem als de ziel der beweging beschouwden.
Den 26en Augustus 1559 ging de vloot, uit negentig schepen bestaande, te Vlissingen onder zeil en bracht den koning na een zeer stormachtige reis behouden naar Spanje.
Wel had hij beloofd binnen drie of vier maanden de vreemde soldaten uit het land te zenden, bij welke belofte zich de Staten hadden neergelegd, maar het duurde nog tot 1561, eer het geschiedde. De Prins van Oranje en Egmond werden met het opperbevel over de Spaansche regimenten belast, doch eigenlijk voerden Romero en Mendoça het bevel. Oranje en Egmond leenden alleen hun naam.
Dat deden ze ook bij het lichaam van den Raad van State. Ten einde hun houding daarin, vooral die van Oranje, te begrijpen, is het noodig, eenigszins van naderbij de regeeringslichamen te beschouwen, die in werking waren bij het vertrek van Filips. De landvoogdes werd bijgestaan door de drie Raden, die van 1531 af reeds onder Karel V waren ingesteld, namelijk de Raad van State, die van Financiën en de Geheime Raad. De beide laatsten waren onmisbare werktuigen voor de regeering. Aan het hoofd van den Raad van Financiën stond Barlaimont; aan dat van den Geheimen Raad, die zich met de administratie van recht en wet ophield, was Viglius geplaatst. De Raad van State moest op den algemeenen gang der regeering invloed uitoefenen; in zaken van oorlog en vrede, van landsverdediging en rustbewaring moest die Raad, uit de aanzienlijksten van het land samengesteld, de landvoogdes voorlichten. Uit Nederlanders samengesteld, moest hij aan het volk ten waarborg strekken, dat, wie ook landvoogd wezen mocht, de strekking der regeering niet anti-nationaal zou wezen. De landvoogdes Maria echter vond reeds in dien Raad een te groote beperking van haar eigen gezag, en Granvelle, die bij Filips' vertrek door hem aan Margareta was aangewezen als haar raadgever en die in alle drie Raden zitting had, wist Margareta van Parma te overtuigen, dat ze niet beter kon doen, dan Maria's voorbeeld te volgen en zoo weinig mogelijk den Raad van State te raadplegen. Hij kon niet opgeheven worden, maar hij werd een bloot sieraad, dat aan de regeering een nationalen glimp moest geven.
In dat lichaam, in oorspronkelijke bedoeling zoo veelbeteekenend, maar afgedaald tot den rang van versiering, werd ook Oranje met Egmond gekozen. Wel begrijpende dat zij, daarin zitting nemende, alleen als instrument zouden dienen, begonnen ze met voor die eer te bedanken, doch daar Filips hun een belangrijk geschenk in geld gaf, namen ze de benoeming aan, op voorwaarde, dat ze dan ook werkelijk zouden worden geraadpleegd. Ras ontdekten ze, hoe ze bedrogen waren, want Granvelle, Viglius en Barlaimont overlegden eerst alles in de Consulta, en brachten slechts in den Raad van State wat zij goedvonden. We zullen nader zien, hoe onder tal van andere rechtmatige grieven, de miskenning die Oranje in den Raad van State ondervond, den doorslag tot zijn verzet heeft gegeven.