Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 6
De naam van Oranje wordt in geen der geschiedenisverhalen bij den slag van St. Quentin bijzonder vermeld, maar van het midden van Juli af was hij op het oorlogstooneel aanwezig en commandeerde een der compagnieën, die de stad belegerden. Van uit het kamp voor St. Quentin deelde hij zijn vrouw een en ander over de belegering mede; later, den 11en September meldde hij haar, dat Han zich aan de genade van den koning had overgegeven; hij betreurt in dien brief de groote verwoesting, welke de Franschen er hebben aangericht. Aan het slot zegt hij nog, dat hij onmiddellijk tijding zal zenden, wanneer hij weet, wat er verder gedaan zal worden. Wederom is dit een bewijs, hoe gaarne Anna van Buren geheel op de hoogte werd gehouden van den werkkring van den Prins en tevens hoe deze steeds voortging haar voortdurend berichten uit het kamp te zenden.
Uit hetzelfde kamp bij Han meldt hij haar den 27en September, dat hij een lichten aanval van koorts heeft gehad, dien hij weder terugverwacht. Hij had daar niet alléén last van dat ongezonde kamp, want hij schreef, dat zijn broer zich eveneens sinds een paar dagen onwel bevond.
De broeder hier bedoeld, was Lodewijk, derde zoon van Willem van Nassau en Juliana van Stolberg. Het is bekend, hoe deze het lot van zijn broer in de Nederlanden heeft gedeeld en hoe jammerlijk zijn uiteinde is geweest. Telkens zullen we hem ontmoeten, werkzaam voor de zaak des Prinsen en voor de bevrijding van ons vaderland. Als diplomaat en als krijgsman stond hij in hooge achting; hij was een der edelste kampioenen voor onze vrijheid, een schitterende, ridderlijke figuur, waarop ons oog van ter zijde telkens met eerbied zal staren. In 1538 werd hij geboren en was dus vijf jaar jonger dan Willem van Oranje. In tegenstelling met zijn broeders Jan en Adolf, die te Wittenberg studeerden, bezocht Lodewijk Straatsburg en Genève, waar hij zijn studiën volbracht. Is dit waar, dan verklaart zich daaruit het feit, dat Lodewijk zich in later tijd eerder dan Prins Willem zelf, geneigd betoonde, met de Calvinisten samen te werken. Doch het is de vraag nog, of dit wel betrouwbaar is, aangezien de Duitsche vorsten en zoo ook Willem de Oude omstreeks 1550, als echte Lutheranen een afkeer hadden van het Calvinisme, waarvan Genève de hoofdzetel was.
In October 1556 kwam Lodewijk reeds in de Nederlanden. Niettegenstaande Juliana van Stolberg hem onder al haar kinderen een bijzondere liefde toedroeg, werd Lodewijk reeds vroeg door zijn vader naar dat land gezonden, waar zijn oudste zoon reeds zulk een voorname positie bekleedde en waar dus ook door diens invloed voor den jongeren broeder beter gelegenheid bestaan zou, zich in de wereld vooruit te helpen. De uitnemende eigenschappen van Lodewijk vielen in de Nederlanden reeds spoedig in het oog. Filips II zelf betoonde hem menige gunst, al was de jonge graaf ook Luthersch. Zijn innemend karakter en groote bekwaamheden waren zonder twijfel de eenige oorzaak van die onderscheiding. In 1557 nam hij deel aan den krijgstocht, die ons bezig houdt, in het gevolg van den Prins van Oranje.
Na den veldtocht werd Brussel weer het hoofdkwartier van het leger, al was er nog geen vrede gesloten met Frankrijk. Het was echter den koning niet mogelijk geweest, de troepen bijeen te houden door de slechte verstandhouding van de verschillende nationaliteiten. De Engelschen haatten de Spanjaarden en wenschten niets liever dan zoo spoedig mogelijk naar hun land terug te keeren, zoodat de koning zich wel genoodzaakt zag hen te doen vertrekken. De Duitschers klaagden over het gewone verschijnsel, de onregelmatige betaling en tengevolge daarvan liepen er velen naar de Franschen over. De sterkte der troepenmacht verminderde dus zoodanig, dat de koning blij was, het overschot zijner troepen tot een lateren datum in de winterkwartieren te kunnen terugtrekken.
Een van de voordeelen van de toenmalige oorlogen was de losprijs, die door aanzienlijke gevangenen moest betaald worden, die dan goed onder dak moesten worden gebracht, totdat het geld betaald was. Hoever de regeering in haar eischen en vorderingen dan wel ging, blijkt o.a. uit het geval, dat de koning Oranje noodzaakte, de gevangenen van hertog Eric van Brunswijk op zijn kasteel te Breda te logeeren, daar het volgens zijn meening niet voegzaam was, dat ze in een gewone herberg hun nachtverblijf hadden. De Prins was zelf afwezig en de Prinses moest ze maar ontvangen. Men proeft uit den brief, dien Oranje naar aanleiding daarvan aan Filips schreef, dat hij er niets over gesticht was. Hij kan dezen dienst wel niet aan den koning weigeren, maar doet het blijkbaar met tegenzin en schrijft zelfs aan den vorst, dat hij in geen geval voor de bewaking der gevangenen zorgen kan en dat Filips daartoe andere maatregelen zal moeten nemen, die hem het best zullen voorkomen.
De vorderingen, die aan den Prins werden gedaan, waren nu en dan zóó bezwarend, dat hij ze weigerde te voldoen, zooals o.a. gebeurde met 50 wagens, waartoe Oranje werd geprest, doch die hij niet leverde.
Gedurende de wintermaanden was de Prins genoodzaakt dikwijls van zijn huis en zijne vrouw afwezig te zijn, omdat hij geld moest trachten te verkrijgen voor zijn meester, die in groote verlegenheid was. George von Holl kwam uit Duitschland om de achterstallige betaling voor zijn troepen te vragen en waarschijnlijk waren er andere kolonels niet beter aan toe. De gelden, die de staten hadden geschonken, waren blijkbaar niet voldoende geweest, de uitgaven van den laatsten veldtocht te bekostigen. Eindelijk slaagde Oranje er in, te Antwerpen een leening te sluiten met Engelsche kooplieden, hoewel hij zich met onvoordeelige voorwaarden tevreden moest stellen, daar het crediet van den koning zeer was gedaald.
Bij den troonsafstand van Karel V had deze bepaald, dat de Prins van Oranje als gezant aanwezig zou zijn bij de overdracht van de keizerlijke kroon op Karels broeder Ferdinand. Nadat die overdracht reeds verscheidene malen was verdaagd, werd er eindelijk in Februari 1558 een Rijksdag te Frankfort gehouden, waarop de Prins met den vice-kanselier Seld en den secretaris Haller tegenwoordig moest zijn, om in naam van Karel in alle vormen de keizerlijke kroon op Ferdinand over te dragen. Dientengevolge keerde Oranje, nadat die lastige leening tot stand was gekomen, naar Breda terug, ten einde zich voor zijn reis naar Duitschland gereed te maken. De zending werd op den 24en Februari volbracht, maar Oranje bleef in Frankfort, om getuige te zijn van Ferdinands kroning en ook om een bijzondere opdracht voor Filips te volvoeren. In Maart schreef hij aan den koning, dat de keizer het door Filips voorgesteld verbond met de Duitsche vorsten hoogelijk goedkeurde, doch dat er eenige moeielijkheden ten gevolge van Fransche intriges waren gerezen. "Nieuws is er niet," zoo voegt hij er bij, "alleen dat de bisschop van Bayonne hier in het geheim bezig is, kwaad te brouwen; ik hoop hem echter met behulp van den (onlangs gekozen) Roomsch-Koning Maximiliaan en anderen te weerstaan."
Tijdens Oranje's afwezigheid werd zijn echtgenoote, Anna van Buren, ernstig ongesteld. Op den 12en Maart schreef de Prins haar een brief, toen hij het bericht van die ziekte gehoord had. Hij zond haastig een zijner getrouwen, 't Serraets, naar Breda en liet zijn vrouw door dezen vragen, hem tijding toe te zenden en den brief althans, zoo zij dien niet meer kon schrijven, te onderteekenen. Zoo spoedig mogelijk zou hij terugkomen en rechtstreeks naar Breda gaan. Anna werd echter erger en toen haar echtgenoot op den 20en Maart Breda bereikte, was alle hoop op herstel verdwenen en vier dagen later stierf ze. Zij was 25 jaar oud, toen ze den Prins ontviel en liet twee kinderen achter, namelijk Maria, geboren in December 1553 en Filips Willem, geboren 19 December 1554. [1]
Zooals we reeds vroeger zeiden, wordt in verschillende documenten van tijdgenooten erop gezinspeeld, dat het huwelijk van Anna van Buren niet gelukkig is geweest, ja zelfs wordt Oranje beschuldigd haar wreed te hebben behandeld en ontbreekt het evenmin aan duistere aantijgingen, dat hij haar dood door geweldpleging zou hebben verhaast. Een misdadiger dus van het ergste soort!
"Voor ons," zegt Bakhuizen van den Brink, "behoeft dit gerucht geen wederlegging. Zou zulk een uitbarsting van dierlijke woede met de kalme effenheid van 's Prinsen karakter gestrookt hebben?"
Maar er is meer, want dezelfde schrijver vraagt terecht, of de Prins in dit geval wel met zooveel stoutheid later aan koning Filips den dood van zijn zoon en van zijn echtgenoote zou hebben durven verwijten en of de graaf van Egmond, die nauw aan 's Prinsen gemalin verwant was, wel ooit in 1558 Willem van Oranje tot zijn executeur zou benoemd hebben. Wien men van groote misdaden verdenkt, pleegt men niet de uitvoering van zijn laatsten wil toe te vertrouwen.
De ongerijmdheid van het gerucht wordt daarbij geheel bewezen door de getuigenis van een hofdame van Anna, Sophie von Miltitz genaamd, die uitdrukkelijk naar de oorzaak van dat loopend gerucht gevraagd, in volle verontwaardiging antwoordde: "Ik kan niet weten, wat lasterlijke lieden mag bewogen hebben, om zulke schandelijke leugens te verbreiden; maar één ding weet ik, dat het huwelijk van Anna en den Prins een vriendelijke, gelukkige echt is geweest, gegrond op vaste liefde en trouw." Toch heeft Groen van Prinsterer misschien geen ongelijk, als hij beweert, dat Oranje's eerste huwelijk slechts middelmatig gelukkig schijnt geweest te zijn, ja, hij voegt daaraan deze woorden toe, die zeker niet uit zijn pen zouden gevloeid zijn, zoo deze uitnemende onderzoeker van de archieven van het huis van Oranje daartoe geen ernstige reden had: "De brieven aan zijn echtgenoote bevatten de bekoorlijkste uitdrukkingen van teederheid, doch die misschien niet overbodig waren, om sombere vermoedens tegen te gaan."
Een feit is het, dat vrij kort na den dood van Anna, Oranje een avontuur had met de dochter van een Vlaamsch burger, waaruit het al te duidelijk werd, dat hij op het stuk van zeden niet onberispelijk was gebleven. De laster vond hierin een bodem, waarop het gemakkelijk viel voort te bouwen en de volksverbeelding kreeg er vrij spel door. Doch in elk geval is het een bewijs, dat Anna van Buren spoedig door hem was vergeten. Zijn tweede huwelijk, zoo gauw na haar dood, wijst op hetzelfde. En toch zouden we onbillijk zijn, indien wij niet geloofden, dat de Prins door dien dood tijdelijk diep getroffen was. Anna, hoewel wat teruggetrokken, eenvoudig en onbeteekenend, was in menig opzicht een trouwe, zorgzame huisvrouw, die gedurende Oranje's vaak terugkeerende afwezigheid zijn zaken met groote nauwgezetheid waarnam en gaarne op de hoogte bleef van al zijn plannen en bewegingen. Kort na haar dood schreef Oranje aan zijn vader:
Beste Vader!
Ik kan U niettegenstaande de droefheid van mijn hart toch niet onkundig laten, dat de zwakheid, waarin mijn vriendelijke lieve huisvrouw sinds een maand is vervallen, gelijk gij onlangs van mij te Dillenburg hebt vernomen, voor en na mijn terugkeer alhier van dag tot dag is vermeerderd en eindelijk zoo is toegenomen, dat zij Donderdag den 24en dezer loopende maand, tusschen 6 en 7 uur is overleden. Haar sterven was christelijk--ze is heengegaan naar God Almachtig, die haar ziel genadig en barmhartig zijn zal.
Ruim veertien dagen later spreekt hij in een brief, wederom aan zijn vader, van het pijnlijk verlies door hem en zijn kinderen geleden.
Van Filips ontving Willem ook een hartelijk schrijven waaruit tevens bleek, dat hij iemand uit Brussel had gezonden om naar den toestand zoowel van Oranje, die ziek uit Frankfort was gekomen, als naar zijn vrouw te vragen. Juist op het oogenblik van het vertrek waren er nieuwe berichten gekomen, die Filips o.a. het overlijden van Anna meldden. Eenige dagen later schreef Filips wederom aan Oranje. Dat deze nog geen verslag over de onderhandelingen te Frankfort had uitgebracht, kon Filips best begrijpen en hij raadde hem ook aan nog maar wat te wachten, totdat zijn geest tot rust was gekomen. Aan hartelijkheid ontbrak het in deze brieven dus niet.
In een schrijven aan Granvelle, den bisschop van Atrecht, die om nadere bijzonderheden had gevraagd, zegt Oranje o.a. dat de dood van zijn vrouw bij hem zulk een radeloosheid en onuitsprekelijke smart veroorzaakte, dat hij tengevolge daarvan een hevigen koortsaanval kreeg, gepaard aan zenuwtrekkingen.
Wat blijkt uit deze brieven omtrent de verhouding van den Prins tot zijn eerste echtgenoote? Al te veel nadruk mag er, dunkt mij, niet gelegd worden op zijn aanval van hartstochtelijke smart, waarvan de laatste brief aan Granvelle getuigt. De smart, zich in koorts en zenuwtrekkingen openbarende, kan wel een gevolg van het besef geweest zijn, dat hij niet ten volle voor zijne overledene geweest was, wat hij had moeten en kunnen zijn. Doch wij herhalen, wie met deze uitingen geloof zou willen slaan aan het lasterlijk gerucht, dat te zijnen nadeele werd verspreid, zou Willem van Oranje moeten verdenken van eene huichelarij en misdaad, die alle grenzen te buiten ging.
De Prins was in de jaren van zijn eerste huwelijk menigmaal genoodzaakt, gescheiden van zijn vrouw te leven; zijn dienst in den oorlog, zijn diplomatieke zendingen doemden haar tot een tamelijk eenzaam bestaan. Terwijl zij meestal het kasteel te Breda bewoonde, was hij op reis, in het kamp of in Brussel. Zijn leven daar was, gelijk we nader zullen zien, zeer weelderig en rijk en toch blijkt het voldoende uit al de brieven, die hij aan Anna schreef, dat hij haar niet vergat. Zijn thuiskomst in Breda moet altijd een feest zijn geweest voor de meestal eenzame vrouw. Zij heeft hem lief gehad tot het einde, en zij is steeds zorgvol voor zijn kinderen en goederen geweest. Haar testament, geheel te zijnen voordeele, was een laatste bewijs van hare liefde en van haar vertrouwen op hem. Terecht is van haar gezegd: "Voor den tijdgenoot, die het oor niet leende aan rondgestrooide geruchten, blijft Anna door haar teruggetrokken leven en haar vroegtijdig einde, een lieftallige figuur. Maar voor den nakomeling bewaart zij de onaantastbare en zachte bekoring van een visioen, dat wegdeinst, zonder zijn geheim te hebben geopenbaard."
HOOFDSTUK IV.
DIPLOMATIEKE ONDERHANDELINGEN. FILIPS' VERTREK 1558-1559.
Een lange rusttijd werd den Prins niet toegestaan om zijn verlies te boven te komen en na zijn eigen ongesteldheid zijn krachten te herwinnen. Op den 7en Mei ontbood Filips hem op zeer beslisten toon naar Antwerpen om toezicht te houden op de hernieuwing van de wet aldaar en in Juni beval de hertog van Savoye hem, zich zoo spoedig mogelijk te haasten om met zijn bande d'ordonnance, Thionville, een sterke stad aan de Moezel, te bevrijden.
De geestdrift van Filips voor militairen roem was spoedig uitgebluscht; veel heftiger verlangde hij naar een verbond dan naar voortzetting van den strijd met Frankrijk. In het vroege voorjaar hadden de bisschop van Atrecht en de kardinaal van Lotharingen een samenkomst te Péronne, waarbij zij tot het besluit kwamen, dat het wezenlijk belang van Frankrijk en Spanje niet was, grondgebied van elkander te winnen, maar den verborgen vijand, de ketterij, die zich in beide rijken verspreid had, te bedwingen. Daar de onderhandelingen dier prelaten echter geheim bleven, werden de vijandelijkheden tusschen beide koninkrijken vroeg in den zomer heropend.
In plaats van den Connétable, die zooals we zagen zich in gevangenschap bevond, was de hertog de Guise uit Italië gekomen, waar zijn roem er nu niet bepaald op vooruit was gegaan, en die dus hoopte in de meer noordelijke landen beter figuur te maken. Op Nieuwjaarsdag van 1558 verscheen hij voor Calais, waarvan de Guise door spionnenberichten reeds wist, dat de bezetting zwak was. Na een hevig geschutvuur werd de stad stormenderhand genomen. Meer dan twee eeuwen was zij in handen der Engelschen geweest, die het hadden veroverd na een beleg, dat twaalf maanden duurde; thans keerde het aan Frankrijk terug na een belegering van zeven dagen. Nog zeven dagen later viel ook Guines, waardoor Engelands koningen voor altijd het recht verloren om den titel en de leliën van Frankrijk te voeren.
De Guise trok naar Luxemburg en veroverde Thionville, zoodat Oranje, die volgens de orders van den hertog van Savoye daarheen moest trekken, te laat kwam om nog hulp te bieden. De Franschen hadden dus in den beginne wel succes, maar 't was niet van langen duur. Het plan bestond bij de Franschen om de vereeniging te bewerken van de Guise en de Thermes, die in Calais als bevelhebber was achtergebleven en reeds met zijn nieuw verzameld leger de omstreken had geplunderd en ook Duinkerken had genomen. De vereeniging van de beide Fransche bevelhebbers te voorkomen en als het kon de Thermes van Calais af te sluiten, was het doel van de tegenpartij. Reeds was de Fransche bevelhebber van Duinkerken vertrokken, toen hij op zijn weg de held van St. Quentin ontmoette, die zich met zijn troepen te Grevelingen had opgesteld, een kleine stad aan het strand der zee, ongeveer halfweg Calais en Duinkerken.
Daar noodzaakte Egmond zijn tegenstander slag te leveren, daar rende hij aan het hoofd zijner escadrons op de Franschen in onder het: "De vijand is ons, wie zijn vaderland lief heeft volge mij." Van beide kanten werd met groote hardnekkigheid gestreden, doch de zege was aan Egmond en op dezen 12en van Julimaand werd de uitgelezen Fransche strijdmacht onder maarschalk de Thermes volkomen vernietigd en vielen met hem vele andere officieren van adellijken bloede in handen van Egmonds troepen.
De ongeloofelijke moed door den overwinnaar bij die gelegenheid betoond, stal het hart van het volk en alleen de zure Alva, die Egmond benijdde, deelde niet in de algemeene vreugde, daar hij zelf gehoopt had het getij ten voordeele van zijn meester te doen keeren.
Thans was Egmond de held van St. Quentin en Grevelingen. Niettegenstaande aan beide zijden de strijdkrachten nog volkomen in orde en zeer machtig waren, was toch deze slag het laatste tooneel van den zevenjarigen oorlog tusschen Frankrijk en Spanje. Filips was bijzonder tevreden op de lauweren te kunnen rusten, door zijn veldheer behaald; Hendrik was niet verlangend verdere waagstukken te ondernemen en het volk aan beide kanten begeerde vurig den vrede.
Algemeen was dus het verlangen, dat er geen verder uitstel met de vredesonderhandelingen zou gemaakt worden, maar het was wat gewaagd met de besprekingen te beginnen, terwijl de twee gewapende legermachten nog in elkaars gezicht lagen. Daarom was de eerste maatregel, de vreemde huurtroepen te ontbinden en de eigen troepen op een veiligen afstand in te kwartieren. De preliminaire voorbereidselen voor de vredesonderhandelingen werden te Rijssel geregeld onder den Prins van Oranje, Ruy Gomez en den bisschop van Atrecht aan de eene zijde, Montmorency en maarschalk St. André aan den anderen kant. Op den 15en October werden de formeele onderhandelingen geopend in de abdij van Cercamp, op het onzijdig grondgebied van Kamerijk. Daar vereenigden zich de hertog van Alva, de president Viglius, de kardinaal van Lotharingen, de bisschop van Artemis en Claude l'Aubespine met hen, die te Rijssel waren geweest. Ook Maria van Engeland zond afgevaardigden, maar het vraagstuk van Calais dreigde te veelomvattend te worden, zoodat de geheele Engelsche zaak ter zijde werd gelegd, om onafhankelijk van de Spaansch-Fransche belangen, door een toekomstig congres te worden beslist. Men moet niet vergeten, dat Oranje, hier ook aanwezig, pas 25 jaren telde en toch reeds als een man van groot gewicht in deze hoogst belangrijke diplomatieke vergadering gold. Daar viel wat te doen. Gedurende de laatste zeven jaren had men onophoudelijk steden genomen en hernomen, welker bezit van groote waarde geacht werd. Elk van deze moest in bijzonderheden worden behandeld. Dan moest het verbeurd verklaarde grondgebied van partijgenooten aan beide zijden worden teruggegeven en na de vaststelling der losprijzen, de gijzelaars worden uitgewisseld. Uit een brief van Oranje aan den hertog van Savoye blijkt, dat er hard werd gewerkt om de zaak tot een goed einde te brengen en tevens meldt Oranje aan den hertog, dat bij mogelijke teruggave van Piemont Zijne Hoogheid over zijn huwelijk met Margareta, zuster van koning Hendrik, een beslissing moet nemen, daar men deze echt als voorwaarde voor de teruggave van de landen geëischt heeft. Voordat er eenig besluit in die vergadering was genomen, had eene gebeurtenis plaats, waardoor de geheele zaak zeer vereenvoudigd werd.
Maria, die zich het verlies van Calais zeer bijzonder aantrok, eindigde haar ongelukkig en onbevredigd leven op den 17en November en liet aldus haar echtgenoot vrij om zijn diplomatieke beloften met een nieuwe huwelijksverbintenis te bezegelen. Haar dood en de opvolging van Elisabeth veroorzaakte een tijdelijke opschorting der onderhandelingen.
Een schitterende lijkdienst werd tot haar nagedachtenis door Filips in Brussel gevierd en daarna kon hij de vraag van een opvolgster overwegen.
Nog een andere lijkdienst werd er, behalve die van Filips' ongelukkige echtgenoote, in Brussel gehouden. Reeds den 21en September was keizer Karel in het klooster St. Juste overleden, maar zijn zoon vond eerst in het laatst van December tijd, om den doode in het openbaar de laatste eer te bewijzen. De praalvertooning, die toen in Brussel plaats had, was echter zoo schitterend, dat het uitstel er wel door verontschuldigd werd.
De plechtigheden hadden plaats op 29 en 30 December 1558 en behalve de prachtige rouwversiering van de kathedraal en de stad zelf, trok van den grooten optocht, die door de stad ging, een schip het meest de aandacht, zoo kunstig vervaardigd, dat, ofschoon onzichtbare helpers het droegen, het door zeepaarden scheen voortbewogen. De bemanning werd voorgesteld door drie zinnebeeldige personen. De Hoop, geheel in 't bruin gekleed met een zilveren anker in de hand, stond aan den voorsteven; het Geloof, met den avondmaalskelk en het roode kruis in een wit gewaad met een sluier van wit zijden gaas, zat op een staatszetel vóór den bezaansmast, terwijl de Liefde in het rood met een vlammend hart in de hand, aan het roer het schip bestuurde.
Eigenaardig is de beschrijving van een Engelschman, die aan zijn chef een gedetailleerd verslag zond en waarin ook de Prins van Oranje vermeld wordt.
"Nagenoeg middenin zag men een schip versierd met de banieren van 's keizers wapenen, en onder deze, vele banieren van de Turken en Mooren, naar beneden gevallen en in 't water liggende. Het geheele bovenste gedeelte van het schip was kostbaar gebeeldhouwd en verguld; de voornaamste touwen en masten, de zeilen en toppen waren alle zwart.... In het midden bij den grooten mast was een staatszetel opgericht, waarop niemand zat. Daarvoor stond een meisje geheel in het wit gekleed, haar aangezicht bedekt met een witten sluier. In haar rechterhand had zij een rood kruis en in haar linkerhand een kelk met het sacrament.... Daarna kwamen 24 paarden, die alle een land voorstelden, waarover de keizer geregeerd had en voor ieder paard ging een graaf of hertog....
De Prins van Oranje droeg het zwaard met de punt benedenwaarts.... En toen de dienst was afgeloopen, kwam daar een edelman naar de lijkkoets (zoover ik kon hooren was het de Prins van Oranje), die voor de lijkkoets staande, met de hand op de kist sloeg en zeide: "Hij is dood." Daarop een poos stilstaande, zeide hij: "Hij zal dood blijven." En wederom na een pauze sloeg hij nog eens op de kist en zeide: "Hij is dood en daar is een ander in zijn plaats opgestaan, grooter dan hij ooit was."