Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 54

Chapter 543,747 wordsPublic domain

De priesterschap gaf uiting aan haar haat tegen Oranje en verhief den dood van den ellendigen moordenaar ten hemel. Toch waren er enkele steden, ook in het Spaansche kamp, waar de blijdschap niet algemeen was. In den Bosch werd een feestviering, die men voor had, verhinderd door de gemeente en waren de kanunniken verplicht, alleen in de kathedraal hun Te Deum te zingen, maar dit Te Deum, zeggen enkele schrijvers, scheen geen goedkeuring in den hemel te vinden, want op den avond daarna werd de toren van de kerk door den bliksem getroffen, terwijl geen ander huis in de stad werd beschadigd.

Parma wenschte, toen hij den koning bericht gaf van den moord, hem geluk, dat zulk een gevaarlijk man, die zooveel kwaad aan de Christenheid, aan den godsdienst en aan den koning had berokkend, thans de straf ontvangen had, zijne misdaden waard. Hij beloofde in dien brief ook, dat hij de bloedverwanten van den heiligen moordenaar zou trachten uit te vinden, opdat die de belooning, door die dappere daad verdiend, zouden kunnen ontvangen. Een van Gérards broeders haastte zich naar de Nederlanden om de 25.000 kronen op te eischen, die hun thans wettig toekwamen. Parma drong daarop bij Filips aan, maar de koninklijke schatkist was niet ruim voorzien. Hij stelde daarom voor, aan de familie Gérard een aequivalent te geven in enkele der verbeurdverklaarde goederen van Oranje in Bourgondië, met het gevolg, dat de drie heerlijkheden van Lievremont, Hostal en Dammartin in Franche-Comté aan die familie werden geschonken. De brieven van adeldom aan de vier broeders en drie zusters van Balthasar Gérard en hun wettige nakomelingschap gegeven, dragen den datum van 4 Maart 1589.

Toen Filips Willem, graaf van Buren, in 1595 naar de Nederlanden terugkeerde, werden die goederen op hem weder overgebracht en ontvingen de Gérards een geldelijke schadeloosstelling. Voltaire zegt, dat de adelbrieven van die familie zijn teruggetrokken, toen Franche-Comté bij Frankrijk kwam.

Een donkere wolk van neerslachtigheid hing over Holland; maar weinig verwarring was er, zelfs in Delft, op het bericht van 's Prinsen dood. De vrees voor een wijdvertakt verraad, die in Maart 1582 bij den aanslag van Jaureguy heerschte, toen men zelfs de Fransche bondgenooten verdacht van medeplichtigheid, bestond thans niet. De confessie van Gérard sprak duidelijk. De Staten-Generaal namen onmiddellijk het gezag, dat ze aan den Prins hadden willen geven, tot zich, en schreven, in hun souvereiniteit, brieven naar Engeland, Frankrijk, Duitschland en de steden, terwijl ze de Prinses van Oranje en Maurits hunne condoleantie aanboden.

Het lijk van den vermoorde bleef tot 3 Augustus boven aarde staan. Gedurende dien tijd waren er, die een portret van den afgestorvene wilden vervaardigen, doch de Staten verboden dat, uit vrees, dat de vijand het bespottelijk zou maken, als het soms in zijn handen viel. Een zekere Chr. Janszoon van Bieselingen vervaardigde trots dit verbod toch een kleine schets van den Prins gelijk hij op zijn doodbed lag en de gelijkenis werd zeer geprezen. Die schets schijnt verloren te zijn, want het moet betwijfeld worden, of het schilderijtje, waarop het hoofd van den gestorven Prins is afgebeeld en dat nog heden in het Prinsenhof hangt, hetzelfde is als dat van van Bieselingen.

Op den 3en Augustus begeleidde een breede optocht het lijk door de straten der in rouw gedompelde stad naar zijn laatste rustplaats in de groote, toen de nieuwe kerk. Voorop gingen de burgers met neerhangende vlaggen, omgekeerde wapens en zwijgende trompetten. De lijkwagen was bespannen met acht paarden, met zwarte kleederen bedekt, waarop de wapens van Breda, Vlissingen, Châlons, Diest, Vianden, Catzenellenbogen, Nassau en Oranje geborduurd waren. De lijkkist werd een eind weegs gedragen door twaalf edellieden. Maurits ging te voet daar achter; hij was gehuld in een langen zwarten mantel, waarvan de sleep door zijn voogd gedragen werd. Daarop volgden verscheidene familieleden en de Staten-Generaal, de Raad van State, de leden van den Hoogen Raad van Holland, andere leden van het gouvernement, al de officieren van Delft enz. Zoo werd het dierbaar overschot naar de nieuwe kerk gebracht en in de aarde gelegd. Toen werd er een korte preek gehouden over Openb. XIV : 13. "Zalig de dooden die in den Heer sterven van nu voortaan; ja, zegt de geest, opdat ze rusten mogen van hun arbeid en hun werken volgen hen." Ieders oog was week van tranen en ook de kinderen schreiden op de straten. De man, die zoo was veroordeeld, misverstaan, en slecht ondersteund door hen, voor wier zaak hij geleefd had, was heengegaan en het volk rouwde om zich zelf, terwijl het rouwde om hem.

Alzoo was de loopbaan van den Prins van Oranje; zijn levensdraad werd afgesneden op den leeftijd van 51 jaar, twee maanden en 15 dagen. Door geenerlei ziekte verzwakt, gezond van gestel, zou hij nog vele jaren lang in den gewonen loop der gebeurtenissen zijn leven hebben kunnen voortzetten. Middelmatig van lengte en mager, was hij toch goed gebouwd. Zijn hoofd was breed, maar goed geproportioneerd, zijn gelaat schraal, zijn neus was groot met wijde neusgaten, zijn uitzicht donker, zijn oogen bruin met een vriendelijke uitdrukking. Hij droeg zijn donkerbruinen baard een weinig gepunt. Als jong man was zijn haar van dezelfde kleur als zijn baard, dik en weelderig gegroeid. Later was het dunner geworden en droeg hij een klein kapje. Op vier-en-dertig-jarigen leeftijd beschreef hij zich zelf als een Calvinist, calbo y calbanista, waarvan de woordspeling in onze taal niet kan worden weergegeven.

SLOT.

De beschrijvingen van het uiterlijk van den Prins van Oranje stemmen tamelijk wel overeen. Niet aldus het oordeel over zijn karakter. Zelfs is bijna geen historisch persoon van beteekenis zoo verschillend beschreven als hij. Door zijn vijanden werd hij gehaat, door vroegere geschiedschrijvers uitbundig geprezen of belasterd en weinig door zijn warmste aanhangers begrepen. Volgens mijne meening zat er in zijn jeugd meer in hem dan hij zelf wist en kwam de werkelijke waarde van zijn karakter eerst langzaam te voorschijn. Misschien is het goed voor een man, een onbezorgde jeugd zonder veel verantwoordelijkheid te hebben. In een zekeren zin had hij die nooit. Zijn later gebrek aan spontaneïteit, het berekenend element van zijn karakter, zoo onaantrekkelijk bij een jongen man, waren zeker het gevolg van zijne vroegtijdige verantwoordelijkheid. Hij dacht voor hij handelde en bij zijn handelingen werd hij door verreikende beweegredenen geleid; politiek was de voornaamste bron van al zijne daden. Langs politieken weg ontwikkelde zich zijn edele gezindheid.

Over het geheel genomen was Oranje in zijn latere jaren een beter man dan hij beloofde te zijn in de dagen, toen hij het troetelkind der fortuin aan het hof van Karel V was, toen het lot hem vriendelijk tegenlachte en zijn pad gemakkelijk scheen. In die dagen was hij wereldsch en eerzuchtig, zeer gewillig om zijn levensboot te sturen overeenkomstig de winden, die uit het Zuid-Westen van het hof van Spanje waaiden, wanneer daarvan voordeel voor zich of zijn familie te wachten was. Want persoonlijke eerzucht was het niet alleen. De Nassau's hadden een groot familiezwak en waren zeer aan elkander gehecht; de hartelijkste gevoelens heerschten onder hen, gelijk elke brief van moeder en zoons, van broeder aan broeder ons bewijzen kan.

Theologische begrippen bekommerden den Prins op vroegen leeftijd allerminst. Hoewel opgevoed in Luthersche denkbeelden, voegde hij zich geheel naar de praktijk van den hofkring, waarin hij zich bewoog. Om waarneming van godsdienstige gebruiken gaf hij niet veel. In zijn huwelijk met Anna van Saksen kwam de plooiende aard van zijn karakter sterk uit. Tusschen de zandbanken van het ultra-katholicisme eenerzijds en de klippen van het Protestantisme aan den anderen kant zeilde hij heen, en hij bereikte zijn doel; het huwelijk werd evenmin door den meest katholieken koning veroordeeld, als dat het door Anna's ultra-Lutherschen grootvader werd tegengehouden. Wat hij onder die omstandigheden kon doen, dat deed hij en bewees zijne onafhankelijkheid, zoover die toen in zijn vermogen lag. Doch het moet erkend worden, dat er zich in dat tijdvak in den jongen Prins geen heldennatuur openbaarde. Hij miste warmte en er smeulde in hem niet die levenwekkende vonk, die in staat is een vuur van sympathie te ontsteken.

Of hij op het ontvangen der merkwaardige vertrouwelijke mededeeling van Hendrik II in het bosch van Vincennes, onmiddellijk besloot, zich aan de levenstaak te wijden, om godsdienstvervolging tegen te gaan, mag betwijfeld worden. Maar zeker begon er in dat jaar 1559 in de Nederlanden een haat te ontstaan tegen de vreemde overheersching; en ook de houding van Oranje veranderde tegenover dien souverein, voor wien hij als jong officier met het grootste geduld, in 't aangezicht van den vijand, de forten Philippeville en Charlemont had gebouwd. De verantwoordelijkheid, die op hem als medelid der regeering rustte, begon in dat jaar mee te tellen.

Zeker had de Prins toen nog niet den werkelijken geest van verdraagzaamheid, die hem in later tijd kenmerkte, maar hij gevoelde er afkeer van, een waardig volk slecht behandeld te zien. Toen Granvelle steeds onbeschaamder optrad, toen de scheidsmuur tusschen vreemdelingen en inboorlingen steeds hooger werd opgetrokken, toen de inquisitie als een roofvogel, niets dan kwaads voorspellende, zich vertoonde en zich boven het vredelievende, handeldrijvende en nijvere land nederzette, toen begon hij naar middelen uit te zien, om dien vogel uit zijn nest te verjagen. Het was niet, omdat hij de leerstellingen van het hervormd geloof was toegedaan, dat hij de poging haatte, om de vrijheid van het volk te onderdrukken, maar het was, omdat hij begon in te zien, dat het volk rechten had en dat een natie niet kon bestaan zonder het vermogen om adem te halen.

De jaren tusschen 1563 en 1567 zijn zeer belangrijk voor de ontwikkeling van 's Prinsen karakter. De brieven gewisseld tusschen Graaf Lodewijk en verschillende menschen in Duitschland, bewijzen duidelijk, hoe lang de weerstand tegen de tirannieke maatregelen werd voorbereid. Toch ging Oranje gedurende dat tijdvak standvastig voort, met zijn plicht te doen als stadhouder van den afwezigen koning en als vriend en raadgever van de regentes. Er is in dien tijd een zekere tegenstrijdigheid en onvereenigbaarheid tusschen zijn gemeenzame woorden en zijn uitingen van trouw aan den koning. Toch was hij reeds toen in zijn oordeelvellingen over Filips vrij en onbeschroomd, zoowel in brieven, die door hem in vereeniging met Egmond en Hoorne werden geschreven als in zijn eigen brieven, waarin hij duidelijk aan Filips te kennen gaf, dat zijn regeeringsmanieren niets goeds zouden uitwerken in een land, door den vrijen noordenwind bestreken, onder een volk, welks wereldhandel het reeds tot zelfstandig denken had opgevoed.

Hij gaf zich geen rekenschap van al het voor en tegen, dat in zijn geest opkwam en zoo waren gedurende die jaren enkele zijner daden verre van idealistisch; doch terwijl 's konings zegels hem nog waren toevertrouwd, deed hij ongetwijfeld zijn best, om den wil van Filips te volvoeren, al weigerde hij ook tot een zekere grens zijne gehoorzaamheid. Het keerpunt in zijn loopbaan was zijn vertrek uit de Nederlanden. De geheele toekomst zag hij niet--welk mensch kan dat? Langzaam ging hij voort van punt tot punt en langen tijd liet hij een weg open, om zich met den vorst te verzoenen, tegen wien hij het zwaard had opgenomen.

Lang voor hij den katholieken koning afzwoer, verbrak hij de trouw aan de katholieke kerk. Na dien stap veranderden wel zijne godsdienstige uitingen, maar daarom was hij nog niet een godsdienstig man geworden in den zin, dat voor hem een godsdienstige overtuiging zijn steun en gids zou zijn, gelijk het dat wel was voor tallooze kleine luiden in de Nederlandsche gewesten, die zoowel in de oude kerk als onder het nieuw geloof vol blijmoedigheid vervolging verdroegen; of gelijk het dat was voor zijn moeder Juliana. Deze gevoelde, dat God alles bestuurde, dat Hij met alles een doel had, en dat elke aardsche gebeurtenis voor het bestwil der menschen plaats had, al kon men niet altijd begrijpen, waarom alles aldus geschiedde. Oranje hoopte, dat de hoogere machten met hem zouden zijn, maar hij geloofde in de noodzakelijkheid der menschelijke waakzaamheid. De overtuiging, dat er een dieperliggend geestelijk doel in Gods bestuur lag, ontstond zeer langzaam in zijn ziel. Hij geloofde in God en godsdienst en ook in uitwendigen eeredienst, maar hij gevoelde ook de tegenstrijdigheid van het aandringen op gelijkvormigheid van godsdienstige gebruiken; dit laatste was echter niet zijn vroegere meening.

Nog minder theologisch dan ritueel was hij in die bij uitstek theologische eeuw. Hooft vertelt, dat hij, voor hij de Nederlanden in 1567 verliet, Lutherschen, Calvinisten en Anabaptisten opwekte, om tot een overeenkomst in geloof te komen, waaraan ze zich allen zouden kunnen houden. "Het geschil is te kleen, om dierhalve gesplijt te blijven." "Laat toch die kleine verschilpunten u niet verdeelen," zoo sprak hij. Voor hem waren de verschilpunten zeer klein en onwezenlijk; wat hij wenschte was, dat elk mensch datgene kon verkrijgen, wat hem het eene noodige scheen.

In 1580 was Utrecht in hevige beroering door de prediking van Huibert Duifhuis. Toen trof het geval, dat de Prins een Zondag in de stad was en naar den dienst in de Jacobskerk ging, waar Duifhuis predikte. Dit ergerde velen en men vroeg hem, of hij daardoor wilde toonen, dat hij het met dien prediker eens was. "O neen"--hernam hij--"ik wilde alleen daarheen gaan, waar het best gepreekt werd en toen bracht men mij hier. Ik wist van den strijd niets. Het was een zeer goede preek, doch een volgenden keer zal ik den anderen predikant gaan hooren."

Waar de hervormde partij de bovenhand had, trachtte hij de katholieke kerkgebruiken te beschermen. Vervolging van Anabaptisten stond hij evenmin toe. Dat hooge standpunt werd noch door zijne broeders, noch door St. Aldegonde, die overigens het innigst met hem verbonden waren, ingenomen.

Toch was die verdraagzaamheid geen onverschilligheid en geen gebrek aan godsdienst. Zijn schalksch, maar ondeugend gezegde, toen hij Anna van Saksen huwde, dat Amadis de Gaule de beste lectuur voor een jong meisje was, valt in zijn vroegere dagen. Op lateren leeftijd werd hij ernstiger van levensbeschouwing. Hij kon zich geen staat voorstellen zonder godsdienst als wezenlijk bestanddeel, doch dit moest volgens hem eene individueele zaak zijn. Mocht hij in zijn jeugd den godsdienst alleen om zijn doelmatigheid waardeeren, allengs steeg hij tot hooger en beter opvatting.

De manier, waarop hij als diplomaat tusschen de Staten en de verschillende vreemde landen betrekkingen aanhield, was zeer verschillend van zijn zeilen tusschen de zandbanken in 1561. Ongetwijfeld duldde hij wel oogluikend transacties, die voor een zedelijke rechtbank niet waren te verdedigen.

Het was de eeuw van de staatkunde van Macchiavelli en vele praktijken werden toen voor wettige staatkundige middelen gehouden, die, zooals Motley terecht opmerkt, door moderne staatslieden zouden worden veroordeeld, ook al worden ze nog wel toegepast.

De school, waarin Oranje werd opgevoed, de hoven van Karel V, ook zijn zuster en zijn kinderen gaven hem vele middelen aan de hand, die hij met een goed oogmerk tegen zijn vijanden gebruikte. Van modern standpunt kon het niet als rechtmatig beschouwd worden, bijzondere dienaren van andere menschen om te koopen, teneinde achter de geheimen van dezen te komen. Dat is jarenlang door den Prins gedaan en daardoor was hij geheel op de hoogte van Filips' gedachten. En toch waag ik het te zeggen, dat Oranje een veel hooger zedelijken standaard had. Als we zijn daden wegen op de schaal der toenmalige moraliteit en hem vergelijken met zijn tijdgenooten en gelijken als Elisabeth, Filips, Matthias, Johan Casimir, Catharina en haar zoons, dan moet worden erkend, dat zijne zedelijke daden zich uit hem zelf ontwikkelden en niet de gave waren van de eeuw, waarin hij leefde.

De overdaad en eerzucht van zijn jeugd verdween voor de alles beheerschende aandrift van het eene denkbeeld, dat hem later bezielde. Elke penning, die hij bezat, elk voorwerp van waarde, dat zijn eigendom was, werd in de algemeene schatkist geworpen. De jaren van zijn onthouding en zorgen vormen een scherp contrast met den tijd, toen hij de meest fantastische maaltijden gaf, waarop zelfs de tafelkleeden van suiker waren. De tijd zou komen, dat hij er om moest denken, welk pak kleeren hersteld moest worden en dat hij, die open tafel had gehouden en de kwistigste gastvrijheid had getoond, de zuinigste berekeningen moest maken, om nog een klein geschenk te kunnen geven en te overleggen, welk tafelservies van waarde kon worden uitgespaard. Zeker later gaven de Staten-Generaal hem verschillende geschenken; maar de sommen daarvoor noodig, waren op verre na niet gelijk aan hetgeen hij had uitgegeven. Het bedrag aan graaf Jan alleen verschuldigd, bedroeg in het jaar 1594 nog 1.400.000 fl.

Zijne vijanden hebben tot heden niet opgehouden, hem van eerzucht te beschuldigen. Die beschuldiging is zoo onwaar, dat juist het gemis van die eerzucht tot schade is geweest van de algemeene zaak, toen er in het land een vast standpunt gewonnen was. Had Oranje even sterk geloofd in de onafhankelijkheid van de Nederlanden, als hij geloofde in haar eenheid; had hij zelf ook in naam willen zijn, wat hij in de daad was, het hoofd der regeering, dan zou er eenige jaren vroeger een grondwettig bestuur gevestigd zijn. Oorspronkelijk ontbrak het den Prins waarlijk niet aan ambitie, getuige zijn zucht in Granvelle's tijd, om Ruwaard van Brabant te worden. Toen echter Holland en Zeeland hem later tot graaf wilden verheffen, berustte hij slechts met tegenzin in dien wensch. Waarschijnlijk kwam de beschuldiging van eerzucht hem meermalen ter oore en was dat een der redenen waarom hij zich zelf niet op den hem toekomenden voorgrond plaatste, maar allerlei vreemde, inzonderheid Fransche beschermers voor de gewesten zocht. Al de betrekkingen, die hij bekleedde, waren tijdelijk en ad interim; hij zelf maakte die bepalingen. Kortom, zijn belangeloosheid en onbaatzuchtigheid worden door alles duidelijk bewezen.

In zijn bizonder leven was de Prins geliefd en geacht door zijne familie, al bestond er ook een meer gemeenzame verhouding tusschen zijn dochters en hun vaderlijken oom Jan van Nassau, bij wien ze hun jonge jaren hadden doorgebracht. De namen van de twaalf kinderen van den Prins spiegelen de verschillende phasen van zijn loopbaan af. Filips Willem ontving zijn naam van den man, die in 1554 de rijzende zon kon worden genaamd. Ondertusschen hield deze peetvader hem jaren lang in Spaansche gevangenschap en gaf hem een Spaansche opvoeding.

Maria, de koningin van Hongarije, de landvoogdes, onder wie Oranje zijne eerste wapenfeiten verrichtte, werd door hem vereerd bij de naamgeving zijner dochter Maria. Anna van Saksen wilde haar kinderen: Anna en Maurits naar zich zelf en naar den grooten keurvorst noemen en Oranje bestreed dien wensch niet. De oudste dochter van Charlotte van Bourbon heette Juliana, naar Oranje's moeder. De tweede ontving haar naam van koningin Elisabeth in de dagen, dat men hoopte, dat Engeland de arme Nederlanden zou ondersteunen. Catharina Belgica, Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana ontvingen hare Zuid-Nederlandsche namen in den tijd, dat de Prins nog hoop had op een vereeniging van Noord en Zuid. Zijn twaalfde kind werd geboren in een tijd, toen er een donkere wolk hing over Oranje's verhouding tot het huis van Valois. De gelegenheid werd aangegrepen om te toonen, dat hij wel Fransche protectie, maar geen katholieke bescherming wilde. Daarom werden de koning van Denemarken en de koning van Navarre, de latere Hendrik IV, de peetvaders van Frederik Hendrik.

Wat door zijn geheele briefwisseling heenstraalt, is niet zijn onafhankelijkheid en zijn zelfvertrouwen, maar veeleer zijn behoefte aan sympathie van de zijde dier menschen, op wier oordeel hij uit eenig oogpunt vertrouwen stelde. Zijne scherpzinnigheid wordt door vriend en vijand erkend. Terwijl hij wonderlijk bij de hand was, om de middelen te gebruiken, die hij had, om zich te voegen naar de actueele omstandigheden, waarin hij verkeerde, in plaats van zijn weg door theorieën en hypothesen af te bakenen, toonde hij een merkwaardige vasthoudendheid om bij zijn doel te volharden, ook al werkten de omstandigheden niet mee en een buitengewone bekwaamheid om kalm te blijven, als alles tegen hem was. Donkere wolken trokken over zijn hoofd; onbewogen bleef hij onder het gemor en de ontevredenheid zijner minderen, onder den nijd en de jaloezie zijner gelijken, onder den haat en de vervolging van den kant zijner meerderen.

Algemeen is het getuigenis, dat zijn manieren levendig en bekoorlijk waren en dat hij daardoor vele vrienden won. Vooral aan tafel ontspande hij zich gaarne door aangename gezelligheid en dan wierp hij voor een uur den last van zijn arbeid van zich af en hij vermaakte zich zoo met scherts en luim, dat het scheen, alsof hij door geen enkele zwarigheid werd gedrukt. "Sommige wijsneuzen," zegt Hooft, "ergerden zich daaraan, niet bemerkende, dat hij den kommer menigmalen met nagebootste blijdschap bedekte. Om geen afkeer van 't gebruik des landaards te toonen, dronk hij somtijds wel een duitschen dronk, maar zijn wezen bleef tot het laatste toe hetzelfde en zijn verstand was op zijn stel. In latere jaren was de dischvreugd schier zijn eenige ontspanning; in spelen, rijden en jagen had hij geen lust meer. De overige uren bracht hij door met blokken en zorgen." Hoe onvermoeid zijn ijver was, is genoegzaam door ons aangetoond. Er waren weinig menschen in dien tijd, toen er zooveel geschreven werd, die zoo onvermoeid waren in dat deel der staatkunde als Willem van Oranje en Filips van Spanje.

Een der meest gewone lasteringen omtrent 's Prinsen karakter is de beschuldiging van vreesachtigheid geweest. Die wordt zoo vaak herhaald, dat het mogelijk is, dat hij van temperament niet zoo moedig geweest is als een soldaat voegt, doch des te meer eere dan, dat hij een natuurlijke neiging zoozeer heeft overwonnen. Want voor gevaren deinsde hij waarlijk niet terug. Onder de oogen van den vijand bouwde hij reeds in zijn eerste krijgsjaren forten. In de veldtochten van 1568 en 1572 spaarde hij zich zelf niet. Hij ging kort na de belegering naar Leiden, toen de pest daar nog met al haar verschrikkingen heerschte en gedurende de laatste jaren van zijn leven vervolgde hij onverschrokken zijn weg, al wist hij ook dat er moordenaars achter de gordijnen konden verscholen zijn. Er wordt niet gemeld, dat hij eenige bijzondere voorbehoedmiddelen tegen dat gevaar nam. Wel was hem een buitengewone lijfwacht geschonken, maar die was niet voortdurend tot zijn bescherming aanwezig; ook droeg hij geen maliënkolder. Zijn vrouw moest hem vragen, in Brussel 's avonds niet uit eten te gaan, en de moordenaar Gérard was verbaasd, dat hij op zijn slaapkamer, terwijl hij te bed lag, bij hem werd toegelaten; zoowel die vrouwelijke voorzorg, als die verloren gelegenheid van den moordenaar, bewijzen wel, dat de Prins niet voortdurend om zijn eigen veiligheid dacht, gelijk een lafhartig mensch gedaan zou hebben.