Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 52

Chapter 523,897 wordsPublic domain

Ook in Duitschland ontbrak het niet aan belasteraars van Oranje; er waren er daar, die zich zelfs niet ontzagen, aan zijn geweten en eer te raken. "Wie is de man," zoo roept de Prins hun tegen, "ergens in de wereld zoo stoutmoedig, dat hij durft raken aan het geweten van een ander?" En wat zijn eer aangaat, zijn broeder Jan weet beter dan iemand anders, wat hij heeft gearbeid, geleden en verloren, om den nieuwen godsdienst te steunen en te handhaven.

Al weet de Prins ook, dat graaf Jan zelfs de voordeelen tegen Frankrijk deelt, hij doet een beroep op zijn goeden raad ter verdediging van de goede zaak. "Als God mij die gunst bewijst, dan ben ik besloten mijne dagen te eindigen, zonder ooit met den Spanjaard in overeenkomst te treden, want we weten dat daarvan de ondergang der kerken van dit land, een algemeene tirannie van alle onderdanen en de verwoesting van ons geheele huis het gevolg zal zijn."

De Prins wil standhouden, geen gevaren schuwen en zich evenmin schuldig maken aan een ellendige desertie. Tegenover den moord van den Bartholomeusnacht plaatst hij den moord der arme Mooren. Spanje is nog oneindig meer te vreezen en al zal men ook tegenover Frankrijk op zijn hoede moeten zijn, al dreigt van beide kanten gevaar, toch gelooft de Prins, dat, als men over een der beide planken moet gaan, iedereen de breedste en sterkste kiezen zal. Hij verklaart voor zich, vast besloten te zijn, tot het uiterste deze landen, den godsdienst en de vrijheid te verdedigen en hoopt, dat God hem daarin ter zijde zal staan.

In een postscriptum van dien brief zegt Oranje nog dit:

"Mijn broeder, deze letteren waren een week geleden geschreven. Sedert zijn wij zeker ingelicht, dat men te Gent met den Prins van Parma onderhandelt, om onze zijde te verlaten en ook in eenige andere (steden) in Vlaanderen. Dat zijn nu de vruchten, die ik altijd gezien heb van dergelijke raadgevingen. Ik zou wel willen, dat uw theologanten mij eens duidelijk maakten, met welk geweten die van Gent en hunsgelijken de broeders zoo kunnen verlaten.... Zelfs vertelt men mij, dat Dathenus mede den raad heeft gegeven, om over zulk een eervolle capitulatie te onderhandelen...."

Had de Prins ongelijk, om zoo te oordeelen, nu de heftigste Calvinisten zich weer in de armen van Spanje wierpen! Welk een tegenstelling! Zij waren eenvoudig onwillig zijn raad te volgen. Zelfs Hembyze was tot den vijand overgeloopen. Teruggekeerd uit Duitschland was hij weer dezelfde demagoog van vroeger gebleven en zou de stad aan Parma hebben overgeleverd, zoo dit niet voorloopig door zijn gevangenneming was belet. Ondertusschen gingen Yperen en Brugge in Parma's handen over.

Aan de wedererkenning van Anjou als landsheer bleef derhalve Oranje alle hoop op uitkomst vastknoopen. Om den persoon van den hertog, het is voldoende gezegd, was het hem in het minst niet te doen. Het was alleen en uitsluitend Frankrijk, waarop hij in dezen bouwde. Hij wist, hoe Catharina de Medicis en Hendrik III alle moeite hadden gedaan, om aan den jongsten zoon een souvereiniteit te bezorgen. Kon hij hun daarin ter wille zijn, dan was de eene dienst de andere waard, hetgeen, gevoegd bij Frankrijks vroegere houding tegenover Spanje, hem alle hoop gaf, dat langs dien weg het behoud van de Nederlanden nog te bereiken zou zijn.

Inderdaad, als men Oranje's laatste gedachten over den toestand nauwkeurig leest in de brieven aan zijn broeder, dan is hij om zijn zoogenaamde Franschgezindheid niet te veroordeelen. Het is niet de vraag, of de toekomst hem in het gelijk gesteld heeft. Zij bergde gansch andere dingen in haar schoot, dan Oranje kon vermoeden. En wil men de toekomst er bij aanhalen, dan is het gedurende Leicesters verblijf in het land ten duidelijkste bewezen, dat ook de Engelsche hulp, waarop Buys altijd aandrong, niets heeft gegeven. Het is alleen de vraag, of op het gegeven oogenblik in 1583 en 1584 Oranje's politiek niet nog de wijste was, of hij, rekening houdende met den toestand van het oogenblik, anders kon en mocht handelen.

Het is bekend dat alles in duigen viel door den dood van Anjou. Aangetast door een slepende ziekte, zette hij wel zijn onderhandelingen met Oranje en de Staten-Generaal voort, die tot een goed eind schenen te leiden, maar hij stierf te Château-Thierry 10 juni 1584. Met zijn dood hield hij op een probleem te zijn in de Nederlandsche politiek. Persoonlijk werd er niets aan hem verloren; want hij was zwak, verraderlijk, onwaar en schaamteloos. Voor den Prins was die dood in zoover een verlies, als hij het middel zou geweest zijn, om met Fransche hulp Nederland te redden. De poging, om Hendrik III zelf tot souverein te verklaren, mislukte.

Meer dan eens waren we reeds in de gelegenheid op te merken, dat Holland en Zeeland de souvereiniteit alleen aan den Prins wilden geven. Die gewesten hadden voortdurend hunne zelfstandigheid voorbehouden. De Unie van Delft had ze vereenigd en de Pacificatie van Gent had hen geheel zelfstandig gelaten. De Unie van Utrecht hadden ze wel geteekend, maar meer met de bedoeling om in de andere gewesten een ringmuur voor hunne veiligheid te vinden. Doch hoe begeerig ze ook waren op hun eigen onafhankelijk bestaan, ze begrepen toch zeer goed, dat alleen de centrale macht over hen haar steunpunt zou kunnen vinden in een landsheer. Die landsheer mocht niemand anders zijn dan Oranje. Deze echter had, gelijk we hoorden, daarvoor niet veel ooren. Hij wilde Anjou niet krenken; hij keurde de afzonderlijke positie van twee gewesten af, zijn ideaal van een Nederlandschen Staat was veel grooter, veel omvattender, veel verdraagzamer, veel democratischer ook, dan ooit door die scheiding was te bereiken. Toch hield men van de zijde dier gewesten niet op, hem de souvereiniteit aan te bieden, terwijl ze Anjou alleen erkenden als beschermheer van hun bondgenooten. Na den moordaanslag van Jaureguy en de herstelling van den Prins werd er bij vernieuwing door de beide gewesten met kracht op aangedrongen, met het gevolg, dat hij, gelijk we reeds met een enkel woord vermeldden, behoudens nader vast te stellen voorwaarden, uit Brugge op den 14en Aug. 1582 in den volgenden brief het aanbod aannam.

"Wij Willem, Prins van Oranje enz. groeten u. Aangezien de afgevaardigden van Holland en Zeeland verklaard hebben, dat de koning van Spanje zijn rechten als graaf van Holland en Zeeland heeft verbeurd en zij ons hebben verzocht, de graafschappen en de heerschappij over de landen te aanvaarden, om ze met den titel van graaf te besturen, hebben wij dit verzoek dankbaar ingewilligd en nemen in tegenwoordigheid van dezen de graafschappen van Holland en Zeeland aan, om ze tegen den koning van Spanje te beschermen."

Daarop volgden allerlei onderhandelingen over de voorwaarden en toen kwamen er vanzelf weer allerlei bezwaren op het tapijt. De gebeurtenissen te Antwerpen door de Fransche furie hadden den Prins belet, zelf naar Holland te komen; maar die gebeurtenissen waren oorzaak, dat de onderhandelingen met kracht werden voortgezet. Dat de Prins met die aanneming geheel op eigen behoud bedacht was, is onwaar. Uit alles blijkt, dat hij het aanbod meer heeft aangenomen uit nood, dan met lust. In zijn brieven wordt er slechts gewag van gemaakt als van een weinig beteekenende zaak.

Op 5 April 1583 kwamen adel en afgevaardigden van groote en kleine steden tot de definitieve bezegeling van de opdracht, doch ook toen bleven de voorwaarden, waaronder hij als graaf zou worden gehuldigd, nog een struikelblok. Bezwaren van allerlei aard vertraagden de onderhandelingen. Holland wilde niet zonder Zeeland handelen en in Zeeland was Middelburg, beducht voor het markiezaat van den Prins van Veere en Vlissingen, steeds gevoelig voor krenking zijner rechten. Ook in Holland waren enkele steden als Amsterdam, Gouda en den Briel, die uit vrees voor hun privilegiën geen groote gezindheid toonden, om de souvereiniteit aan den Prins te geven.

Bij de stichting der regentenrepubliek in 1588 was er dan ook geen quaestie van souvereiniteit van Oranje. Ook de vereeniging met Utrecht had bezwaren. Wel richtten de Staten van Holland een rondgaanden brief tot die van Utrecht, Friesland, Overijsel, Brabant, Vlaanderen en Gelderland en ook aan de Staten-Generaal op den 10en Mei 1583, waarin zij de redenen uiteenzetten, die hen bewogen tot de aanbieding der souvereiniteit aan den Prins en zij drukten de hoop daarin uit, dat die maatregel de goedkeuring der zuster-gewesten zou wegdragen. Wel verklaarden Utrecht en Zeeland op 15 Nov. 1583, dat zij in hun oude Unie met Holland onder één bestuur wilden blijven, maar daarmede was de zaak er nog niet door. Want het ontwerp van 30 December 1583 moest eerst nog vóór de huldiging aan de goedkeuring der vroedschappen van de steden worden onderworpen, terwijl men hoopte door persoonlijken invloed Amsterdam en Gouda te bewegen, hun verzet te laten varen.

Indien men den inhoud van het merkwaardige stuk, dat den Prins tot Graaf verhief, aandachtig nagaat, dan ziet men er wel den invloed in van denzelfden man, die vier jaar later vooral de schepper is geweest van de constitutie der regentenrepubliek; wij bedoelen van Oldenbarnevelt. Deze was in die dagen pensionaris van Rotterdam en hij was met den landsadvokaat Buys en met François Maelson, de voornaamste leider in de onderhandelingen over de voorwaarden van het graafschap. Zeker werd er aan den Prins souvereiniteit en wel eene absolute in toegekend, maar dit absolute bedoelde de losmaking van alle banden met het rijk; als souverein had hij geen souverein boven zich te erkennen. Doch wanneer men nagaat, waarin de graaf al niet van de Staten afhankelijk zou zijn, dan ziet men in, dat het onbaatzuchtig karakter van den Prins er toe noodig was, om zulk een betrekkelijk afhankelijke positie aan te nemen.

Hij moest en dat was natuurlijk, de privilegiën en de Unie handhaven; maar welk een belemmering! Hij mocht geen nieuwe privilegies geven, geen verdragen sluiten, geen andere plaatsen, steden of heerlijkheden onder zijn bescherming nemen, geen omslag of heffing doen plaats hebben, geen oorlog voeren, geen vrede of bestand sluiten, geen verbonden aangaan, met geen vreemde mogendheden onderhandelen enz. enz. zonder de toestemming der Staten. Allerlei belemmerende bepalingen werden uit de Joyeuse Entrée of uit het tractaat met Anjou overgenomen. Kortom, zijn autoriteit werd veel meer begrensd, dan die was geweest sedert hij in Holland (1572) was gekomen. Bij de Staten was eigenlijk de oppermacht geplaatst en Oranje stemde er in toe, dat dit zoo werd bepaald.

Eenige aanhangers van den Prins te Utrecht verzetten zich tegen die beperkingen; volgens deze was al het voordeel bij de Staten; de burgers waren in 't geheel niet in tel en de Prins zelf meer administrateur met zeer begrensde rechten. In den loop van de lente van 1584 werden die voorwaarden toen nog eens in de steden behandeld, in Juni was men daarmede zoover gereed, dat dertien steden ze hadden geteekend; Gouda zou toestemmen, als Zeeland het deed en Amsterdam eischte, dat ook zijn schutterij en notabele burgers die goedkeurden.

Op den 6en Juli bood de Prins daarop den Staten van Holland eene memorie aan, waarin hij niet zonder groote gevoeligheid uitsprak, dat hun eindeloos talmen met de voorwaarden van het graafschap, dat ze hem hadden aangeboden, voor hem een eerezaak werd. En natuurlijk. Van 1580 af had men niet opgehouden het Oranje aan te bieden en hoewel hij er eerst volstrekt geen lust in had, was hij er eindelijk in 1582 toe besloten, om hun aanbod te aanvaarden. Toen dit echter geschied was, moesten de gewesten en de steden het weer over de voorwaarden eens worden en bleven zelfs enkele plaatsen er afkeerig van. Was dat niet inderdaad beleedigend voor den Prins?

Had hij geen recht, om daarover hoogst ontstemd te zijn en de Staten van Holland voor oogen te houden, dat zijn eigen eer met dat eeuwige talmen was gemoeid? Want wat was het geval? "Ziende een iegelijk, dat die zaak zoo lang aanloopt en wordt opgehouden, zonder daarvan eenige reden te weten, geeft ook ieder daarover zijn oordeel en maken ze daarop hun discoursen en hun vreemde propoosten." Dit vooral bewoog Oranje, den Heeren Staten vriendelijk te verzoeken, een eind aan die zaak te maken, ter wille van zijn eigen eer en reputatie, zoowel als voor het belang van het land. Daarbij geeft de Prins hun nog in bedenking om zijn autoriteit, die zij op allerlei wijze willen besnoeien, toch in enkele meerdere punten te willen erkennen, daar zonder zulk een autoriteit alle wetten en ordonnantiën als een lichaam zijn zonder ziel en men niets met autoriteit kan executeeren zonder hulp van de justitie (welke de hand en de macht is der overheid), die derhalve naar de meening van Oranje aan hem den eed van getrouwheid moet doen, en waarover hij het gebied moet hebben.

Kortom--wij gevoelen, dat de Prins ontstemd was over de manier van handelen van de Staten van Holland. Het was weer hetzelfde oude liedje. Zij konden hem niet missen en ze wilden niet te veel afstaan van hun eigen macht. Van 1574 af had dit telkens tusschen hem en de Staten tot minder aangename verhouding geleid. Meermalen had hij hun aangeboden, hen te verlaten, indien ze dan zoo bevreesd waren voor misbruik van macht. Nu zij hem het graafschap hadden aangeboden (hij zelf had het waarlijk niet gevraagd) moesten ze toch ook begrijpen, dat de centrale macht bij hem moest berusten en dat anders hun aanbod niets beduidde.

Datzelfde uitstellen, dat eeuwig talmen, dat zenden van alle voorstellen van collegie naar collegie, van Staten naar steden en weer van steden naar Staten, het is de groote kranke plek gebleven van de geheele staatsinrichting der Republiek. Die aanmatiging van de regenten der steden, die vrees om een ander eenige meerdere autoriteit te geven, die we hier bij de aanbieding van het graafschap aan den Prins zagen, het heeft twee eeuwen lang de toestanden bedorven en is ook eindelijk de oorzaak geworden van den ondergang van den Staat. Dat die Republiek toch zulk een roemrijke geschiedenis heeft gehad, was waarlijk niet aan haar inrichting, maar aan haar groote mannen te danken. Ongetwijfeld zou aan Prins Willem het graafschap zijn geschonken en zou hij door de grootheid van zijn geest in staat zijn geweest, alle hinderpalen te boven te komen, zoo hij niet slechts veertien dagen na de vermelde memorie werd vermoord.

Hij zou bovenal in Amsterdam een geduchte oppositie gevonden hebben; want daar was het verzet tegen de toekenning van het graafschap aan Oranje, het hevigst geweest. De vader van den geschiedschrijver Hooft, de zeer invloedrijke burgemeester C. Pzn. Hooft, protesteerde in de zitting der vroedschap in de maand Juni heftig tegen die toekenning; hij beweerde niet te kunnen inzien, wat voordeel er gelegen was in de verheffing van den Prins tot graaf. Ook meende hij, dat het niet in overeenstemming met de Unie van Utrecht was, als sommige der bondgenooten een onafhankelijken stap deden. Waarschijnlijk zou echter deze Hooft wel zijn hoofd in den schoot hebben gelegd en zou de tegenstand van Amsterdam wel overwonnen zijn, zoo het lang beraamde plan tot uitvoering had kunnen komen. Enkelen beschouwen de reden van Hooft als de uitdrukking van een algemeene kwade gezindheid tegen den Prins. Dat behoeft geen weerlegging. Amsterdam is hetzelfde weerstrevende Amsterdam gebleven tijdens de Republiek, en Kluit beweert niet ten onrechte, dat, al vond Hooft den titel van graaf voor Oranje ongepast, hij volstrekt niet begeerde om den Prins de macht te ontnemen, die hij reeds vele jaren had uitgeoefend. Nu de dood aan dat alles een eind maakte, kwam de souvereiniteit niet aan een persoon maar aan de Staten en de steden.

In 1584 was de erkenning van den Prins tot souverein niet anders geweest, dan een natuurlijk gevolg van de afzwering van Filips' gezag en van den onwil om Anjou als souverein te erkennen. Het was daarbij ook een openlijke en duidelijke verklaring, dat Holland, Zeeland en Utrecht niet het voornemen hadden, het droevig voorbeeld der Waalsche gewesten te volgen, om zich weer aan het gezag van den koning van Spanje te onderwerpen.

Indien de huldiging van Oranje had plaats gehad voor zijn dood, dan zouden ook zijn opvolgers de souvereiniteit bezeten hebben. Want uitdrukkelijk was reeds bepaald, dat na den dood van den Prins, de Staten van Holland en Zeeland een zijner wettige zonen, dien zij voor die waardigheid het meest geschikt achtten, tot graaf zouden verheffen. Nu die dood plaats had vóór de huldiging, trokken de Staten de souvereiniteit weer aan zich; ze hadden die ook niet geheel weggegeven. De verhouding, waarin Maurits en zijne opvolgers tot de gewesten stonden, had een geheel ander karakter.

Eeuwen zouden nog voorbijgaan, voor en aleer zijn nakomelingschap de vruchten van den arbeid van den Zwijger inoogstte, die zelf nog uit het leven werd weggenomen, voordat hij het loon voor al zijn arbeid en moeite ontving. Het ging hem daarbij, als de meeste groote mannen uit de geschiedenis, die zelven de vruchten van hun strijd niet aanschouwd hebben, maar die daarom ook des te hooger staan in de schatting en de vereering van de nakomelingschap.

HOOFDSTUK XXXIV.

DE PRINS VERMOORD. 1584.

Gedurende de maanden, die sedert den vergeefschen moordaanslag van Jaureguy waren verloopen, werden nog verschillende dergelijke beproefd en was de prijs, op het hoofd van Oranje gesteld, niet vergeten. De samenzwering van Juan de Salcedo en Francesco de Basa werd vermeld. In denzelfden zomer van 1582, ging een zekere Pedro Ordono, een Spanjaard, die in de Nederlanden had gediend en den weg in het land kende, naar Lissabon (toen Spaansch), met het bepaalde doel, Filips te bezoeken en nader met hem de voorwaarden te bespreken, waarop hij dien moord zou voltrekken. Met beide handen werd dit voorstel aangenomen. Don Jean de Idiaquez, Secretaris van Staat, voorzag Ordono van 600 kronen, om de uitgaaf zijner reis te bekostigen en stelde hem tevens een brief aan Parma ter hand. Op zijn reis naar de Nederlanden, schreef Ordono aan Filips, dat hij op 't punt was, van Grevelingen naar Antwerpen te gaan en dat hij die plaats niet zou verlaten, voor het plan was volvoerd. Die bewering kwam in zoover uit, dat hij Antwerpen niet meer verliet, doch de daad bleef onvoltrokken. De samenzwering werd op den 2en Maart 1583 ontdekt en den volgenden dag werd hij onthoofd. "Ik zag hem in de gevangenis," schrijft Le Petit, "maar ik heb nooit iemand zoo kleinmoedig gezien voor zulk een groote onderneming."

Ook wordt verhaald van een koopman uit Vlissingen, een zekeren Hans Hanszoon, die een buskruitverraad tegen den Prins smeedde. Het werd ontdekt en de man ter dood gebracht.

In 1583 vatten vier Spaansche officieren, die om eerekrenking tot Oranje waren overgegaan, het plan op om zich door een bijzonderen dienst in de gunst van den koning te herstellen. Over dit plan schreef Tassis in den breede aan Parma. Alles scheen goed in gang te zijn, toen het plotseling werd opgegeven.

In April 1584 werd een Fransch officier, een zekere Get of Got, door Markies Roubaix, toen te Eeclo in het kamp, gevat. Het was niet de eerste keer, dat kapitein Get in handen van den vijand was gevallen. Bij de laatste gelegenheid had hij zich zwemmende gered. Hij was bevreesd, dat dit feit zwaar zou wegen en dat hij misschien in strenge gevangenschap zou worden gehouden. Daarom deelde hij aan Roubaix mede, dat hij elken dienst, die deze van hem vragen zou, zoo mogelijk, wilde volbrengen. De markies deed hem toen verschillende voorstellen, die Get echter niet aandurfde. Toen vroeg hij hem, of hij den Prins van Oranje niet uit den weg wilde ruimen. Daartoe meende de kapitein in staat te zijn en hij beschouwde vergif als het beste wapen, daar hij den hofmeester van den Prins kende en toegang kon krijgen tot de keuken.

Roubaix geloofde niet aan het succes van dit plan, want, al was hij in de keuken, hij kon niet weten, welke spijs de Prins aan tafel zou kiezen. Maar Get stelde hem gerust. De Prins hield bijzonder veel van een zekere palingsoep, die in een kleinen pot gekookt werd, waarvan de deksel doorboord was, om den stoom te doen ontsnappen. Aan die bijzonderheid bemerkte Roubaix, dat de man goed op de hoogte van de keuken was. Daarop vroeg hij hem, wat hem bewoog tot dat verraad, als hij op zoo goeden voet met den Prins was. Get antwoordde dat de Franschen in Vlaanderen gehaat werden en dat ieder ze verraders noemde. Hij was arm en hij had gehoord, dat de koning van Spanje ieder, die hem verloste van zijn aartsvijand, rijk zou maken. Parma stelde niet veel geloof in de waarheid van Gets beweringen. Hij meende, dat het hem alleen te doen was, om vrij te komen; maar aan Roubaix gaf hij den raad, zijn eigen meening in dezen te volgen. Get werd losgelaten, ging onmiddellijk naar den Prins en beroemde er zich op, dat hij aan alle verleiding, om hem een valsch spel te spelen, weerstand had geboden.

Al deze would-be moordenaars werden gedreven door motieven van eigenbelang, hetzij om Filips' bescherming te winnen, hetzij om hun verloren goeden naam te herstellen, daarbij vooral geprikkeld door 't uitzicht op de geldelijke belooning. Doch geen dezer beweegredenen bleken machtig genoeg, om het plan ten uitvoer te brengen. Anastro had behoefte aan den prijs; doch zijn leven was hem kostbaarder dan geld, terwijl zijn helper zijn voorstel aannam, niet ter wille van het goud, maar omdat hij eerlijk geloofde, dat hij een van God gezegend werk ging verrichten. Alleen een man, beheerscht door een gedachte, die zijn eigen persoonlijkheid geheel in de schaduw stelde, kon moed genoeg hebben, zich zelf aan zulk een gevaarlijke onderneming te wagen. De daad kon alleen voltrokken worden door een fanatiek persoon. Zulk een kwam in 1584 op het tooneel.

Balthasar Gérard was geboren in het jaar 1557 te Wilafans les Ornans, een dorpje in Bourgondië. Hij was het kind van Jean Gérard en een zekere Barbara d'Emskercke, welke laatste van Antwerpen was en misschien uit Holland afkomstig. De geheele familie was met hart en ziel aan het katholiek geloof en aan den koning gehecht. Balthasar was van zijn vroegste jaren af een godsdienstige dweper. Volgens Renon de France toonde hij reeds in zijn jeugd, hoe een denkbeeld zijn geheele ziel in bezit kon nemen. Hij zou op twaalfjarigen leeftijd, toen hij zijn ouders hoorde spreken van het kwaad, door de Nederlandsche Geuzen gesticht, reeds stoutweg verklaard hebben, dat hij den man wilde dooden, die zooveel kwaad had veroorzaakt.

In 1577 was hij in huis bij een zekeren Jean Villaix te Dôle, toen hij van de scheuring in het land na de Pacificatie van Gent en de komst van Don Juan hoorde. Hij beschouwde den Prins van Oranje als het grootste struikelblok om tot de bevrediging te komen en in woede tegen hem ontstoken, nam hij een dolk en slingerde dien met alle macht tegen een deur, onder den uitroep: "Ik wenschte wel, dat die steek het hart van den Prins van Oranje had geraakt."

Een ooggetuige, een zekere Ponthier, berispte hem daarover in allen ernst. Het was zijn zaak niet, vorsten te bedreigen of te dooden, en naar dien raad hoorde hij tijdelijk en liet voorloopig alles over aan het bestuur van God en Zijne Majesteit. Toen hij echter drie jaar later hoorde van het doodvonnis, door den koning in den vorm van den ban over Oranje uitgesproken, en toen de uitvoering van des konings wil scheen te vertragen, verliet hij Bourgondië met het vaste voornemen, het moordplan te volvoeren.