Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 51
Er was gebrek aan centrale macht, aan centraal belang en aan centrale verantwoordelijkheid in de Unie. Elk gewest dacht veel meer om locaal eigenbelang, dan om het algemeen welzijn. Hij kon niet inzien, hoe zij zonder eenige buitenlandsche hulp te zamen één koers zouden blijven houden. Afgunst op elkander was een ernstige hinderpaal voor een algemeene regeering. Daarom was het Oranje's meening, dat Anjou met Frankrijk achter zich, nog de beste en eenige hulp bleef. Zelfs de godsdienstbezwaren achtte Oranje gering. Want hij zag, dat ook elders de Christelijke kerken met souvereinen, die niet van hun geloof waren, verbonden sloten of zich aan hen onderwierpen.
Kortom, er was geen andere weg en dien af te snijden was naar zijn meening het gevaarlijkste. Oranje deinsde er zelfs niet voor terug, zijn eigen populariteit in de waagschaal te stellen en stoorde zich niet aan verdachtmaking, waar hij dit het beste vond, die onderhandelingen tusschen een trouweloos landsheer en zijne onderdanen voort te zetten. Vooral het argument, dat er bij verwerping van Anjou kans bestond op een verbinding van dezen met Parma, woog zeer zwaar. Buitendien kon men thans aan den Franschen prins voorwaarden stellen, waardoor elk nieuw gevaar van zijn kant kon worden voorkomen. En inderdaad hadden die besprekingen, die door den Prins met de hoogste politieke virtuositeit werden geleid, het gevolg, dat men in de maand Maart met Anjou, die nog te Dendermonde was, aan het onderhandelen ging. De toon, dien hij toen aansloeg, was een andere dan de eerste; hij weet toen alles aan een ongelukkig toeval en de insubordinatie van zijn soldaten. Het gevolg was dat er een accoord werd gesloten. Hij zou zich naar Duinkerken terugtrekken, in afwachting van een definitieve schikking zijn leger ontbinden en zich later te Mechelen vestigen; zijn gevangenen te Antwerpen zouden worden bevrijd en hem zou een som van f 90.000 worden uitbetaald.
Anjou schreef daarop op 26en Maart 1583 een briefje aan den Prins uit Dendermonde, waarin hij zijn vreugde te kennen gaf over de gelukte verzoening met de Staten. Hij drukte daarin de verzekering uit, dat er van zijn kant geen fouten meer zouden begaan worden en beval zich in de goede genegenheid van Oranje aan. Ook vroeg hij hulp om zijn heilig en heilzaam werk te kunnen voltooien. Nog slechts drie maanden zou hij echter in het land blijven. Reeds in Juni verliet hij het, wel niet met het voornemen om het voor goed vaarwel te zeggen (want hij bleef nog steeds met den Prins in briefwisseling), doch hij keerde er niet terug.
Parma trok slechts voordeel van al deze beroeringen met Anjou. De omstandigheid, dat zijn moeder in 1581 en 1582 weder als landvoogdes naast hem als legerhoofd had gefungeerd, met welke schikking hij zelf weinig was ingenomen, had zeker medegewerkt tot den niet snelleren voortgang der Spaansche zaak. Hij had in Maart 1582 een beroep op de steden gedaan en zijn agenten waren overal in het geheim werkzaam, doch hij wachtte den loop der gebeurtenissen in Antwerpen af.
Nauwelijks was de aanslag van Anjou tegen de Scheldestad mislukt, of de Spaansche landvoogd herhaalde niet alleen zijn verzoek aan die gewesten, om onder de trouw des konings terug te keeren, maar zoowel door militaire als door diplomatieke manoeuvres trachtte hij dat doel te bereiken. Hij trad zelfs met Anjou in geheime onderhandeling, hetgeen niet voor Oranje verborgen bleef, die daarom des te meer op verzoening met den hertog aandrong. Toen dit laatste in Maart 1583 gelukt was, maakte Parma zich in het voorjaar meester van Duinkerken Nieuwpoort, Dixmuiden en Eindhoven. Ja zelfs te Gent werd er over verzoening met Spanje gesproken, waartoe in 1584 zelfs Hembyze, die er teruggekeerd was, de hand leende. Oranje zond tal van brieven aan de magistraat van Gent en aan verschillende private personen, ten einde dat onheil te keeren en hen trouw te doen blijven aan de generaliteit.
Al deze dingen waren zeer ontmoedigend voor den Prins. Wat hem zeker het meest in die dagen trof, was de houding van zijn zwager Willem van den Berg, echtgenoot zijner tweede zuster Maria van Nassau. Deze had reeds verscheidene malen blijk gegeven van onverschilligheid tegenover zijn schoonbroeder en de algemeene zaak. In 1579 had zijn vrouw hem tegenover haar broeders nog met kracht verdedigd en de beschuldigingen, die tegen hem werden ingebracht, als laster doen voorkomen. Toch werd er later een briefwisseling uit dat jaar tusschen hem en Parma ontdekt.
Toen hij in 1581 in plaats van Jan van Nassau stadhouder van Gelderland werd, geschiedde dit op voorspraak van den Prins, die toen aan de Staten schreef: "Mijn schoonbroeder, die een aanbeveling voor het stadhouderschap wenscht, heeft mij verzekerd van zijn liefde en toewijding aan de rechtvaardige zaak van het vaderland. Ik wenschte alleen, dat hij dit vroeger had bewezen. Doch beter laat dan nooit."
Men kan niet zeggen dat de lofspraak groot was; doch de Gelderschen namen hem aan en een tijdlang schijnt hij te goeder trouw geregeerd te hebben. In 1583 echter kwam er weder eene briefwisseling tusschen hem en Parma aan het licht, die overtuigend bewees, dat van den Berg slechte voornemens koesterde. Hij zou namelijk Zutfen aan Parma overleveren. Toen werd hij op den 15 November met zijn echtgenoote en zijn zonen gevangen genomen en naar den Haag gevoerd. Een jaar bleef hij in Delfshaven gevangen. Toen hij bevrijd was, nam hij onmiddellijk met al zijn zoons dienst onder den koning. Deze treurige geschiedenis in zijn eigen familie vermeerderde natuurlijk Oranje's smart over al den afval niet weinig. Als opvolger van van den Berg werd in Gelderland Adolf, graaf Nieuwenaar, gekozen, die met het oog op hetgeen in Duitschland aanhangig was, voor Gelderland een zeer gewenschte stadhouder bleek.
Slechts een enkel woord over die in Duitschland aanhangige zaak, aangezien ze tot niets heeft geleid en de Prins er ook weinig beteekenis aan hechtte. Bedoeld wordt de overgang van den aartsbisschop van Keulen, Gebhard Truchsesz von Waldburg en de pogingen, die op grond daarvan bovenal Jan van Nassau in dezen tijd in het werk stelde, om eene algemeene beweging aan den Rijn in het leven te roepen, ten einde Spanje van dien kant het hoofd te bieden. Ongelukkig werd Johan Casimir van de Paltz daarbij ingeroepen. Oranje had er al dadelijk niet veel vertrouwen in; te lang had hij van Duitschland enkel tegenwerking ondervonden; de verschijning van Johan Casimir als legerhoofd ontnam hem alle vertrouwen op den goeden loop dier Keulsche zaken, en de uitkomst bevestigde volkomen zijn vrees, want voor het jaar 1583 verstreek, was de geheele beweging op niets uitgeloopen en was de oud-aartsbisschop, die door een goed katholiek was vervangen, genoodzaakt een toevluchtsoord bij den Prins in Delft te zoeken.
Bij den Prins te Delft. Want daarheen was Oranje zelf op den 22en Juli 1583 verhuisd. De verzoening met Anjou had hem in Antwerpen zijn populariteit doen verliezen. Het volk had zijn motieven om Anjou te herstellen in het gezag, dat hij misbruikt had, niet kunnen begrijpen. Vrees voor de Franschen bleef de burgers bekruipen en ze begonnen Oranje zelfs te beleedigen. De kreet werd gehoord: "Verrader, hij is van plan om Antwerpen aan de Franschen over te leveren." Ook zijn leven werd bedreigd; een woedende menigte, die zijn persoon wilde aanvallen, was met moeite tot bedaren te brengen en de overheid vreesde zelfs die aanranders te straffen. Dit gemis van vertrouwen trof den Prins diep; ook beleedigde het hem dat de bedreiging van zijn persoon niet gestraft werd. De Staten-Generaal waren op dat oogenblik te Middelburg vereenigd. Daarheen verhaastte hij toen zijn reis, om kort daarop met zijn gezin het oude St. Agatha-klooster te Delft te betrekken.
HOOFDSTUK XXXII.
HET VIERDE HUWELIJK VAN ORANJE MET LOUISE DE COLIGNY. 1583-1584.
Op den 5en Mei 1582 was Charlotte van Bourbon gestorven als slachtoffer van al hare zorgen voor den herstellenden Prins na den moordaanslag van Jaureguy. Met haar was de moeder van zes jonge meisjes, waarvan het oudste nauwelijks zes jaar telde, in het graf gedaald en tegelijk de stiefmoeder van de andere kinderen van Oranje, die haar allen om strijd evenzeer liefhadden. Deze dood was een zware beproeving voor den man, die zulk een behoefte had aan de zorg eener liefhebbende echtgenoote. Toch schijnt de Prins zich over die beproeving niet veel te hebben uitgelaten; wie hem daarom van onverschilligheid zou willen beschuldigen, vergeet, dat ware droefheid zich meestal verbergt. Ook is het geen bewijs van onverschilligheid omtrent de nagedachtenis van Charlotte van Bourbon, dat Oranje zich een jaar later reeds voor de vierde maal een nieuwe echtgenoote gekozen had. Hoe schijnbaar vreemd ook, niemand zal ontkennen, dat zulk een gezin, met zes jonge kinderen, de zorg eener moeder onmogelijk kon ontberen.
Ook het belang van den wordenden staat eischte, dat hij weder een huwelijk sloot. Zijn oudste zoon Filips Willem was steeds in Spanje gevangen en op diens terugkeer kon in het minst niet gerekend worden. De eenige zoon, die dus de taak van zijn vader kon voortzetten, was Maurits; doch hoe gevaarlijk was het bezit van dien eenigen! Alle andere kinderen waren dochters. Eene nieuwe Prinses van Oranje kon de mannelijke lijn misschien versterken en de vraag bleef dus slechts over, wie te kiezen. Trots de antipathie van het volk tegen de Franschen, schreef zijn staatkunde hem voor, een volksgenoote van zijn vorige echtgenoote te nemen. Hij wilde den band tusschen hem en de Franschen ook door zijn vierde huwelijk versterken, want hij bleef al zijn hoop op Frankrijk vestigen en op hulp van daar. Zag hij misschien in de toekomst reeds Hendrik van Navarre op den troon? Hij zou dien tijd niet beleven, maar onmogelijk is het niet, bij de kinderloosheid van Hendrik III en de zwakke gezondheid van Anjou, dat dit ook door zijn gedachten speelde.
Wie hij dan koos? De admiraal Coligny, het voornaamste slachtoffer van den Bartholomeusnacht, had eene dochter nagelaten, Louise genaamd, die gehuwd was geweest met den Protestantschen edelman Teligny. Ook deze was tegelijk met zijn schoonvader in dien nacht vermoord en zij had dus in hare jeugd de droevigste levenservaringen gehad. Toen was ze toch pas 17 jaren; want ze was geboren in 1555 en zeven jaar oud, toen de godsdienstoorlogen, waaraan haar vader zulk een groot aandeel had genomen, waren begonnen.
Hare moeder was Charlotte de Laval, eene edele vrouw, door wier invloed vooral Coligny de groote verdediger der Hugenoten is geworden, doch die te vroeg is gestorven, om op Louise een sterken invloed uit te oefenen. Zij was en bleef meer het evenbeeld van haar vader. "Haar innerlijk had ze geërfd van het krachtig en ernstig geslacht der Coligny's. Zij bezat hun meer nadenkend dan hartstochtelijk karakter, was zeer fijngevoelig, rustig, kloek in het handelen en standvastig in tegenspoed."
Na den Bartholomeusnacht en den afschuwelijken moord op haar vader en echtgenoot, schijnt ze gevlucht te zijn eerst naar Savoye, daarna naar Bern, later naar Bazel. Hoe zij aan den algemeenen moord op de Hugenoten is ontkomen, is een raadsel, doch op de genoemde plaatsen treft men haar achtereenvolgens aan. In Bazel was zij omringd door familieleden, hare broeders en hare tante Anna de Salm. Het vredesedict van 1576 opende haar de mogelijkheid, naar Frankrijk terug te keeren; daar woonde zij toen vijf jaar op het adellijk landgoed van Lierville en bezocht van daar zelfs het hof te Parijs, waar haar verschijning door Brantôme met gloed wordt beschreven. Want terwijl men verwachtte eene puriteinsche te zien in stemmig gewaad, verscheen daar eene jonge vrouw, vol gratie, met schoone oogen, spiegels eener reine ziel, een levendige, frissche gelaatskleur en bevallige, zedige manieren.
Willem van Oranje, de geestverwant van haar vader, deed toen bij deze hoog beschaafde vrouw zijn huwelijksaanzoek. Hij kende haar persoonlijk niet, maar ging daarbij af op den indruk, dien zij op het Fransche hof had gemaakt. Louise's familie bovenal was door dat aanzoek zeer gestreeld. Het was voor de Châtillons een eer, zich te verbinden met een man, die de luister van de Nassau's was en daarbij kon de zaak van het Protestantisme en het verbond tusschen Geuzen en Hugenoten slechts bevorderd worden door een huwelijk tusschen Oranje en eene dochter van Coligny. Mocht dan ook de weduwe Teligny eerst nog bezwaren gehad hebben, zij bezweek voor den aandrang der haren en in April 1583 ging de achtentwintigjarige naar Antwerpen, om aan de zijde van den vijftiger haar leven te vervolgen.
Indien ze van te voren geweten had, aan welke beleedigingen zij om haar Fransche nationaliteit in Antwerpen zou hebben blootgestaan, waarschijnlijk zou ze dan die stad althans hebben ontweken. Want slechts drie maanden kon de Prins het daar met haar uithouden. Het waren toen juist de gespannen dagen van de verzoening met Anjou, doorgedreven, omdat Oranje geen anderen uitweg zag. Maar het volk, dat zijne beweegredenen niet kon doorzien, was zeer op hem gebeten. Zijne nieuwe echtgenoote moest dit dubbel ontgelden. Niet alleen werd zij bij haar aankomst zeer koel ontvangen, maar zelfs op straat stond zij aan de beleedigingen van het woedende volk bloot. Langen tijd is die onheusche bejegening bij Louise in bittere herinnering gebleven. Ze moesten zelfs, tot in hunne woning bedreigd, voor de woede van het volk de stad verlaten en toen namen ze hun toevlucht tot Delft. De reis daarheen schijnt alles behalve aangenaam en gemakkelijk geweest te zijn; althans de Fransche Memoirenschrijver Aubérie de Maurier verhaalt, dat zijn vader hem eens verteld had, dat Louise de Coligny zeer verbaasd was over het verschil tusschen Fransche en Hollandsche gewoonten. In plaats van in een koets werd ze in een open wagen gezet met een plank er in, om op te zitten. Op den korten afstand tusschen Rotterdam en Delft was zij in dat voertuig bijna geradbraakt.
We weten, hoe kort zij de levensgezellin van den Prins is geweest, daar hij een jaar later werd vermoord. Doch dat eene jaar is voldoende geweest, om haar te vormen tot die edele moeder en stiefmoeder, waarvan de geschiedenis de weerga niet kent. Indien het ons vergund is, een gevolgtrekking uit haar latere toewijding aan Oranje's kinderen te maken, dan moeten wel in dat eene levensjaar van den Prins, dat zij samen sleten, tusschen hem en haar de innigste banden geknoopt zijn. Daardoor alleen kon zij haar geheele verdere leven in den dienst zijner kinderen besteden.
Louise de Coligny was eene waardige opvolgster van Charlotte van Bourbon. Ook zij toonde gehechtheid aan het huiselijk leven met al zijn zware plichten. Het was voor haar een genot, zich aan de kinderen uit de vorige huwelijken van den Prins te wijden. Voor hen heeft zij haar leven lang gewaakt en gezorgd; vaak onder de grootste ontberingen heeft ze hen met zooveel liefde onder hare moederlijke bescherming genomen, dat ze daarom alleen in de dankbare nagedachtenis van allen, die Oranje vereeren, moest voortleven.
Haar leven voor de kinderen van den Prins, inzonderheid voor de dochters van Charlotte van Bourbon, kan hier niet worden behandeld. Dit ligt geheel buiten ons terrein. Wat hier echter nog wel een plaats verdient, is de vermelding van de blijde gebeurtenis, dat ze op 28 Februari 1584 het levenslicht schonk aan een zoon, Frederik Hendrik genaamd, onder wiens bestuur de gouden eeuw der republiek een aanvang nam. Die zoon werd aldus genoemd naar de koningen van Denemarken en van Navarre; zijn geboorte verbeterde de stemming van de Hollanders tegenover haar, die eerst om haar Fransche nationaliteit lang niet in aanzien was.
Het laatste levensjaar van den Prins heeft zij tot een der gelukkigste jaren van zijn stormachtig leven gemaakt. De huiselijke deugden van Louise, gepaard aan een opgewekten geest, waren voor den vermoeiden en afgematten strijder een bron van groot genot. Op het oude Prinsenhof te Delft was hem bovenal de stille familiekring zoo welkom. Al rustte hij ook daar nog niet van zijn arbeid, het was met dat vermoeiend heen en weer trekken gedaan, waardoor Charlotte zoo vaak van zijn tegenwoordigheid werd beroofd. In één woord, de Prins vond in het smartvolle verlies van zijn derde vrouw een groote vertroosting in zijn vierde huwelijk. Het heeft gelukkig niet zooals zijn tweede en derde echt de tongen der booze wereld aan het spreken gebracht. Ook zijn familie in Duitschland schijnt zich rustig te hebben neergelegd bij het feit. Aan Jan van Nassau schreef de nieuwe schoonzuster op den 12en Juli 1583 een briefje van dezen korten maar vriendelijken inhoud:
"Ik wil niet nalaten u te verzekeren, hoe vereerd ik mij gevoel, dat God het Monseigneur den Prins in het hart heeft gegeven, mij als zijn levensgezellin aan te nemen; als de grootste gunst van Hem beschouw ik het, dat Hij mij heeft verbonden aan zoovele edele heeren van groote qualiteit, die daarbij ook de vreeze Gods kennen, onder welke gij, Mijnheer, den eersten rang inneemt en waarom dan ook ik mij het eerst geneigd gevoel, u mijn nederige diensten aan te bieden, hopende, dat ik daardoor alles zal kunnen doen, wat u aangenaam is."
Hebben de tijdgenooten het huwelijk van den Prins met een dochter van den admiraal Coligny, blijkbaar aangemerkt als een overwinning van de goede zaak, dit mag ook wel levendig blijven in de herinnering der nakomelingschap, die tot in lengte van dagen zal moeten indachtig zijn, dat niet alleen het huis van Oranje, maar ook de Pruisische dynastie door Frederik Hendrik, den zoon van Louise, in de vrouwelijke linie afstamt van de beide grootste slachtoffers voor het Protestantisme uit de 16e eeuw, van Willem van Oranje en van Gaspar de Coligny.
HOOFDSTUK XXXIII.
ORANJE'S STAATKUNDE GEDURENDE ZIJN LAATSTE LEVENSJAAR. 1583-1584.
Een der eerste daden van de Staten-Generaal, na de komst van den Prins in Holland, was, hem te vragen zich met het centraal bestuur te belasten. Oranje gaf den 6en September daarop in een uitgebreid document antwoord. Hij verzocht hun wel het groote gewicht van die zaak te bedenken en de moeilijkheden, die eraan verbonden waren, vooral omdat verschillende gewesten hun afgevaardigden nog niet naar de vergadering der Staten hadden gezonden. Bleven zij bij hun besluit, dan wilde de Prins een acte hebben, waardoor het hem vrij zou staan zich weder als hoofd ontslagen te rekenen, indien de gewesten zich niet aan de orde wilden onderwerpen. Ook wilde hij den Staten de vrijheid geven een anderen gouverneur te benoemen, indien ze daartoe wilden besluiten; hij zou dan onmiddellijk het gezag in hun handen teruggeven. Met het oog op den langen duur der beraadslagingen over deze belangrijke quaestie verzocht hij hun, een raad voor het land in te stellen.
De Staten-Generaal, die den Prins dat verzoek deden, waren in Middelburg te zamen, maar het was er verre van, dat dit lichaam den geheelen Staat vertegenwoordigde.
Zoo waren de Staten van Brabant tot een klein getal edelen en tot de steden Brussel en Antwerpen gereduceerd, terwijl vele der andere gewesten in het geheel niet of zeer matig vertegenwoordigd waren.
Ondertusschen was de Prins zelf nog geheel verdiept in de quaestie van den opnieuw te erkennen protector en souverein. Het accoord van den 18en Maart te Dendermonde was slechts voorloopig geweest. De onderhandelingen, die op den grond daarvan gevoerd werden, vlotten niet. De hovelingen van Anjou, verbitterd over de mislukking hunner plannen, oefenden een verkeerden invloed op hem uit en de hertog zelf werd ziekelijk. Op 28 Juni 1583 verliet hij het land, onder voorwendsel, dat hij met zijn moeder en broeder moest raadplegen. Des Pruneaux bleef de betrekking levendig houden. In September richtte deze een langen brief tot de Staten, waarin hij vroeg, waarom ze toch niet voortgingen, schikkingen te maken met zijn meester en Anjou schreef in dezelfde maand uit Kamerijk een brief vol klachten aan den Prins, waarin hij zich eveneens over de Staten beklaagde. Nadat hij enkele mededeelingen gedaan had over het aantal troepen, dat hij in 't veld zou kunnen brengen, schreef hij o. a.:
Ik heb echter eindelooze oorzaak om mij over de Staten te beklagen, van welke ik geen enkelen regel schrifts ontvangen heb sinds mijn vertrek uit Duinkerken. Indien ik mij gedroeg als zij, waartoe ik alle recht zou hebben, dan zou alles nog slechter gaan. Maar aan de geheele wereld, wil ik toonen, dat het mijn schuld niet zal zijn, als hun zaken misloopen.
Aan de noodige brutaliteit miste het Anjou niet, want terecht vraagt men zich af, hoe het mogelijk is dat de man van de Fransche furie nog zulk een toon durfde aanslaan.
Op hun standpunt hadden de Staten geen ongelijk, dat ze zijn verbroken trouw niet maar zoo voorkomend beantwoordden. Anjou was echter geheel op de hoogte van hun nood, en Oranje, die dit wel inzag, hield den band levendig, trots alles wat er gebeurd was. In den loop van 1583 en 1584 bleef de toestand werkelijk zeer donker. De brieven in Februari en Maart (1584) door Oranje aan graaf Jan geschreven, geven dien treurigen toestand van het land weer en betoogen tevens de noodzakelijkheid van Fransche hulp. Het zijn merkwaardige brieven die door Prof. Blok, Oranje's "politiek testament" worden genoemd.
Het is daarom van belang, er enkele uittreksels van te geven.
De eerste van Februari is geschreven onder den indruk van den jammerlijken afloop der Keulsche zaken. We zagen, hoe Truchsess had moeten vluchten en hoe Joh. Casimir zijn leger moest ontbinden. Daarbij waren de Papisten en Spaanschgezinden hier in het land nog zeer talrijk. Kwam er geen hulp van buiten, het land zou ongetwijfeld ondergaan. "Toch," schrijft de Prins, "ben ik nog niet geheel ontmoedigd en mijn geestdrift voor de bevordering van den roem van God en het welzijn van het land is door al den tegenspoed niet verminderd. Integendeel kan ik u verzekeren, dat ik niet ophoud iedereen te bemoedigen en vrij en open voortga met spreken over alles wat tot de handhaving van den hervormden godsdienst, van de vrijheid en de welvaart van het land kan dienen."
In de brieven van Maart verdedigt hij tegenover zijn broeder zijn relaties met Frankrijk. Na weder het groot gevaar van den toestand te hebben uiteengezet, vervolgt Oranje aldus: "Indien ik in dezen uitersten nood eenigen goeden raad ontving, dan zou dat zijn hetgeen mijn hart begeert, maar ik zie, dat iedereen wel den raad van anderen weet te berispen, maar niemand mij een beteren geeft. Men zegt, dat ik Frankrijk moet wantrouwen. De gevaren van dien kant zijn mij niet onbekend, misschien ken ik ze beter dan zij, die er van spreken; ze raken mij meer dan iemand anders. Maar, op wien wil men dan dat ik vertrouw? De vorsten van Duitschland zijn zoo dikwijls aangemaand en wij hebben er geen hulp van ontvangen, noch in schijn, noch met woorden, en wanneer wij die kregen, dan zouden wij haar misschien duur moeten boeten om het verschil in confessie. Ziende en wetende, dat zij voor hun oogen hun eigen broeder, die voor hun poorten zulk een rechtvaardige zaak verdedigt, door de papisten met voeten laten vertreden, meen ik, dat men mij toch niet voor zoo dom zal houden, dat men mij met woorden tot in de gracht toe zal kunnen voeren, gelijk men gedaan heeft met het arme volk in Vlaanderen, dat, vertrouwende op zulke woorden, zich thans onder de wreede hand van den Spanjaard bevindt."
Frankrijk de oude vijand van Spanje, blijft daarom zijn eenige hoop, al beweerden de Duitsche godgeleerden ook, dat het was tegen het woord van God, om hulp te verwachten van een katholieke mogendheid. De geschiedenis is toch vol van voorbeelden, dat de regeerders van landen lang niet altijd hetzelfde geloof waren toegedaan als hun volk en dat er vaak allianties gesloten zijn door volken, die in de religiezaken op een ander standpunt stonden.