Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 50

Chapter 503,949 wordsPublic domain

De patiënt was veel meer met de gedachte bezig om toch Anjou tegen elk vermoeden te vrijwaren en hem in zijn gezag te steunen, dan met zich zelf. Doch de minste inspanning was uiterst gevaarlijk. De kogel was in den nek onder het rechteroor gedrongen, was verder iets naar beneden onder het verhemelte den mond doorgegaan en kwam, slechts een tand geraakt hebbende, onder het linkerkakebeen er weer uit. De inbranding hield de bloeding, die noodlottig had kunnen worden, eerst tegen, maar ook nadat de wond was verbonden, bleef er voortdurend gevaar bestaan, dat zij opnieuw ging bloeden, daar het onmogelijk was, het verband op die plaats zeer vast te maken.

"Nooit," zoo schreef Marie aan graaf Jan, "zijn we in grooter vrees geweest, want we dachten zeker, dat onze vader ging sterven. Veertien dagen na het schot had hij zulk een bloeding uit een ader, die slechts onbeduidend geraakt was, dat we alle hoop opgaven. Die bloeding duurde verscheidene dagen. Hij zelf bereidde zich ter dood en ons allen vaarwel zeggende, sprak hij: "Het is met mij gedaan." Gij kunt wel begrijpen hoe wij te moede waren, onzen heer in zulk een lijden te zien, zonder in staat te zijn, hem te helpen. Nooit zal ik dien dag vergeten. Maar als door een wonder is hij behouden. Nu is er in 14 dagen geen bloeding geweest en denken de genees- en heelmeesters, dat hij weer zijn volle gezondheid zal terugkrijgen. Hij moet zich nog doodstil houden en geen woord mag hij meer spreken, dan noodzakelijk is. Dat is ook de reden, waarom Filips (Engel, de secretaris) uw vragen nog niet heeft beantwoord. De geneesheeren verbieden op dit oogenblik mijn vader elke bezigheid. Ik wenschte, dat het mogelijk was dat Uwe Exc. eens kon zien, hoe mijn heer is veranderd en hoe mager hij is geworden. Men ziet werkelijk niets dan vel en beenderen; zijn vleesch zal, hoop ik, terugkomen, als hij begint te eten. Tot nu toe at hij geen spijs; alleen wat geweekt brood en soep; kauwen kan hij niet; maar binnen een dag of twee, hoop ik, zal hem wel toegestaan worden, wat te gebruiken. In de grootste haast.

Uwer Exc. geheel toegewijde dochter tot het eind van mijn leven, M. F. v. N. v. O."

Onvermijdelijk scheen werkelijk de dood, toen het verband openging; het leek onmogelijk het bloeden te doen ophouden, zonder dat de lijder zou stikken. Toen verloor hij meer dan twaalf pond bloed. De geneesheer van Anjou zelf, met name Leonardo Botalli, raadde een eenvoudig, krachtdadig middel aan. Verscheidene personen, elkander afwisselende, moesten zonder ophouden den duim op de wond aan de keel houden. Dit geschiedde nacht en dag gedurende eenigen tijd en inderdaad werd de bloeding gestelpt en ging de wond dicht.

Op 21 April schreef Marie: "Meher begint te eten. Het kauwen gaat moeilijk, maar het schijnt hem goed te smaken." De herstelling, eens begonnen, scheen spoedig te zijn voortgegaan, daar hij op denzelfden dag aan den graaf schreef in antwoord op de vragen van Filips Engel. Dit antwoord was in tamelijk koelen toon, in aanmerking genomen, dat de Prins zoo doodelijk ziek was geweest en aan zijn broeder schreef. Aan Condé zond hij op 25 April een veel warmer briefje. Wij vermoeden, dat Oranje tot de zaken terugkeerende, aan graaf Jan, die hier alles aan zijn beloop had overgelaten, niet veel bijzonders te zeggen had. Op den 2en Mei was de invalide in staat naar de kerk te gaan, om daar God te danken voor zijn behoud.

Even dwaas als het gerucht omtrent Fransch verraad bij dezen eersten moordaanslag, was de zekerheid, die men onder de vijanden aangaande het gelukken van dien aanslag koesterde. Parma was bij de eerste berichten aanstonds gereed, om aan de steden te schrijven en ze op te wekken, nu de Prins dood was, den weg der rebellie te verlaten en terug te keeren tot de wapens van hun koning. Toen hij hoorde dat Oranje slechts was gewond, dacht hij dat dit bericht een list was, om de steden van daden terug te houden. Ook Granvelle geloofde vast en zeker in 's Prinsen dood. Hij schreef nog op 20 Mei:

"Ik beschouw het overlijden van den Prins als zeker. Indien hij niet zooveel geleden had op zijn sterfbed, dan zou ik wel gewenscht hebben dat zijn dood plotseling had plaats gehad. Dan was Alençon (Anjou) en zijn geheele gevolg stellig ook gemassacreerd."

In een anderen brief stelde hij voor, dat de graaf van Buren naar de Nederlanden als landvoogd zou worden gezonden. "Diens Spaansche opvoeding moest trouw aan Filips waarborgen en wegens zijn bloedverwantschap met den Prins zou hij bij het volk aannemelijk zijn."

Toen Granvelle hoorde, dat de Prins nog leefde, was hij zeer teleurgesteld. Op den 2en Juni schreef hij: "Van Fransche zijde hoor ik tot mijn schrik, dat Oranje nog leeft en met Alençon voor een venster gezien is, terwijl hij nog een pleister op een van zijn wangen had. Fortassis spectrum (misschien een spook). Ik kan alleen nog maar hopen, dat hij dood is... Ook heeft men mij verzekerd, dat zijn afvallige non aan pleuris gestorven is. Het zou mooi zijn als ze samen begraven werden."

De kogel van Jaureguy had dus gefaald. Zijn onmiddellijk slachtoffer was gespaard; maar hij kostte het leven van een ander, die den Prins zeer dierbaar was. Charlotte van Bourbon herstelde niet van den schrik op den 18en Maart ondervonden. Haar reeds geknakte gezondheid kon de zorg voor den lijdenden Prins niet verdragen. Toen deze reeds het gevaar te boven was, werd zij door koorts aangetast, waaraan ze, drie dagen nadat de Prins voor het eerst weder ter kerk was geweest, op den 5en Mei bezweek.

Indien Oranje zich staatkundig voordeel van zijn huwelijk met Charlotte van Bourbon had voorgesteld, dan viel dit wel zeer tegen. Het verbond met Frankrijk kwam in 't geheel niet door hare bemoeiingen tot stand en zeker was het verlies van vele Duitsche vrienden het gevolg van dit huwelijk geweest. Uit politiek oogpunt mocht het dan ook een dwaling van Oranje geweest zijn, het huwelijk was er niettemin bijzonder gelukkig om. Van het begin af was Charlotte eene liefhebbende en gelukkige vrouw, die weinig aanspraken had en zeer dankbaar was voor al wat het nieuwe leven haar schonk. Geheel vreemd bleef ze niet aan de staatkunde van haar echtgenoot, al was ze ook geen staatkundige vrouw. In zijn afwezigheid handelde ze meer dan eens als zijn plaatsvervangster. Ze liet zes kleine meisjes onder de zeven jaar achter. De geboorte der eerste drie werd vermeld. In 1579, 1580, 1581 zagen nog achtereenvolgens het levenslicht: Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana.

Uit alles blijkt, dat het leven, door dit gezin van den Prins geleid, op verre na niet weelderig was. Maar Charlotte klaagde niet licht. Haar ongemakkelijke en onvoegzame woningen, haar koude barakken, die zij in alle steden, waar ze zich ophield, moest betrekken, waren niet in staat, haar het goede humeur te doen verliezen; haar wezenlijk geluk vond zij in "onze groote en kleine meisjes," zooals zij die dikwijls in haar brieven noemde.

Haar huwelijksleven was een verrukkelijk contrast met haar jeugd, die zij in het klooster doorbracht, zoowel als de jaren, toen zij geheel afhing van de mildheid van den keurvorst van de Paltz. Zij heeft door dat leven den laster geheel bezworen, die in de dagen van de voltrekking van haar huwelijk op haar werd geworpen; de echte waarde van haar karakter werd later door alle vrienden van den Prins erkend, die vroeger over de onvoorzichtigheid van dien echt een groote ontstemming getoond hadden. Haar schoonbroeder schreef in 1580, dat zij de grootste troost en steun voor den Prins was in zijn moeitevol leven, dank zij haar deugden en verstand. Zij werd ook innig door hem bemind.

Antwerpen toonde haar alle mogelijke eer na haar dood. "Tweeduizend lange mantels," zegt Hooft, "volgden haar lijk naar 't graf op den 19en Mei, maar haar deugden zullen haar in de nagedachtenis onsterfelijk maken, niet alleen in het hart van haar echtgenoot, maar in de harten van allen, die haar kenden."

Na den dood van de moeder der zes jonge meisjes, gaf Marie van Nassau het plan op, naar haar aangenomen vaderland te Dillenburg terug te keeren; zij wijdde zich geheel en al aan de zorg voor haar kleine stiefzusjes. Korten tijd daarna bood Charlotte's vader, de hertog van Montpensier, den Prins aan, om voor een zijner kleindochters te zorgen, hetgeen Willem gaarne aanvaardde, zooals uit den volgenden brief blijkt:

"Monsieur!

Ik heb uw brieven uit Parijs ontvangen en niets kon mij meer aangenaam zijn, dan uw vriendelijkheid. Daar gij het verlangen uitdrukt, een mijner kleine meisjes te hebben, zal ik er voor zorgen, dat mijne boden haar aan U en Uwe vrouw zullen overbrengen. Als God wil, zal ik haar op den 14en van hier zenden, dan kan ze, als weer en wind dienen, vijf dagen later in Calais zijn; ik hoop dat daar een rijtuig zal zijn om haar af te halen. Omtrent mijn andere dochters heb ik nog niets beslist; ik hoop dat gij het goed zult vinden, dat ik er maar een toezend. Gij behoeft mij niet te verzekeren, dat er voor het kind goed gezorgd zal worden."

Van de vernieuwde populariteit, waarin Oranje zich na zijn herstel mocht verheugen, maakte men gebruik een beroep op de verschillende Staten te doen, om den Prins schadeloos te stellen voor de uitgaven, die hij zich ten behoeve van het land had getroost. Dientengevolge werd hem de abdij Afflighem, het graafschap van Aalst en het markiezaat van Bergen gegeven. Ook ontving hij van tijd tot tijd andere in bezit genomen kerkelijke goederen, o.a. het oude klooster te Delft, waar hij later zijn leven eindigde.

Holland inzonderheid wilde zijn dankbaarheid voor zijn behoud toonen. Reeds verscheidene malen hadden de Staten van dat gewest zich afkeerig getoond van een vreemden souverein; het graafschap wilden ze aan Oranje geven. Dit aanbod werd na zijn ziekte herhaald en door den Prins aangenomen in een brief van 14 Augustus uit Brugge. Toch was dit aanbod en het aannemen slechts voorloopig. Eerst na de Fransche furie hadden er officieele onderhandelingen plaats, die slechts door den dood van Oranje werden afgebroken.

Het merkwaardige van de transactie in 1582 was daarin gelegen, dat Holland duidelijk te kennen gaf, vast besloten te zijn, als Staat niets met den nieuwen beschermer te maken te willen hebben en dat de Prins inzag, dat verdere pogingen zijnerzijds, om Anjou tot souverein van Holland te maken, geheel vergeefsch zouden zijn. Ook erkende hij door zijn voorloopige toestemming, dat zijn droomen van een Constitutioneele unie van de Vereenigde Nederlanden als ijdel moesten worden beschouwd.

HOOFDSTUK XXXI.

HET FRANSCHE PROTECTORAAT. 1582-1583.

Gedurende de ziekte van den Prins werd Anjou als het actieve hoofd der regeering beschouwd. Van zijn ziekbed uit trachtte Oranje het gezag van den Franschen Prins te versterken en het volk aan te sporen, den wil van hem te eerbiedigen, dien zij als souverein hadden gekozen. In Juli ontving deze den titel van graaf van Vlaanderen, hertog van Gelderland en Heer van Friesland. Holland bleef natuurlijk op zijn eisch staan, den Prins den titel van graaf te geven en op den 14en Aug. 1582 liet deze zich dan ook bewegen, de grafelijke waardigheid in beginsel te aanvaarden, voorloopig echter nog zeer in 't geheim, ten einde Anjou niet tot argwaan te prikkelen.

Bij gelegenheid van Anjou's aanvaarding van het graafschap over Vlaanderen, welke in Augustus te Gent plaats had, werd de Fransche prins door de Calvinistische bevolking zeer koel ontvangen. Te Brugge schijnt zelfs de koelheid tot haat en tot moordaanslag op Anjou en Oranje beiden geleid te hebben. Volgens Hooft werden een Italiaan met name Basa en een Spanjaard, Salcedo genaamd, ontdekt, terwijl zij uitvoering wilden geven aan de misdaad, beide prinsen te vergiftigen. Zij beleden, dat ze door Parma tot dat plan waren aangezet. Ongelukkig was zelfs de jonge graaf van Egmond, die onlangs tot de Spaansche partij was overgegaan, in dit complot gemengd, om den vriend van zijn vader te vermoorden. Men zegt, dat hij aan Oranje's tusschenkomst zijn leven te danken had, daar het hem gelukt zou zijn door bemiddeling van den Prins naar Frankrijk te ontsnappen.

Aan Anjou werden overvloedige eerbewijzen gegeven en toch gevoelde de Fransche prins zich hier niet thuis. Hij beklaagde zich, dat hij niet naar behooren werd behandeld. Niet alleen toonde men op allerlei wijze zijn antipathie tegen de zeden en gewoonten van de hovelingen van Anjou; niet alleen haatten de Calvinisten zijn katholiek geloof; maar ook vond hij alle belemmeringen en beperkingen der vorstelijke macht in de praktijk zoo onverdragelijk, dat hij zeer spoedig reeds met het denkbeeld omging te trachten die vorstelijke macht, die zooveel voordeden verschafte, te vergrooten. Zelfs de kosten voor zijn hofhouding waren moeilijk op te brengen.

Elisabeth, die nog steeds als bruid van Anjou poseerde en bij wie deze zich over de behandeling beklaagde, schreef o. a. aan Oranje: "Voor een edelman, die zijn land uit medelijden voor de arme Nederlanders heeft verlaten, komt het mij ongepast voor, dat hij zoo slecht betaald wordt en gedwongen is een tweede rol te spelen." Dat was dan ook de grootste grief van Anjou en zijn hovelingen, die zich roem, eer en voordeel van de Nederlanden hadden voorgesteld en die het tegendeel van dat alles daar vonden. De laatsten trachtten dan ook hun heer te overreden, om op de een of andere wijze zijn gezag uit te breiden en zijn macht te vermeerderen. "Neem door middel van een stoutmoedige daad uw rechten; maak u meester van Vlaanderen en Frankrijk zal u steunen."

Die toon klonk aangenaam in Anjou's ooren. Verraad was een familiezwak. Ook zijn moeder, Catharina de Medicis was, gelijk bekend is, daarvan niet afkeerig en steunde de taal dier hovelingen. Zoo besloot Anjou, vertrouwende op krachtdadige hulp uit Frankrijk, zich meester te maken van verschillende Vlaamsche steden. Duinkerken, Dixmuiden, Dendermonde, Brugge, Gent en Vilvoorden zouden, onder voorwendsel dat er oproerige bewegingen moesten worden gedempt, worden genomen. De hertog nam zelf Antwerpen voor zijn rekening. De maarschalk Biron zou met een leger uit Frankrijk Anjou te hulp komen en met hem alles voor den aanslag overleggen. Voor den Prins had het den schijn, alsof dat leger onder Biron samen zou werken met het statenleger, dat op 35.000 man werd geschat, ten einde Parma, die steeds vorderde, uit zijn stellingen te verdrijven.

Oranje werd dus door den aanslag van Januari 1583 verrast. Wel had hij van die ontevredenheid van Anjou en de zijnen gehoord, maar aan de geruchten, die tot hem kwamen, sloeg hij geen geloof en hij vermeed alleen in de laatste dagen omgang met den Franschen prins. Du Plessis-Mornay was met opzet door Anjou verwijderd; deze had den Prins nog voor zijn vertrek gewaarschuwd, maar Oranje meende, dat hij nog wel zooveel invloed op Anjou zou hebben om hem van onberaden stappen terug te houden.

Op den 16en Januari waren er te Burgerhout, vlak bij Antwerpen, eenige duizenden Fransche soldaten verzameld. Een gemaskerd persoon kwam den nacht daaropvolgende in de stad; hij waarschuwde de bewoners tegen de gevaren, die hen bedreigden. In elk geval was er argwaan en vermoeden in de lucht en waren burgers en soldaten niet vrij van vrees. De wacht werd zelfs verdubbeld. De kapitein deelde zijn angst aan Oranje mede, die hem echter verzekerde, dat hij alle vertrouwen had op de eerlijkheid van den protector, hoewel hij de voorzorgsmaatregelen, die genomen werden, niet afkeurde. Zoo weinig geloof hechtte Oranje aan de geruchten, dat hij den burgemeester zelf naar het hertogelijk hoofdkwartier zond, om Anjou te vertellen, wat er van hem in de stad werd gezegd. Heftig protesteerde die trouwe bondgenoot tegen dien laster; hij wilde wel voor Antwerpen sterven, maar de stad krenken nooit; een geheime aanslag op hare vrijheden ging zijn bevatting te boven.

Vroeg in den morgen van den 17en Januari ging Anjou naar Oranje, ten einde hem voor te stellen gezamenlijk eene revue te houden over de voor de stad verzamelde troepen; doch de Prins weigerde, onder voorwendsel van ziekte; hij bleef te huis, in zijn woning bij de citadel, dus iets buiten de stad en verzocht ook Anjou dien dag in de stad te blijven. Tegen den middag ontving Anjou een brief, die hem zeer ontroerde.

Onmiddellijk daarna besteeg hij een paard, reed door de Kipdorppoort de stad uit met ongeveer 200 gewapende volgers. Tegen dezen zou hij, daar buiten gekomen, gezegd hebben: "Ziedaar uw stad, neem ze in bezit!" Volgens een ander berichtgever zou zijn gunsteling Rochepot door middel van een geveinsden val het afgesproken teeken gegeven hebben, waarop hij met de zijnen, gevolgd door het leger, onder den kreet: "Ville gagnée! Tue! Tue! Vive la messe!" de stad zou overrompeld hebben. Het was met recht een overrompeling, want de burgers zaten nog aan den maaltijd. De Franschen, ten getale van 3600 man, drongen door tot de beurs en vingen reeds met plunderen aan. Doch plotseling keerde de kans. Wel waren de burgers onvoorbereid, maar deze schok trof hen allen zóó, dat ze zonder onderscheid van ouderdom, van geloof, van sekse als één man op de Franschen aanvielen met allerlei soort van wapens. Van de daken werden de Franschen met allerlei projectielen zoo heftig bestookt, dat ze de poort weder uitvluchtten, na de helft van de hunnen aan dooden, gewonden en gevangenen te hebben verloren.

Alles was zoo spoedig in zijn werk gegaan, dat Oranje van uit zijn verwijderd kwartier niet eer het tooneel bereikte, dan toen het ergste reeds voorbij was. Men zegt dat zijn eerste woord was: "Schiet niet burgers, het is een misverstand!" Maar als een misverstand kon deze verraderlijke aanval toch moeilijk worden opgevat. Toch hield Oranje die meening blijkbaar vol, getuige zijn volgende pogingen om zich weer met Anjou te verzoenen. De verraderlijke aanval ontving later den naam van Fransche furie, als tegenhanger van de Spaansche furie van het jaar 1576, die Antwerpen verwoestte.

Gelukkig was deze aanslag op de rijke koopstad niet gelukt; evenmin die te Brugge. Doch te Dendermonde, te Dixmuiden en Duinkerken slaagden de Fransche troepen in hun onderneming. Anjou besloot naar Dendermonde te gaan, doch verloor op één tocht daarheen nog een duizend man, tengevolge van een overstrooming van een dijk bij Mechelen, dien men had doorgestoken, om zijn voortgang te verhinderen. Daardoor werd hij eerst verplicht, bij Berchem in de buurt van Vilvoorden te kampeeren en kon pas een paar dagen later naar Dendermonde gaan. Zijn bedoelingen waren duidelijk geweest. Zijn rentmeester, La Fougère, die te Brugge was gevangen genomen, bekende, dat het plan van den hertog was geweest, zich van den persoon van Oranje te verzekeren, de stad te plunderen, den hervormden godsdienst af te schaffen, de staatsregeling, die hij bezworen had, omver te werpen en de renversaalbrieven, waarbij hij Oranje's gezag in Holland, Zeeland en Utrecht erkend had, te vernietigen.

Dit geheele plan was gelukkig in duigen gevallen. Toch verzuimde de hertog geen oogenblik, zijn briefwisseling te heropenen met den man, wiens rivaliteit hij vreesde en met de Staten; deze briefwisseling zoekt tevergeefs haar weerga in stoutmoedige brutaliteit. Zijn eerste brief werd op den namiddag van den 17en geschreven; Oranje moest daaruit verstaan, dat de gebeurtenissen van den dag geheel waren veroorzaakt ten gevolge van de onwaardige behandeling, door hem ondervonden. Ook vroeg hij den Prins te zorgen, dat zijn volk geen leed werd aangedaan. Aan de Staten schreef hij terzelfder tijd een brief, waarin hij alles poogde te verklaren. Hij vroeg daarin, zijn huisraad en kleederen en al wat het eigendom van zijn gevolg was, aan hem toe te zenden, de gevangenen los te laten en proviand voor zijn manschappen. Zelfs beloofde hij, met geheele verdraaiing van de waarheid, dat hij bereid was, te vergeten en te vergeven, al was hij nog zoo slecht behandeld.

Oranje had het volk op straat tot bedaren gebracht; maar aanstonds begreep hij ook, dat hij, zonder de Franschen te veel te verbitteren, het verzet tegen dergelijke aanslagen moest leiden. Had hij echter daarbij toegegeven aan de rechtmatige verontwaardiging der Staten, dan zouden er wellicht uitingen zijn gehoord, die de slimste gevolgen hadden kunnen hebben. Zoo geheel onmogelijk was het dan niet, dat Anjou zich met Parma had vereenigd en dan was alles verloren geweest. Hij trachtte dus de gemoederen te kalmeeren en de Staten te bewegen, opnieuw met Anjou in onderhandeling te treden. Die houding was des te moeilijker, omdat de verontwaardiging over de schandelijke daad van Anjou algemeen was; niet alleen in de Nederlanden, maar ook in Engeland, Duitschland en onder de Hugenoten. De Duitschers, die zoo tegen den Franschen prins hadden gewaarschuwd, en die vooral de hulp van een zoon van Catharina de Medicis voor de zaak der Nederlanden hadden afgekeurd, riepen nu triomfantelijk uit, dat ze dat wel hadden voorspeld.

De landgraaf van Hessen schreef o. a. aan een zijner vrienden, dat hij hoopte, dat men zich niet langer honig om den mond zou laten smeren, want het was nu toch zeker duidelijk genoeg gebleken, dat men zich, door hulp van Anjou aan te nemen, als schapen aan den wolf had overgegeven.

Koningin Elisabeth sloeg wel een anderen toon aan dan de landgraaf; zij vroeg aan Oranje de juiste toedracht omtrent het voorgevallene te mogen vernemen en sprak de hoop uit, dat Anjou door dit nieuwe voorval niet in gevaar zou komen, want er was haar aan "de fortuin van Monsieur" veel gelegen. Aan het slot van haar schrijven zei ze nog even, dat Monsieur meer dan eens geklaagd had over het onrecht en de onwaardigheden, die hij in het land ondervonden had.

Catharina de Medicis, de moeder van Anjou, ging nog een stapje verder; ook zij schreef den Prins en bond hem op 't hart zich niet aan ondankbaarheid tegenover haar zoon schuldig te maken!

Het antwoord van Oranje op de brieven van Elisabeth en Catharina de Medicis was eenvoudig en waardig. Tegenover de laatste bepleitte hij zijn volkomen onschuld en voegde erbij, dat het heilzaam zou geweest zijn als Anjou zijn raad had opgevolgd. Hij laat verder aan moeder en "bruid" over, uit te maken, wie in deze zaak schuldig is en wie niet. Hij blijft zich bovendien in de gunst van den koning aanbevelen, waaruit blijkt dat Oranje, trots het gebeurde, nog alles van Fransche hulp verwachtte.

In de maand Februari vroegen de overheidspersonen in Antwerpen aan Oranje, om beslist zijne meening te kennen te geven over hetgeen gedaan moest worden en daarop gaf de Prins zijn advies. Dit advies, door hem slechts noode gegeven, omdat hij wist, hoeveel malen hij reeds het slachtoffer was geweest van klachten en lasteringen, als God het volk bezoeken wilde, is hoogst merkwaardig, vooral om de zoozeer veroordeelde houding van Oranje tegenover Anjou ook na de Fransche furie. Hij verzoekt daarin allereerst, dat zijn hoorders zich goed zullen te binnen brengen, hoevele malen hij hun gevraagd heeft, of ze middelen hadden, om zich zelf te verdedigen. De geheele onderhandeling met Anjou was van de eerste dagen af gegrond op hunne overtuiging, dat er geen andere weg voor hen openstond. Al had de Fransche prins door zijn gedrag alle overeenkomsten vernietigd, toch waren er nog slechts drie wegen open: Verzoening met Filips, Onafhankelijkheid van elke hulp en bouwen op eigen kracht, of Verzoening met Anjou.

Werkelijk waren er in Antwerpen, die het eerste zouden begeerd hebben. Tot hen sprak de Prins: "Indien gij den Spanjaard wilt, doodt mij dan allereerst." Als toch Antwerpen zijn Evangelischen godsdienst wilde behouden, dan was de terugkeer tot Spanje immers onmogelijk. Verkieslijk was het zeker, alleen van eigen hulpbronnen, van eigen krachten afhankelijk te zijn, doch in het midden van den oorlog, met vijanden aan alle zijden, was die onafhankelijkheid geheel en al onpractisch.