Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 5

Chapter 53,808 wordsPublic domain

Motley, de meesterlijke beschrijver van dezen afstand, noemt dat afscheid met die tranen een verachtelijk comediespel, een stelselmatige vertooning. Volgens dien schrijver waren de belangen der Nederlanders nooit, zelfs niet in de tweede plaats, bij hun gebieder in aanmerking gekomen; hun land was als de schatkamer beschouwd, waaruit Karel putten kon en de door hem afgeperste sommen, werden aan langdurige oorlogen verspild, voor de Nederlanders van even weinig belang, als waren zij op een andere planeet gevoerd. Volgens onze groote geschiedkundigen was men werkelijk in de Nederlanden aan den keizer gehecht. Hij had zeker nooit de beurzen ontzien, maar daartegenover het beste, dat hij aan die gewesten kon geven, de eenheid, aan de Nederlanden geschonken. Met aandoening inderdaad zag men den 55 jarigen man vrijwillig van het wereldtooneel scheiden.

Filips sprak nu eenige woorden; hij betreurde het, de Fransche taal niet voldoende machtig te zijn om zich daarin te uiten en verzocht daarom de aandacht voor den Bisschop van Arras, die zijn tolk zou wezen. Met veel omhaal van woorden deelde hij namens den nieuwen koning mede, dat deze de gift van zijn vader aannam en zijne toewijding aan zijn volk beloofde.

Deze lange rede werd beantwoord met een van gelijke lengte door den Raadsheer Maes van Antwerpen, "een man van groote geleerdheid, welsprekendheid en omslachtigheid tevens". Namens de Staten-Generaal aanvaardde hij den afstand en drukte op buitengemeen wijdloopige wijze hun spijt uit over het vertrek van den ouden souverein.

De regentes Maria van Hongarije, de "Christelijke Weduwe" volgens Erasmus, volgde met een zorgvuldig voorbereide rede, waarbij ze afstand deed van het bestuur, dat zij 23 jaren gevoerd had. De woordenrijke Raadsheer gaf in welgekozen zinnen ten antwoord, dat er in al de gewesten slechts één roep was over haar uitmuntend bestuur.

"Toen deze redevoeringen waren geëindigd, gingen Hunne Majesteiten in dezelfde orde en langs denzelfden weg, dien ze binnengekomen waren, weder heen, evenals de Staten-Generaal, overeenkomstig hun rang."

Zoo eindigde het groote schouwspel van de abdicatie. De formaliteiten voor de verandering der regeering in de verschillende gewesten, die, op zoo verscheiden wijze gekregen, natuurlijk zeer uiteenliepen, volgden in de eerste dagen of weken daarna. De Spaansche kroon en die van Indiën kwam niet aan Filips vóór 16 Januari 1556, terwijl de keizerlijke scepter, die tot groot verdriet van Karel niet aan Filips, maar aan zijn broeder Ferdinand verviel, eerst in Augustus van dat jaar op dezen overging.

Met Karel V verdween een heldenfiguur in Europa en de Nederlandsche gewesten gevoelden een zekeren trots op zijn wapenfeiten, in weerwil van 't vele geld, dat zij voor zijn oorlogen hadden moeten opbrengen. Al had hij slechts weinige van zijn 55 levensjaren op Vlaamschen bodem doorgebracht, het volk bleef zich altijd herinneren, dat hij een Vlaming van geboorte was. Hij sprak hun taal en als hij bij hen vertoefde, dan was hij een hunner.

Hoe geheel anders met Filips. Hij was geheel en al een Spanjaard en is dit ook altijd gebleven. Geen woord Fransch, laat staan Vlaamsch kon hij spreken en in de plaats van de gemeenzaamheid van zijn vader tegenover de noordelijke onderdanen, kwam nu het meesterachtige van Filips.

Met Karels afstand van de regeering eindigt een belangrijk tijdperk van het leven van Willem van Oranje.

Op 11 jarigen leeftijd aan 't hof van den keizer gekomen, had Karel reeds vroeg de waarde van Willems karakter erkend en hem in zijn omgeving een plaats toegewezen.

Onder leiding van Jérome de Granvelle had de knaap een uitstekende opvoeding ontvangen, zoodat, terwijl de Prins van Spanje slechts zijn moedertaal ter beschikking had, de Prins van Oranje o.a. het Fransch, Duitsch en Vlaamsch meester was.

Op 18 jarigen leeftijd had hij zijn eerste militaire benoeming gekregen en nog geen drie jaar later werd hij, met voorbijgaan van vele officieren van naam, reeds tot hoofdcommandant aangewezen.

Toen Karel afstand deed mocht zijn troetelkind niet ontbreken, ja de keizer schreef hem zelfs, die daad niet buiten zijn tegenwoordigheid te willen verrichten!

Tot heden had hij een meester gediend onder wiens vaderlijke en liefderijke zorg de Prins tot een man was opgegroeid, hoe geheel anders zou het voor hem worden, thans de goddelijke superioriteit te erkennen van een man, die slechts iets ouder was dan hij, wiens karakter klein en onbeduidend was en wiens intellectueele talenten zoo schraal mogelijk waren.

Welk een verschil tusschen deze twee mannen! "In plaats van listige achterdocht van Filips toonde Oranje verstandige voorzichtigheid, in plaats van willekeurige hardnekkigheid, krachtige standvastigheid, in stede van vruchteloozen arbeid, onvermoeiden ijver."

HOOFDSTUK III.

DE NIEUWE MEESTER.

Het reisje naar Brussel, ter bijwoning van de abdicatie van den keizer, was voor den Prins niet van langen duur, want hoewel de schitterende kleine hoofdstad vol vroolijkheid was ter eere van de vele vreemdelingen binnen haar wallen vereenigd, mocht Oranje er maar kort van genieten en zien we hem op den 26en October, den dag volgende op dien der plechtigheid, reeds weer bij de in aanbouw zijnde forten terug.

Noch de feesten, noch het verblijf zijner vrouw te Brussel, ten huize van de hertogin van Aerschot, hadden hem weerhouden zijn plicht tegenover den nieuwen souverein te vervullen. Deze had van den aanvang zijner regeering met dezelfde moeielijkheden als zijn vader te kampen; gebrek aan geld, schaarste aan levensmiddelen en tengevolge hiervan ontevredenheid onder de troepen.

Nauwelijks was Filips vier dagen aan het bewind, of de Prins ontving reeds een schrijven, waarin hem spoedige toezending van 12000 kronen werd beloofd, maar de vervulling dier belofte bleef achterwege en de brieven in de herfst van 1555 tusschen hen gewisseld, waren vol klachten van den een, vol beloften en verzekeringen van den ander.

"Wij zijn hier zonder een penning; de soldaten sterven van honger en koude en aan het hof nemen ze niet meer notitie van ons, dan of wij reeds dood waren. Stel u de mate van geduld voor, die ik gedwongen ben uit te oefenen," schreef Oranje aan zijn vrouw, haar tevens meldende, dat hij niet wist, wanneer ze ontbonden zouden worden, want dit kon niet geschieden voor het geld was ontvangen.

In het begin van het nieuwe jaar werden de klachten der soldaten luider en luider en groeiden zóó aan, dat ook Brussel niet onkundig bleef. Hoe omstandig en scherp Willem van Oranje de moeilijkheden ook had beschreven, toch nam Filips pas maatregelen, toen een zekere Hans Bernard, kapitein eener onafhankelijke compagnie, een speciale commissie aan den koning zond om de klachten over te brengen. Nog stuurde hij echter geen geld, maar gaf den soldaten de vergunning het land te verlaten! Tevergeefs poogde de kapitein den koning te doen begrijpen, dat deze maatregel hem zeer zou benadeelen en bovendien den geheelen ondergang van het platte land ten gevolge zou hebben.

De onderhandelingen over den vrede waren reeds maanden gevoerd en hadden ten slotte het gevolg, dat er in Februari 1556 te Vaucelles een wapenstilstand werd gesloten; te Philippeville en op andere plaatsen bleven garnizoenen, maar het overschot der troepen werd betaald en ontbonden.

De Prins van Oranje werd dus ook van zijn moeielijke plichten ontheven en na een verblijf van zes achtereenvolgende maanden, verliet hij op het einde van Januari het kamp. Men kan wel aannemen, dat die treurige tijd er niet toe heeft meegewerkt om Filips bemind te maken bij den Prins, die maar niet kon vinden, dat de schijnbaar welwillende brieven van zijn vorst, krachtige middelen waren om de oorlogskosten te bestrijden.

Filips had zich zeer welwillend tegenover Oranje betoond in deze eerste maanden, want in November van het vorige jaar had hij hem bericht, dat de Prins tot lid van den Raad van State was gekozen, een eer, die door Willem erg koel werd beantwoord en nu, na zijn verblijf in het kamp, reisde hij naar Antwerpen, teneinde aldaar in de Orde van het Gulden Vlies te worden opgenomen.

Deze orde was in 1430 door Filips den Goede bij gelegenheid van zijn huwelijk met Isabella van Portugal gesticht. Ze werd ingesteld als het meest schitterend sieraad en als de hechtste steun der heerschappij van het Bourgondische huis. Door haar wilde men boven den onvervreemdbaren adel van herkomst en geboorte, een nog hoogeren adel stellen, die door den wil des konings zijn zou, wat in Engeland en Frankrijk de pairs der kroon waren. De voorrechten van de ridders van het Gulden Vlies waren vele; hun hoogste privilege was, dat ze alleen door hunne medeleden konden worden gevonnist. Doch ook de plichten waren zeer bindend. Ze moesten trouw zweren aan hun Bourgondischen heer; niet minder trouw aan het katholiek geloof. Vandaar, dat de vader van Willem van Oranje het ridderschap weigerde, gelijk we vroeger zagen, omdat hij den eed om de Kerk getrouw te zijn, niet kon afleggen. De zoon, na zijn komst in de Zuid-Nederlanden in de Katholieke kerk opgevoed, zag in het afleggen van dien eed geen bezwaar; wel een bewijs, hoe die opvoeding alle zaden van het Protestantsch geloof zijner ouders in hem scheen te hebben verstikt en hoe de Prins althans in het jaar 1556 in het minst nog geen voorgevoel had van zijn roeping in zijn aangenomen vaderland.

Tegelijk met hem werden er negentien nieuwe Vliesridders gekozen, waarvan negen Nederlandsche edelen, een feit, dat op een geheel nieuwe richting van bestuur scheen te wijzen en dientengevolge den staatsman Granvelle met angst vervulde. Karel V toch was de vriend der steden geweest. Filips toonde zich van stonde af een vriend der edelen. Hoe weinig de toekomst aan die voorliefde beantwoord heeft, is bekend.

Willem van Oranje was de derde van de 19, die gekozen werd; op den 30en Januari ontving hij de halsketen, het teeken zijner nieuwe waardigheid. Na die plechtigheid ging hij naar Breda, waar hij dien zomer met korte tusschenpoozen bleef.

Het einde van den oorlog was voor de Nederlanden een zeer gelukkige gebeurtenis; overal werden feesten gevierd en niet het minst had de groote handelsstad Antwerpen haar vreugde aan den dag gelegd; geheele ossen werden op de openbare pleinen gebraden en bij het bezoek van Filips stroomde niet alleen de wijn, maar waren de wegen met honderden eerepoorten versierd en strooide men bloemen voor zijn voeten, ofschoon het in Februari was.

Men had nu in de Nederlanden verwacht, dat de koning zou overgaan tot afdanking der troepen, die op kosten van deze gewesten werden onderhouden, maar Filips, die bij de feesten in Antwerpen al zoo onheilspellend somber had gekeken, dacht er niet over dit te doen. Het leger moest op dezelfde sterkte worden gehouden, daar de wapenstilstand wel van korten duur zou wezen en hiertoe was juist geld noodig, vooral, omdat ook de soldij in langen tijd niet was betaald.

Toen de Prins in het legerkamp was, had hij reeds het bittere ongemak van geldgebrek ondervonden tegenover de schuldeischers van den koning, maar nu kwam hij voor nog grooter moeilijkheden te staan, nl. geld van Filips' onderdanen te vragen.

In Maart zou er een vergadering van de Staten-Generaal zijn, waartoe ook Oranje door een eigenhandig schrijven van Filips was opgeroepen.

De Prins haastte zich zijn meester te gehoorzamen en op den 12en had de vergadering plaats, waar ook Egmond, Aremberg, Meghen en andere heeren aanwezig waren.

De koning deed wanhopige pogingen bij die eerste vergadering van de vertegenwoordigers der Nederlandsche gewesten natuurlijk te zijn. Zijn geldgebrek was zeer drukkend, niettegenstaande de edelmoedigheid zijner Engelsche vrouw en hij hoopte de afgevaardigden te overreden, hem voldoende giften te schenken, teneinde zijn ledige schatkist aan te vullen.

Het eigenlijke plan van Filips was een soort gedwongen heffing, een blijvende belasting, maar toen hij zag, dat men dit niet wilde, nam hij genoegen met een gift, die door de Staten-Generaal werd toegestaan.

Nadat dit besluit door de afgevaardigden was genomen, kwam nog het moeilijkste werk, het inzamelen der gelden. Er was vooral in 's Hertogenbosch oppositie tegen en de koning schreef een eigenhandigen brief aan Oranje, waarin hij hem vroeg, daar heen te gaan, teneinde den stadsraad tot rede te brengen. De Prins ging in September met den raadsheer Noppenus naar die stad. Eerst bestond daar bezwaar, een vergadering bijeen te roepen, omdat het college van schepenen moest vernieuwd worden, m. a. w. de wet verzet. Toen er eindelijk een vergadering was samengeroepen, weigerden de twee eerste afdeelingen van den raad voor iedere contributie, welke ook, te stemmen, terwijl de derde goed vond een zeker bedrag te geven, maar onder bepaalde voorwaarden. Uit den langdradigen brief, dien Oranje aan den koning over die zaak schreef, blijkt ten duidelijkste wat de Prins al niet deed om den koning genoegen te doen en toch was hij geheel overtuigd geworden, dat geen onwil, maar slechts onvermogen de Bosschenaren tot verzet bracht en deed hij derhalve met het oog op de armoede der plaats een beroep op de genade des konings. Dit herhaalde hij nog eens op den 7en October in een brief aan den hertog van Savoye, wiens bemiddeling hij inriep ten gunste der inwoners van 's Hertogenbosch. "De armoede der stad is zoo groot, dat het medelijden verwekt, die aan te zien," schreef hij.

Filips was geenszins genegen de stad ter wille te zijn en beval Oranje andere pogingen aan te wenden, om haar tot gehoorzaamheid aan den koning te brengen. Wat het eindresultaat van deze onderhandeling geweest is, komt niet in eenig document, dat bekend is, voor; het geval is alleen merkwaardig in zoover het bewijst, welke eerbiedige pogingen door Oranje werden aangewend, om den wil van zijn souverein te volbrengen, al was ook zijn sympathie voor de volkszaak opgewekt.

De wapenstilstand, die te Vaucelles in Februari 1556 voor vijf jaar was gesloten, duurde nauwelijks tweemaal vijf maanden, want reeds in Januari 1557 heropende Hendrik II, door verleidelijke aanbiedingen van den Paus verlokt, de vijandelijkheden in Italië.

Paulus IV namelijk, Napolitaan van geboorte, haatte de Spanjaarden als overheerschers van Napels en streefde van zijn eerste optreden af naar niets meer, dan naar het verbreken van den vrede tusschen Spanje en Frankrijk, ten einde, geholpen door Hendrik II, Napels aan de macht van Filips te ontrukken.

Hoe onstaatkundig Granvelle dezen oorlog van Filips tegen den Paus ook vond, hij werd verklaard, doch duurde slechts kort in Italië, want Alva bracht door zijn toenmaals reeds bekende wreedheid de meeste plaatsen onder de gehoorzaamheid van Spanje terug. Daarop verzoende zich Filips met Paulus IV om des te feller een oorlog tegen Frankrijk te kunnen voortzetten.

Oranje, die daarin overigens geen voorname rol speelde, werd wel in den aanvang met allerlei zendingen belast, die daarmee verband hielden. Zoo was het zijne taak, oversten zooals George von Holl te overreden, de karige aanbiedingen aan te nemen, die zijn souverein goed genoeg vond. Aan den hertog van Savoye schreef de Prins daarover een langen brief, waarin hij berichtte, dat von Holl de voorwaarden had aangenomen, mits hem een ruim tafelgeld met het oog op de duurte der tijden werd toegestaan.

Bovendien werd Oranje met een zending naar den aartsbisschop van Keulen belast, met het doel hem te overreden, zich met Filips te verbinden. Na een kort oponthoud, ten gevolge van een koortsaanval op zijn reis van Breda, kwam Oranje in Keulen aan en deed zijn best zijn opdracht tot een goed einde te brengen. De aartsbisschop beweerde echter, dat hij niet de vrijheid had een defensief verbond aan te gaan zonder eerst zijn kapittel te hebben geraadpleegd.

Oranje keerde naar Breda terug en liet zijn schoonbroeder Nuenar (gehuwd met zijn halfzuster Magdalena) achter om de beslissing van den aartsbisschop af te wachten.

Op den 18en Mei vroeg en verkreeg Oranje vergunning naar Frankfort te gaan, teneinde zijn vader te helpen bij den afloop van het Catzenellenbogen-proces, dat, gelijk we zagen, in 1557 eindigde.

Terwijl de Prins voor particuliere belangen werkzaam was, deed Filips een reis naar Engeland om, hoewel juist in tegenspraak met de voorwaarden van zijn huwelijk, zijn vrouw door vriendelijke en de ministers van haar door harde woorden, tot deelneming aan zijn oorlog met Frankrijk over te halen.

Dit gelukte hem zonder veel moeite, zoodat Engeland zich in een geschil gewikkeld zag, waarin het eigenlijk niet betrokken was. Later bleek, dat dit volkomen streed met Engelands belangen en dat het daarin alleen werd meegesleept door de hartstochtelijke verkleefdheid van een zwakke, slechte en wreedaardige vrouw, die Filips haatte.

Nimmer scheen later de gelukszon zoo helder over den koning als in den vroegen zomer van 1557, toen nog al zijn onderdanen hem getrouw waren en hij de beurs zijner Engelsche echtgenoote geheel tot zijne beschikking had. Wat zij ook tegenover haar volk moge geweest zijn, tegenover hem was zij nooit karig.

In Mei trokken de troepen onder den Hertog van Savoye te velde en de hoop op versterkingen van gindsche zijde van het kanaal werd spoedig verwezenlijkt, al waren er nog vele bezwaren te overwinnen. De Engelschen droegen zeker Frankrijk geen liefde toe, maar zij hadden zulk een hartgrondigen haat tegen hun titulairen koning, dat ze zich eerst krachtig verzetten tegen hulp aan Filips, zelfs in zijn oorlog met hun erfelijken vijand.

Toch slaagde Maria erin, het verzet harer onderdanen te overwinnen en kon zij haar echtgenoot van de hulp voorzien, waarom hij gevraagd had. Filips nam afscheid van zijn onbeminnelijke maar hem zeer liefhebbende echtgenoote en keerde voldaan naar Brussel terug.

Hier verzamelde hij zijn huursoldaten, die met de Spaansche en Nederlandsche troepen, 35000 voetknechten en 12000 ruiters bedroegen. Het leger werd spoedig nog versterkt door het Engelsche hulpkorps van 8000 man onder den Hertog van Pembroke. In de nabijheid van Givet werd deze geheele legermacht in het midden van Juli, onder bescherming van het nieuwe fort Philippeville en onder commando van den hertog van Savoye, vereenigd.

De Fransche legermacht werd in Picardië verzameld onder Montmorency, bijgestaan door den maarschalk St. André en door Coligny, die reeds gebleken was een gevreesde tegenstander te zijn.

De beide legers, ofschoon niet groot, bestonden uit uitgelezen troepen en werden aangevoerd door de bloem van Europa's ridderschap. "Koningen en Prinsen en de doorluchtigste Paladijnen der christenheid rustten zich uit tot het groote tournooi, waartoe zij door heraut en trompetgeschal waren opgeroepen" en onder hen bevond zich in het leger van Filips, Lamoraal Graaf van Egmond, "de bataafsche held, zonder kroon of rijk, maar met een even eerwaardigen stamboom als waarop menig gekroond hoofd zich beroemen kon, brandende van begeerte, zich in het worstelperk te onderscheiden."

Na enkele schermutselingen in de buurt van Guise en andere kleine plaatsen, keerden de Spaansche troepen al hun macht tegen St. Quentin, een belangrijke stad op den rechtstreekschen weg naar Parijs. Coligny had die mogelijkheid voorzien en het gelukte hem de stad binnen te komen, al was het zonder veel troepen, doch hij hoopte haar door zijn bekwaamheid en ervaring te redden. St. Quentin was spoedig bijna volkomen ingesloten.

Het gelukte echter Montmorency een gedeelte van zijn troepen binnen de stad te brengen, zoodat het voor de belegeraars minder gunstig was geworden en men besluiteloos werd, wat te doen. Ook Philibert van Savoye was geheel uit het veld geslagen. Niet alzoo Egmond, die in eene welsprekende rede den krijgsraad er op wees, van welk groot gewicht het zou zijn den grooten Connétable Montmorency aan te vallen en hem daardoor den terugtocht af te snijden.

Voor Egmonds hevige taal moesten alle bedenkingen wijken; men volgde zijn raad, die boven alle verwachting met succes werd bekroond. Binnen een uur werden 6000 Franschen gedood of gevangen genomen waaronder de Connétable zelf, die gewond in 's vijands handen viel.

Men had aan Egmond de overwinning te danken, een overwinning, die Frankrijk de gruwelijkste nederlaag bezorgde sedert de dagen van den Zwarten Prins geleden. Een doodelijke slag was aan Frankrijk toegebracht en de Vlaamsche grenzen waren thans beveiligd voor de ellende, die het Fransche grondgebied ten deel viel.

"Egmond en St. Quentin," beide namen zouden thans van mond tot mond gaan tot de uiterste grenzen van de heerschappij van den Spaanschen souverein. Het leger van Montmorency was vernietigd, maar Coligny was nog in St. Quentin en om de overwinning volkomen te maken, was de inneming dier stad noodzakelijk.

Filips ging ondertusschen van Brussel naar Kamerijk en ontving de gelukwenschen, die hem van alle zijden toestroomden.

De vruchten te plukken van deze groote overwinning, een onmiddellijke aanval op Parijs te wagen, waarvoor de weg thans open was, dit wilden al de bekende veldheeren; niet echter de vreesachtige, àl te voorzichtige Filips, die er zich mee tevreden stelde, beleefd de eerbewijzen voor de dapperheid van zijn generaal in ontvangst te nemen, maar daarna liefst op veiligen afstand de verdere verwikkelingen wilde afwachten.

Welk een contrast met zijn vader! Deze zou niet te Kamerijk hebben gewacht, noch zelfs op de plaats der overwinning, maar Parijs zou zijn doelwit zijn geweest, nu hem de weg zoo was gebaand.

Toen de keizer hoorde over dit eerste succes van de regeering van zijn zoon, was zijn eerste vraag: "Is Filips in Parijs?" Maar dat Mecca bereikte hij nooit, al was hij ook door het nemen van Chatelet, Han en Noyon verder het Fransche grondgebied binnengedrongen, dan aan zijn vader ooit was gelukt.

Duidelijk bleek hier, dat Filips van een anderen stempel was en hij nagenoeg alle eigenschappen des geestes miste, die den keizer hadden gesierd en die hem de harten deden winnen. In zich zelven gekeerd, scheen het zijn hoofddoel te zijn, die eenzame rust te genieten, die de Spanjaarden Sosiego noemen.

Wat St. Quentin aangaat, hoewel slechts door 800 man verdedigd, hield de stad het dapper uit tot den 27en Augustus, toen er een gelijktijdige aanval op vier van de bressen, die in de wallen geschoten waren, plaats had. De stad gaf zich over, hoewel ze tot het laatst dapper weerstand bood. Coligny toonde zich een uitstekend aanvoerder, overal aanwezig, waar het gevaar het grootst was en toen de vijand door een toren binnendrong, die men sterk genoeg dacht en onbewaakt had gelaten, was het Coligny, die slechts door een paar man vergezeld er heen ging. Hier werd hij overmeesterd en krijgsgevangen gemaakt door een soldaat, die hem langs een der mijnen naar den Hertog van Savoye bracht, van wien de soldaat tienduizend dukaten ontving tot loon voor het zwaard van den Admiraal. Het was nl. een algemeen erkend gebruik, dat degene, die den opperbevelhebber gevangen nam, daarvoor een dergelijke groote som als geschenk ontving.

Het lot der stad was verschrikkelijk en de slachting, die er plaats had, was een van de meest beruchte in de geschiedenis der belegeringen van de 16e eeuw.

Een Spaansch krijgsman, die erbij tegenwoordig was en een dagboek hield van al hetgeen er voorviel, schreef:

"Ik wandelde door de stad en aanschouwde dit alles; het scheen mij een tweede verwoesting van Jeruzalem. Wat mij het meeste trof, was, dat ik geen enkelen ingezetene der stad overgebleven zag, die Franschman was of zich ervoor durfde uitgeven. Hoe ijdel en voorbijgaand, dacht ik, zijn de dingen dezer wereld. Nog geen zes dagen en wat was er niet al rijkdom in deze stad en thans is er geen steen op den andere gelaten."