Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 49
In de Staten ging ten gevolge van Oranje's bemoeiingen de vroegere macht der geestelijkheid over op de zoogenaamde geëligeerden, die later als het derde lid van de Staten fungeerden. Wat Gelderland betreft, daar kwam Jan van Nassau, trots tallooze aanzoeken, niet terug; hij nam zelfs in April 1581 zijn ontslag. Op aandrang der talrijke katholieken en koningsgezinden werd daar van den Bergh, de zwager van Oranje, stadhouder. Toch bleef de invloed van den Prins er zeer groot. In Friesland werd hij stadhouder, al moest hij daar door een plaatsvervanger regeeren. Groningen, de Ommelanden, Overijsel en Drente waren door het verraad van Rennenberg in een oorlogstoestand gekomen, die jaren lang duurde.
Door deze en dergelijke schikkingen werd door Oranje in die dagen de regeeringsvorm der Republiek voorbereid, die in 1588 haar beslag kreeg. Hoe democratisch ook gezind, de Prins moest overal rekening houden met de Staten en de regenten, zoodat hij mede kan worden aangemerkt als de stichter der aristocratische regenten-republiek. De oorsprong der souvereiniteit lag ook volgens hem in de Staten, niet in den landsheer. De Staten konden de hooge overheid opdragen, aan wien zij wilden; zoolang die door niemand was aanvaard, berustte de oppermacht bij de Staten zelven. Het is bekend, welke gevolgen die opvatting in de toekomst gehad heeft.
Groot, machtig groot bleef dus de invloed van Oranje, niettegenstaande de keuze van Anjou tot souverein. Vooreerst was deze er nog niet; dan waren de meeste gewesten van hem afkeerig en eindelijk buiten alle titels en waardigheden om, was de persoonlijke invloed van den Prins in de meeste gewesten zeer groot. Het zou hem weinig moeite kosten, ook Anjou tot zijn instrument te maken. Meer heeft de Prins trouwens ook nooit van Anjou verwacht. De nood was hem opgelegd. Er moest een beschermer, een souverein wezen. Dat hij zelf daarnaar niet verlangde en telkens zelfs het graafschap van Holland weigerde, is wel het grootste bewijs van zijn onbaatzuchtigheid.
HOOFDSTUK XXX.
KOMST VAN ANJOU. EERSTE MOORDAANSLAG OP DEN PRINS. 1581-1582.
In het jaar 1581, waarin het verdrag van Plessis-les-Tours was gesloten en Filips was afgezworen, kwam het Noorden steeds meer in het nauw. Rennenberg overleefde zijn verraad niet lang. Reeds in Juli van dat jaar stierf hij; doch de reactie, waaraan de vloek van zijn naam is verbonden, werd met dien dood niet vernietigd. Hij en zijn opvolger Verdugo vonden wel krachtige bestrijders in Hohenlohe, Willem Lodewijk (oudste zoon van graaf Jan), Norris e. a., doch ook de Spaanschgezinden bleven volhouden en zouden nog dertien jaar met afwisselend geluk in de Noordelijke gewesten strijden, eer Maurits in 1594 Groningen ten onder bracht.
Ook de val van Breda was een groote slag, inzonderheid voor den Prins. In zijn eigen stad, waar de burgers in 1577 zoo verblijd waren geweest, dat ze weer onder hun eigen heer kwamen, werd het gezag des konings hersteld. Het volk toonde wel flinken weerstand, maar was te klein in aantal, om hun moed bekroond te zien. De abt van St.-Geertrui haastte zich er heen te gaan en herstelde er den katholieken godsdienst. Volgens Strada keerde aldus de stad tot haar koning terug en de zielen harer burgers tot God. Die inneming was buitendien voor Antwerpen hoogst gevaarlijk en bereidde de verovering van geheel Brabant door Parma voor. In het Zuiden werd Doornik genomen, dat hem aanleiding gaf, diep in Vlaanderen door te dringen. Kamerijk, dat door hem belegerd werd, kon Anjou nog behouden; hij was met 5000 ruiters de grenzen overgekomen, doch daar hij zag, dat de Staten nog niet gereed waren hem te ontvangen, ging hij naar Engeland om Elisabeth te ontmoeten. Toen viel Parma de inneming van Doornik gemakkelijk.
De Prins had ondertusschen den Haag verlaten, Zeeland bezocht en zijne nieuwe markiezaten in bezit genomen. Daarop ging hij naar Gent, met het plan tegen October naar Antwerpen te gaan, waar de Staten-Generaal, volgens de bepalingen in den Haag gemaakt, zouden samen komen. Daar hield hij o. a. deze verontwaardigde rede onder den indruk van de gevaren die dreigden en van de blindheid van het volk voor die gevaren. Het was een toon, dien hij zoo dikwijls had moeten aanslaan, gericht tegen het gebrek aan opoffering voor het algemeen:
"Doornik wordt belegerd en andere onheilen bedreigen ons. Onder deze omstandigheden, Mijne Heeren, is deze achteloosheid een ongeloofelijk groote ramp, die niet voortkomt uit gebrek aan inzicht of uit traagheid, maar eenvoudig uit het feit, dat iedereen meer belang stelt in zijn bijzondere zaken, dan in het algemeen welzijn. Het volk wil het niet tot werkelijkheid maken, dat deze oorlog zijn oorlog is; dat zij zelf het zijn, die vechten voor hun vrijheid, voor hun persoon, voor hun geweten. Van daar dat zij, als er geld gevraagd wordt, zonder hetgeen ik, noch eenig sterfelijk mensch den oorlog kan ondernemen, er altijd over harrewarren, alsof zij nog aan het babbelen waren met den overleden keizer. Zij moesten inzien, dat zij het niet aan mij weigeren, maar aan hen zelf. Ik heb hun geld niet noodig--al hebben lasteraars mij beschuldigd, dat dit wel zoo is. Nog eens zeg ik u, Mijne Heeren, het is uw oorlog en als men u vraagt te beraadslagen, dan is het over uw eigen zaken. Elk gewest heeft zijn eigen raad, ieder land zijn eigen krachten en geld, zoodat wat veel zou zijn voor allen, weinig is voor elk afzonderlijk.
"Het is waar, dat er een centrale raad is ingesteld, maar zonder macht. Waar geen gezag is, hoe kan daar militaire tucht zijn, hoe kunnen de financiën, de rechtspraak en andere zaken worden geregeld? En gezag kan er niet zijn bij hen, die geen sou kunnen uitbetalen, zooals met mij op het oogenblik het geval is. Gij moet inzien, dat de regeering, door u zelf en door de Staten gevestigd, niet langer kan blijven bestaan dan tot het einde van Januari. Indien gij op dien tijd geen order op deze zaken gesteld hebt, dan zal er geen bestuurder meer noodig zijn, omdat er geen land meer zal wezen."
Een van de redenen, waarom Anjou in den loop van het jaar 1581 naar Engeland overstak, in plaats van in ons land te blijven, was dus het gebrek aan gezamenlijke pogingen van de Staten, om de noodige gelden bijeen te krijgen. Een andere reden van dat vertrek naar Engeland was gelegen in zijne stellige verwachting, dat Koningin Elisabeth hem haar hand zou schenken, waarop in den zomer van 1581 alle kans scheen te bestaan. Het huwelijkscontract was zelfs in Juni geteekend en de ceremoniën voor het huwelijk werden vastgesteld--ja zelfs de ringen werden uitgewisseld tusschen de vijftigjarige maagd en den jongen, maar onbevalligen hertog van Anjou, toen deze in October Vlaanderen verliet en naar Engeland overstak. Toch was dit alles niets dan staatkunde van de zijde van Elisabeth; wel wilde zij Frankrijk te vriend houden, doch toen zij Hendrik III als een gevolg van haar huwelijksverbintenis een alliantie met Frankrijk tegen Spanje wilde doen teekenen, weigerde deze dien stap te doen en weer was het huwelijk voor onbepaalden tijd uitgesteld.
Ondertusschen was Marnix van St. Aldegonde reeds in November het kanaal overgestoken, om bij Anjou aan te dringen op zijn spoedige terugkomst. In Januari moest die gezant aan Anjou mededeelen, dat men een anderen beschermer zou zoeken, indien hij niet terugkwam. De gelden waren op Oranje's ernstig woord losgekomen; men maakte zich tot de ontvangst van den hertog gereed en wilde ook niet langer wachten. Anjou zelf begon het spel te doorzien, dat Elisabeth met hem speelde en zette op den 8en Februari 1582 koers naar Vlissingen, vergezeld door een stoet van edellieden, waaronder Leicester en Sidney behoorden. Op den 10en kwam hij aldaar aan en werd met groote eerbewijzen door Oranje ontvangen.
Eindelijk was het dus aan de onvermoeide pogingen van den Prins gelukt, een Fransch protectoraat over de gewesten te vestigen. Nu moest zijn diep geloof, dat in dit verbond hun eenige hoop was gelegen, worden bewaarheid. De langdradige, behoedzame argumenten van zijn broeder Jan daartegen, beantwoordde hij o. a. op de volgende wijze:
"Men moest ons daarom niet smaden; want wij voor onzen persoon verbinden ons niet, noch bieden hem onzen dienst aan; maar de Staten dezer landen verkeeren in zulk een uitersten nood, zijn zoo geheel en al door de gansche wereld verlaten, dat ze de hulp, die hun door hem werd aangeboden, moesten aannemen. Als zij daarom te beschuldigen zijn, dan moest men evengoed den man, die naar Jericho reisde, zooals in de gelijkenis voorkomt, beschuldigen, dat hij de hulp van den Samaritaan niet afsloeg, toen hij, onder moordenaars gevallen, half dood op den weg lag en de priester en Leviet waren voorbijgegaan, zonder hem barmhartigheid te toonen. Toch werd niet de gewonde, maar werden die andere waardige vaders, die voorbij waren gegaan en niet hadden geholpen, door Christus beschuldigd. Het was daarom te wenschen, dat zij, die den hertog van Anjou voor een Samaritaan of een vijand der Christelijke kerk aanzien, liever dan dit volk, dat hulp en troost in zijn jammer zoekt, te berispen, metterdaad zooveel medelijden getoond hadden, dat het niet noodig ware geweest, andere hulp aan te nemen."
Hoewel die vergelijking van den Samaritaan met Anjou waarlijk niet opgaat, is toch de verzwegen gelijkstelling van het geloofsverwante Duitschland en Engeland met den priester en den Leviet zeer teekenend en verdienden die landen, die allereerst tot hulp verplicht waren geweest, ten volle de toespeling.
Tegenover anderen, die hem voor Anjou waarschuwden, merkte hij op, dat een dog, wiens aard al te bekend was, best een trouwe herdershond kon worden, als hij slechts behoorlijk gemuilband werd; terwijl hij tot allen, die eerlijk meenden, dat de Prins de opgestane gewesten van de hel in het vagevuur bracht, zeide: "Het is de vraag niet, wat we noodig hebben, maar wat wij krijgen kunnen."
Van Vlissingen, waar Anjou was aangekomen, werd hij in triomf naar Middelburg begeleid, waar de ontvangst schitterend was, doch die nog overtroffen werd bij zijn komst in Antwerpen. Daar riep men den Franschen prins als hertog van Brabant uit en werd hem de hertogelijke mantel omgehangen en de hoed op op 't hoofd gezet. De Prins van Oranje zou daarbij de woorden gesproken hebben: "De knoop, waarmee deze mantel wordt toegehecht, moet zoo vast en stevig zijn, dat niemand hem weder zal kunnen losmaken."
Menigeen van de toeschouwers zou hebben opgemerkt, dat de knoop niet zoo stevig was toegehaald en de hoed niet goed op het hoofd geplaatst was; later beschouwden ze dit als een voorteeken der volgende gebeurtenissen. Ook meenden bijgeloovige lieden in hevige stormen en in een aardbeving, die Brabant in het laatst van Februari teisterden, voorteekens te zien van kwade dingen. Leicester en Walter Raleigh waren bij die kroning tegenwoordig. Toen zij naar Engeland terugkeerden, droeg de Prins hun op, aan Elisabeth, die gaarne in het latijn werd toegesproken, te zeggen: "Sub umbra alarum tuarum protegimur." (Onder de schaduw uwer vleugelen worden wij beschermd).
Ondertusschen was zelfs de dag der kroning voor den Franschen prins reeds een bewijs, dat zijn heerschappij over het volk zeer beperkt zou wezen. Eeden van allerlei aard werden van hem gevraagd en geen poging werd verzuimd, om reeds van te voren alle geliefkoosde provinciale en stedelijke voorrechten tegen mogelijke inbreuk daarop te beschermen.
Het duurde dan ook geen veertien dagen, of er ontstond reeds een onaangename verhouding tusschen den nieuwen vorst en zijne onderdanen. Antwerpen was toen geheel in de macht der Calvinisten; den katholieken was in 1580 slechts in enkele kerken doop en huwelijk volgens hun godsdienstig gebruik toegestaan en nu kostte het Anjou en zijn katholiek gevolg reeds moeite om een kerkgebouw te verkrijgen, waar zij volledig hun eeredienst konden uitoefenen. Buitendien nam de Vlaamsche bevolking aan de leefwijze der Fransche edelen aanstoot en vertrouwde ze Anjou's troepen in Vlaanderen niet. Op den 18en Maart kwam daar iets bij, dat het volk bijna naar de wapenen had doen grijpen, omdat het in den waan verkeerde, dat er Fransch verraad bij in het spel was.
Wat gebeurde er namelijk op den 18en Maart? De prijs, door Filips op het hoofd van Oranje uitgeloofd, mocht in de oogen van 's Prinsen royale vijanden een schande zijn voor hen, die dat gruwelstuk hadden ondernomen, er waren misdadigers genoeg, die aangelokt door den prijs en den adelstand, over het volvoeren van die snoode daad peinsden. Ook ontbrak het niet aan fanatieken, die droomden van de eer, die hun te beurt zou vallen, als zij het werktuig waren, waardoor de Kerk van die pest werd verlost.
Vele maanden vlogen echter voorbij, voordat òf zulk een moordenaar òf zulk een droomer zijn plan ten uitvoer bracht. De eerste aanslag had een maand na Anjou's installatie in Antwerpen plaats en was bijna geslaagd.
Op den 18en Maart was het de geboortedag van den nieuwen souverein en allerlei voorbereidingen waren er gemaakt, om dat feest des avonds te vieren. 's Morgens (het was op een Zondag) ging Oranje naar de kerk en wel naar de kapel, die hij op den citadel-heuvel had gesticht. Een predikant uit Doornik zou er preeken. Hij noodigde verscheidene edellieden met hem ter tafel, waar o.a. de Fransche gezanten, de heeren de Laval en des Pruneaux zijn gasten zouden zijn. Zij zouden allen het avondeten gebruiken op het banket door "Monsieur" aan de Staten-Generaal, de officieren van Antwerpen enz. ter herinnering aan zijn geboortedag te geven. Het middagmaal bij den Prins was geheel en famille; het geheele huishouden was aan tafel en daaronder ook Maurits, toen 14 jaar oud, en twee van de zonen van Graaf Jan. Daar de conversatie zeer levendig was bleef het gezelschap onder het dessert lang bijeen.
Toen de maaltijd geëindigd was, ging de Prins met den graaf van Hollock en den genoemden de Laval uit de groote kamer, door het gezelschap gevolgd. Laval bekeek het behangsel en sprak daarover met den Prins, die hem verschillende dingen daaromtrent zeide en zijn blik er eveneens op richtte. Hij was juist op het punt een tweede kamer binnen te treden, terwijl hij zijn oogen opwaarts sloeg, toen er plotseling een persoon, klein van stuk, zich voor hem vertoonde, alsof hij een request had aan te bieden. Die persoon was ongeveer 23 of 24 jaar, had een slecht uiterlijk, een bleeke gelaatskleur, en een donker zwaarmoedigen trek; hij was geschoren, behalve op de bovenlip, waar enkele zwarte haartjes voor den dag begonnen te komen. Een hellebaardier drong hem terug, maar hij trad vooruit en schoot plotseling een pistool, dat onzichtbaar was geweest, op den Prins af.
Het pistool was overladen, sprong in zijn eigen hand terug, terwijl de kogel een hoogere richting nam en den Prins raakte tusschen het oor en het eind van de kaak aan den rechterkant; hij ging recht door de linkerwang, zonder een slagader, de kaak, de tong of tanden te hebben gekwetst, behalve, dat hij tegen een tand aanknarste. De Prins, wankelend noch verschrikt, keek den kerel aan en deze, ontzet over zijn eigen daad en als het ware door een goddelijke macht aan den grond genageld, liet zijn dolk vallen; een zekere Bonnyvet greep hem bij de borst en onmiddellijk werd hij door het gezelschap van den Prins vermoord, zeer tegen Oranje's wil die nog riep hem te sparen, maar het was vergeefsch, want in minder dan een oogenblik had hij meer dan 33 doodelijke wonden ontvangen.
Volgens een ander bericht, was het pistool van den moordenaar zoo dicht bij 's Prinsen gelaat, dat zijn haar en baard verzengde, maar dat ook de wond aanstonds inbrandde, toen de kogel passeerde en er aldus bloedverlies werd voorkomen. De daad had zulk een snel verloop, dat Oranje het minst van allen wist, wat er gebeurd was. De Prins dacht inderdaad, dat er een deel van de zoldering inviel. Toen hij van zijn verbazing was bekomen, dacht hij eerst aan den misdadiger en zeide haastig: "Dood hem niet, ik vergeef hem mijn dood," en zich daarop tot den Franschen gezant wendend, voegde hij er bij: "Zijne Hoogheid verliest in mij een getrouw dienaar."
Onmiddellijk daarna werd hij naar zijn kamer geleid, aan beide kanten ondersteund, want alleen gaan kon hij niet. De eerste meening onder de aanwezigen was, dat er Fransch verraad in het spel was en die meening vond, toen het nieuws bekend werd, haar echo in de geheele stad. In een oogenblik won de vrees, dat de nieuwe souverein een tweeden Bartholomeusnacht had willen wakker roepen, een willig oor.
Voor een jongen van 14 jaar was de zelfbeheersching van Maurits, die voor zijn oogen op zijn vader had zien schieten, bijzonder sterk. Hij deed geen uitroepen, maar stond rustig bij het lijk van den moordenaar, om toe te zien, dat er buiten zijn weten geene papieren werden weggenomen. Bij het opnemen van het pistool ontdekte men, dat bij zijn ontlading een duim van Jaureguy was afgeschoten, zoodat deze niet in staat was geweest, om zijn dolk, die in zijn broek werd gevonden, te gebruiken.
Toen werd er een nader onderzoek ingesteld; enkele papieren en pamfletten werden gevonden en aan Maurits gegeven, die ze aan een van de dienaars van zijn vader toonde, terwijl hij in tranen uitbarstte en zeide: "Kijk eens wat de ellendeling bij zich had." Die dienaar antwoordde: "Bedaar, Monsieur! God kan uw vader nog behouden; maar draag zorg voor de papieren, we moeten iets omtrent den man ontdekken, of de heele stad komt in beweging."
Daarop hernam Maurits: "Helaas! ik ben bang, dat hier een andere deugniet achter zit, die hem van ons wil wegnemen." De edele knaap zei dit, omdat er een praatje in de kamer liep, dat de menschen, die den moordenaar hadden doodgeslagen, zijn medeplichtigen waren, zoodat een oogenblik het vermoeden viel op 's Prinsen beste vrienden en dienaars.
Toen de jonge graaf aldus gesproken had, wierp de bovenvermelde dienaar zijn mantel over hem heen en zeide: "Kom mee, Monsieur, ik zal uwe papieren in veiligheid brengen." Hij deed dit en nam hem mee naar de gezelschapskamer van het huis. Daar in veiligheid, keken ze de papieren door en zagen spoedig dat alles in het Spaansch was geschreven. "Monsieur, daar is geen gevaar bij," zei de dienaar. "Ga terug en doe een verder onderzoek. Ik zal bij u blijven." Dit werd gedaan en toen haastte zich de dienaar om iedereen te verzekeren, dat een Spanjaard de daad had bedreven en dat alle vermoedens tegen de Franschen dus ongegrond waren.
Maurits keerde terug met de rest van de papieren, een kruis en een Agnus Dei, een groene waskaars en twee andere dingen, die men voor toovermiddelen aanzag. De dienaar keek de eerste papieren door en hij bevond, dat het gebeden en geloften waren. Toen brak hij het zegel van een pakket brieven stuk, waaruit bleek, dat ze in het Spaansch door een Spanjaard aan een Spanjaard waren geschreven. Hij deelde dit feit mede en liet toen het verder onderzoek over aan Aldegonde, die spoedig op het tooneel verscheen. Toen de rest van het pakket werd geopend, vond Marnix twee credietbrieven, een voor 2000 en een voor 877 kronen met adressen alle in het Spaansch door Spanjaarden geschreven. De boeken waren een getijdeboek, een Jezuïetische catechismus en twee zakboekjes, van het eene eind tot het andere beschreven met zaken, die op zijn plan betrekking hadden. Er werden daarin o.a. giften beloofd aan de Maagd Maria, aan den Engel Gabriël, aan Christus en den zoon van Christus (even of Christus een zoon hadde, voegt van Meteren hierbij), als zij met den Almachtige hem behulpzaam waren bij zijn opzet. Hij verbond zich zelfs, een week lang op water en brood te leven, als hij ongedeerd ontsnapte. Ook was er een toovermiddel bij, waaraan hij de kracht toeschreef, hem onmiddellijk na het volvoeren van zijn daad onzichtbaar te maken.
Spoedig werd Anjou door Aldegonde geheel op de hoogte gebracht. Hij riep den Raad van State bijeen, bepaalde een vervroegde zitting van de Staten-Generaal en vaardigde een proclamatie uit, die alle personen, die slechts eenig licht konden verspreiden over de misdaad opriep, om dit onmiddellijk te doen. Het voornaamste doel was uit te vinden, hoe ver vertakt het complot was. Spoedig ontwarde men de geheele historie en bewees men duidelijk, dat het geheim van dezen aanslag slechts aan vier menschen bekend was.
De feiten waren als volgt. Gaspar d'Anastro was een Spaansch koopman in Antwerpen. De tijden waren slecht en hij stond op het punt van bankroet te gaan, toen Filips' aanbod hem een kans scheen te bieden, zich financieel te redden. Hij trad daarop in briefwisseling met Filips en teekende een contract, waarbij hij beloofde den Prins binnen een bepaalde tijdruimte te dooden. Hij zou daarvoor 80,000 dukaten en het kruis van Sint Jago ontvangen. Oranje liet inderdaad zóóveel menschen bij zich toe, dat de daad wel mogelijk, maar ontsnapping onwaarschijnlijk scheen en Anastro zelf, door zuiver baatzuchtige motieven geleid, had geen lust, zijn leven te gelijk met dat van zijn slachtoffer in de waagschaal te stellen. Hij had een ander Spanjaard als kassier, n.l. Venero, dien hij in vertrouwen nam. Zij spraken samen af, het plan door hun dienaar Jean Jaureguy te doen volvoeren.
Hoe zij er in geslaagd zijn, dezen te overreden, wordt niet verhaald. Toewijding aan Anastro of godsdienstijver moet de bron zijner daad geweest zijn, want zijn eigen aandeel zou, gelijk de wisselbrieven aanduidden, slechts 2877 kronen zijn geweest. Anastro zelf ging, na het plan te hebben vastgesteld, naar Duinkerken; ontving, onder voorgeven van ziekte, van zijn agent te Calais een paspoort over de grens en was veilig binnen Parma's gebied, twee uur voordat de order kwam, hem te arresteeren. Venero, de kassier en een Dominikaansche monnik Zimmermann waren de eenige slachtoffers van de volksverontwaardiging. De laatste had Jaureguy's plan uit zijn mond gehoord en was dus met de daad bekend voor hare uitvoering. Beiden werden op den 28en Maart ter dood gebracht, zoodat het volgend briefje van Oranje aan Aldegonde, zonder datum waarschijnlijk op den 27en is geschreven:
"M. de St. Aldegonde:
"Ik heb gehoord, dal ze morgen de twee gevangenen zullen terechtstellen, die medeplichtigen zijn van den persoon, die op mij geschoten heeft. Wat mij aangaat, ik zou gaarne de beleediging, mij aangedaan, vergeven, en indien zij misschien een zware en gestrenge straf verdiend hebben, verzoek ik u, dat men hen geen martelingen op de pijnbank doet ondergaan, maar zich tevreden stelt met een korten dood.
Uw goede vriend Wm. van Nassau."
Overeenkomstig dit verzoek, dat het edel karakter en den hoogen geest van hem die het deed, ten volle kenmerkt, werden Venero en Zimmermann geworgd, voordat men ze vierendeelde en werden hun dus de martelingen gespaard, die men gewoonlijk arme misdadigers aandeed, voordat de dood hen uit hun lijden verloste. De executie vond plaats op Woensdag 28 Maart, tien dagen na de misdaad, tegenover het stadhuis.
De eerste droefheid van de verschrikte huisgenooten was deerniswaardig. De arme Prinses, door hartstochtelijke smart overweldigd, viel telkens in zwijm; de kinderen liepen met tranen en angstkreten het huis door en de geheele familie was verbijsterd. Hoe Maurits zich beheerschte, werd reeds gezegd en de anderen vergaten ook spoedig zichzelf, uit zorg voor den gewonde, die gedurende drie weken in zeer angstvollen toestand bleef.