Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 48

Chapter 483,980 wordsPublic domain

Parma en zijn raad wezen nog den koning op de gevaren er aan verbonden. Hij waarschuwde hem zelfs tegen dat afschuwelijk bedrijf, omdat hij er het tegendeel van verwachtte, dan in Spanje gemeend werd. "Is de Prins dood; dan is het uit met den opstand, want hij is er de ziel van," zoo redeneerde men in Filips' omgeving. "Zijn populariteit zal er door toenemen in de Nederlanden; de verraderlijke aanslag zal de liefde van het volk voor den verafgoden Prins slechts vermeerderen," zoo oordeelden Parma en de Raad van State en gelijk de geschiedenis heeft bewezen, was dit juist. Maar de koning hield vol en ook Parma gaf eindelijk toe, doch slechts noode; want al dagteekende de ban reeds van 15 Maart 1580, pas in Mei liet hij hem openbaar maken en in Augustus openlijk verspreiden.

In dit document worden eerst al de weldaden genoemd, die Karel V en Filips II aan Oranje hebben bewezen, en daarna alles opgesomd, wat hij van den dag af, dat Filips het land verliet, gedaan heeft om het volk af te trekken van zijn koning en van zijn God. In den breede vooral wordt herinnerd aan de bescherming door den Prins aan de ketters verleend, de godsdienstvrijheid (d. w. z. de godsdienstverwarring) door hem bevorderd, de schandelijke behandeling, door hem of zijn vervolgers den R. K. geestelijken berokkend. Zijn derde huwelijk met eene weggeloopen abdis, terwijl zijn tweede vrouw nog in leven was, wordt als vloekwaardig voorgesteld. Doch bovenal wordt zijn onwil, om in elk vredesvoorstel te treden, boosaardig gevonden. Steeds dieper en dieper had hij zich in rebellie en ketterij gestoken en zich eindelijk zelfs door een oproerige vergadering tot Ruwaard van Brabant doen benoemen.

"Dus om al die redenen, om al zijn kwaad als voornaamste verwoester van den publieken vrede, ja als de pest der Christenheid.... verbannen wij hem voor eeuwig en verbieden al onze onderdanen met hem te verkeeren. Wij vergunnen een ieder, hem schade te doen aan lijf en goed. Wij verklaren hem voor een vijand van het menschelijk geslacht en stellen hem buiten de wet en opdat de deugd en de vroomheid geprezen worde, beloven wij, als er zich iemand mocht bevinden, edel en vroom genoeg, om ons van die pest te verlossen en hem dood of levend ons over te leveren, dezen aanstonds na de volvoering der daad 25.000 gouden kronen en den adeldom te schenken, terwijl we hem absolutie geven voor elke andere misdaad, die hij soms mocht hebben begaan."

Als we die ijzingwekkende woorden lezen, uitgesproken over het hoofd van den ons onvergetelijken Zwijger, dan gruwen we van de bedrijvers. Geheel daargelaten onze aanhankelijkheid aan hem, wien die snoode daad gold en dus afgezien van alle subjectieve beoordeeling, moet ieder het woord van Montesquieu beamen: "De adeldom beloofd voor zulk een daad! Zulk een daad bevolen in den naam van God! Werpt dat niet alle denkbeelden van eer, van zedelijkheid en van godsdienst omver?"

De Prins was in Antwerpen, toen hij van dien ban hoorde. Zijn eerste gedachte was, dien te beantwoorden; doch alvorens dit te doen, raadpleegde hij verscheidene aanzienlijke personen en raden. Zoo schreef hij o. a. aan den raad van justitie van Holland, Zeeland en Friesland, aan wie hij het stuk ter lezing zond en vroeg hun daarin "goede raad en advies te willen mededeelen; alzoo wij zekerlijk achten, dat gijlieden van deze zaak recht zult kunnen oordeelen."

Op den 13en December bood hij daarop aan de Staten-Generaal, te Delft verzameld, zijne Apologie aan en op den 14en besloten die staten, na dit stuk te hebben gehoord, het onmiddellijk te laten drukken. Deze beroemde Apologie, waarheen reeds meer dan eens in dit werk werd verwezen, is terecht een meesterstuk genoemd. "Het is een welsprekende aanklacht tegen den koning en zijn staatsbeleid, een heldere uiteenzetting van al het gebeurde, een schitterende verdediging van zijn eigen leven en van de taak, die hij zich gesteld had, een historisch stuk van hooge waarde." Voltaire had geen ongelijk dit antwoord van Willem van Oranje "een der schoonste monumenten van de geschiedenis" te noemen. Zeker, de bitterheid, die er uit spreekt, is niet te rechtvaardigen. De beschuldigingen, die de Prins den koning over zijn persoonlijk leven doet, zijn gegrond op onbewezen feiten. Maar zulk een verweerschrift tegen zulk een geweldigen aanval kon niet geheel onpartijdig zijn. De Apologie is waarschijnlijk met medewerking van den hofprediker Pierre (l'Oyseleur) de Villiers samengesteld; doch duidelijk kan ieder, die met 's Prinsen brieven vertrouwd is, er ook overal de merkteekenen van zijn eigen hand en geest in zien. In zijn geheel is zij geen monument van letterkundigen stijl, doch er zijn brokstukken in, zoo schitterend, dat we niet kunnen nalaten, enkele daarvan tot kenschetsing van het geheel in onze taal over te brengen. Oorspronkelijk in het Fransch en Vlaamsch geschreven, werd zij aanstonds aan de meeste souvereinen en prinsen van Europa toegezonden. In de oorspronkelijke uitgaven van de Apologie is dan ook de brief van den Prins aan de koningen en andere potentaten der Christenheid, dien hij ter begeleiding van de verdediging aan dezen toezond, aan het hoofd daarvan te vinden.

Reeds de toon, waarmee het stuk aanvangt, is vol waardig zelfgevoel. Beschuldigd, alleen uit louter eigenbelang gehandeld te hebben, verheugt het hem, dat deze gelegenheid tot zelfverdediging hem door de proscriptie geschonken is. "Indien die niet over mij was uitgesproken, indien ik den haat der Spaansche natie niet op mijn weg had ontmoet, dan zou ik het voordeel gemist hebben van dit getuigenis, dat mij door mijne vijanden is geschonken en dat ik den heerlijksten roem heet, waarmee ik voor mijn dood had kunnen begeeren gekroond te worden. Want wat is aangenamer in deze wereld vooral voor hem, die zulk een groot en uitmuntend werk heeft ondernomen, als de vrijmaking van zulk een goed volk, onderdrukt door zulke slechte lieden; wat is aangenamer dan doodelijk gehaat te worden, door zijn vijanden, die tevens zijn de vijanden van het vaderland? De Spanjaarden en hunne aanhangers hebben gedacht mij door deze proscriptie te schaden, maar ze hebben mij integendeel het meest daardoor verblijd en reden tot tevredenheid gegeven. Want ze hebben voor mij een veld geopend, om mij breeder te verdedigen, dan ik ooit had durven wenschen en om aan de geheele wereld de rechtvaardigheid en de billijkheid mijner ondernemingen te bewijzen en daardoor aan mijne nakomelingschap een voorbeeld van navolgenswaardige deugd achter te laten voor allen, die den adel van onze voorouders niet willen onteeren, van welke geen enkele ooit de tirannie heeft begunstigd. Ook wordt door deze proscriptie niet alleen mijn persoon getroffen en op barbaarsche wijze prijs gegeven, maar men wil ook door mij te wonden, den geheelen staat van deze landen doodelijk grieven. Dit geschiedt nu niet door infame libellen, opgesteld door menschen van niets, wier beleedigingen mij niet meer zouden treffen dan de tong van eenig klein serpent, dat men beter doet met den voet te vertrappen dan het met wapens te bestrijden. Neen, mannen van zoo groote qualiteit hebben hun grootheid zoo laaghartig verlaagd, dat zij er zich mee vermaken mij zoo valschelijk te beschuldigen en te belasteren! Daarom heeft het mij noodzakelijk geschenen, om te spreken, opdat het gemeene vaderland, waarvoor ik bereid ben, mijn leven te offeren, zooals ik met mijn goederen gedaan heb, door mijn stilzwijgen niet benadeeld worde en opdat de illustre titels van zooveel landen en koninkrijken, (die de koning zich geeft) de oogen van velen niet zouden verblinden, die eerder de zaken dezer wereld naar den schijn dan naar de soliditeit der rede beoordeelen."

Na die inleiding worden alle punten van de beschuldiging, in den ban uitgesproken, breedvoerig weerlegd en geeft de Prins zelf een uitvoerig overzicht van zijn leven, in verband met den loop van den opstand in de Nederlanden. Zijn ondankbaarheid was in den ban allereerst genoemd--doch volgens den Prins behoefde er van zijn zijde geen sprake te zijn van dankbaarheid--daar hij de wettige erfgenaam was geworden van al de goederen der Nederlandsche Nassau's en al herdacht hij de nagedachtenis van Karel V met eerbied, deze heeft hem niets geschonken, terwijl daarbij zijn vorstendom Oranje hem rechtens op dezelfde lijn plaatst als de grootste souverein van Europa.

De laaghartige beschuldigingen van den Prins om zijn derde huwelijk en de smaad welke dientengevolge Charlotte van Bourbon wordt aangedaan, voert den zelfverdediger tot eene bitterheid, die, hoewel zeer begrijpelijk, toch niet anders dan veroordeeld kan worden. Hij houdt den koning, de toenmaals door velen geloofde, maar tot heden onbewezen misdaden uit zijn privaat leven voor oogen en beschuldigt hem van bloedschande en moord op zijn naaste betrekkingen. Ook de Paus moet de volgende bittere waarheid vernemen:

"Men zegt dat mijn derde huwelijk met de gewezen abdis alleen veroorloofd zou zijn geweest, als tenminste de Paus daartoe dispensatie gegeven had. Goddank weet ik reeds langen tijd, wat die handel in dispensaties van Rome waard is en het is zóóver van mij, dat ik daartoe mijn toevlucht zou willen nemen, dat ik integendeel hoop, dat God mij de gunst wil schenken den ondergang van die mystieke regeering mee te bevorderen, die hij in zijn spelonk te Rome gevestigd houdt en waardoor hij over de geheele aarde geheerscht heeft, terwijl prinsen en koningen zijn pantoffel kusten en zelfs een keizer zich voor zijn voeten wierp."

"Ook werpt men mij voor de voeten, dat ik een vreemdeling ben. Alsof de Prins van Parma dan een groot vaderlander is, die noch in dit land geboren is, noch een stuiver goed er bezit, noch eenigen titel en toch commandeert hij over hen, die zich als arme slaven gehoorzaam in zijn dienst hebben gesteld."

"Of zal men antwoorden: Filips is koning; dan zeg ik, dat mij die naam van koning geheel onbekend is. Laat hij het zijn in Castilië en Arragon, in Napels en de Indiën en overal, waar hij naar willekeur regeert, als hij wil zelfs in Jeruzalem--in dit land ken ik slechts hertog en graaf, wier macht volgens onze privilegiën, die hij bij de "joyeuse entrée" heeft bezworen, zeer is begrensd. En nu wat mij aangaat, is het bekend, dat ik en mijn voorgangers, waarvan ik in rechte linie afstam, sedert meer dan 200 jaar graafschappen en baronieën in Luxemburg, Brabant, Vlaanderen en Holland bezeten hebben."

Met de uiteenzetting van dit laatste acht de Prins tevens de valschheid der bewering bewezen, als ware hij een vreemdeling.

Daarop volgt een overzicht van hetgeen Karel V voor deze landen was geweest, van zijn afstand van den troon en van de schandelijke Spaansche middelen die sedert in het werk gesteld werden, om de Nederlanden tot dezelfde slavernij te brengen, die Spanje overal waar het kan en overal in de Indiën, uitoefent. Daartegen kwam men in verzet, door de vergadering der Staten-Generaal en de verwijdering der Spaansche troepen te eischen.

Hoogst merkwaardig is vervolgens het gedeelte aan den godsdienst gewijd en tevens de beschuldiging, die men in den ban kan vinden, dat de Prins de ketters verdedigd had.

"Ik beken, dat ik die nooit heb gehaat. Want van mijne wieg af was ik zelf in hun begrippen opgevoed. Mijn vader had er in geleefd, was er in gestorven en had de misbruiken der kerk uit zijn rijk verwijderd. Wie zal het dan vreemd vinden, dat die nieuwe leer zoo in mijn hart was gegraveerd en er zulke wortels in had geworpen, dat zij op haar tijd vruchten moest voortbrengen? Zeker, gedurende lange jaren werd ik in de kamer des keizers opgevoed en toen ik den leeftijd bereikt had om de wapens te dragen, had ik al spoedig groote charges in de legers te vervullen; buitendien vond de godsdienst weinig voedsel en dacht ik te midden van het wapenberoep, de jacht en andere lichaamsbewegingen der jonge edelen weinig om mijn zieleheil. En toch heb ik groote reden, om God te danken, die niet heeft gewild, dat het heilige zaad zou worden verstikt. Nooit had ik behagen in die wreede straffen te vuur en te zwaard, die in dien tijd hen troffen, die tot den nieuwen godsdienst behoorden" enz.

En dan volgt de mededeeling, die op een vorige bladzijde van dit werk reeds werd besproken, dat namelijk Koning Hendrik van Frankrijk in het bosch van Vincennes hem de plannen van Alva omtrent de uitroeiing der ketterij vertelde en welke plannen er dientengevolge in zijn gemoed begonnen te rijzen.

Daarop worden de ons bekende bladzijden uit den eersten tijd van den opstand herdacht: Margareta's bestuur, Granvelle's heerschzucht, het smeekschrift, de beeldenstorm enz. Wat den laatsten aangaat, werpt hij alle medeplichtigheid van zich. Omtrent de vrijheid van geweten, die hij had bevorderd, zegt hij de volgende schoone woorden:

"Indien ze daaronder verstaan, dat ik vrijheid zou geven aan zulke goddeloosheden als er gewoonlijk in het huis van den Prins van Parma plaats hebben, waar het atheïsme en andere deugden van Rome vrij spel hebben, dan antwoord ik, dat men dergelijke vrijheid of liever bandeloosheid zoeken moet bij de erfgenamen van Pierre Louis (Farnese). [12]

Maar wel beken ik gaarne, dat de vuren, waarmee men zoovele arme Christenen heeft gemarteld, nooit aangenaam zijn geweest in mijn oogen en dat ik den raad gaf, om in de Nederlanden de vervolgingen te staken. Ja, ik zal meer bekennen, opdat de vijanden weten, dat zij met een tegenpartij te doen hebben, die rond en open spreekt, te weten dat de koning, toen hij van Zeeland vertrok, van de laatste plaats, die hij aanschouwde, toen hij het land verliet, mij beval, verscheidene menschen, die in welstand waren, te doen sterven, omdat zij in hun godsdienst verdacht waren; dit heb ik niet willen doen, maar heb hen integendeel gewaarschuwd, wel wetende, dat ik dat niet kon doen met een goed geweten en dat men Gode meer moest gehoorzamen dan de menschen.

Dat de Spanjaarden dan zeggen, wat hun goed zal dunken, ik weet, dat vele andere volken en natiën, die tegen hen wel kunnen opwegen en die geleerd hebben, dat men door vuur en zwaard niets vordert, mij zullen prijzen en mijn daad zullen goedkeuren.

En omdat gij, Mijne Heeren, met de algemeene toestemming des volks het reeds hebt goedgekeurd, de strengheid der plakkaten veroordeeld en die wreede executies hebt doen ophouden, bekommer ik er me niets om, wat de Spanjaarden en hun aanhangers daarover mompelen. Ook kan ik mij niet genoeg verbazen over hun dwaasheid, als ze zich niet schamen, mij de moorden van de lieden hunner kerk voor den voet te werpen, daar ze niet alleen weten, dat mijn natuur geheel en al verwijderd is van dergelijke geweldenarijen als dat het u en de geheele wereld bekend is, dat op mijn bevel en om reden van dergelijke buitensporigheden, die zij mij aanwrijven, geen enkel werd ter dood gebracht en anderen, die door mijn voorname beambten waren gevangen genomen, door mij zijn losgelaten.... Eindelooze lasteringen werpen zij op onzen godsdienst; ze noemen ons ketters, maar dat doen ze reeds zoo geruimen tijd, zonder dat ze tot hun doel komen, dat die beleedigingen veel gelijken op de woorden van toornige vrouwen, ze verdienen geen antwoord."

Levendig wordt de verdere loop van zaken geteekend en o. a. over Don Juan gezegd: "Heel het verschil tusschen Don Juan, den hertog van Alva en Louis de Requesens bestond daarin, dat hij jonger en dwazer was dan de anderen, dat hij zoo lang zijn venijn niet kon bedekken, noch zijn eigenlijke opdracht ontveinzen, noch zijn schitterende handen kon afhouden van de begeerte ze in ons bloed te doopen." Beschuldigt men hem, de Pacificatie en zijn eed niet trouw te zijn gebleven, dan is zijn antwoord gereed: "Alsof die banden gesloten waren, om mij en de heeren van Holland en Zeeland te kluisteren; terwijl die goede en loyale vredemakers! elke verplichting van wet, loyauteit en trouw verbraken om alles te doen, wat hun deloyaal hart hun inblies! Zij hadden Don Juan (zoo zeggen ze,) doen beloven de Spanjaarden uit het land te zenden; alsof in dat enkele punt geheel ons accoord was gelegen. Voordat zij vrede met Don Juan sloten (Eeuwig Edict,) hadden ze mij in mijn stadhouderschap moeten herstellen, mijn goederen en mijn zoon terug moeten geven, die al zoo geruimen tijd gevangen gehouden wordt."

Omtrent zijn keuze tot Ruwaard van Brabant en Luitenant-Generaal, die den Prins voor de voeten geworpen was als een bewijs zijner eerzucht en ontrouw--dienaangaande stelt hij in het helderste licht, hetgeen ook door ons vroeger duidelijk is gemaakt, dat hij alleen voor den aandrang van het Zuiden bezweken was, om die posten te aanvaarden. Geestig en ironisch behandelt hij de beschuldiging van zijn populariteit:

"Indien dit waar is, wat ze van mij en van het groote crediet, dat ik bij het volk heb, zeggen, dan belijden ze daarmede te gelijker tijd hun tirannie en wreedheid, waardoor ze het volk van zich zelf afkeerig gemaakt hebben. En indien het volk mij vrijwillig gekozen heeft om zijn vrijheid te verdedigen, wat kan men dan anders zeggen, wat zullen de vreemde volken zeggen, zoo niet dit: dat het volk heeft gemeend, dat er iets in mij was, hun gunst en vriendschap waard, en dat er in hen iets was, waardig een uitersten haat. Ik belijd hun dus, dat ik ben en zal zijn mijn geheele leven populair, d. w. z. dat ik uw privilegiën zal handhaven en verdedigen. Wat zijn hun wijze hersenen toch ontbloot van gezond verstand; terwijl zij meenen mij te blameeren, doen ze niet anders dan mij prijzen... Hem, dien ze het leven onwaard keuren, om het heil van de publieke zaak te dienen (want wat is anders dat heil dan de welvaart van het volk?), zullen ze door hun dwaasheid zooveel meer geëerd maken, als het volk meer hem acht, die het wil handhaven, dan hem die het wil onderdrukken."

Doch waar zou het einde zijn, indien we den schrijver der Apologie op den voet volgden. Een voor een weerlegt hij alle beschuldigingen, tegen hem ingebracht. Doch hij stelt zich niet met zelfverdediging tevreden, zelf valt hij ook aan en in dien aanval is hij niet altijd billijk, n.l. daar niet, waar hij de oneer hem aangedaan, door zijn derde vrouw in het geding te brengen, bespreekt met het vermelden van feiten, welker waarheid niet boven bedenking is verheven. En van het slot nog deze mooie woorden:

"En nu wat mij zelf in het bijzonder aangaat, gij ziet, mijne heeren, dat het dit hoofd is, dat ze zoeken; dat hebben zij met zulk een prijs, met zulk een groote som gelds ten doode bestemd en gewijd, omdat de oorlog niet eindigen zal, zooals ze zeggen, zoolang ik bij u ben. God gave, dat mijne eeuwige verbanning of zelfs mijn dood u kon aanbrengen de ware bevrijding van zooveel kwaad en onheil, als de Spanjaarden, die ik zoo dikwijls heb zien beraadslagen en die ik van buiten en van binnen ken, u berokkenen! Wat zou die verbanning mij lief, die dood mij aangenaam zijn! Want waarom heb ik al mijn goederen in de waagschaal gesteld? Was het om mij te verrijken? Waarom heb ik mijn eigen broeders verloren die ik meer dan mijn leven liefhad? Was het, om anderen te vinden? Waarom heb ik mijn zoon zoolang gevangen gelaten, mijn zoon, dien ik zoozeer moet terug wenschen als vader? Kunt gij hem mij teruggeven? Waarom heb ik mijn leven zoo dikwijls aan gevaren blootgesteld? Welken prijs kan ik anders voor langdurigen arbeid verwachten, zoo het niet is, voor U, zelfs ten koste van mijn bloed, de vrijheid te verkrijgen? Indien gij oordeelt, mijne heeren, dat òf mijne afwezigheid òf zelfs mijn dood u kan dienen, ik ben bereid te gehoorzamen: beveel, zend mij naar de einden der aarde, ik zal uw bevel opvolgen. Ziedaar mijn hoofd. Geen vorst noch koning heeft er macht over, alleen gij beschikt er over ten uwen beste, tot het behoud van Uw gemeenebest. Doch indien gij oordeelt, dat mijn kleine ervaring en ijver, dat de rest mijner goederen en van mijn leven u nog kunnen dienen, beslist dan over alle punten, die ik U voorstel. En indien gij meent, dat ik eenige liefde tot het vaderland bezit, dat ik eenige bekwaamheid heb, om U te raden, geloof dan ook, dat het het eenige middel is, om U te bevrijden. Laat ons samen één van hart en wil voortgaan; omhelzen wij samen de verdediging van dit goede volk, dat niet anders vraagt, dan goeden raad en niet anders wenscht, dan dien te volgen. En indien gij, dit doende, voortgaat mij de gunst te toonen, die gij mij van lange her hebt bewezen, dan hoop ik, met Uw hulp en de genade van God, die ik zoo vaak ondervonden heb in radelooze oogenblikken, dat ik, wat door U is besloten, zal kunnen handhaven voor het welzijn en het behoud van U zelf, uwe vrouw en kinderen en van alle heilige zaken." "Je maintiendrai."

Aan dit devies van zijn wapen zou dus de Prins omtrent Nederland getrouw zijn.

De ban en de apologie vormden tal van dagen een punt van bespreking in de Staten, met het gevolg, dat zij hun volkomen vertrouwen in den Prins uitspraken en hem tot zijn veiligheid een versterkte lijfwacht aanboden; ze vernieuwden de belofte, Oranje in alle opzichten te zullen bijstaan.

Wanneer wij ons nu de onderhandelingen met Anjou te binnen brengen, die de Prins in het jaar 1580 met geweld doorzette, en ons daarbij voor den geest stellen hoe zoowel de ban als de apologie uit datzelfde jaar dagteekenen, dan bevreemdt ons de ijver van Oranje nog minder, om de souvereiniteit van Filips op Anjou over te brengen.

Door den verachtelijken ban geprikkeld, gaf Oranje des te eer aan zijn voornemen gevolg, om de banden met Spanje voor goed te verscheuren. Tot dien tijd had de naam des konings hem nog gediend, om al zijn officieele daden te verrichten; die naam was thans die ijdele eer niet meer waard. Uit alle staatsstukken van de Nederlanden moest de naam worden uitgewischt van een koning, die zich het regeeren onwaard had getoond. In Holland en Zeeland wilde men van een verplaatsing van de souvereiniteit naar Anjou niets weten. Daar stond men op het punt, den Prins de grafelijke waardigheid op te dragen; alleen indien dit geschiedde, zou men voor den vorm in den nieuwen landsheer berusten.

In Juni 1581 nam Matthias, dien men in dat alles weinig of niet gekend had, zijn ontslag. De schadeloosstelling, die men beloofde, werd later niet eens geschonken. De oude beschermeling van den hertog van Aerschot, door den Prins tijdelijk als zijn werktuig gebruikt, werd eenvoudig op zij gezet. Zijn schijnregeering hier te lande was zoo onbeduidend mogelijk geweest. Toen hij in 1612 zijn broeder Rudolf als keizer opvolgde, barstte onder zijn regeering de jammervolle 30-jarige oorlog in Duitschland uit. (1618)

De Prins werd uitgenoodigd, om tot de komst van Anjou, met de Staten-Generaal het landsbestuur in handen te nemen, hetgeen hij na eenige aarzeling deed. Hij werd dus voorloopig landvoogd voor de Staten-Generaal; buitendien had hij de souvereiniteit over Holland en Zeeland, al wilde hij nog niet van den titel van graaf weten, om Anjou niet te ontstemmen, wien eigenlijk over die gewesten het graafschap in naam althans toeviel. Doch de Staten van Holland en Zeeland wilden Anjou als zoodanig niet erkennen en ze gaven daarom voorloopig de "hooge overheid" aan Oranje. In Zeeland werd buitendien zijn macht zeer vergroot, door den aankoop van het markiezaat van Veere en Vlissingen in 1581, waardoor hij zelfstandig in het bezit der functiën van Eersten Edele kwam.

Het is hier de plaats niet, om de voorloopige voorzieningen in de regeering der verschillende gewesten, die dringend noodig waren geworden, te beschrijven. Alleen in zoover ze in betrekking stonden tot den Prins, moet er iets van worden vermeld. Wat Utrecht aangaat, daarover behield Oranje het stadhouderschap. De moeilijkheid bestond daar vooral in de verhouding tusschen de macht der katholieke geestelijkheid en de Staten. Die macht der geestelijkheid was voorheen zeer overwegend geweest; de voortgang van het Calvinisme maakte verandering onmisbaar.