Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 47
Ook Rennenberg dus ontrouw aan de goede zaak! Het was een groot verlies, vooral ook, omdat het gevaarlijk was voor het gezag in het Noorden, want in die gewesten bestond een sterke beweging ten gunste van den koning van Spanje en het katholiek geloof. Het gevolg hiervan was, dat in het Noorden een langdurige oorlogstoestand ontstond, die pas met de Reductie van Groningen in 1594 ten gunste der Staten is geëindigd.
Inmiddels was Oranje in Holland gebleven en tal van steden, in het bijzonder Amsterdam, hadden hem geestdriftig ontvangen. Gedurende die reis bleef Charlotte in Antwerpen en handelde als plaatsvervangster van haar afwezigen gemaal. De Prins had bevolen, dat alle papieren aan haar getoond zouden worden, voor ze verder verzonden werden. Hij had een te zware taak in het Noorden te vervullen, om reeds zoo spoedig naar Antwerpen terug te keeren, te meer, omdat hij zich vast had voorgenomen, zijn doel met Anjou te bereiken, welken tegenstand hij daarbij ook mocht ondervinden.
Bij de vele tegenwerking, die hij daarbij van alle zijden had, was het gelukkig, dat hij in dat plan krachtig gesteund werd door Marnix, die tengevolge van Anjou's vroegere vriendschappelijke verhouding tusschen de Hugenoten, zeer met hem was ingenomen. Hij schreef zelfs op verzoek van Oranje een geschrift, waarin de zaak van den Franschen prins werd verdedigd.
In Holland belegde Oranje een zoogenaamde "Groote Vergadering," waarin ook de kleine steden vertegenwoordigd waren. In die vergadering wilde men de stelling handhaven, die men in 1576 had ingenomen. In de practijk hadden ze reeds toen de gehoorzaamheid aan Filips opgezegd; nu waren ze bereid zelfs zijn naam uit hun staatsstukken te verwijderen, maar in plaats daarvan die van Anjou te stellen, daartoe konden ze niet overgaan. Ze verklaarden het gezag alleen aan Oranje te willen toekennen. Merkwaardig, dat de Prins in de streek, waar zijn persoonlijke invloed het sterkst was, in deze gewichtige aangelegenheid zoo weinig kon uitwerken. Het was als met de erkenning van Matthias, waarin Holland Oranje ook niet gevolgd had.
De Staten besloten ten slotte, dat de namen van hen en van Oranje aan het hoofd van alle stukken zouden geplaatst worden; ze wilden hem zelfs den titel van graaf van Holland geven. Deze besluiten bleven echter geheim en alleen op voorwaarde dat Anjou deze beperking van souvereiniteit zou toestaan, mocht de Prins verder met Anjou onderhandelen.
Ook de andere gewesten toonden zich niet begeerig den Franschen prins te erkennen en de invloed van Jan van Nassau was daar duidelijk te bespeuren. Toen Oranje den 7en April den Haag verliet en naar Antwerpen terugkeerde, bleef hij er bij, dat het noodzakelijk was, zijn wil ten opzichte van Anjou, te doen zegevieren.
Jan van Nassau vertrok in den loop van den zomer ook uit het land. We zagen reeds, dat niet alleen familieomstandigheden hem noopten dit besluit te nemen; zijn kinderen hadden zeker een groote behoefte aan zijn terugkeer, terwijl hij tevens een tweede huwelijk wilde sluiten met Kunigonde, dochter van den keurvorst van de Paltz. Toch was dit niet de hoofdreden van zijn vertrek. Hij kon het nu eenmaal niet eens worden met de plannen van zijn broer; het verbond met Frankrijk vond hij verschrikkelijk en in de Unie had hij zoo weinig vertrouwen, dat een directeurschap van die Unie hem ook niet toelachte. Bovendien was zijn positie in Gelderland allesbehalve te benijden, want wantrouwen, tegenwerking, ja zelfs armoede in den letterlijken zin van het woord waren zijn deel.
"De bakker heeft laten weten, dat hij na morgen geen brood meer wil borgen, vóór hij betaald is," schreef de graaf in November en met den slager scheen het niet beter gesteld, want in datzelfde schrijven stond: "De kok heeft dikwijls geen vleesch om te braden, zoodat we vaak 's avonds zonder eten naar bed moeten gaan."
Het is licht te begrijpen, dat zijn vertrek voor den Prins een groot verlies was. Toen Oranje en Charlotte hem bij zijn huwelijk hartelijke brieven zonden, konden ze niet nalaten, de hoop uit te spreken, dat zijn vertrek uit de Nederlanden slechts tijdelijk zou zijn, maar de graaf wilde zich niet langer met de troebelen der Nederlanden inlaten. Ook het pak pamfletten door den Prins aan Jan gezonden, waarmede hij zijn terugkeer wilde bewerken, baatte niet. Graaf Jan scheen het eens te wezen met Johan Casimir, die hem in een brief gelukwenschte, uit dien chaos weg te zijn.
De Prins bleef alleen en voelde zich wel verlaten, want in een brief aan zijn vriend Lazarus de Schwendi paste hij het oude latijnsche spreekwoord op zich toe: "zoolang gij gelukkig zult zijn, zult gij vele vrienden hebben; worden de tijden donker, dan is er niet een."
Toen Jan van Nassau in Dillenburg terugkeerde, was Juliana van Stolberg overleden.
De laatste jaren van haar leven had ze tenminste het voorrecht gehad haar zoon Willem gelukkig gehuwd te zien, hetgeen voor de oude moeder een groote troost moet geweest zijn. We zagen reeds hoe bijzonder Juliana zich over de verbintenis van haar zoon met Charlotte van Bourbon had verheugd en ook hoe deze het hart van haar schoonmoeder wist te winnen. Ofschoon de verschillende taal wel een beletsel was voor een gemakkelijken omgang, bewezen tal van vriendelijke attenties hoe hartelijk de verhouding dier beide vrouwen was. Het in 1576 geboren kind kreeg ook den naam van Louise Juliana en de gouden armband, die Juliana van Stolberg in de laatste dagen droeg, was een geschenk van Charlotte.
Hoe eenzaam haar laatste levensjaren ook waren, aan hartelijke belangstelling in den grooten krijg in de Nederlanden ontbrak het haar nooit. Nog in 1577 schrijft ze van uit Siegen aan den Prins, dat hij toch nooit een vrede ten koste van het geweten moet sluiten. Wat verlangt ze in die dagen naar bericht en hoor haar waarschuwend woord, wanneer ze den Prins voor oogen houdt, dat de Satan zich in een schapenvacht hult om binnenkort als een verscheurende wolf te voorschijn te komen, waardoor vele vrome Christenen in groote treurigheid zullen worden gebracht. En dan haar vermaning aan het slot: "Het is beter het tijdelijke dan het eeuwige te verliezen."
Voortdurend houden de verwanten van Juliana haar op de hoogte van wat er in de Nederlanden voorvalt. Als ze in 1579 verneemt, hoe de pogingen tot het sluiten van een algemeenen vrede weder zijn mislukt, daar van Spanje geen gewetensvrijheid is te verkrijgen en ze bovendien hoort spreken over de krasse maatregelen, die men zal nemen, dan schrikt de oude, beproefde vrouw wederom op en schrijft vol droefheid in haar hart aan Jan van Nassau. In dezen brief, eenige maanden voor haar dood geschreven, vraagt ze dringend om nadere berichten, en spreekt ze de hoop uit, dat God ten slotte een goeden vrede zal geven.
Hoe heerlijk voor haar, kort voor haar heengaan nog uit een brief van den Prins te hooren, dat trots alle verleidelijke aanbiedingen, niemand in de Nederlanden er over denkt een vrede te begeeren, welke tegen God zou strijden, ze zullen er eerder alles aan wagen, dan dien schat te verliezen.
Welk eene troostwoorden in haar laatste levensdagen!
Geen vrede zonder gewetensvrijheid, dat had ze haar zonen steeds voorgehouden en ze kon nu gerust haar hoofd ter neer leggen, verzekerd als ze was, dat haar kinderen, die daar ginds den grooten strijd volhielden, aan haar hoofdbeginsel trouw bleven: "het Eeuwige meer te achten dan het tijdelijke."
"De dood sluipt mij zachtkens achterna," heet het in een harer laatste brieven; haar voorgevoel bedroog haar niet. Den 18en Juni 1580 overleed zij; van al haar verwanten was alleen Graaf Ernst van Schauenburg bij haar heengaan tegenwoordig. Den 22en Juni had de begrafenis plaats en thans kan men nog altijd in de Dillenburger kerk het goed onderhouden grafmonument van de stammoeder onzer Oranje's vinden.
Een merkwaardige figuur verdween met Juliana van Stolberg. Wat zij voor ons volk is geweest van uit haar Dillenburger kasteel, kan niet genoeg door ons worden gewaardeerd. Onze strijd in de bange jaren van den krijg tegen Spanje was de hare en niet ten onrechte wordt zij wel de priesteres genoemd van den bevrijder der Nederlanden en zijne medestrijders.
Zij zag in den strijd van haar zoon de bevrijding van de Evangelische geloofsgenooten van den gewetensdwang en de mogelijkheid van vrije Evangelische prediking. Daarvoor offert ze haar zonen, drie ontvallen haar bij Heiligerlee en Mook, twee anderen blijven in groot gevaar, ver van haar verwijderd, maar daarover klaagt de arme moeder niet. Zoo terecht heeft men gezegd, dat zij zeker wel het meest van al de Nassau's heeft geleden, zij, die niet in de Nederlanden is gekomen, maar daar van uit haar Dillenburger kasteel al haar zonen zag heengaan om ze niet meer te zien wederkeeren.
Parma had in die dagen meer succes. Niet alleen was Rennenbergs verraad een buitenkansje voor hem, maar ook in het Zuiden won hij terrein, vooral na het gevangen nemen van den ijverigen Hugenoot La Noue.
Dit alles prikkelde Oranje tot beëindiging van de onderhandelingen met Anjou, want daarna rekende hij stellig op Fransche hulp. Hij wist het ten slotte zoover te brengen, dat de Staten-Generaal in Augustus besloten, een deputatie naar Anjou te zenden, die daar reeds geruimen tijd te Plessis bij Tours op had gewacht. Aan het hoofd daarvan stond Marnix; verder twee Vlamingen, twee Brabanders en twee uit het Noorden. Brabant en Vlaanderen zouden onmiddellijk onder Anjou staan, Holland en Zeeland onder den Prins, terwijl daar, evenals in de rest der Noordelijke Unie, de souvereiniteit van Anjou slechts een naam zou zijn.
Den 19en September kwam, na tal van bezwaren, door Anjou geopperd, het verdrag van Plessis-les-Tours tot stand, waarbij de vierde zoon van Catharina de Medicis de souvereiniteit over de Nederlanden ontving.
Oranje had dus zijn doel bereikt! Thans zouden de resultaten moeten worden afgewacht, want de toegezegde hulp van Frankrijk kon de eenige redelijke grond voor het verdrag zijn.
JULIANA, Gravin van Stolberg en Wernigerode.
Dochter van Graaf Botha van Stolberg (1467-1538) en Anna, dochter van Graaf Filips van Eppstein-Königstein. Geboren 15 Februari 1506 [+] 18 Juni 1580
Gehuwd: I. 9 Juni 1523 Filips II, Graaf van Hanau-Minzenberg, geb. 17 Augustus 1501, [+] 28 Maart 1529.
II. 20 Sept. 1531 Willem de Rijke, Graaf v. Nassau-Catzenellenbogen-Dillenburg, geb. 10 April 1487 [+] 6 Oct. 1559.
I I I I Reinhard Katharina Fillips III Reinhard geb. geb. geb. geb. 10 April 1524 26 Maart 1525 30 Nov. 1526 8 April 1528 [+] 12 April 1525. [+] na [+] 14 Nov. 1561 [+] 10 Oct 1554. 15 Juni 1581 geh. 22 Nov. 1551 geh. 1545 Helena, dochter Graaf Johan IV van Johan II v. Wied van Palz- [+] 15 Juni 1581 Simmern. Zeven kinderen. (uitgestorven.) (Stammoeder van het Huis v. Wied.)
I Stiefkinderen. Juliana a. b. geb. Elisabeth Magdalena 30 Maart 1529 geb. Oct 1515 geb. 6 Oct 1522 [+] 8 Juli 1595 [+] Jan. 1525. [+] 18 Aug. 1567 geh. I. 1549 geh. 1538 met Thomas Graaf Herman, Graaf van Daun en van Nuenar en Kyrborg [+] 1533 Moers. [+] 4 Dec. 1578. a. Anna geh. met Wilhelm, Heer van Crichingen.
b. Juliana geh. met Ernst, Graaf van Mansfelt.
II. 1567 Herman, Graaf van Manderscheid- Blankenheim. [+] 1604.
II II II Willem I Hermanna Jan (de Zwijger geb. 9 Aug. 1534 geb. 22 Nov. 1536 (Zie familiestam.) jong gestorven. [+] 8 Oct. 1606 geh. I. 1559 Elisabeth doch- ter George van Leuchtenburg [+] 1579. II. 1580 Kunigunde dochter Fred. III Keurvorst v. d. Paltz [+] 1586. III. 1586 Jeannette doch- ter Gr. Lodewijk van Sayn. Twintig kin- deren. Voortzet- ting Dillenburg- sche, stichting tal van andere liniën o.a. door kleind. v. Jan. Huis Waldeck.
II II II Lodewijk Maria* Adolf geb. geb. geb. 11 Juli 1540 10 Januari 1538 18 Maart 1539 [+] 24 Mei 1568 [+] 14 April 1574 [+] Januari 1599 (Sneuvelt bij (Sneuvelt op de geh. 1556 Willem Heiligerlee.) Mookerheide.) Graaf v. d. Berg [+] 1586. Negen kinderen. Sterft in 1712 in mannel. linie uit met Oswald III, die Frans Willem van Hohenzollern- Sigmaringen tot erfgenaam van zijn bezit- tingen in Zutfen maakte.
II II II Anna Elisabeth Catharina geb. 21 Sept. 1541 geb. 25 Sept. 1542 geb. 29 Dec. 1543 [+] 12 Febr. 1616 [+] 18 Nov. 1603 [+] 25 Dec. 1624 geh. 1559 geh. 1559 geh. 1560 Graaf Albrecht Conrad, Graaf Günther, Graaf van Nassau- van Solms- v. Schwarzburg Weilburg Braunfels [+] 15 Mei 1583. [+] 11 Nov. 1593 [+] 27 Dec. 1592. Veertien Veertien kinderen. kinderen. Stammoeder Hieruit komt der linie het huis Solms. Nassau- Weilburg, enz.
II II II Juliana Magdalena Hendrik geb. 10 Aug. 1546 geb. 15 Dec 1547 geb. 15 Oct. 1550 [+] 31 Aug. 1588 [+] 16 Mei 1630 [+] 14 April 1574 geh. 14 Juni 1575 geh. 27 Jan. 1567 (Sneuvelt op de Albrecht, Graaf Wolfgang, Gr. Mookerheide.) v. Schwarzburg- v. Hohenlohe- Rudolstadt Weikersheim [+] 10 April 1605. [+] 1610 Tien kinderen. Veertien Huis kinderen. Schwarzburg- Hieruit stam- Rudolstadt. men Huizen Hohenlohen- Kirchberg enz.
* Abusievelijk niet vermeld op bladz. 3, terwijl het sterfjaar van Juliana's stiefkind Elisabeth moet zijn 1525 en geboorte en sterfjaar van Elisabeth uit het tweede huwelijk moeten zijn 1542-1603.
Ook moet op bladz. 3 als kind van Jan den Oude in plaats van Willem Lodewijk geplaatst worden Ernst Casimir, wiens zoon Willem Frederik huwde met Albertina Agnes.
Was de positie van Matthias tot heden weinig eervol geweest, thans kon men hem in het geheel niet meer gebruiken. Hij had als hoofd gefigureerd, maar nu men in 1581 de souvereiniteit aan Anjou had opgedragen, verviel het ambt van Matthias, die juist als landvoogd van Filips II was opgetreden.
Toen Marnix uit Frankrijk teruggekomen was met de aldaar geteekende overeenkomsten, werd de afzwering van den koning van Spanje een allereerste eisch voor den nieuwen Staat. De Staten-Generaal hadden reeds te voren hun zittingen van Antwerpen naar Amsterdam verplaatst, daar men zich in het Zuiden niet meer veilig achtte. Den 22en Juli 1581 was door de Staten van Holland aan den Prins de souvereiniteit over Holland en Zeeland nader aangeboden en den 26en Juli werd in den Haag de vervallenverklaring van den koning van Spanje plechtig uitgesproken.
De Generale Staten, uit die van Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Gelderland, Utrecht, Friesland, Overijsel en Mechelen zeiden formeel de gehoorzaamheid aan Filips II op.
In de wereldgeschiedenis is dit document, waarin de banden verscheurd werden tusschen den autocratischen Spaanschen koning en zijn onbevredigde onderdanen, hoogst merkwaardig. Het contract, gesloten tusschen den regeerder en zijn volk, was door den eersten verbroken, daar hij zijn verplichtingen niet had opgevolgd; daarom was de andere contracteerende partij niet langer gehouden aan haar verplichting tegenover hem en dus de afzwering van den koning voldoende gerechtvaardigd. Een groote zestig jaar later zou het Engelsche Parlement dit tegenover Karel I herhalen en twee eeuwen daarna liet het Amerikaansche Congres eveneens de wettige onafhankelijkheid van George III uitspreken.
De afzwering van Filips II is als een daad van de hoogste eerloosheid beschouwd, en bovenal van de zijde der Ultramontaansche geschiedschrijvers is een vloek uitgesproken over die snoodheid. Het is hier de plaats niet de wettigheid of het recht van die afzwering te onderzoeken; ook niet, in hoever men zich daarbij op het privilege van de "Joyeuse entrée" van Brabant beroepen kon. Ons is het voldoende, op te merken, dat de eed van afzwering niets nieuws aan de wereld verkondigde, maar eenvoudig bestaande toestanden bevestigde en verder, dat de Prins van Oranje van de dagen van 1568 af steeds openlijk het recht van verdrukte onderdanen heeft verdedigd, om zich tegen den vorst te verzetten, met een beroep op de souvereiniteit van het volk, waaraan ook vorsten ondergeschikt zijn.
In woord en daad had Oranje die denkbeelden reeds jaren lang verspreid en noch legitimisme, noch ultramontaansch staatsrecht zullen ooit in staat zijn, deze daad van het Nederlandsche volk als ongoddelijk voorgoed te brandmerken. Zoo ooit eenig volk recht heeft gehad, zich het juk van de schouders te werpen, dan wel de Nederlanden in de 16e eeuw, wier Calvinisme het hun daarbij voorschreef als een goddelijke plicht. Zonde, zware zonde zou het voor hen geweest zijn, langer een koning te dienen, die hun geen vrijheid van godsdienst zou geven, ja, hun geloof wilde verwoesten, niet minder dan Filips het zich als de zwaarste zonde zou hebben toegerekend, zoo hij hun godsdienstvrijheid had geschonken.
HOOFDSTUK XXIX.
BAN EN APOLOGIE. 1580.
Reeds voor en in 1573 had men over geheime moordaanslagen tegen den Prins gedacht. Granvelle zoowel als Alva waren daartoe de aanstokers geweest. Zoowel de een als de ander had echter een tijdlang Filips' ongenade moeten ondervinden. Granvelle vertoefde van 1574 af in een soort van ballingschap te Rome, maar was steeds op de hoogte gebleven van den toestand der Nederlanden door zijn ouden vriend Morillon, vicaris-generaal van zijn vroeger aartsbisdom. En Alva, wiens regeeringsstelsel in de Nederlanden, volgens vele vertrouwde raadgevers van den koning veel had bedorven, werd sedert 1574 evenmin aan het hof te Madrid geduld. In 1579 en in 1580 werden echter beiden, Granvelle zoowel als Alva, weer in genade aangenomen, de laatste om Portugal voor Spanje te gaan veroveren, de eerste, om den koning vooral voor de verwarde zaken in de Nederlanden van raad te dienen.
Nu was volgens den kardinaal de landvoogdij niet in goede handen bij Parma, en moest diens moeder Margareta weder een tijdlang als landvoogdes optreden, terwijl haar zoon het leger zou besturen. Vandaar, dat Filips' zuster nog eenmaal als hoofd der regeering optrad en van 1581-1583 uit Italië in de Nederlanden kwam. Ze liet echter haar zoon in alles handelen en na haar vertrek werd Parma weder zelf landvoogd.
Granvelle's politiek tegenover Oranje was een geheel andere dan die men tot dien tijd gevolgd had. Van onderhandelingen, zooals vroeger te Breda, te Geertruidenberg en te Keulen, wilde hij niet meer weten. Hij begreep terecht, dat bij de groote tegenstelling der beginselen zulk een onderhandeling geen vruchten dragen kon. Toch was en bleef Oranje de ziel van den geheelen opstand. Met zijn dood was, volgens zijn meening, alles uit. Doch niet langer moesten er geheime moordaanslagen bedacht worden, die de Prins, door zijn spionnen ingelicht, best kon ontkomen. Openlijk moest er een prijs op zijn leven worden gesteld.
Dit geschiedde door den ban, die in 1580 over het hoofd van den Prins werd uitgesproken. Zoo stelde Karel V een prijs op het hoofd van Maurits van Saksen en Karel IX op dat van Coligny. Bij Filips vond het voorstel aanstonds een gewillig oor en Granvelle haastte zich dan ook, aan Margareta van Parma zijn blijdschap te melden, dat Filips het plan had toegejuicht.