Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 46

Chapter 463,885 wordsPublic domain

Een poging van den Prins, op het congres in Keulen een wapenstilstand voor Maastricht te verkrijgen, was afgestuit op een weigering van Parma, die wel wist, dat Maastricht het niet lang meer zou uithouden. De verovering had bij verrassing plaats, toen de stad nog in diepen slaap was. Er volgde een moord met al zijn onbeschrijflijke verschrikkingen, zooals Spaansche soldaten, die 4 maanden in gevaar en nood hadden geleefd, alleen konden volvoeren. Al moge het getal van 8000 omgekomenen bij de belegering en den driedaagschen moord wat overdreven zijn, zeker is het waar, dat de helft der bevolking door het zwaard of de pest is omgekomen en dat Maastricht en omstreken voor geruimen tijd in de grootste ellende en armoede gedompeld waren. Geen wonder, dat Parma na deze groote overwinning voor de Spaansche zaak, den 3en Juli zijn zege-intocht in de arme stad hield.

Het was een vreeselijke slag voor de nationale partij van het Noorden en daarbij allernoodlottigst voor den naam van den Prins, die algemeen beschuldigd werd, de stad aan haar lot te hebben overgelaten. De inwoners, zoo sprak men, hadden op hem vertrouwd. Hij had toch hulp en verlossing beloofd, indien ze het konden uithouden? Wat men na de nederlaag op de Mookerheide had gezegd, werd thans herhaald n. l. dat zijn halfheid en uitstel de ramp hadden veroorzaakt. Geen held van eenig volk ontgaat zulk een oordeel, als tegenspoed hem achtervolgt. Toch was zulk een verwijt na den val van Maastricht voor den Prins zeer moeilijk te dragen.

Het waren donkere dagen voor Oranje, want behalve het verlies van deze stad moest het hem ook wel droevig stemmen, dat tal van edelen de zijde van den koning kozen. In Juli ging de jonge graaf van Egmond, die den Prins eerst zoo dapper had terzijde gestaan, tot de partij van Filips over; iets later volgden Aerschot, Schets van Grobbendonck en anderen. Heze was reeds overgegaan, Havré zou spoedig volgen ja, zelfs de oudste zoon van Oranje's zwager, van den Berg, koos Parma's partij.

"Ik kan den Prins nu niet verlaten," schreef graaf Jan aan zijn Dillenburgsche vrienden, "daar hij bijna door iedereen in den steek wordt gelaten behalve door mij en den stadhouder van Friesland."

Ook deze zou binnenkort afvallig worden. Rennenberg, op wien Oranje geheel had vertrouwd, begon in het najaar sterk naar de Spaansche zijde te neigen. Zelf katholiek ergerde ook hem de rumoerige beweging der Calvinisten in het Noorden, maar de doorslag gaf niet die ergernis, maar wel de belooning, welke hem werd toegezegd en ook de vrees, misschien zelf het slachtoffer te worden. In Maart had de overgang pas plaats, nadat Oranje nog door een persoonlijk bezoek had geprobeerd, hem te weerhouden.

In de laatste maanden van 1579 was ook een poging in Keulen mislukt om den vrede te herstellen. Het plan was van Keizer Rudolf uitgegaan en Filips, vroeger nooit gezind zulk een congres te steunen, had ook een gezantschap gezonden. Tal van Europeesche mogendheden waren er samengekomen om de belangen der Nederlanden te bespreken. De Nederlandsche gezanten gaven niet onduidelijk te verstaan, dat, ingeval de vrede niet werd gesloten, men den koning als vervallen van zijn souvereiniteit zou beschouwen en het volk als ontheven van zijn eed van trouw. Doch wat konden onderhandelingen baten als de Spaansche koning niet toe wilde geven op het belangrijke punt van godsdienstvrijheid, hetgeen door de Staten-Generaal juist geëischt werd.

De afgevaardigden van dit college vertrokken, toen het duidelijk bleek, dat men niet tot overeenstemming kon komen, maar de vertegenwoordigers van vijf gewesten bleven en het gevolg hiervan was de officieele verzoening van het Zuiden met den koning.

Het is merkwaardig, dat in dien tijd toen er geen couranten waren, die uitdrukking gaven aan eene publieke meening, een land zoo spoedig onder den algemeenen indruk kon komen van de verschillende gebeurtenissen. Toch was dit zoo, want in den zomer van 1579 bestond er tegen Oranje een algemeen wantrouwen, zoo hemelsbreed verschillend van de warme gevoelens, die eenige maanden vroeger voor "Vader Willem" gekoesterd werden.

"Ik kan niet genoeg zijn voorzichtigheid en gelijkmoedigheid, om zooveel zaken en zooveel beleedigingen te dragen, bewonderen. Ik geloof, dat er in de Christelijke wereld geen eminenter man bestaat," zoo schreef Hubert Languet aan Sidney.

Nergens zaten zijn vijanden stil, overal was men bezig zijn gezag te ondermijnen en we kunnen ons zoo begrijpen, dat Oranje aan de Magistraat van het woelige Gent o. a. schreef:

"..... Wil daarbij bedenken, dat zij die mij zoo blameeren, vrijheid van spreken hebben, doordat ik die vrijheid door het bloed mijner familie, door mijn werkzaamheden en de opoffering van mijn geld voor hen heb gekregen. Zij zijn alleen aan mij dank schuldig, dat ze zoo vrij over mij kunnen spreken."

Men ontzag zich zelfs niet, den Prins op schandelijke wijze te belasteren. Tot in de vergadering der Staten-Generaal drong die laster door. Er kwam een bode in Antwerpen met een brief aan de Staten, zoo vol lastertaal omtrent den Prins, dat de Secretaris van den Raad, die het stuk overluid begon te lezen, maar ziende wat de bedoeling er van was, daarmee twee, drie keeren uit louter schaamte ophield. De Prins dat bemerkende, nam toen den brief zelf in zijn handen en las hem tot het einde toe aan de vergadering voor. Dat was zeker de schoonste en edelste zelfverdediging; maar blijkbaar was de bedoeling van het schrijven, Oranje in algemeen diskrediet te brengen.

Was bij al dien afval, ontrouw en laster, Vlaanderen nog maar in rust gebleven, doch de Prins zei terecht van dit gewest: "Die oproeren in Vlaanderen bederven geheel onze zaken."

Nadat Oranje er de orde had hersteld bleef het er maar kort rustig; het fanatisme der Calvinisten ontwaakte echter weer en sloeg zelfs over naar Antwerpen, waar op den Hemelvaartsdag (28 Mei) een processie, die Matthias bijwoonde, aanleiding gaf tot een heftige uitbarsting van het gepeupel, waarbij twee menschen gedood werden en de landvoogd zelf in levensgevaar verkeerde. Oranje slaagde er wel in, verder bloedvergieten te voorkomen, maar in een vergadering van overheidspersonen dreigde hij, het land te zullen verlaten, indien de ongeregeldheden niet konden worden gestild. De magistraat beloofde zijn best te zullen doen, indien hij hen althans niet alleen liet.

De hoofdreden van deze nieuwe onlusten, welke ook in andere plaatsen, maar vooral in Gent voorkwamen, was het niet direct nakomen van de voorwaarden door de Malcontenten. Oranje werd daar weder het slachtoffer van den geloofshaat en Hembyze met Dathenus ontzagen zich niet hem openlijk en heftig te belasteren en de volkswoede om zijn verdraagzaamheid en Franschgezindheid tegen hem op te wekken. Die volksleiders riepen om Johan Casimir, dien zij als een vertrouwbaar geloofsgenoot wilden terughebben.

Dathenus noemde Oranje rondweg een godloochenaar, die even gemakkelijk van zijn godsdienst als van zijn kleedingstuk veranderde. Eerst nam de Prins geen notitie van die lastertaal, maar later schreef hij in een brief aan de Gentsche burgers:

"Men heeft mij verteld, dat Mr. Dathenus mij als een man zonder godsdienst of trouw, als iemand alleen door eerzucht beheerscht, heeft geteekend en dat hij ook andere dingen gezegd heeft, die hem in zijn ambt in het minst niet voegen. Ik geloof niet, dat het noodig is, daarop eenig antwoord te geven. Alleen wil ik zeggen, dat ik gaarne bereid ben, het oordeel daarover aan allen, die mij kennen, over te laten."

Nogmaals begreep Oranje, dat hij door persoonlijk bezoek iets goeds zou kunnen uitwerken. Toen hij kwam, stond Rijhove aan zijn zijde om met kracht Hembyze en Dathenus te weerstaan. Hoewel deze heeren niets ontzagen, Oranje bij het volk te belasteren en het te waarschuwen tegen de plannen van den Prins om het land aan Anjou en de Franschen over te geven, Oranje bleef hen meester. Hembyze werd uit de regeering gezet en gedwongen met Dathenus de vlucht te nemen. Ze zochten een wijkplaats bij Casimir in Duitschland, die ze onder zijn bescherming nam.

Het jaar 1579 bracht dus wel nieuwe angsten en gevaren voor den Prins. Hoe weinigen zouden te midden van zooveel verraad en ontrouw, laster en afval, zijn staande gebleven! Hoevelen zouden in zulk een bangen strijd de voordeelige voorwaarden van het Congres van Keulen, die hem persoonlijk werden aangeboden, met beide handen hebben aangenomen! Niet alzoo de Zwijger. Hij verloor trots allen tegenstand zijn moed niet; zijn onwrikbaar geloof in de toekomst van het land en in die der vrijheid, hield hem staande. De Prins gevoelde die hopelooze verdeeldheid, terwijl Parma met den dag krachtiger werd; bovendien het vreeselijk lot van Maastricht bedreigde ook andere steden, terwijl hierdoor bij vernieuwing dringende behoefte aan buitenlandsche hulp ontstond. Dit leidde, zooals we later zullen zien, tot de aanbieding van de souvereiniteit aan den hertog van Anjou. Vele moeilijkheden waren echter nog te overwinnen, want tegen Anjou's candidatuur bestonden in het land groote bezwaren.

De verhouding van Oranje tot Anjou heeft misschien, meer dan eenige andere daad van hem, aan de afbrekende critiek van zijn vijanden blootgestaan en niet alleen zijn tegenpartij, maar ook tal van aanhangers van den Prins hebben zijn Fransche politiek veroordeeld.

Uit een openbaar gemaakte correspondentie is ten duidelijkste gebleken, dat de Staten-Generaal het werkelijk belang van het land op 't oog hadden, toen ze met Anjou nieuwe onderhandelingen aanknoopten. Deze was na de voorloopige erkenning van Filips te Atrecht en nadat hij bemerkt had, dat de Zuid-Nederlandsche heeren niet van hem gediend waren, den 19en Januari 1579 naar Frankrijk teruggekeerd, weinig vermoedende, dat zijn hulp zoo spoedig weer zou worden ingeroepen.

Door Anjou's gezant, die hij had achtergelaten, werden de betrekkingen met den Prins en de Staten-Generaal aangehouden. Tal van gewesten wilden niets van Anjou weten, zooals Vlaanderen en Holland, maar er was een omstandigheid, die de oppositie in 1579 wat kalmeerde. Elisabeth van Engeland, die vroeger gedreigd had haar steun te ontzeggen, indien de Nederlanden hulp bij Anjou zochten, was van politiek veranderd en wendde zelfs een huwelijk met Anjou voor. Ofschoon dit alleen een politieke kunstgreep van haar was tegenover Frankrijk en Spanje, gaf zij zóó een schijn van waarheid aan dit plan, dat men algemeen een huwelijk verwachtte. De hoop hierop was wel oorzaak, dat de antipathie tegen hem in het land verminderde, al bleef die nog zeer groot.

De Prins bleef bij zijn meening, dat de aanvaarding van Anjou's souvereiniteit het eenige middel zou zijn om den strijd tegen den koning van Spanje vol te houden. Hij gaf dit advies dan ook aan de Staten, maar liet duidelijk uitkomen, dat zij hierin moesten beslissen; de persoon van Anjou was hem onverschillig, maar als representant van Frankrijk zocht hij dezen vorst.

Vooral Jan van Nassau was zeer sterk tegen Anjou. Zijn streng Calvinisme veroorzaakte, dat hij van het ontrouwe, verraderlijke Frankrijk niets goeds verwachtte. Hij stelde Franschen en Spanjaarden op één lijn. Had hij zijn eigen wil in 1579 kunnen doorzetten, dan zou Graaf Jan reeds zijn stadhouderschap van Gelderland hebben neergelegd en naar Dillenburg zijn teruggekeerd. In Juli was daar des te meer reden voor, door het overlijden van zijn echtgenoote, gravin Elisabeth, wier dood door allen, ook door zijn oude moeder Juliana, ten zeerste werd betreurd.

Oranje liet echter zijn broer niet los; hij had hem te veel noodig en in het jaar van de Unie van Utrecht was hij in het Noorden de rechterhand van den Prins. Met de Fransche politiek kon broer Jan zich volstrekt niet vereenigen; er bestaat zelfs een memorandum van hem, waarin hij op de groote nadeelen van het verbond met Frankrijk wijst. Hij waarschuwt de landen daarin, zich toch niet in te laten met "dergelijke goddelooze tirannen" als Frankrijks vorsten en hij vreest, dat ze daardoor bij de nakomelingschap een slechten naam op zich laden.

Het verzet van Graaf Jan was wel begrijpelijk, maar thans kon zijn plan om zonder steun de zaak tot een goed einde te brengen, nog niet verwezenlijkt worden. Na tien jaar zou men tot de erkenning komen, dat een monarchie door een op zich zelf vertrouwende republiek te vervangen was. Te midden van al den tegenstand, die Oranje in 1579 beleefde, was het begrijpelijk, dat hij in de hulp van een nieuwen souverein de kracht tot behoud meende te vinden.

De Prins vond geen tijd, alle langdradige brieven en waarschuwingen van zijn broeder te beantwoorden en hij zond hem een kort bericht, waarin hij meldde, dat hij alles zorgvuldig had gelezen en den wensch tevens uitsprak, zijn broeder te spreken. Hij wilde Jan niet verliezen, maar voor dezen werd het blijven op den duur zeer moeilijk, want ook in Nassau hadden zijn kinderen groote behoefte aan hem. Toch is het waarschijnlijk, dat niet dit laatste, maar wel de afkeuring van de politiek van den Prins, de hoofdoorzaak was van het vertrek uit Nederland in 1580. Graaf Jan meende nu eenmaal, dat de zoogenaamde verdraagzaamheid van den Prins, het leenen van een oor aan den duivel was.

Oranje ging op den ingeslagen weg voort en bereikte met Anjou in 1581 zijn doel.

HOOFDSTUK XXVIII.

ANJOU. JULIANA'S DOOD. AFZWERING VAN FILIPS II. 1580-1581.

Van de vele redevoeringen, welke de Prins tot de Staten-Generaal hield, was die op den 9en Januari 1580 wel de meest merkwaardige, die wederom een nieuw bewijs is zoowel van zijn edel en grootmoedig hart, als van zijn diep doorzicht in de zaken van het land. Hij wilde voor het uiteengaan van de leden, die weken lang vruchteloos waren samen geweest, hen nog eens met ernst op hun verplichtingen wijzen in deze moeilijke dagen van de wording van den nieuwen Staat. Hun besluiteloosheid kende hij maar al te goed en zoolang dit zoo bleef, zou de ondergang van het land niet kunnen voorkomen worden. "Voor alle dingen," zegt hij, "moeten wij vaststellen of wij den vrede of den oorlog willen," en zinspelend op de aanbiedingen van het Congres te Keulen, vervolgt hij: "Als ik spreek van vrede, dan wil ik niet in algemeene termen praten. Want wie bestaat er, die zóó'n vijand is van zichzelf, zijne vrouw, zijne kinderen en wat nog meer zegt, van zijn land, die niet uit zijn volle hart den vrede verlangt, waardoor hij rustig en kalm zijn leven kan doorbrengen, het goede genieten, dat God hem heeft gegeven en God dienen naar zijn geweten? Maar ik spreek van den vrede, gelijk hij ons is aangeboden; want het is ijdel, om in het algemeen over den vrede te praten, als men de bijzondere omstandigheden niet in aanmerking neemt, die in de tractaten op den voorgrond worden geplaatst, om tot den vrede te komen."

"Ik wil niet van mij zelf spreken, Mijne Heeren; nooit heb ik mijn eigen belang gezocht, maar alleen de welvaart van het land; ik ken wel de valsche lasteringen, die op mij worden geworpen, niet door mijn vijanden alleen, maar ook door hen, die zeggen, mijne vrienden te zijn. Toch trek ik mij die op geenerlei wijze aan en ik wil dergelijke leugens niet bestrijden dan door de waarheid van mijn leven, dat ik aan den dienst van het algemeen gewijd heb, hetgeen ik hoop, dat God mij zal doen blijven najagen, zoolang ik leef. Want daardoor zal ik aan de nakomelingschap de oprechtheid en zuiverheid van al mijn bedoelingen doen kennen. Ik verzoek u daarom, Mijne Heeren, acht te geven op hetgeen ik u voorstel en op hetgeen ik u zeg en bevestig, hetgeen zoo dringend noodzakelijk is, dat ik zonder dat geen ander middel zie om het land, dat tot heden onder zooveel bezwaren door Gods hulp is bewaard, te kunnen redden."

Wie zich den inhoud van het vorig hoofdstuk te binnen brengt, zal dien toon niet ten volle verstaan? Alles scheen in 1579 samen te spannen, om den arbeid, dien Oranje verricht had, te vernietigen. Had hij te midden van zooveel angsten en tegenspoed nu maar van het eerste lichaam van den Staat, waarmede hij moest regeeren, krachtige ondersteuning gevonden!

Het ontbrak hem daarin niet aan talrijke vrienden en geestverwanten; maar wel verre, dat deze zich als één man rondom den Prins zouden geschaard hebben, waren er allerlei hindernissen, die hen tot geene daden brachten en die hen zelfs in dien benarden toestand tot besluiteloosheid doemden. Het was hetzelfde gebrek, dat ook later tijdens het bestuur der Republiek zooveel onheil teweegbracht; dezelfde leemten in de staatsinrichting, die vaak in de beste dagen van die Republiek tot zooveel uitstel, oneenigheid en daarom tot werkeloosheid leidden, ze openbaarden zich met al haar jammerlijke gevolgen reeds te midden van de wording van den Nederlandschen Staat.

Zoo ooit dan was in 1579 snel, krachtig, doortastend handelen noodzakelijk, en dit konden de leden der Staten-Generaal niet, want ze waren veel te afhankelijk. Het ontbrak eenvoudig aan een centrale macht; steeds moesten de verschillende gewesten en steden bij vernieuwing geraadpleegd worden over alles, wat men wilde besluiten.

De Prins zag zeer goed dat gebrek in; toen hij in Holland en Zeeland optrad, had hij met hetzelfde te strijden gehad. Er was een centrale macht noodig, een hoogste college, dat onmiddellijk besluiten kon, als de nood het eischte.

"In onzen gedesorganiseerden toestand is het geen wonder, dat wij slechts een stad (Maastricht), wel wonder, dat we niet reeds meerdere steden verloren hebben. We moeten een organisatie en een centrale macht hebben, Mijne Heeren, die beslissen en gehoorzaamheid eischen kan. Nu komt iedereen, die in nood is, tot mij, alsof ik alles in mijn hand heb, terwijl ik weet, hoe volkomen machteloos ik ben om te handelen. Zoowel de militaire als de financieele toestand eischt zulk een oppersten raad, die kan bevelen." In bijzonderheden wijst de Prins dit verder aan en dan eindigt hij met te zeggen:

"Gaat dan heen naar uwe gewesten en steden en doet ze verstaan als dringend noodzakelijk, wat ik u op het hart heb gedrukt. Ik bid u daarbij, te gelooven, dat dit geen redevoering is, die ik tot u gehouden heb, maar alleen een waarschuwing die, als ze niet wordt opgevolgd, den ondergang van het land ten gevolge hebben zal.... Indien uwe heeren en meesters een goed besluit nemen, dan hoop ik met Gods hulp, dat het land zal gespaard worden; en vast ben ik besloten met u te leven en te sterven."

Hoe goed zag Oranje de gebreken van de Staten-Generaal in, wanneer wij hem hooren in den brief aan de vier leden van Vlaanderen:

"Kiest bovenal vertegenwoordigers, die hart voor de zaak van het vaderland hebben en die bijzondere en partijdige belangen kunnen ter zijde stellen. De gedeputeerden handelen als advocaten, die door de gewesten of steden zijn aangesteld om op hun individueele eischen aan te dringen en hun lokale belangen te beschermen, in plaats van samen over het algemeen welzijn te beraadslagen als raadgevers, wien de publieke zaken zijn toevertrouwd."

Noch in de redevoering van den Prins, noch in den brief aan de vier leden van Vlaanderen wordt gesproken van het plan, Anjou's hulp in te roepen. Dit onderwerp was echter dikwijls in de vergaderingen der Staten-Generaal besproken en Oranje had zelfs een memorie opgesteld, waarin de voordeelen van de erkenning van Anjou boven den koning werden opgesomd. Ten slotte werd een ontwerp gemaakt, waaraan ook Oranje zijn goedkeuring had gehecht. De macht van Anjou werd daarin zeer beperkt. Hij zou zijn onafhankelijkheid van Frankrijk zoowel als de privilegiën moeten handhaven; den godsdienstvrede en de Uniën erkennen, terwijl zijn macht op financieel en militair gebied zeer zou begrensd zijn. Buitendien zouden de Staten-Generaal volkomen vrijheid van vergaderen hebben, terwijl Anjou ze minstens eens per jaar moest bijeenroepen. Het duurde nog geruimen tijd, eer de gewesten dat ontwerp hadden goedgekeurd; alleen Vlaanderen nam het onmiddellijk aan, de anderen stelden uit of weigerden.

De Prins ging zelf in het eind van Januari naar Holland, waarheen Matthias hem vergezelde. In het oude paleis der Nassau's te Breda werden eerst eenige dagen doorgebracht en op den 1en Februari ging Oranje naar den Haag, waar hij nog denzelfden dag aankwam. In drie jaar tijds had hij Holland niet gezien. De hoofdbedoeling van zijn tocht was, dit gewest persoonlijk te overreden, de souvereiniteit van Anjou te aanvaarden. Met groote hartelijkheid werd de Prins in Holland ontvangen en dat hem dit goed deed na al het wantrouwen in den laatsten tijd in Brabant ondervonden, kunnen wij ons voorstellen.

Terwijl Oranje daar was trof hem echter een zeer ernstig verlies door het verraad van Rennenberg, die zich aan het hoofd stelde der koningsgezinden in Groningen en op den 3en Maart, na vermeestering der stad, tot Parma overging.

Door onderschepte brieven was het den Prins duidelijk geworden, dat er aan de plannen van Rennenberg niet te twijfelen viel; hij wilde zich in dienst van den koning stellen, zoodat men het noodig achtte dat Oranje met hem een onderhoud zou hebben. Rennenberg, die daar heel begrijpelijk niet op gesteld was, begreep, dat hij terstond moest handelen, wilde hij zijn plan niet zien mislukken.

"Op den avond van den 3en Maart 1580," zoo verhaalt Motley, "had de graaf de aanzienlijkste families der stad op een bal en banket genoodigd. Aan den disch vroeg de eerste burgemeester, Hildebrand, den gastheer op den man af, wat er van de lasterlijke geruchten waar was, die in omloop waren; hij hoopte, zei hij, dat het niet zoo zou zijn en het alleen uitstrooisels van zijn vijanden waren. Alzoo ter verantwoording geroepen, vatte Rennenberg den burgemeester bij de hand en riep uit: "Wel, vader! hoe kunt gij, dien ik als een vader eer, mij van zulk een boos stuk verdenken? Ik bid u, stel vertrouwen in mij en heb geen vrees."

Zoo stelde hij den burgemeester en de overige gasten gerust. Het banket en het dansen ging zijn gang, terwijl Rennenberg den aanslag regelde.

Nog dienzelfden nacht werden de voornaamste aanhangers der staatspartij uit hun bed opgelicht en naar de gevangenis gebracht, terwijl de geheime aanhangers van Rennenberg gewaarschuwd waren. Voor dag en dauw stoven schuitenvoerders en ander gespuis, welgewapend het marktplein op; zij droegen fakkels en vaandels en brachten de stille stad met hun getier in rep en roer. De plaats werd bezet, voor het stadhuis geschut geplant om de voornaamste straten te bestrijken en op verschillende punten werden verschansingen opgeworpen.

Nauwelijks was de dag aangebroken, of Rennenberg reed in volle wapenrusting het marktplein op, terwijl men merkte, dat hij zoo akelig bleek zag. Door dertig ruiters gevolgd, die evenals hij van top tot teen gewapend waren, riep hij de verzamelde menigte toe:

"Staat bij, staat bij, goede burgers! nu ben ik eerst uw Heer en Stadhouder."

Terwijl hij sprak, baanden zich eenigen der aanzienlijkste burgers, leden van den Raad, een weg door het gedrang en spraken de menigte op een toon van gezag toe om zoo het oproer te dempen. Een van Rennenbergs ruiters loste zijn karabijn op den voorsten der heeren, die niemand anders was dan burgemeester Hildebrand. Hij viel dood neder aan de voeten van den Stadhouder--van den man die hem weinige uren te voren de hand had gedrukt, hem vader genoemd en gesmeekt had, geen argwaan tegen hem te koesteren. De dood van dien aanzienlijken man bracht heel wat ontsteltenis teweeg. Rennenberg sprak zijn aanhangers toe en spoorde hen aan om wat zij vroeger misdaan hadden in het vervolg door ijver in 's konings dienst weder goed te maken. Eenige dagen later werd de stad weder plechtig aan den koning onderworpen, maar zoo overhaast was de graaf te werk gegaan, dat hij niet in staat was om, wat hij gehoopt had, ook de provincie mee te sleepen.