Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 45

Chapter 453,810 wordsPublic domain

De toestand werd nog erger toen Johan Casimir in Gent kwam en zich aan het hoofd der Calvinistische ijveraars stelde, want uit wraak, dat hij van de Staten zoo weinig steun ontving, verzette Casimir zich tegen alle pogingen, die Oranje in het werk stelde om Gent tot andere gedachten te brengen. Inmiddels hadden de Waalsche troepen onder Montigny Meenen bezet en deze stonden nu tegenover die van Casimir en Gent. Een burgeroorlog scheen onvermijdelijk. Vlaanderen aan de eene zijde, Henegouwen en Artois aan den anderen kant, begonnen zich feitelijk van de Staten-Generaal af te scheiden. De toestand was werkelijk wanhopig.

Wat zou de regeering zonder voldoend gezag en machteloos door geldgebrek kunnen uitvoeren in den verbitterden strijd, die was uitgebroken tusschen de Calvinistische democratie in Gent, gesteund door Casimirs troepen en het andere deel der staatsche krijgsmacht, de Waalsche soldaten, die bovendien nog aan het muiten sloegen wegens wanbetaling?

Inderdaad, waar geen redding mogelijk scheen, zou de Prins die althans ten deele aanbrengen. Hij wist door zijn beleid en persoonlijk optreden in Gent, de zaken zóó te besturen, dat in Vlaanderen aan den strijd een einde scheen te zullen komen. De Walen echter waren reeds te ver gegaan in hun reactie en veroorzaakten, dat de Unie der 17 gewesten uiteensprong.

Den 17en November was trots het verzet van Hembyze en anderen het besluit genomen, den Prins het gouvernement Vlaanderen aan te bieden en hem te verzoeken, persoonlijk naar Gent te komen, ten einde de twisten bij te leggen.

Oranje talmde niet van uit Antwerpen den weg naar Gent in te slaan, doch hij bleef voorloopig te Dendermonde. Hembyze en de zijnen vertrouwde hij zoo weinig, dat hij eerst alle maatregelen voor zijne veiligheid liet nemen, en de Gentenaars liet beloven, dat ze voor zijn leven zouden instaan, voor en aleer hij naar de stad trok. Ondertusschen kwamen Casimir, Rijhove e. a. hem reeds te Dendermonde bezoeken. Zonder voorbehoud liet hij zich tegen Hembyze en zijn aanhang uit, die dus wisten, wat hun te wachten stond, als hij in Gent aankwam. Die heethoofd stelde daarom alles in het werk, om Oranje's komst nog te beletten. Hij meende terecht, dat het dan met zijn rijk en macht gedaan zou zijn. Ter elfder ure stelde hij nog voor, Casimir volmacht te geven, om met Oranje een accoord te Dendermonde te sluiten. Maar op het bericht, dat de Prins eerstdaags komen zou, zoo men hem zijn veiligheid waarborgde, werd over dit voorstel niet eens meer gesproken.

Den 2en December hield de Prins een plechtigen intocht in Gent, begeleid door wel duizend menschen, uit zijn lijfwacht en eerewacht bestaande. Gentsche ruiters, met Johan Casimir aan het hoofd, kwamen hem te gemoet. Ook Hembyze nam den schijn aan, van mede den Prins die hulde te bewijzen. Doch Oranje doorzag dien man geheel en was niet voornemens hem te sparen. Hij wist, dat Hembyze, dien hij eertijds zoo hoog geroemd had, een fanatiek drijver, een tyran voor het volk was geworden.

Wilde er dus iets van Gent terecht komen, dan moest allereerst die leider vernederd en beschaamd worden. Dat oogenblik liet niet lang op zich wachten. Want nauwelijks had de magistraat den Prins in het verblijf van Casimir verwelkomd en was de afspraak gemaakt, dat men den volgenden ochtend de beraadslaging zou aanvangen, of Oranje vroeg, wie hunner hem rekenschap kon geven van de vele troepen, die op weg naar Gent waren. Het schijnt dat Hembyze die troepen had ontboden, om zich en de zijnen te doen beschermen. Die troepen moesten aanstonds terug en toen Hembyze zich niet wist te verantwoorden, zei de Prins hem duchtig de waarheid en de Gentsche volksmenner stond geheel bedremmeld en wist niet hoe zich te redden.

Het is bekend, hoe die Calvinistische drijvers, met Hembyze en Dathenus aan het hoofd, zich niet hadden ontzien, om den Prins openlijk een godloochenaar te schelden. Omdat hij elken vorm van godsdienstig leven kon waardeeren en van elken vorm de religie van het hart onafhankelijk maakte, daarom kon de Prins vrijheid van godsdienst voor beide gelooven eischen en daarom kon hij zelf, uit louter inschikkelijkheid, zich een jaar of langer van allen eeredienst onthouden, om allen te sparen. Doch die breede opvatting kon geen der partijen dulden.

Hoevele eeuwen zouden nog moeten voorbijgaan, eer de Nathan der Weise, eer de fabel der 3 ringen werd verstaan en toegepast! Hoe weinig worden die nog begrepen in onze dagen, nu hoe langer hoe meer licht over het eigenlijk wezen van den godsdienst is opgegaan! Hoe machtig zijn nog de terughoudende krachten van vooroordeel, verblinding en huichelarij!

Maar dan kan het ons niet bevreemden, dat de Prins in zijn godsdienst door zijne tijdgenooten niet verstaan werd, dat Oranje's verheven zijn boven alle vormen door hen als verregaande onverschilligheid, ja zelfs als goddeloosheid werd aangemerkt. De Prins wilde echter dat merkteeken niet dragen, hij eischte in het recht gesteld te worden tegen hen, die hem voor atheïst hadden uitgekreten. Harde woorden vielen er uit zijn mond over Hembyze en zijn aanhangers en al gaven deze niet aanstonds hun verzet tegen Oranje op, de zedelijke nederlagen, die ze telkens in de eerste dagen leden, maakten het waarschijnlijk, dat de Prins er in slagen zou, de gewenschte orde te herstellen.

De Prins had reeds vroeger een acte van aanneming opgesteld, waarin aan de geestelijken hun eigendom werd verzekerd, de R. Katholieke godsdienst vrij mocht worden uitgeoefend en de eisch werd gesteld, dat de gevangenen zouden worden losgelaten. Behalve deze bepalingen, die als grondslag moesten dienen om de onderhandelingen te beginnen, stelde hij nu in een vergadering van de magistraat nog andere bepalingen voor, die behalve een algemeene amnestie en een betere regeling der geldmiddelen, ook inhielden: Behandeling der stadszaken volgens de oude privileges.

Wie zich herinnert, hoe Gent op die oude privileges stond, kan niet anders dan de hooge wijsheid van Oranje roemen, om daardoor de Gentenaars te winnen. Dat hunne stedelijke zaken naar hun oude voorrechten zouden behandeld worden, was voor de inwoners, die 40 jaar geleden al die voorrechten onder de straffende hand van Karel V hadden verloren, een groote vreugde. Dat vooruitzicht gaf aan de betere stemming, waarin de stad door Oranje's komst gekomen was, nog verhoogden klank. Wel trachtte Hembyze nog een spaak in het wiel te steken, maar zijn poging mislukte en zoo was er grond voor de verwachting, dat niet alleen Gent weer voor de goede zaak der eendracht zou worden gewonnen, maar ook, dat er een schikking zou gevonden worden tusschen Gent en de Malcontenten uit Artois en Henegouwen.

Op den 5en December begonnen de beraadslagingen over de voorstellen van den Prins, eerst met eene daartoe benoemde commissie, daarna met de drie leden van de Poorterij, de Weverij en de Neringen. De dekens der laatstgenoemde, onder wie Hembyze vele aanhangers telde, waren nog niet zoo gemakkelijk te overreden, doch eindelijk gaven ook zij toe.

De R. Katholieke geestelijken ontvingen niet alleen hun eigendommen terug, maar ze behielden ook volle vrijheid van godsdienst, zoowel in Gent als in geheel Vlaanderen. Gent beloofde trouw aan de Unie, terwijl de Staten-Generaal zouden zorgen, dat de Walen uit Vlaanderen vertrokken enz.

Door het groot beleid van den Prins was het gelukt, Gent tot rede te brengen en had de stad al de eischen toegestaan, die de Staten-Generaal haar deden. Oranje kondigde buitendien een algemeene amnestie af en gaf zelf het meest krasse bewijs zijner verdraagzaamheid en vergevensgezindheid, toen hij alle pogingen bestreed om Hembyze uit de magistraat te verwijderen en toen hij zelfs aannam, nog de gast van Hembyze te willen zijn.

In de woning van zijn grootsten tegenstander in Gent bracht hij toen met Casimir eenige dagen door.

Wel duurde het nog tot den 27en, eer de Gentsche godsdienstvrede was afgekondigd, maar reeds op den 11en December was de stad tot rust gekomen.

Buitengewoon veel menschen- en wereldkennis was er noodig geweest dat resultaat te bereiken. Nog altijd was Gent de moeilijkste plaats om te besturen; ook nu had men wederom ervaren, dat het volk nog dezelfde hartstochtelijke karaktertrekken bezat als in de Middeleeuwen, toen de wijze Jacob van Artevelde als het slachtoffer van den haat en den hartstocht, door zijn stadgenooten zoo gruwelijk was vermoord.

Dat Oranje's optreden zulk een uitwerking op die bevolking veroorzaakt had, is een nieuw bewijs van zijn zedelijke grootheid en van zijn staatkundig genie. Door de grootste gestrengheid aan de eene zijde, maar ook door de uiterste lankmoedigheid aan den anderen kant, is hem het bedwingen van Gent gelukt.

Des te bedroevender was het, dat, waar die zware taak gelukkig was vervuld, de vruchten toch niet konden geplukt worden. Door het bedwingen van Gent was er groote kans op een schikking ook met de andere ontevredenen, maar de Waalsche gewesten waren, terwijl Oranje's aandacht geheel aan Gent was gewijd, in een andere richting gedreven, die voor de instandhouding van de Generale Unie niet minder gevaarlijk was.

HOOFDSTUK XXVII.

ORANJE EN DE UNIE VAN UTRECHT. NIEUWE ANGSTEN EN GEVAREN. 1578-1579.

In dezelfde maand December 1578, toen de Prins door zijn persoonlijk optreden in Gent de orde daar herstelde, was het door middel van intriges voorloopig gelukt, de Zuidelijke gewesten Artois en Henegouwen langzamerhand onder de gehoorzaamheid van den koning terug te brengen. Een tijdlang had men ook te strijden gehad tegen de Calvinistische democratie in de hoofdstad van Artois en ook Anjou telde er nog tal van aanhangers, maar zoowel de afkeer van de Gentsche Calvinistische ijveraars en de gehechtheid aan den katholieken godsdienst waren oorzaak, dat het Parma ten slotte gelukte Montigny, de leider der Waalsche Malcontenten, voor de zaak van den koning te winnen.

Den 26en December verliet Anjou Henegouwen en in dezelfde maand ruimde nog een ander ridder het veld in de Nederlanden. Johan Casimir had in Gent ontdekt, dat hij zich niet opgewassen voelde tegen den invloed van Oranje; teleurgesteld verliet hij het land, maar werd ook in Engeland door Elisabeth, die hem gesteund had, niet vriendelijk ontvangen.

Werd de Prins van Oranje geheel verrast door die beweging in het Zuiden, welke ten doel had zich bij Parma aan te sluiten? Met de onderwerping van Gent hoopte hij wel, dat het geheele Zuiden trouw aan de Pacificatie zou blijven, maar meer dan hoop was het ook niet en het beste bewijs, dat de Prins het dreigende gevaar van het Zuiden wel begreep, is zijn voorarbeid in 1578, die tot de Unie van Utrecht heeft geleid.

Men beweert wel, dat niet de Prins, maar zijn broer Jan dien voorarbeid heeft verricht en Oranje zelfs onwaarheid spreekt, als hij in zijn Apologie zegt, die Unie tot stand te hebben gebracht, maar dit is onjuist. Zeker, de Prins droeg aan zijn broer het voorloopige werk voor die Unie op, maar niet Jan, doch Willem was er de ontwerper van.

Reeds sinds 1576 stond Oranje zulk een confederatie voor den geest; bij het verdrag van Delft in dat jaar hadden Holland en Zeeland een Unie gesloten en in 1577 was ook Utrecht toegetreden. Al bevond Oranje zich sedert dien tijd in het Zuiden, hij had toch waarlijk zijn aandacht van het Noorden niet afgetrokken. Wat Friesland en Groningen betreft, rekende hij op den graaf van Rennenberg en ook op Drente en Overijsel meende hij staat te kunnen maken.

Gelderland zou waarschijnlijk het moeilijkst te winnen zijn voor zulk een Unie.

Met het oog daarop werd door zijn machtigen invloed op den 10en Maart 1578 door den landdag te Arnhem besloten, Graaf Jan de stadhouderlijke waardigheid over dat gewest op te dragen. Het doel, dat Oranje daarbij vooral op het oog had, was de versterking van den band tusschen de Noordelijke gewesten. Wie kon beter Oranje's plaatsvervanger in het Noorden zijn dan broer Jan, die zoo geheel met de plannen en bedoelingen van den Prins op de hoogte was.

De Graaf ging echter niet in alles met zijn broeder mee, want hij kon zich volstrekt niet vereenigen met Oranje's voorliefde voor Frankrijk en het was dus gelukkig, dat Anjou tijdelijk verdwenen was. Ook was er verschil van opvatting over den godsdienst; de verdraagzaamheid van Willem werd door Jan niet gedeeld, hij was veel beslister Calvinist en wilde dan pas aan het katholicisme concessies doen, wanneer daardoor alleen zijn eigen godsdienst kon beschermd worden.

Dit bleek ook al spoedig na zijn komst in Gelderland, want op allerlei wijzen bevorderde hij de Calvinistische prediking en hield daardoor zeer weinig rekening met de katholieke meerderheid van het gewest. Aan zijn ijver gaf hij zoo toe, dat hij zelfs naar Dillenburg kon schrijven, dat er in Tiel een heerlijk vreugdevuur was gemaakt van alle beelden eener kerk en dat de klokken hadden geluid totdat alles in asch was vergaan, terwijl in Nijmegen monniken waren verjaagd en ook een kerk in bezit was genomen.

De geest van de Gentsche Calvinisten woonde ook in Jan van Nassau, tengevolge waarvan hij bij de Staten van Gelderland veel verzet vond om zich bij de gewenschte Noordelijke Unie aan te sluiten. Gelderland vreesde voor het overwicht van Holland en Zeeland en de oude Geldersche adel was bang zijn invloed te verliezen. Toch bracht Jan van Nassau het zoover, dat er in September een buitengewone vergadering van Gelderland werd samengeroepen, waar ook vijf vertegenwoordigers uit Holland o.a. Oldenbarnevelt, aanwezig waren.

De heftigste tooneelen hadden daarbij plaats en veel succes had die vergadering niet. Toen nu Jan van Nassau een poos naar Duitschland was geweest, werd door Oranje het plan van de Unie weer opgevat en op den 15en November liet hij een generale dagvaart in Holland en Zeeland beschrijven, waar nieuwe voorstellen omtrent bepalingen der Unie werden aangenomen. Deze vielen zoo in den smaak van Utrecht en Gelderland, dat reeds in December Utrecht, Holland, Zeeland en Friesland voorloopig teekenden en de conferentie reeds den 10en Januari te Utrecht samenkwam. Hier werd den 23en Januari 1579 de Unie van Utrecht gesloten, die ook door Graaf Jan als Stadhouder van Gelderland werd geteekend.

De inhoud van deze Unie was hoofdzakelijk de volgende: De gewesten, die haar teekenden, wilden geenszins van de Generale Unie, door de Pacificatie van Gent aangenomen, scheiden, integendeel, zij hielden die in waarde, doch ze wilden zich ten eeuwigen dage tot een geheel vormen, "alsof ze maar één provincie waren," onverminderd de bijzondere privilegiën van de gewesten en de steden. Ze beloofden elkander met goed en bloed tegen alle geweld bij te staan. De kosten van de verdediging (die in bijzonderheden werd vastgesteld) zouden eensdeels uit de domeinen, anderdeels uit belastingen gevonden worden. Daarin, zoowel als in quaesties van vrede of bestand, was eenstemmigheid noodig; in andere zaken gold de meerderheid. Kon die eenstemmigheid niet worden verkregen, dan besliste de stadhouder, "nu ter tijd wezende."

Wat den godsdienst aanging, zouden Holland en Zeeland naar hun goeddunken handelen, terwijl de andere gewesten òf den religievrede konden aannemen òf in 't bijzonder zulke orders konden uitvaardigen als de rust en de welvaart van dat gewest eischten.

Men ziet de hand van den Prins duidelijk in dezen arbeid. Ook het opdringen van den religievrede in gewesten, waar zulks onnoodig was, lag niet in zijn geest. Jan van Nassau, door zijn broeder ernstig onderhouden over zijn al te grooten ijver voor het Calvinisme, was door den invloed van den Prins thans ook geneigd tot die uniebepalingen. Het schoone denkbeeld van de Unie der zeven staten, alsof zij maar één provincie waren, was ongetwijfeld een gedachte van Oranje. Hoe menigmalen ook later afgestuit op het provincialisme, op den duur is die Unie toch tot stand gekomen.

Door die gedachte alleen kunnen we beweren, dat Oranje de stichter is van den Nederlandschen Staat.

Zeker, de Unie van Utrecht heeft vele schaduwzijden leeren kennen. Er waren willekeurige en dubbelzinnige bepalingen in. Maar de duidelijk sprekende punten omtrent de solidariteit tegenover den gemeenschappelijken vijand, van onderlinge aansprakelijkheid voor de kosten van den Staat, van algemeenen dienstplicht zelfs en van betrekkelijke godsdienstvrijheid zijn inderdaad den grootsten lof waard.

De geruchten, die in het Zuiden kwamen over het vormen eener afzonderlijke Unie der Noordelijke gewesten, bevorderden ook daar het streven, zich te vereenigen. In dezelfde maand Januari 1579, dat de Unie van Utrecht tot stand kwam, werd in het Zuiden de welbekende Unie van Atrecht gesloten, die, voorbereid door de agenten van Parma en den aanvoerder der Malcontenten, voorloopig Henegouwen, Artois, Rijsel, Douai en Orchies omvatte en waarbij het behoud van den katholieken godsdienst en het gezag van den koning op den voorgrond stonden.

Wel trachtte de Prins nog de scheiding te voorkomen en gelukte het hem, zelfs drie dagen na het sluiten der Unie van Atrecht (6 Januari) den vrede tusschen Vlaanderen en de Malcontenten te doen teekenen, maar de verbittering van de katholieke bewoners van Artois en Henegouwen tegen de Vlaamsche Calvinisten en den Prins was te groot, dan dat de scheiding kon voorkomen worden. De woeste uitbarsting van het Calvinisme onder het Gentsche gepeupel; de onbeschaamde buitensporigheden, in die Vlaamsche stad en elders bedreven, waren de hoofdoorzaak, dat Parma's verleidelijke taal, om zich weder onder 't gezag van den koning te stellen, zooveel gunstige ooren vond.

Staatsman en krijgsheld tevens, verzuimde hij aan de eene zijde geen enkele gelegenheid, om door voorkomendheid en vrijgevigheid personen en gemeenten te herwinnen voor de zaak des konings, aan de andere zijde om zich met allen spoed voor te bereiden op vernieuwing van den krijg tegen Oranje en de gewesten, die zijne partij hielden.

De Prins liet niet na, de weifelende streken voor de Staten-Generaal te behouden, doch de genoemde gewesten waren en bleven onherroepelijk verloren. Nog duurde het vier maanden, eer het verbond, dat voorloopig op 6 Jan. gesloten was, werd bekrachtigd. Eerst op den 17en Mei 1579 werd te Atrecht het verdrag van reconciliatie door de staten van Henegouwen en Artois, door Rijsel, Douai en Orchies geteekend. Het behoud van het katholicisme en van het gezag van den koning stonden op den voorgrond; doch ook werden de Pacificatie van Gent, de 1e Unie van Brussel en het Eeuwig Edict bevestigd.

In den loop van het jaar werden tal van meerdere streken en steden en niet minder edelen en grooten voor de Unie van Atrecht gewonnen. Doch reeds de aanvankelijk geslaagde verzoening met den koning, die van zijn kant handhaving der privilegiën, terugtrekking der vreemde troepen en een Prins van den bloede als landvoogd beloofde, maakte wijd en zijd grooten indruk. Zelfs verhaalt men, dat er feesten ter eere van die gebeurtenis in Parijs werden gevierd. In een der schouwburgen gaf men een pantomime, waarin Filips een mooie makke koe op de planken bracht, die echter plotseling weerspannig werd, tegen begon te spartelen, de leidsel brak en bijna was weggeloopen. Daarna kwam Alexander Farnese op, die het gebroken touw weer trachtte samen te binden, terwijl ook de Staten-Generaal op het tooneel verscheen. Sommigen pakten de koe bij de horens of sloegen ze op den rug, terwijl anderen van voren bleven staan en om hulp riepen.

De Duitsche keizer, de Fransche koning en de Engelsche koningin, die soms medelijden met de koe hadden, dan weer met haar vervolgers, waren toeschouwers. Alençon (de hertog van Anjou) liep er dapper op af en greep de koe bij haar staart. Daarop kwamen Oranje en Casimir op het tooneel met een melkemmer en trachtten haar te melken, toen Parma den halster greep en het dier triomfantelijk naar Filips terugbracht, dat met den eenen poot Casimir, met den anderen Oranje een schop gaf.

Zeker eene Oranje geheel onwaardige voorstelling, alsof hij slechts de Nederlanden als eene melkgevende koe beschouwde, doch een niet onaardig verhaal in zoover als ze uitdrukking gaf aan de publieke meening in den vreemde omtrent den thans gedeeltelijk bedwongen opstand. Dat echter de koe, hoe ook gedeeltelijk getemd, voor een ander deel even weerbarstig bleef en haar doel heeft bereikt, om in beter, schooner landouwen te grazen, heeft de verdere geschiedenis der Noordelijke gewesten wel bewezen. Doch op dat oogenblik was het voor den Prins een vreeselijke slag. Hij, die in de Pacificatie van Gent als de vrijverklaring der 17 Nederlandsche gewesten, zijn levensideaal had meenen te vinden, zag in de Unie van Atrecht de vernietiging van zijn schoonsten wensch. Want al beriep zich Atrecht zoowel als Utrecht op die Pacificatie, ze had voor beider oor een geheel anderen klank. Voor den Prins was zij de uitdrukking geweest van: vrede door vrijheid, voor Parma en de zijnen zou ze zijn: vrede na nieuwen strijd tot onderdrukking.

Hoe hard het Oranje dan ook viel, om van zijn ideaal te scheiden, hoe hij daarom alleen zoo lang mogelijk vertraagd had, zelf de Unie van Utrecht te onderteekenen, toch deed hij dit eindelijk op den 3en Mei 1579. Ten volle was hij er niet mede ingenomen, al was ook het denkbeeld van hem afkomstig. Hij kon zelf niet ontkennen, dat die Unie den katholieken Walen moest mishagen wegens de duidelijke voorliefde van haar voorstanders, in het bijzonder van Jan van Nassau, voor het Calvinisme.

Met den religievrede, zooals hij dien begeerde, stond het ook in die Unie tamelijk zwak. De Prins deed daarom in April nog een poging, om op den religievrede een generale Unie te bouwen, doch ook die poging stuitte af op de leden der Utrechtsche Unie. Zoolang hij nog kans meende te hebben op 't welslagen van zijn onderhandelingen met Montigny e. a., trad de Prins niet openlijk tot de Unie toe. Toen het eindelijk bleek, dat de verzoening van de Waalsche gewesten met den koning zeker zou volgen, bekrachtigde ook hij de Unie van Utrecht met zijne handteekening.

In den loop van 1579 en 1580 werd deze Unie nog door Friesland, Overijsel en Drente onderschreven; Rennenberg teekende in Juni 1579, doch reeds een jaar later volgde zijn schandelijke afval. Ook enkele steden in Brabant en Vlaanderen traden toe.

Sedert het eind van 1578 had Parma, wiens macht zich thans over tal van gewesten uitstrekte, het plan Maastricht te belegeren. Na strooptochten door het zuidelijk gebied der Staten en den slag bij Burgerhout op 23 Februari 1579, legerde hij zich in het begin van Maart voor die veste. De inwoners toonden het vaste voornemen, den Spaanschen veldheer van hun poorten te verdrijven. De oude geschiedenis van dapperheid aan beide kanten, herhaalde zich hier; van weerszijden werden er mijnloopen gegraven en trachtten de verschillende troepen elkander in de diepte der aarde te verrassen.

Parma was het rijkst aan hulpmiddelen. Hij bouwde een reeks sterke forten rondom de stad, zelfs woningen voor zijn soldaten, om hen des te langer de ongemakken van den krijg te doen verduren. Oranje had met moeite een leger van 7000 man verzameld, dat, door graaf Jan en Hohenlohe geleid, bestemd was om Maastricht te verlossen, doch reeds de eerste aanblik op die stad, welke als 't ware Maastricht omsingelde, bewees hun, dat het een verloren spel was. Nog op 25 Juni werd er een brief van Oranje in de stad geworpen, die binnen 14 dagen hulp beloofde. Het was reeds te laat, want op den 29en Juni werd Maastricht stormenderhand genomen.