Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 44

Chapter 443,768 wordsPublic domain

Maar, nu eenmaal op dat hooge standpunt geplaatst, moet het hem wel eens benauwd hebben, als hij er aan dacht op welke wijze zijn taak te vervullen. Op een rozenbed heeft hij zeker geen enkelen nacht geslapen. Hij wist wel, dat nijd en heerschzucht, fanatisme en intrige rond hem spookten en hem die hooge stelling moeilijk zouden maken. En dan was het voor hem ook een vraag of hij met zijn hooge denkbeelden van verdraagzaamheid en eendracht wel in staat zou zijn, de demonen te bezweren, die afgunst en haat, bijgeloof en tweedracht rondstrooiden.

De eerste, die hem op zijn weg van practische pacificatie der gewesten belemmerde, was Don Juan. Geen wonder; hij was in Luxemburg gebleven, waar zijn woede en wraakzucht steeds toenamen, naarmate de berichten uit Brussel hem duidelijker maakten, hoe zijn kortstondig gezag werd geïgnoreerd.

Zijn koninklijke broeder, die hem eigenlijk niet geheel vertrouwde, had eindelijk zijn beden verhoord. Uit Italië waren 3000 Spanjaarden teruggekeerd en Alexander Farnese, Prins van Parma, zoon van Margareta, was op weg om Don Juan te ondersteunen en te vervangen. Door versterking van het leger met 4000 Fransche katholieken, kon de sterkte van zijn krijgsmacht op het einde van Januari op 16000 man worden geschat.

Wat konden de Staten daar tegenover plaatsen, toen Don Juan op den 25en Januari een manifest in drie talen afkondigde, waarin hij den wapenstilstand voor geëindigd verklaarde en zijn bedoeling uitsprak, om door wapengeweld het gezag van koning en kerk te herstellen?

Het statenleger was door de overkomst van 4000 Schotten uit Engeland en eenige honderden Duitsche ruiters en Hugenoten niet veel geringer in aantal, maar het leger van Don Juan was oneindig beter georganiseerd. De Nederlandsche edelen hadden twist over het militair gezag; elk leider beschouwde zich als den gelijke zijner collega's, zoodat van eendrachtig handelen geen sprake was.

Toen nu Farnese bij Don Juan aankwam, waren juist de voornaamste edelen, als Lalaing, Melun e. a. afwezig om de bruiloft van den heer de Bersele te vieren, zoodat het commando aan jongeren als Filips van Egmond, Heze en Havré was overgelaten. De tegenpartij maakte van deze gunstige gelegenheid gebruik en besloot onmiddellijk den aanval op het kamp van het statenleger te wagen. Op den laatsten Januari trokken de patriotten terug, den kant op naar Brussel en waren zij te Gembloux. Don Juan, door den Prins van Parma vergezeld, vervolgde het terugtrekkend leger; zijn banier met het kruisbeeld erop droeg de gedenkwaardige woorden: "In hoc signo vici Turcos, in hoc haereticos vincam" (Met dit teeken heb ik de Turken overwonnen; hiermede zal ik ook de ketters overwinnen.) Een trouwe zoon dus van den Paus, die eveneens Turken en ketters op één lijn had gesteld.

Er begon eene schermutseling, die eerst gunstig scheen voor het statenleger doch eene stoute beweging van Parma keerde de fortuin. Hij deed door een gevaarlijk moeras heen een onverwachten aanval op zijn vijanden. Een schitterend legeraanvoerder zou hen nog gered hebben, maar die was er niet, zoodat de patriotten zich zonder slag of stoot overgaven of in de pan werden gehakt. Fabelachtige getallen worden er genoemd van gesneuvelden; volgens eene berekening zelfs zou elk Spanjaard het leven van tien Nederlanders hebben uitgebluscht. Wat daarvan ook moge zijn, geheel het statenleger was vernietigd; een groot getal verdronk in de Maas, terwijl een onbeduidend aantal Spanjaarden om het leven kwam.

Welk een ramp! De gewesten waren pas verbonden en zou die vereeniging eenige vastheid hebben, dan was er voorspoed noodig geweest. Dat juist nu zulk een slag moest vallen was al bijzonder noodlottig. Door een gelukkige overwinning zou de pas gevestigde regeering steun hebben gekregen en was het haar misschien mogelijk geweest zoowel de hartstochten der burgerij te kalmeeren als de aanzienlijke edelen voor zich te winnen. Wat Oranje aangaat, de adel voelde met dubbele kracht zijn wrok tegen hem opkomen en weet hem gaarne de schuld van alle onheil.

In Brussel heerschte na de nederlaag bij Gembloux groote ontsteltenis, want men vreesde, dat Don Juan ook spoedig die stad zou bedreigen. Dubbel gelukkig dus, dat Oranje door kalme vastberadenheid de diepe verslagenheid wist te overmeesteren en geen oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest verloor. Het leger werd door hem versterkt en aan Bossu liet bij de verdediging van de hoofdstad over, terwijl de Prins met Matthias en den Raad van State naar Antwerpen vertrok.

Wel viel Brabant grootendeels in handen van Don Juan, maar tot Brussel naderde hij niet. Gebrek aan geld verhinderde hem bovendien van zijn overwinning groote vruchten te plukken.

Straks zullen we zien, hoe de binnenlandsche tweedracht voor het gezag van Oranje nog veel schadelijker was dan de nederlaag van Gembloux.

Een merkwaardige gebeurtenis in den aanvang van 1578 was de overgang van de stad Amsterdam naar 's Prinsen zijde.

Tot dien tijd was die gewichtige plaats onder 's konings gezag gebleven. Oranje had niet nagelaten, den handel daarvan gevoelig te treffen en zoowel die nadeelige gevolgen voor de welvaart van Amsterdam als de invloed van afgezanten uit Utrecht bewerkten den ommekeer. De burgers namen een verdrag aan op dezelfde voorwaarden als de Utrechtsche Satisfactie. Aan de verschillende hervormde sekten werd vrijheid van eeredienst, ieder overeenkomstig haar gebruiken, gegeven alsook om hun dooden binnen de wallen te begraven. Ieder was niet evenzeer met die Satisfactie voldaan; van daar dat er in den loop van den winter allerlei beroeringen in de gemeente plaats hadden, die eindelijk in de maand Mei in een oproer uitbarstten, waarbij de partijgenooten van den Prins de zege behaalden en tegenover de katholieke fractie, die vrij sterk was gebleven, eene stedelijke regeering samenstelden, die de nieuwe maatregelen kon doorvoeren.

Toen de Prins midden in den winter met Matthias en den Raad van State naar Antwerpen ging, schijnt zijn familie zich daar met hem te hebben vereenigd. Uit die stad althans schreef Oranje's oudste dochter Marie een briefje aan Graaf Jan, die in naam der regeering naar Gelderland op reis was gegaan. Deze was jarenlang de huisgenoote van haar oom in Nassau geweest; vandaar dat zij tegenover hem een kinderlijke genegenheid gevoelde en hem zelfs met den titel van vader aanspreekt.

Na haar verontschuldiging te hebben aangeboden, dat zij hem niet eerder dank heeft gezegd voor al zijne zorgen voor haar, vervolgt zij aldus:

"Uwe Exc. zal waarschijnlijk gehoord hebben van de veranderingen, die hier sinds uw vertrek hebben plaats gehad--hoe ons volk een nederlaag heeft geleden en hoe de vijand Gembloux en Leuven heeft veroverd. Ik hoop, dat God alles nog terecht zal brengen. De aartshertog, de hertogen van Aerschot, Havré en andere Brusselsche edelen zijn hier met hunne vrouwen ... Ik hoorde, dat uwe Exc. goed en wel te Nijmegen zijt aangekomen en verblijd mij bijzonder, dat men in Gelderland zoo verheugd is, u bij zich te hebben; doch het zal voor u geen geringe last zijn, zoo lang van huis weg te blijven, ook om de onkosten. Ik hoop, dat zij al uw moeite zullen beloonen en u een gelegenheid zullen aanbieden, eens naar Nassau te gaan. Ik weet toch, hoe uw moeder en uw vrouw naar u zullen verlangen; het is al zoo lang geleden, dat gij ze gezien hebt.

"Nog moet ik u, waarde vader! vertellen, dat wij hier in het kasteel zijn gelogeerd, maar gij kunt niet gelooven, hoe vreeselijk koud het is. Ik ben bang hier langer te moeten blijven en vrees, dat ik nog bevriezen zal. Wat zou het een genot voor mij zijn, wakker te worden en mij zelf te bevinden in mijn lief klein kamertje in Dillenburg. Mocht dat weder eens gebeuren, enz.

Antwerpen 10 Februari 1578.

Op die wijze houdt de oudste dochter van den Prins diens broeder Jan op de hoogte van den toestand. Op den 8en Maart schreef ze weder aan haar vaderlijken oom:

"Hoe de zaken hier gaan, heeft uwe Exc. zonder twijfel reeds gehoord. De vijand heeft Aerschot, Sichem en Dietz veroverd, waar hij, naar ik verneem, schandelijke tirannie uitoefent, zoodat het arme volk diep te beklagen is. Er gaat een gerucht, dat de vijand denkt voort te gaan naar Maastricht en zelfs naar Mechelen. Alles is in Gods hand. Verder, dierbare vader, moet ik u vertellen, dat de markies van Havré vandaag of morgen naar Engeland gaat en mijn neef, Graaf Willem Lodewijk met zich mede neemt. Daar mijn vader zag, dat uw zoon zoozeer begeerig was Engeland te bezoeken en iets van de wereld te zien, dacht hij, dat het een goede gelegenheid voor hem was, om in passend gezelschap mee te gaan. Hij gaf zijn toestemming en vertrouwde hem aan Joachim van Lier; dat verheugde mij zeer, want gij weet, dat deze een godvreezend edele is. Als mijn neef Willem hem tot model neemt, gelijk ik niet twijfel, kan hij geen kwaad leeren. Uwe Exc. zou moeilijk kunnen gelooven, hoe knap mijn neef er nu uitziet ... Ik hielp hem met geld zooveel ik kon en hoop dat gij niet ontevreden zult zijn met zijn reisplan.

Antwerpen 8 Maart.

Doch genoeg van deze jongemeisjesbrieven, die wederom bewijzen, welk eene aardige verhouding er tusschen de kinderen van den Prins en zijn broeder Jan bestond.

Hoe schadelijk ook de nederlaag voor het gezag van Oranje mocht wezen zijn toestand werd, zooals we straks zeiden, nog veel moeilijker gemaakt door de tweedracht tusschen de gewesten, welke vooral uit het verschil in godsdienst voortsproot.

Het ideaal van den Prins, godsdienst en gewetensvrijheid voor allen, bleek spoedig in de toenmalige omstandigheden onbereikbaar. De maatschappij was er nog niet rijp voor en Oranje moest ondervinden, dat al zijn schoone plannen van verdraagzaamheid en wederzijdsche eerbiediging niet zoo dadelijk verwezenlijkt konden worden. Evenmin als de katholieke was de Calvinistische partij in de Zuidelijke Nederlanden vatbaar, om de staatkunde van den grooten Zwijger te verstaan. Ja, ze vonden beiden, een ieder op haar standpunt, die staatkunde geheel in strijd met Gods gebod. De Calvinist beschouwde het Pausdom als den gevloekten poel van ongerechtigheid en al zijn instellingen als het werk van Satan; hoe zouden ze dan vrijheid van godsdienst kunnen geven aan de priesters om die ongerechtigheid te handhaven en te verspreiden? En de Katholieken--volgens hen was het geheele werk van Luther en Calvijn uit den booze en mocht hun leer niet binnen hunne landpalen geduld worden.

Die tegenstelling tusschen de beide godsdiensten moeten we steeds in het oog houden, willen we de verwarring van het jaar 1578 begrijpen, want aan de meeste dingen lag die tegenstelling ten grondslag.

In het Zuiden van het land waren het vooral Vlaanderen met Gent aan het hoofd en Artois en Henegouwen, waar de moeilijkheden het grootst waren. In de beide laatste gewesten speelden behalve de godsdienst ook de intriges van Anjou met zijn vrienden en die van Don Juan hun fatale rol.

Veroorzaakte de nederlaag te Gembloux reeds, dat men hier en daar de kreet "verraad" vernam en men allerlei bedreigingen tegen de geestelijkheid uitte, daarbij kwam nog het verzet tegen de belastingen, die door de Staten waren uitgeschreven. Don Juan en Anjou hielden bovendien de gewesten door middel van hun agenten in voortdurende onrust en de laatste had in Henegouwen een sterken aanhang, die vooral door Lalaing gesteund werd. Daar Oranje in die dagen hulp van Engeland verwachtte, maar nog niet zeker van die steun was, begreep hij, dat hij Anjou niet van zich moest verwijderen en sloot de Prins zelfs een verdrag met hem, waarbij Anjou den schoonen titel ontving van "Défenseur de la liberté des Pays-Bas contra la tyrannie des Espagnols et de leurs adhérents." Hem werd daarbij alleen in de toekomst eenig uitzicht op souvereiniteit gegeven, zoodat het verdrag, dat van Oranje's zijde niets dan politiek was, voor Anjou geen groote beteekenis had.

Het eenige doel van Oranje was te zorgen, dat Henegouwen zich niet van de overige staten zou losmaken.

In Vlaanderen wilde men van Fransche hulp niets weten, doch aller oogen waren daar gericht op Johan Casimir van de Paltz, die met Engelsch geld een leger in Duitschland had geworven. Kerken en kloosters plunderend en verwoestend, kwam dit leger in Juli in ons land; met het statenleger vereenigd, bedroeg het ongeveer 40.000 man, waartegen Don Juan nauwelijks de helft kon stellen. Hij leed dan ook in Augustus bij Rijmenam een nederlaag en sloeg daarna een kamp bij Namen op, waar hij zelf, door eindelooze inspanning afgemat, op den 1en October al zijn eerzucht met het verlies van zijn jonge leven moest boeten.

Door den dood van Don Juan kwam een ander op het krijgs- en staatstooneel, n. l. Prins Alexander van Parma, in wien Oranje een waardigen tegenstander zou vinden.

Parma, in 1546 geboren en dus ongeveer van denzelfden leeftijd als zijn oom en voorganger Don Juan, bezat veel meer karakter, verstand en bekwaamheid als legerhoofd dan een van Filips' vorige landvoogden. Op twintigjarigen leeftijd was hij gehuwd met Donna Maria van Portugal en de bruiloft had in 1566 in Brussel plaats gehad op het oogenblik, dat de ontevredenheid tegen de Spaansche maatregelen begon. Oorlogvoeren was zijn kracht, gelijk hij reeds in zijn jeugd afkeer van de studie had en alleen veel hield van jagen, paardrijden en het hanteeren van wapens.

Aan alle Europeesche vorsten gaf Parma bericht van zijn aanvaarden der landvoogdij en hij riep hen op, hem te helpen in het eindelijk bedwingen van den opstand, die in de koninklijke domeinen van zijn oom zulke verhoudingen had aangenomen.

Tot deze domeinen behoorden volgens hem ook de noordelijke gewesten, waar Oranje reeds geruimen tijd de eigenlijke souvereiniteit bezat. Met dezen zullen we Parma dan ook van nu af den strijd verder zien voeren.

Een zeer moeilijke rol had de Prins in 1578 te vervullen in Gent, waar zooals we zagen, de democratie had getriomfeerd en de gevangenschap van de metgezellen van Aerschot had voortgeduurd, toen Oranje zijn intrede als stadhouder van Vlaanderen doen zou.

Het volk aldaar verkeerde in hoogst opgewonden stemming; geleid door mannen als Rijhove en Hembyze en aangezet door heftige predikers, als Modet en Dathenus, verdacht de Vlaamsche bevolking, vooral na den nederlaag van Gembloux, de katholieken van verraad.

Op Pinksteren van dat jaar kwam het in Gent tot eene uitbarsting, die aan de dagen van de beeldstormerij herinnerde. Kerken en kloosters werden geplunderd, geestelijken mishandeld en de van beelden gezuiverde kerken voor Calvinistische prediking gereed gemaakt. De Prins stond tegenover een macht, wier beteekenis hij niet genoeg kende, de vrucht van de godsdienstige dweepzucht, van het fanatisme. De Pacificatie van Gent had alleen aan Holland en Zeeland het Calvinisme vergund, maar den bestaanden toestand omtrent den godsdienst in andere gewesten gehandhaafd. Vrijheid, openbaarheid van prediking was in Vlaanderen niet geoorloofd en de Prins liet niet na, den Gentenaars het ongeoorloofde van hun gedrag onder het oog te brengen. Of Oranje hen wees op het gevaarlijke van die openbare prediking, waardoor hij zelf en het vaderland in de grootste moeilijkheden zouden gewikkeld worden, het hielp niets. De predikanten waren blind voor de gevaren, stoorden zich aan geen staatkundige overwegingen en hielden zich niet gebonden aan de bepalingen der Pacificatie.

Daar door dit alles het misnoegen der Katholieken met den dag toenam en hetzelfde verschijnsel zich ook in Amsterdam en Haarlem voordeed, kwam Oranje met een voorstel in den Raad van State, daar hij noch door zachtheid, noch door geweld den toestand kon veranderen.

De Prins kwam n.l. den 9en Juni 1578 met het voorstel van den godsdienstvrede voor den dag, waarbij het in elke gemeente, waar honderd gezinnen een der beide godsdiensten verlangden, geoorloofd zou zijn, dien openbaar uit te oefenen.

Zeker, ook dit was in strijd met de Pacificatie en ondervond in de Staten-Generaal vooral van katholieke zijde groot verzet, maar de Prins beriep zich in zijn antwoord op dat verzet op de veranderde tijdsomstandigheden. Het wantrouwen en de onrust--zoo beweerde hij--waren bij zijne geloofsgenooten zeer groot geworden. De Katholieken hadden als stelregel aangenomen, de uitspraak van het Concilie van Constanz, dat men aan den ketter zijn woord niet behoefde te houden. Zoo had de koning van Frankrijk de hervormden bedrogen en vermoord. Na uitdrijving der Spanjaarden voorzag de Prins burgeroorlog, indien men niet als enkele andere landen tot een godsdienstvrede besloot, die zoowel den Calvinisten als den Katholieken kon ten goede komen.

Hij achtte voor alles noodig, maatregelen te nemen, die zouden voorkomen, dat er op de Unie inbreuk werd gemaakt en nu, wat hij, noch iemand anders kon voorzien hebben, de Calvinisten zoo het hoofd opstaken, moest er een schikking worden gemaakt.

De Staten-Generaal waren echter niet te bewegen het voorstel voorloopig aan te nemen; ze besloten den 12en Juli het ontwerp van den godsdienstvrede naar de gewesten te zenden, opdat die zelve daarin zouden beslissen.

Welke moeite Oranje zich ook gaf dit ontwerp, dat ook herstel van grieven op staatkundig gebied beoogde, te doen aannemen, het stuitte af op den onwil der gewesten, zoodat feitelijk alleen te Antwerpen de religievrede werd afgekondigd. Het geneesmiddel bleek erger dan de kwaal; de scherpe tegenstelling der partijen kwam er nog helderder door aan den dag.

Wel mag 1578 het bangste en moeilijkste jaar in 's Prinsen loopbaan genoemd worden, want behalve dien vergeefschen arbeid om door een godsdienstvrede de eendracht der gewesten te herstellen, was er nog zooveel meer, dat hem groote onrust bracht. Don Juan en Parma bleven ook na de nederlaag bij Rijmenam een dreigend gevaar voor de gewesten vormen; Casimirs woeste onbetaalde troepen hielden op ergerlijke wijze huis in de landen, waar ze verschenen, terwijl ook Anjou en zijn agenten doorgingen in troebel water te visschen.

Te midden van al die bezwaren het schip van den Staat der 17 provincies in een veilige haven te sturen, was een werk boven menschelijke kracht verheven. Ook voor een man, die zoo hoog als Oranje stond, werd het moeilijk den weg te vinden te midden der tegenstrijdige wenschen en belangen van de bondgenootschappelijk vereenigde gewesten.

Toch was Oranje's gezag tot in het najaar nog steeds stijgende. Hij was trouwens de eenige, die het nog eenigermate kon handhaven. Daar hij zich zelf terecht beschouwde als de krachtigste belichaming van de idee der generaliteit, verzuimde hij ook de gelegenheden niet, die de Staten en de personen aan hem konden binden, ten einde des te meer aanhangers voor de zaak der Generale Unie te winnen.

Op het einde van den zomer van 1578 werd de derde dochter van Charlotte van Bourbon geboren. Het kind kreeg den naam van Catharina Belgica en tegelijk met Catharina van Schwarzburg zou het doorluchtige lichaam der Staten-Generaal als doopgetuige van de jonge spruit optreden. Bij deze gelegenheid verzocht de Prins aan de Staten-Generaal het kind volgens protestantsch gebruik te doen doopen en deelde hij tevens mede, dat hij besloten had, nu er in Antwerpen vrijheid van godsdienst was, daarvan voor zichzelf gebruik te maken. Wel waren er enkele Staten tegen dat voorstel van den doop, maar officieele gedeputeerden werden er toch benoemd om bij de doopplechtigheid tegenwoordig te zijn, terwijl aan Oranje het grondgebied van Lingen, ter eere van deze gelegenheid, werd aangeboden.

De pasgeboren dochter deed alzoo bij haar intrede in het leven haar vader een grooten dienst, in zoover er publieke eerbewijzen te haren behoeve aan hem werden betoond. Van deze goede gezindheid jegens hem maakte Oranje gebruik, vergunning te vragen, in de buurt van zijne woning een gebouw te stichten voor protestantschen eeredienst, hetgeen hem ten volle werd toegestaan.

Ook graaf Jan was overtuigd, dat de ster van zijn broeder nog steeds stijgende was, zooals uit een brief van hem aan Willem van Hessen blijkt. Broer Jan was echter door zijn benoeming tot stadhouder van Gelderland slechts kort getuige geweest van het optreden van Oranje in het zuiden en ging in zijn optimistische berichten meer op losse geruchten en op den schijn der dingen af. Want zelfs Oranje's gezag zou ten slotte niet in staat blijken de geesten te bedwingen, den toestand te beheerschen en eenheid en orde te scheppen in den chaos der dingen.

We zagen vroeger, dat het met Pinksteren te Gent tot een uitbarsting was gekomen en de Calvinistische democratie overwonnen had. De poging van Oranje door een godsdienstvrede de gemoederen in het Zuiden te bedaren, was mislukt. Ook in Artois, dat evenals Henegouwen aan Vlaanderen grensde, had de Calvinistische democratie aanvankelijk overwonnen, maar door den heer van Montigny, broeder van den Henegouwschen stadhouder Lalaing, was de katholieke reactie in Artois spoedig de tegenpartij meester en Montigny met zijn troepen bedreigde zelfs het Zuiden van Vlaanderen. Des te fanatieker werd toen de Calvinistische partij in Gent, die in Augustus het aantal gevangenen nog met Champagny had vermeerderd, daar deze, uit afgunst op Oranje, ook van Brussel uit een katholieke reactie had op touw gezet. In October ging men in Gent nog verder door twee der gevangenen, o.a. den beruchten Hessels, op gruwelijke wijze om het leven te brengen. Van geldelijke bijdragen van de stad om in den algemeenen geldnood te voorzien, kwam niets en het gemeen bleef zich in Gent en andere plaatsen aan beeldstormerij, plundering van kerken en kloosters schuldig maken.

Het ontbrak niet aan pogingen van de zijde der Staten-Generaal, om den vrede te herstellen. Vooral Oranje maakte zich daarbij zeer verdienstelijk. In brieven verweet hij hen telkens den twist en de tweedracht, die ze zaaiden, het gemis van hun plichtsbesef, om mede tot instandhouding van het geheel hun belastingen op te brengen, hun schandelijk geweld tegen geestelijken en edelen, tegen kerken en kloosters, hun onchristelijke daden en den grooten ondienst, dien ze hem met zulke handelwijzen deden, daar men Oranje in Brussel verweet, dat de Gentsche bedrijven met zijne goedkeuring plaats hadden.

Geen harder en onbillijker aantijging is zeker den Prins ooit gedaan. Het was hem juist alleen te doen om vrede en eendracht onder de gewesten te verkrijgen, en hij had den religievrede voorgesteld, ten einde elken aanstoot van weerszijden te vermijden, alsof hij eenstemmig was met de Gentsche drijvers, die den katholieken een onuitdoofbaren haat toedroegen! Alsof het democratisch Calvinisme, dat alle burgerdeugden opofferde aan geloofsijver en geloofshaat, ooit de sympathie kon hebben van dezen verdraagzame bij uitnemendheid! En toch aan de andere zijde was het niet te verwonderen, dat men hem daarvan verdacht. Hij was toch zelf Calvinist, althans in naam; hij stond de vrijheid van godsdienst voor en ingeroepen door de burgerij, had hij haar democratisch streven, ook mede om zijn billijkheid, niet bestreden. Hoe konden bijgeloovige, bekrompen katholieken hem dan van iets anders dan van sympathie met die Calvinisten verdenken? De Prins stond daarvoor echter veel te hoog. En zijn verdere houding tegenover Gent was het duidelijk bewijs, hoe hij van dien geest van fanatisme een diepen afkeer had.

Brieven en zendingen baatten Oranje echter niets. Trots zijn beste raadgevingen, ging men in Gent voort met geweld te plegen tegen de Roomsche geestelijkheid.