Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 43
Terwijl men op deze wijze in Brabant den Prins van Oranje verhief en hij zelf kort na die benoeming naar Antwerpen ging, had er in Vlaanderen, n.l. te Gent, eene gebeurtenis plaats, die hevige opschudding verwekte. Daar was sedert den aanvang van October de hertog van Aerschot in plaats van den graaf van Roeulx, die Don Juans partij bleef kiezen, tot stadhouder benoemd. Die keuze kon den Prins niet behagen; hij had tallooze bewijzen van de onbetrouwbaarheid en de jaloezie van Aerschot ontvangen, doch wijselijk verzette hij er zich niet tegen. Op den 24en October zou de nieuwe stadhouder in Vlaanderen plechtig door de Staten ontvangen worden. Doch Gent werd niet minder dan Brussel in die dagen door een democratische beweging in beroering gebracht. Van de middeleeuwen af was er een onrustige, licht ontvlambare geest onder hare burgers geweest en die geest van Jacob van Artevelde was niet uitgestorven. Bekend is, hoe Karel V zijn vaderstad had gestraft; de Gentenaars hadden in 1539 hun opstand moeten boeten met het verlies van al hunne privilegiën. Die terug te krijgen was thans het doel van volksleiders als Rijhove, tevens lid der Staten van Vlaanderen, Hembyze, de Grutere, Borluut en Utenhove, die allen zoowel groote aanhangers van Oranje als Calvinisten waren. Bevreesd voor den invloed van Aerschot, verdachten ze hem, niet ten onrechte, Oranje's gezag te willen verzwakken. Althans de Staten van Vlaanderen brachten een ongunstig advies uit over de verkiezing van Oranje als ruwaard van Brabant. Rijhove vooral maakte zich zeer bezorgd en uit vrees zelf te worden verrast, nam hij gesteund door de burgerij, in den nacht van 29 October, Aerschot en zijn trawanten gevangen.
Het is niet zeker in hoever de Prins de hand in dien aanslag gehad heeft. Vermoedelijk was het wel naar zijn geest; de staatsgreep van Sept. 1576 was ook voor een deel zijn werk geweest. Doch wel beseffende, dat een dergelijke aanslag op Aerschot door den geheelen adel zeer hoog zou worden opgenomen, wilde hij er persoonlijk buiten blijven; doch Marnix gaf Rijhove te verstaan, de onderneming te wagen, zonder den Prins er nader over te spreken.
De verontwaardiging over dit feit was in Brussel groot, evenals de angst der Staten-Generaal, dat zich zoo iets dergelijks in de hoofdstad zou herhalen. Doch Gent vond er de gelegenheid door om ongestoord zijn democratische wenschen te bereiken, zich niet bekommerende om hooger gezag.
Op het einde van December zullen we den Prins naar Gent zien gaan om er de orde te herstellen, maar voor zijn vertrek hadden er gebeurtenissen plaats, welke van groote beteekenis waren ook in het leven van den Zwijger.
Allereerst had op den 7en dier maand de formeele ontzetting plaats van Don Juan door de Staten-Generaal. Waarin die Staten ook verschilden, ze waren het er allen over eens, dat men Filips' broeder niet langer als landvoogd kon erkennen. Ondubbelzinnig verklaarden dan ook de Staten, dat Don Juan niet langer als stadhouder, gouverneur en kapitein-generaal erkend werd, daar hij den vrede had verbroken, die hij gezworen had te handhaven en dus als een vijand van het vaderland moest worden aangemerkt. In alle talen werd een rechtvaardiging van hun gedrag opgesteld, die aan bijna al de souvereinen van Europa werd gezonden met het verzoek, tevens den gewezen landvoogd den doortocht van een leger te weigeren.
Ten opzichte van Don Juan had Oranje dus volkomen gezegevierd, maar van veel grooter beteekenis nog was het succes, dat hij verwierf door het tot stand komen van de Tweede Unie van Brussel op den 10en December 1577. Deze acte op dien dag door de 17 gewesten geteekend, is helaas slechts van voorbijgaande beteekenis geweest, maar het stuk is merkwaardig, omdat zij uiting geeft aan Oranje's hoogste en meest edele gedachten.
We herinneren ons, dat in Januari 1577 een Unie van Brussel was aangenomen, die evenmin als het Eeuwig Edict door den Prins was goedgekeurd.
De Pacificatie van Gent had de godsdienstquaestie ter beslissing overgelaten aan een nieuwe Staten-Generaal, doch zonder dat die Staten-Generaal nog gekozen waren, had men, mede om Don Juan bij zijn komst in het land te winnen, in die Unie op den voorgrond gesteld: uitsluitende handhaving van den Roomschen godsdienst. Dat de Staten van Holland en Zeeland en ook Oranje die Unie hadden verworpen is begrijpelijk, maar ook talrijke aanhangers van de nieuwe leer konden haar niet aanvaarden en daaronder waren velen, die teruggekeerd waren op grond van de voorloopige vergunning van de Pacificatie van Gent.
De Prins begreep, dat die fout zoo spoedig mogelijk moest worden hersteld. De scherpe tegenstelling tusschen Roomsch en onroomsch moest worden verzacht, en het staatkundig doel van de bevrediging weder op den voorgrond gesteld worden.
Bij meer dan een gelegenheid merkten we op, hoe Oranje voor zich zelf in godsdienstzaken op een zeer hoog verdraagzaam standpunt stond; dit toonde noch onverschilligheid, noch berekening. Daarvoor zijn zijne innig godsdienstige uitspraken ons borg. Het was alleen een verheven zijn boven de vormen, waarin het godsdienstig geloof zich openbaart, en tevens de erkentenis, dat overal het religieuse schuilen kan. We zagen dat zijn overgang tot het Calvinisme voor zijn bewustzijn was: een politieke noodzakelijkheid. Welnu, door middel van de nieuwe Unie van Brussel, die hij hoopte te doen teekenen tegelijk met de opdracht der landvoogdij aan Matthias, wilde hij het volk zijn eigen beginsel van verdraagzaamheid inplanten. Wel stelde de Unie ook de uitbreiding der privilegiën op den voorgrond, of liever de terugkeer der voorrechten, die de burgerij ook had voordat die door de Bourgondisch-Oostenrijksche vorsten waren ingekort; maar de godsdienstige verdraagzaamheid moest de hoeksteun van het nieuwe staatsgebouw zijn.
Oranje is geruimen tijd bezig geweest met het opstellen dier nieuwe staatsregeling; reeds den 15en November legde hij daarvan een ontwerp aan de Staten voor. Volgens dat ontwerp moesten de Roomschen beloven, dat zij de niet-katholieken tegen alle geweld zouden beschermen en met rust laten en deze laatsten moesten zweren, dat ze niets zouden ondernemen tegen den katholieken godsdienst; niemand door woorden of daden zouden ergeren; geestelijken en leeken in hun goederen en voorrechten te laten en daarbij niet te duiden, dat hun eenig onrecht werd aangedaan.
Voor Oranje was die staatsregeling de verwezenlijking zijner innigste en hoogste gedachten; daarop meende hij, zou alleen een vast verbond der gewesten kunnen rusten.
Dat er wel verzet schijnt geweest te zijn tegen dit ontwerp, kunnen wij begrijpen, want een dergelijk mooi staatsstuk waarvan algemeene verdraagzaamheid de grondslag was, stond inderdaad te hoog voor de hartstochten van dien tijd.
De pogingen van katholieke zijde gedaan, om ook de eerste Unie van Brussel en het Eeuwig Edict van kracht te doen blijven, mislukten. Het zou ook wel dwaas zijn geweest, want in die acten werd in echt Spaanschen geest, de handhaving van den R. Kath. godsdienst bevolen, terwijl in de tweede Unie algeheele godsdienstvrijheid en volkomen verdraagzaamheid op den voorgrond stonden.
Al heeft aan die nieuwe wet de toekomst niet beantwoord, al bleek het volk tegen de hooge gedachte ervan niet opgewassen, al waren de Calvinisten en Katholieken te klein, te bekrompen, om die gedachten te verstaan en toe te passen, de Tweede Unie van Brussel op zich zelf, is niet alleen de hoogste daad van Oranje's staatkundig leven, maar is ook een eenig voorbeeld gebleven voor alle tijden en geslachten.
In dezelfde maand December was er ook veel te doen over de vraag, in welke verhouding de Prins zou staan tot den aanstaanden landvoogd Matthias. Die vraag hing samen met den Engelschen invloed en met de hulp door Elisabeth beloofd. Niet ten onrechte beschouwde het Engelsche hof die benoeming van Matthias als een bewijs van de vijandige gezindheid van vele edelen tegen Oranje en alleen op voorwaarde, dat Oranje benoemd werd tot luitenant van Matthias, beloofde Engeland hulp te verleenen. Wel gaf de Prins te kennen, dat hij die aanstelling overbodig achtte, indien er slechts een raad van welgezinde mannen aan Matthias' zijde stond, maar de koningin bleef bij haar eisch.
Ingeval van weigering zou men zich allicht weer tot Anjou om hulp wenden, want deze bleef steeds een begeerige blik op de Zuidelijke Nederlanden werpen, terwijl Henegouwen met zijn stadhouder Lalaing wel geneigd was, Anjou in plaats van Matthias te nemen.
Wederom waren het de zoogenaamde achttienmannen, dus de vertegenwoordigers der Brusselsche burgerij, die aan het werk gingen.
Door hun alvermogenden invloed was de Raad van State in hun geest veranderd en nu stelden zij aan de Staten eenvoudig den eisch, dat Oranje's stadhouderschap over Brabant zou verlengd worden en tevens, dat de Prins tot Matthias' luitenant zou worden benoemd, wilde men den Oostenrijkschen aartshertog als landvoogd erkennen.
De Staten stonden versteld over dien eisch. Men had indertijd de aanstelling van Oranje tot ruwaard van Brabant afgeperst, doch dit ambt was tijdelijk verleend en zou toch zeker vervallen, wanneer de landvoogd er was, die in Brussel wonende, toch een stadhouder in Brabant onnoodig maakte.
De Staten verwierpen den eisch, maar de achttienmannen stelden zich daarmee niet tevreden en het liep zoover, dat Henegouwen en Artois zich reeds verzetten tegen die overheersching van de burgerij.
En de Prins? Hij gaf wederom een bewijs, dat hij zijn verheffing niet zocht, want hij schreef een brief aan de hoofden der burgerij om hen te matigen in hun plannen. Hij verzocht hun, hem niet meer charges op te dragen, bij de vele, welke hij reeds bekleedde; ook wees hij op de tweedracht, welke daardoor zou ontstaan en vroeg hun zich te onderwerpen aan die Staten, welke in zulke zaken hadden te beslissen. Ten slotte gaf hij hun te kennen, niet het bestuur over het leger te willen aanvaarden, daar graaf Lalaing generaal der armee was en hij den schijn niet op zich wilde laden, inbreuk te maken op zijn gezag.
Het mocht niet baten. In den vorm gaven de achttienmannen iets toe, maar het eind van de zaak was, dat op den 8en Januari het besluit werd genomen, Oranje's stadhouderschap over Brabant te verlengen en hem aan te stellen als luitenant van Matthias. De Prins was zelf in die dagen in Gent, waar hij, zooals we zeiden, einde December heengegaan was. Zijn broer Jan van Nassau vergezelde hem.
Met uitbundig gejuich werd hij de stad ingehaald en de ontvangst had niet luisterrijker kunnen zijn. De rederijkerskamer "Jezus met de balsembloem" verwelkomde hem met een tooneelstuk "Judas Maccabeus," dat natuurlijk vele toespelingen op den redder Oranje behelsde.
Door zijn invloed beloofden de Staten van Vlaanderen, een grooter en geregelder aandeel aan de algemeene geldkas te geven, maar in andere opzichten werkte de Prins, wiens overkomst naar Gent door de Staten-Generaal gewenscht was, niet in den geest van dit lichaam. Dat in Gent de invloed der burgerij zeer groot was, bleek wel uit het stoute stuk van Rijhove, Hembyze en anderen, door de gevangenneming van Aerschot en de zijnen. Wel was Aerschot weer spoedig op vrije voeten gesteld, maar de andere heeren bleven nog steeds opgesloten en de tegenwoordigheid van den Prins had hun vrijlating niet ten gevolge, zooals de Staten-Generaal hadden gehoopt. Het volk, en voor hen ook hier de achttienmannen, bleef oppermachtig.
Ze verlangden niet alleen dat Aerschot geen gouverneur zou wezen, maar wilden ook, dat de nieuwe magistraat van Gent uit de democraten moest worden gekozen. Ze werd dan ook samengesteld uit de bedrijvers van de jongste oproerige bewegingen.
Toen de Prins den 18en Januari Gent verliet, waren de heeren nog gevangen, terwijl de macht geheel in handen was gekomen van de leiders der onlusten.
Men heeft dit later den Prins wel verweten, maar kan men dat van zijn vijanden begrijpen, veel is er, zegt Bussemaker, wat ons zachter stemt in de beoordeeling daarvan. Het was Oranje's doel zoowel staatkundige als godsdienstige vrijheid te verkrijgen; daarom moest Spanje bestreden worden. Wilde dit echter succes hebben, dan was vastheid in de leiding een eerste eisch. Die leiding te geven kon alleen een man met de bekwaamheden van den Prins; dit werd niet alleen in de Nederlandsche gewesten, maar ook daarbuiten erkend: in Spanje, Engeland en Frankrijk.
Door naijver en onverdraagzaamheid, doch ook door vrees voor mislukking van zijne groote plannen, betwistte men hem vooral de hooge plaats, die hij innam. Alleen bij de massa van het volk vond hij dat vertrouwen, die hartelijke medewerking en vurigen ijver, die hij bij zijn grootsche taak zoo zeer van noode had. Hoe begrijpelijk, dat hij dus tegen die massa niet al te krachtig optrad, want ontstond er verkoeling, dan kon dit noodlottig worden voor de groote zaak. Was eenmaal de regeering geregeld en alles op vasten voet gebracht, dan zou de hartstocht bedaren en de orde vanzelf het geweld vervangen.
Dat deze gedachten ook die van den Prins waren, blijkt wel uit een brief van hem, geschreven aan den Prévot van St. Bavo, Bucho d' Aytta de Zuichem.
Over de gevangenen sprekende zegt hij daarin: "Het is ook mijne bedoeling die heeren gevangenen zacht te behandelen, wel erkennende, dat gestrengheid op den duur niets dan kwaads kan voortbrengen. Doch ook moeten allen tevreden gesteld worden; ontevredenheid aan anderen te geven, door enkelen zacht te behandelen, is evenmin goed."
In de eerste dagen van Januari werd het verdrag met Elisabeth ook geteekend, waarbij ze een crediet van 100.000 pond verleende en tevens hulp in manschappen beloofde.
Ook kwam er in die dagen uit Spanje een brief aan de Staten, waarin Filips behalve volledige amnestie, tal van andere beloften deed, maar.... handhaving van den waren godsdienst zooals ten tijde van zijn vader, moest worden verzekerd.
De voorstellen van Filips waren werkelijk nog al mild en hij zelf verlangde oprecht den vrede in die dagen. Het getij was echter verloopen en nu na Oranje's komst in Brabant verlangde men meer dan den eenvoudigen terugkeer tot den toestand ten tijde van Karel V.
Ondertusschen was Matthias steeds in afwachting van het bericht, dat men hem in Brussel zou ontvangen. Hij bepaalde daartoe eerst den 14en Januari, maar op uitdrukkelijk verlangen van den Prins werd die blijde intocht tot den 18en verschoven.
Geven we Motley het woord:
"Het was de derde luisterrijke intrede, die Brussel binnen de laatste negen maanden aanschouwde. Het was ook de schitterendste, want het scheen alsof de burgerij, in vergoeding voor de onbeduidendheid, waartoe men den aartshertog veroordeeld had, hem zinnebeeldig tot den zevenden hemel wilde verheffen. De rederijkerskamers zagen in hem de schitterendste zon, die ooit den Vlaamschen grond bestraald had.
Een prachtige stoet te paard, met Oranje aan het hoofd, begeleid door graaf Jan van Nassau, den prins van Chimay en andere grooten, kwam hem te Vilvoorden tegemoet en bracht hem tot aan de stadspoort. Op een open veld buiten de stad stond de graaf van Bossu aan het hoofd der troepen, die ten slotte een spiegelgevecht hielden, dat, om de woorden van een met de oudheid vervulden tijdgenoot te bezigen, "een even bloedigen strijd scheen, als op de vlakten van Attika tusschen hertog Miltiades van Athene en koning Darius had plaats gegrepen."
De stoet trok de Leuvensche poort binnen onder een schitterenden zegeboog, met onzichtbare speellieden bezet. "Ik geloof dat Orpheus nooit zoo liefelijk op de harp gespeeld had," zegt dezelfde schrijver, "noch Apollo op de lier, noch Pan op de fluit, als de stadsspeellieden nu."
Bij het binnenrijden der poort werd Matthias terstond overgeleverd aan de oude fabelleer en maakten de burgers en rederijkers zich van hun doorluchtigen gevangene meester, met het vast besluit om bij zijn verwelkoming zich zelven te overtreffen.
De vertegenwoordigers der "negen natiën" van Brussel kwamen hem tegemoet in de Ridderstraat, van een weidschen stoet vergezeld. Ofschoon het middag was, droegen allen brandende toortsen. Ofschoon het Januari was, werden de straten met bloemen bestrooid. De huizen waren met festoenen behangen en schitterend met zijde en fluweel gestoffeerd. De straten waren vol toeschouwers en met zegebogen bezet. Op de groote markt, steeds het middelpunt van alle indrukwekkende schouwspelen, het mochten dan tooneelvertooningen, steekspelen of terechtstellingen zijn, bereikten de dramatische voorstellingen hun toppunt. De prachtige gevel van het stadhuis was met wimpels en banieren versierd; de vensters en uitstekken daar, zoowel als die der overige schilderachtige gebouwen, welke het plein insloten, waren met feestelijk getooide vrouwen bezet. Op het plein had men vierentwintig tooneelen opgeslagen, waar een reeks van schilderijen werd vertoond door de schoonste meisjes, die men in de stad had kunnen vinden. Deze waren allen in gewerkte zijde, kostelijk kunstwerk en goudlaken uitgedost.
De onderwerpen van die levende tafereelen waren, gelijk vanzelf spreekt, geheel aan de oude godenleer en den heldentijd ontleend, want de Nederlanders konden niet buiten zinnebeeldige voorstellingen; nochtans verrieden deze vertooningen, door burgers en ambachtslieden tot vermaak hunner medeburgers bedacht en uitgevoerd, een grooten trap van beschaving bij het volk, dat zich op dergelijke wijs vermaken kon.
Al de groepen waren met kunstig overleg gerangschikt. Op het eene tooneel stond Juno met haar pauw; zij bood Matthias de stad Brussel aan, die zij fraai gemodelleerd, in de hand hield. Op het andere tooneel reikte Bybele hem de sleutels, overhandigde de Rede hem een toom, Hebe een bloemkorfje, Wijsheid een spiegel en twee wetboeken, Naarstigheid een paar sporen, terwijl Standvastigheid, Grootmoedigheid, Voorzichtigheid en andere deugden hem met een helm, borstharnas, speer en schild toerustten. Op andere stellages bood Bellona den landvoogd verscheidene gewapende manschappen aan, in een bundel saamgebonden en gaf de Faam hem haar trompet en de Roem haar kroon.
Nog zag men Quintus Curtius, geharnast en te paard, zich in den gapenden afgrond storten en werden op zes andere tooneelen de schilderachtigste oogenblikken uit het leven van Scipio den Afrikaan vertoond. De baardelooze aartshertog had nog geen heldendaad verricht, behalve zijn vlucht uit Weenen in zijne nachtjapon, maar de eerlijke Vlamingen vonden er genoegen in zich te verbeelden, dat die twee oude Romeinen in hem herboren waren. Door hun liefde voor de verdichtselen en geschiedenissen der oudheid medegesleept, zagen zij in hem een mytischen held en inderdaad was hij bestemd dit in de Nederlanden te blijven. Nadat Matthias al deze wonderen aanschouwd had, werd hij wederom opwaarts naar het hertogelijk paleis geleid, waar hij nog tot vermoeiens toe, aanspraken en verzen aan te hooren had, tot men hem eindelijk vergunde, zijn avondmaal te gebruiken en naar bed te gaan.
Intusschen vierden de burgers feest op straat. Overal had men groote vreugdevuren ontstoken, waaraan het volk "ganzen, varkens, kapoenen, patrijzen en kuikens" braadde, terwijl men zich onder vroolijk fluitspel met dansen vermaakte. Plotseling zag men een vreeselijken draak door de lucht vliegen: het monster zweefde een poos over de hoofden der jubelende menigte op de groote markt en barstte toen bulderend uiteen, terwijl het raketten en allerlei vuurwerk naar wijd en zijd uitzond. Deze nog nieuwe vertooning veroorzaakte zooveel schrik onder de menigte, dat de meesten het hazenpad kozen, "alsof duizend soldaten hun op de hielen zaten," terwijl zij in de grootste verwarring over elkander tuimelden.
Den volgenden dag zonden de Staten eene deputatie naar Matthias om hem te verzoeken, Oranje aan te stellen tot zijn luitenant-generaal. Dit was eigenlijk geen verzoek, maar een gedwongen fraaiigheid, want in dien vorm hadden de Staten berust, om het niet te doen voorkomen, alsof zij zich door de burgerij de wet lieten stellen. Matthias stemde toe en den 20en legden beiden hunne ambtseeden af.
"Hun werd," vervolgt Motley, "door de Staten-Generaal een prachtig gastmaal aangeboden in de groote zaal van het Stadhuis en toen de tafel afgenomen was, gaf Rhetorica hare laatste en zinrijkste vertooning door de broeders der vermaarde Kamer: "Maria met den bloemenkrans."
Twee personages--de eene als een deftig burger, de andere als een geestelijke gekleed, met tabbaart en bef--verschenen op het tooneel, vlak tegenover de zitplaatsen van Hunne Hoogheden, en droegen een lang berijmd gesprek voor. De eene der sprekers heette "Verlangend Hart," de andere "Gezonde Troost," Gezond Verstand zou beter te pas gekomen zijn, maar dit was, naar het schijnt, uit het spel gebannen. Nadat er een lang relaas was opgedreund, nam het spel een einde en Rhetorica haar afscheid. Het gezelschap was gedurende de lange voorstelling aan tafel gebleven en thans werd het nagerecht opgedischt, dat uit een "kostelijk triumphant banket van ingemaakte vruchten en allerlei suikerwerk" bestond.
In welke stemming de Prins gedurende al die feesten verkeerde, is moeilijk te zeggen. Ongetwijfeld verheugde hij zich over het volksgenoegen, in zoover hij er eene uiting in aanschouwde van zijn vurig verlangen naar onafhankelijkheid van Spanje. Maar kon het anders, of ook een reeks van moeilijke vragen stelden zich voor zijn geest. Zijn broeder Jan was met hem in Brussel; die was nu vast besloten zijn lot met dat zijns broeders in de Nederlanden te verbinden. Oranje zelf had behoefte aan sympathie, al scheen hij ook een man, die bovenal op zichzelf vertrouwde. Marnix van St. Aldegonde en Jan van Nassau waren beiden voor hem onmisbaar, al konden ze met al hun affecties hem toch niet geheel begrijpen. Want beiden hadden een godsdienst met een zeer sterke theologische strekking en Oranje's verdraagzame geest was hun eigenlijk onverklaarbaar; ze zagen dat aan aan als Laocideesche lauwheid.
De herziene Unie van Brussel en de kort daarop gevolgde intocht van Oranje als luitenant van Matthias in Brussel, waren zeker de glansrijkste oogenblikken in de loopbaan van den Prins. Onder het bestuur in naam van een lid van het Oostenrijksche huis, wiens geboorte eenige reden aan zijn optreden gaf, waren de teugels der regeering in zijne handen en was het zijne taak niet alleen de protestantsche noordelijke gewesten, maar ook de katholieke, zuidelijke te regeeren.
Zou hij slagen in de vervulling dier taak? Zou zijn talent als staatsman, dat hem zoover gebracht had, niet te kort schieten, wanneer het aankwam op de toepassing? Zou het hem gelukken, op den grondslag van de Pacificatie, beide godsdiensten vereenigd te houden en alle gewesten in eendracht te doen samenwerken in den vernieuwden oorlog met Spanje? Zou hij het hoofd kunnen bieden aan den geweldigen strijd, die hem wachtte? Niet alleen had de Paus den aartsketter en al zijn volgers op één lijn met Turken en heidenen geplaatst en bleef de hoop op Engeland steeds nog in de lucht zweven, maar bovenal zou het de vraag zijn, of hij de fanatieke Calvinisten en Katholieken tot één doel zou kunnen doen samenwerken. We zullen daarop, helaas, later een ontkennend antwoord moeten geven.
HOOFDSTUK XXVI.
MOEILIJKE DAGEN. DON JUAN. PARMA. DE PRINS TE GENT. 1578.
Sedert tien jaar was er zooveel gebeurd in het leven van den Prins, dat we ons bijna niet kunnen voorstellen, dat er zulk een betrekkelijk kort tijdsverloop ligt tusschen zijn eersten hopeloozen veldtocht van het jaar 1568, gedurende zijn ballingschap in Dillenburg en zijn triomfen in den aanvang van 1578. Wie hem, na dien roemloozen veldtocht tegen Alva, toen hij nauwelijks op Fransch grondgebied een toevlucht kon vinden, had voorspeld, dat hij na tien jaar eigenlijk de eerste in datzelfde land zou zijn, ware zeker door den Prins glimlachend en ongeloovig aangezien.