Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 42

Chapter 423,823 wordsPublic domain

Doch op dienzelfden 23en September verscheen de Prins in Brussel. Een commissie uit de Staten-Generaal was hem in Antwerpen komen begroeten en had hem sterk aangeraden, zijn reis naar de hoofdstad voort te zetten. Het gaan daarheen was een ware triomftocht.

In drie barges werd Oranje en zijn gevolg langs het kanaal van Antwerpen naar Brussel gebracht. Driehonderd gewapende Antwerpenaren begeleidden den stoet. De gewapende burgerij, 26 vendels, 4000 man sterk, wachtte hem op aan de poorten der stad. Aan de landingsplaats werd hij verwelkomd door Aerschot en tal van edelen, waarna de optocht aanving door de rijk versierde stad. De tien-jarige oorlog had den Vlamingen den lust in zinnebeelden en allegorieën bij zulk een feest niet benomen. De straten waren met groen versierd en met tapijten bedekt. Eerebogen en allerlei versieringen vertolkten de vreugde der bevolking; de eerewijn werd "den hersteller en verdediger der vrijheid van het vaderland" aangeboden en daarop werd hij geleid naar zijn eigen paleis, naar het paleis zijner vaderen, dat thans hersteld was, om den balling zoo eervol mogelijk te ontvangen.

Hoe moet het hart van den Prins op dien dag geklopt hebben, toen hij Brussel na tien-jarige afwezigheid weerom zag en daar ontvangen werd als een souverein. Wat was er in dien tijd niet over zijn hoofd en hart heengegaan. Toen vluchtende voor de naderende komst van Alva en thans ingehaald en verwelkomd als de redder des lands. Wat hij in die dagen had gewenscht en hem bij de Pacificatie van Gent was toegezegd, scheen thans bereikt: de Nederlanden tegen Spanje en zijn landvoogd vereenigd.

Had hij Brussel moeten vaarwel zeggen in 1567, te recht bevreesd voor de wraak van een landvoogd, nu was er een andere landvoogd die wel eenige maanden geleden ook in Brussel was ingehaald, maar die thans als het ware gevlucht was voor hem of liever voor den vrijheidsgeest, die het geheele volk bezielde.

Thans waren al de teleurstellingen vergeten, die hem in de jaren van het Zuiden ten deel waren gevallen; ook die gesloten poorten der steden, die hem noch in 1568, noch in 1572 wilden ontvangen. Eindelijk was het volk aan zich zelf teruggegeven; zijn oogen waren opengegaan voor de redding, die hij kon aanbrengen. O glorievolle dag, die 23e September 1577, toen de ketter en de rebel, toen de balling en de door de wet veroordeelde en verdrevene als redder des lands werd ingehaald, op grond van zijn grooten en welverdienden naam, dien hij zich in het Noorden van het land had verworven.

De vader des vaderlands scheen zijn ideaal: het vereenigd Noord en Zuid, te hebben verwezenlijkt.

Zou de eerste nacht, nadat Aerschot met hem den avondmaaltijd gebruikt had in het oude paleis der Nassau's, zonder eenigen angstigen droom zijn voorbijgegaan? Wij weten het niet, maar de volgende hoofdstukken zullen ons bewijzen, dat er althans reden genoeg voor hem bestond een onrustigen nacht door te maken.

HOOFDSTUK XXV.

FAMILIEBANDEN. ORANJE'S VERHEFFING. TWEEDE UNIE VAN BRUSSEL. INTOCHT VAN MATTHIAS. 1577-1578.

Terwijl wij den Prins dien eersten nacht in het Nassau-paleis zijner vaderen laten rusten op zijne lauweren, droomende van den schoonen triomf door hem behaald, misschien ook van de nieuwe zorgen die hem wachtten, gaan we een oogenblik naar de zijnen terug, die hij in Holland had achtergelaten.

De brief van Jan van Nassau, in de maand Mei aan den Prins gericht, met het verzoek om zijn oudste dochter Marie nog een tijdlang bij zijn oude moeder Juliana te laten, was op den 18en Juni door Oranje beantwoord. Hij laat door middel van een bode aan Jan zeggen, dat hij groot verlangen heeft zijn dochter te zien, vooral omdat hij niet weet hoe zijne zaken zullen loopen. Althans voor een poos verzoekt hij zijn broer haar te zenden voor enkele zaken, die hij met Marie heeft te bespreken. Indien zijn zoon Maurits uit Heidelberg is teruggekeerd, dan zou Oranje wel wenschen dat deze met zijn zuster meekwam. De Prins hoopt van harte, dat Jan het vertrek van Marie zal kunnen goedkeuren.

Voor korten tijd had Jan daar blijkbaar niet op tegen. In September, toen de Prins naar Brussel werd ontboden en hij den Staten beloofd had, dat in zijn afwezigheid graaf van Nassau hem zou vertegenwoordigen, kwam Jan met drie kinderen van den Prins, Marie, Maurits en Anna aan en werden zij te Geertruidenberg door Charlotte van Bourbon hartelijk verwelkomd.

Toen de Prins naar Brussel gegaan was, verliet Charlotte met al hare kinderen de laatstgenoemde plaats en ging naar Dordrecht. Vandaar schreef ze tal van brieven aan haar echtgenoot, vol van zorg en vrees voor zijn gezondheid en leven. Ze smeekte hem toch naar een veiliger plaats dan Brussel te gaan, een wensch waarmee geheel Holland het eens was.

Hoe ze hem op de hoogte hield van al de bijzondere familieaangelegenheden, blijkt wel duidelijk uit de aardige brieven, welke ze in de eerste dagen van October aan den Prins schreef. Op den 2en October meldt Charlotte hem, dat ze in Dordrecht is aangekomen, waar ze hun dochtertjes in goede gezondheid heeft aangetroffen. Ze doet mededeeling van de wijze waarop ze gehuisvest zijn en zegt, dat de groote kinderen erg hopen, dat hij spoedig terug zal komen. Dit is ook de wensch van de Landsstaten, zegt zijne vrouw, want zij meenen dat Oranje even goed en veel veiliger uit Dordrecht raad zou geven. Verder doet zij hem allerlei vragen omtrent het salaris van den gouverneur van zijn zoon en herinnert hem, de koningin van Engeland te bedanken voor al de door haar bewezen diensten.

Twee dagen later schrijft Charlotte over het groote nieuws van de overgave der stad Breda. Fronsberg en zijn Duitsche troepen, die de stad voor Don Juan nog steeds in bezit hielden, hadden zich gelukkig verwijderd. Ze hadden heel wat schade aan het paleis van den Prins veroorzaakt. De burgers van Breda waren ten hoogste verblijd, dat ze nu weer onder hun eigen heer kwamen en ze rekenden er zoo zeker op, dat de Prins en zijne familie daar den winter zouden doorbrengen, dat er reeds voor een provisie turf gezorgd was. Charlotte vraagt daarover bericht van haar echtgenoot, erbij vermeldende, dat ze zorgen zal gereed te zijn om onmiddellijk te vertrekken.

Den 8en October schrijft ze van uit Dordrecht het volgende briefje, vol zorg over het leven en de gezondheid van den Prins:

"Monseigneur!

Ik zou wel wenschen zeker te zijn, dat gij niet meer zoo dikwijls buiten uwe woning des avonds gingt eten; de burgers zijn daarover zeer verstoord (uit vrees dat de Prins zijn leven te veel zou blootstellen). Ik bid u, toch een weinig meer zorg te dragen voor hetgeen tot uw behoud kan strekken, ook zou ik zeer wenschen te weten, of de Staten u niet eenige uitoefening van godsdienst, hetzij in 't geheim of op een andere manier hebben veroorloofd, want ik begrijp niet, Mons., hoe gij zonder dat langer kunt blijven. Ik weet wel, dat gij er aan denkt, maar het verlangen, dat God steeds meer en meer uw arbeid zal zegenen, geeft mij de stoutmoedigheid, u dit woord te schrijven. Ik zou wel willen, dat Mons. eens een reis naar Breda kon doen, want ik weet niet, of het goed zal zijn van die dingen te spreken, terwijl gij in Brussel zijt."

In dezelfde dagen meldt Charlotte Oranje de aankomst van zijn broeder Jan en de ontvangst van 's Prinsen brieven. Zij deelt mede, hoe verheugd het volk was over die komst en hoe zij en de meisjes met den graaf hebben gegeten en samen op de gezondheid van den Prins hebben gedronken. Eensdeels had de komst van Oranje's broeder in het land wel het doel om aan te dringen op de teruggave der door hem voorgeschoten gelden, maar vooral was die komst een gevolg van den wensch van den Prins, zijn broeder Jan als zijn plaatsvervanger te doen optreden. Charlotte schrijft nog in dien brief over een geschenk, dat de burgers hem hadden aangeboden, doch ze had liever gezien, dat al de steden te zamen hem die attentie hadden bewezen. Welk een innig goede geest er heerschte in den stillen kring met Charlotte aan het hoofd, blijkt o. a. uit deze woorden van dien brief:

"Wij, uwe dochters en ik, wij zullen trachten zoo geduldig mogelijk te zijn, hoe moeilijk ons dit ook zal vallen, als uw broeder weer zal zijn vertrokken, want terwijl hij hier is, schijnt het ons toe, alsof ook gij niet afwezig zijt. Ik versterk mij met uwe hoop, Mons., dat de zaken een beteren loop zullen nemen, al ben ik ook verwonderd, dat het nog niet gekomen is tot eene beslissing, want het is, dunkt mij, meer dan tijd; ik meen dat dat kleine oponthoud de goede zaak toch zal bevorderen... Voor het overige, Mons. heb ik uw groeten aan onze dochters overgebracht, die zich zeer nederig in uw goede gunst aanbevolen houden. Wij houden veel van elkaar; ze hebben allen groote zorg voor de kleintjes. Allen maken ze het wel. Maurits wordt elken morgen en elken avond door den chirurgijn behandeld.

Uwe C. DE BOURBON.

Enkele dagen later schrijft zij nog:

"Ik heb het geschenk ontvangen, dat gij mij van de koningin hebt gezonden. Ik vind dat heel mooi. Wat de beteekenis van de hagedis is, men zegt immers dat het een eigenschap van haar is, een slapend mensch, die bedreigd wordt door eene slang te worden gebeten, te wekken. Ik denk dat dit op u toepasselijk is, Monseigneur, die de Staten wekt, opdat zij niet gebeten worden. God wake door zijn gunst, dat gij hen tegen de slang kunt behoeden."

Welk een geestvol gezegde van Oranje's derde gemalin omtrent zijne roeping tegenover Don Juan en de Staten. Al mocht zij geen rechtstreekschen invloed hebben op zijn staatkunde, door dergelijke fijne gezegden werkte zij toch heilzaam op den geest van den Prins, evenals het voor hem, die thans op zulk een zware post was geplaatst, een weldaad was, te kunnen denken aan de veiligheid van de zijnen onder de hoede zijner derde vrouw.

Op den 10en October schrijft ze hem, dat ze eerstdaags naar Breda zal vertrekken en hem daar persoonlijk hoopt te ontmoeten. Ze hoopt van te voren nog bericht te ontvangen, hoe zij zich in Breda met de uitoefening van den godsdienst moet gedragen. Daar gekomen, schrijft zij nog, dat de inachtneming van de artikelen der Pacificatie van Gent haar het hoofd breekt en dat ze hoopt, dat de Prins zelf spoedig daarin zal voorzien. Ondertusschen is de predikant Mr. Taffin in Dordrecht gebleven, totdat de wil van den Prins hem zal worden kenbaar gemaakt. Hoeveel schade er ook aan het paleis in Breda is veroorzaakt door de bende van Fronsberg, Charlotte schreef, dat zij het huis in beter staat had aangetroffen, dan ze had kunnen verwachten. Men was druk bezig het op te knappen en het een netter aanzien te geven.

Het beeld van de hagedis, waarmee de Prins zoo geestig door Charlotte werd vergeleken, was door hem van zijn eerste optreden af tegenover Don Juan daadwerkelijk toegepast. Zulk een hagedis, die de Staten moest blijven wekken, om te ontkomen aan de beet van de slang, bleef hij van het eerste oogenblik, dat hij zich in Brussel bevond. Hij mocht met blij gemoed de toejuichingen der bevolking hebben ingeoogst op den dag zijner joyeuse entrée; zijn eerste werk moest zijn, den laatsten listigen zet van Spanje's landvoogd te vernietigen.

Wij zagen hoe Don Juan, ten einde raad, had toegestemd in al de eischen, die de minderheid der Staten-Generaal hem nog ter elfder ure had gesteld en hoe een onvoltallige vergadering dier Staten op den dag van 's Prinsen binnenkomst in Brussel, dat eindverdrag had goedgekeurd. Oranje's eerste werk moest wezen, dat genomen besluit te vernietigen en andere voorwaarden aan Don Juan te stellen, waaraan hij zich zeker wel niet zou onderwerpen.

De vergadering begon met den Prins een hartelijk welkom toe te roepen en deze antwoordde daarop, dat geen eerzucht, maar liefde tot het vaderland hem had bewogen hun roepstem op te volgen, dat hij niet van zins was, eenige verandering in de regeering of den godsdienst te brengen en alleen begeerde den vrede te bevestigen, door getrouw het Gentsche verdrag ten uitvoer te brengen. Na die officieele begroeting volgde aanstonds eene langdurige en heftige discussie over de voorwaarden, die de Prins meende, dat aan de artikelen door Don Juan te onderteekenen, moesten worden toegevoegd. De voorwaarden waren, dat alle beambten, die zich aan Don Juans partij hadden aangesloten, moesten geschorst worden tot de vergadering der Staten-Generaal. De graaf van Buren zou zoo spoedig mogelijk uit de Spaansche gevangenschap moeten worden ontslagen. De koningin van Engeland wilde men als beschermvrouw van het verdrag inroepen en de benoeming van den Raad van State zou geschieden, niet door den landvoogd, maar door de Staten-Generaal.

In alles was de hand van Oranje zichtbaar. Blijkbaar begreep de Prins, dat Don Juan zich die vernederende voorwaarden niet zou laten welgevallen; en toen ze hem dan ook werden voorgesteld, overlaadde hij de gezanten met scheldwoorden en verweet hij hun, dat ze den Prins hadden ingehaald. Daar alle pogingen tot verzoening mislukten, meldden de Staten-Generaal op den 8en October aan den landvoogd, dat ze hem niet meer erkenden en ze verzochten hem naar Luxemburg terug te gaan. Dit deed Don Juan, maar vandaar schreef hij ook naar Brussel in zeer oorlogzuchtigen geest. Hij antwoordde, dat hij bericht had ontvangen van den terugkeer der Spaansche troepen. Toen werd in Brussel voorgesteld, de onderhandeling af te breken en al drong de vredespartij nog op bemiddeling aan, de meening van Oranje zegevierde. Alle kans op eene verzoening met Don Juan was verdwenen en daarmede was de oorlog weer zoo goed als uitgebroken.

Evenmin als Don Juan op dat oogenblik, waren de Staten tot den oorlog gereed. Een gedeelte van hen hoopte op steun van Elisabeth, waartoe de kans in die dagen niet slecht stond en ook Oranje met de zijnen waren ernstig in de weer, van die zijde geld en hulptroepen te ontvangen. Een ander gedeelte waaronder Lalaing, de Henegouwsche stadhouder, was tegen Engelsche inmenging en hoopte op hulp van Frankrijk, zoodat men van die zijde ook door middel van Margareta van Valois, die nog altijd in Spa was, voor de belangen van den hertog van Anjou ijverde.

De Prins was hiermede op de hoogte en wist wel, dat men ook Anjou zocht te winnen uit vrees dat deze Don Juan zou gaan helpen.

Evenmin was het Oranje onbekend gebleven, dat ook een deel der edelen, vooral op aandrang van Aerschot, zich in het geheim in betrekking had gesteld met Matthias, aartshertog van Oostenrijk en broeder van Keizer Rudolf. Oranje keurde dit niet geheel af, mits enkele heeren van het land hem als zijn raad werden toegevoegd. Aerschot had bij dezen pretendent eene dubbele bedoeling; vooreerst was het vrees voor de macht van den Prins, dat hij Matthias gaarne in het land zag, maar tevens hoopte hij, dat Filips zijn neef zou erkennen als opvolger van Don Juan, zoodat het land dan toch onder de souvereiniteit van den koning van Spanje bleef.

De heer van Maelstede werd met eene zending naar Weenen belast, om in naam van Aerschot en de zijnen de boodschap aan Matthias over te brengen. Hoe eigenaardig de opdracht ook was welke men hem kwam aanbieden, nog wel uit naam van een zwakke partij, die het recht niet bezat zoo iets te doen, het avontuurlijke scheen den jongen man zoo aan te lokken, dat hij zich maar kort bedacht. Reeds in den nacht van 3 op 4 October verliet hij vermomd het paleis en wist zoo Weenen te verlaten; weinige dagen later zien wij hem in de Nederlanden. Waarschijnlijk was keizer Rudolf niet onbekend met de onderneming van zijn broer, maar tegenover Filips II deed hij, alsof hij niets van de zaak wist. Volgens enkelen had Matthias van de diepen slaap van Rudolf gebruik gemaakt om de kamer, waar ook hij sliep, te verlaten, maar volgens anderen was Rudolf wakker en bleek ook dit slechts een voorwendsel.

Den 9en October gaf Aerschot den Staten-Generaal kennis van de aanstaande komst van Matthias, die reeds op reis was. Die mededeeling was voor de Staten natuurlijk eene groote verrassing en ook de Prins, die er den laatsten tijd niets meer van gehoord had, was onaangenaam door die tijding getroffen. Hij begreep best, dat die geheele onderhandeling met Matthias was voortgekomen uit den wensch, zijn invloed tegen te gaan, maar ook hinderde het hem op die wijze met Filips II op goeden voet te blijven; ten slotte wat zou deze twintigjarige Duitscher zonder ondervinding, macht of geld in den oorlog, welke nu weer aanstaande was, kunnen uitrichten? Vooral nu de Prins eenmaal te Brussel was, zou de plotselinge komst van Matthias den geest van tegenstand versterken en zijn eigen invloed verzwakken. Wat zou bovendien Engeland er wel van zeggen?

Verstandig als Oranje was, verzette hij zich echter thans niet meer, maar wist de Staten te bewegen voorwaarden op te stellen, waaronder men Matthias als landvoogd zou erkennen. Dat dit niet naar den zin van Aerschot was, valt te begrijpen, maar de raad van Oranje behield de overhand.

De nieuwe landvoogd, die inmiddels tot Maastricht genaderd was, werd verzocht zich tot nader order naar Lier te begeven. Hieraan gaf hij gehoor, doch verwisselde later Lier met Antwerpen, teneinde gemakkelijker met Brussel te kunnen onderhandelen.

Ondertusschen was er in de laatste helft van October veel gebeurd, dat de staat van zaken belangrijk wijzigde. Aerschot mocht in de meening verkeeren, dat hij door Matthias binnen te halen, Oranje's invloed kon verminderen, het volk was er ook nog. Wij kunnen ons in den tegenwoordigen tijd vooral, eene beste voorstelling vormen van den onweerstaanbaren invloed van democratische bewegingen. Zij zijn onvermijdelijk in sommige tijdperken, zij beheerschen dan de geheele maatschappij, de geheele staatkunde.

Zoo was het ook in die dagen in Zuid-Nederland; in de steden breidde zich met onweerstaanbare kracht de democratische beweging van dag tot dag uit en dit was niet anders, dan een natuurlijk gevolg van de tijdsomstandigheden. Sedert de Spaansche furie in Antwerpen en niet minder sedert Don Juans staatsgreep te Namen, was de burgerij in de wapens. Men had genoeg geleden van de Spanjaarden, dat was de algemeene overtuiging en al had men liever den vrede gewenscht dan voortzetting van den krijg, thans wilden de burgers niet anders dan met de wapens in de hand den mogelijk terugkeerenden Spanjaard bevechten. Aan de slooping der kasteelen had de burgerij met wellust deelgenomen. Wie ooit de bijzonderheden van die slooping van het Vredenburg te Utrecht heeft gelezen, weet, hoe het volk, mannen en vrouwen beiden, daaraan deelnamen. De stedelijke besturen werden hier en daar niet vertrouwd, maar de burgerij noodzaakte ze toe te geven. Daarbij duurde de stilstand in handel en landbouw voort; dat gold toch belangen, die het volk in zijn geheel raakten. Men bleef belastingen heffen; was het wonder, dat ook dit misnoegen verwekte? Er moest verandering komen. Het volk zelf moest aandeel in het bewind verkrijgen, het kostte wat het wilde. En zoo was men van zelf--hoe kon het anders, in de zee der democratie gekomen.

En die denkbeelden gingen nog buiten den godsdienst om; daarover waren alle burgers, van welk geloof ook, het eens. Doch nu kwam daar nog bij, dat overal, ook in het Zuiden, het Calvinisme zich een weg baande, waardoor de democratische strooming zich versterkte.

Daarvan was tot de Pacificatie van Gent in het Zuiden, behalve in de jaren voor Alva's komst, geen sprake; die Pacificatie gaf echter den uitgewekenen vrijheid, naar hun land terug te keeren. Voor de Staten-Generaal, die de vrijheid van godsdienst niet voor alle gewesten begeerden, maar deze alleen aan Holland en Zeeland zouden toestaan, was dit een hoogst ergerlijk feit. Over de hernieuwing der plakkaten werd zelfs gedacht en met Don Juan gecorrespondeerd. Diens verraad gaf natuurlijk meer ruimte aan de Calvinisten; ook de komst van den Prins in het land had hun nieuwen moed geschonken. Nu hun geloofsgenoot de vader des vaderlands uit het Noorden zelf was binnengeroepen, begeerden ze niet langer alleen vrijheid van geweten, maar ook vrijheid van godsdienst. Vlaanderen was vooral het middelpunt hunner beweging, maar ook in Brussel waren de volkshartstochten ontketend; al werkte daar het Calvinisme minder, de democratie was er even sterk.

Reeds op den 8en October bood eene menigte aanhangers van den Prins den Staten-Generaal een verzoekschrift aan, waarin deze hoopten op spoedige besluiten in democratischen, oorlogzuchtigen en anti-Spaanschen geest. Dit geschiedde namens de achttienmannen, de hoofden van de negen natiën der gilden.

Deze handelden met zooveel driestheid, dat het niet te verwonderen was, dat de Staten in hun optreden een inbreuk op hun gezag zagen en bevreesd werden voor de tirannie van den volkswil. Ook Oranje hield hun voor, dat ze de overheid gehoorzaamheid schuldig waren, doch gaf aan den anderen kant aanleiding om te doen denken, dat hem die volksbeweging niet onaangenaam was. Hij noodigde de achttienmannen althans aan zijnen disch. Op den 13en October gaf de Prins aan dien maaltijd te kennen, dat hij op verzoek van de Staten van Holland naar Antwerpen zou gaan en misschien wel, om aan Charlotte's wensch te voldoen, naar Breda. Toen hij afscheid van hen nam, smeekten ze hem, hen toch niet aan hun lot over te laten; hij was hun eenige troost en toeverlaat. De Prins antwoordde daarop in eene rede, die wel een half uur duurde en beloofde hun, dat hij de burgers tot den dood zou bijstaan.

In hooge mate verstond Oranje de kunst, het volk te winnen. In Brussel steeg in die dagen de vereering van zijn persoon tot afgoderij. De inwoners bewaakten dag en nacht zijn paleis en waar hij heenging, overal begeleidde hem het volk. Vrouwen vielen bij zijn voorbijgaan op de knieën. Een ooggetuige zegt zelfs: "Men vereerde hem, als ware hij de Godheid zelve."

Het gevolg hiervan was, dat er op den 18en October een request bij de Staten van Brabant werd ingediend, waarin de begeerte werd uitgesproken, dat een der voornaamste heeren uit het gewest tot stadhouder mocht worden gekozen. Met dien eenen werd niemand anders dan Oranje zelf bedoeld. Als baron van Breda nam hij eene eerste plaats in onder de Brabantsche ridderschap. Toen dit niet spoedig genoeg tot resultaat leidde, drongen de achttienmannen en hun geestverwanten de vergadering binnen en eischten zij eerst van de Staten de benoeming van Oranje en daarna van de Staten-Generaal, die ook niet waagden zich tegen den volkswil te verzetten. Bij besluit van 22 October werd de Prins tot Ruwaard van Brabant verheven. Gelijk we ons herinneren, was dit een post, reeds jaren vroeger, onder Granvelle, door Oranje hartstochtelijk begeerd. Het was een titel, die hem grooten invloed verzekerde op het in Brabant gevestigde bestuur; een soort van dictatorschap. De Staten-Generaal moesten zwichten voor den eisch van het volk, dat in dien ruwaard een waarborg zag tegen de intriges, waardoor het omringd was en ze waren gedwongen, Oranje als zoodanig te erkennen, natuurlijk zoolang er geen landvoogd zou zijn.