Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 41

Chapter 413,958 wordsPublic domain

Die woorden zijn op zich zelf genoeg, om alle verdachtmaking van den edelen Oranje, waarmee hij nog tot heden vervolgd wordt, te niet te doen. Geen rustig, gemakkelijk, weelderig leven begeerde de Prins ooit; zijn geluk hing van geheel andere dingen, dan van uiterlijke welvaart en rust af. Voor hem, die Oranje zulke aanbiedingen durfde doen, mocht wellicht "le comble du bonheur" daarin zijn gelegen, voor den Prins was geen geluk denkbaar, dan met de gewesten, die hem als een vader liefhadden. Hij heeft er nooit aan gedacht zijn lot van dat van Holland en Zeeland te scheiden--hij zou zich geen rust en geluk kunnen voorstellen zonder dat hij, in den heftigsten strijd desnoods voor de zijnen, den grond voor hun geluk en welvaart had gevonden.

Was zijn geheele brief aan Don Juan een meesterstuk van wantrouwende en toch wellevende politiek, ook uit dat oogpunt is zijn schrijven aan Schets van Grobbendonck merkwaardig. Deze beschuldigt den Prins, dat hij zoo wantrouwend is, waarop Oranje antwoordt, dat evenals er tusschen ware vrienden een goed vertrouwen moet bestaan, er tusschen vijanden niets dan wantrouwen kan zijn. Wil men dat wegnemen, dan moet de vijandschap, de oorzaak van het wantrouwen, ophouden. Welnu, gaat de Prins voort, wij hebben een Pacificatie gemaakt niet minder plechtig als heilzaam voor geheel het land. En wat zien we nu? Gij lieden zijt van uw kant vol wantrouwen, want niet één punt ervan brengt ge in vervulling; ge schendt haar dagelijks en doet alsof zij nooit gemaakt, noch bezworen is.

Men ziet, dat men elkaar van wantrouwen beschuldigde, doch als men geen bevooroordeelde meening omtrent den Zwijger is toegedaan, kan het niet anders dan duidelijk zijn, dat het wantrouwen van den Prins in Don Juan billijker grond had dan het wantrouwen van de Staten-Generaal in den Prins, met wien de Pacificatie was gesloten, in de zekere verwachting, dat al hare voorwaarden zouden worden opgevolgd.

Waar aldus het wantrouwen van beide zijden bleef bestaan, was de kans op vernieuwing van den krijg zeer groot; beiden Don Juan en Oranje waren daar op bedacht. Deze had daartoe dringend hulp noodig, maar de vraag was waar die te vinden. Van Frankrijk was thans niets te verwachten, want de hertog van Anjou had zich in den aanvang van 1577 zelfs aan het hoofd der katholieken geplaatst en werd hun aanvoerder tegen de Hugenoten! Met Engeland was de verhouding echter beter; raadslieden in de omgeving van Elisabeth bepleitten hare tusschenkomst voor Oranje en deze kwam de vorstin tegemoet in geschillen over handelszaken.

Oranje's echtgenoote, Charlotte, had het leven aan eene tweede dochter geschonken, die de Prins den naam van Elisabeth gaf. Toen nu Sidney, op zijn terugreis uit Duitschland, waar hij namens de Engelsche koningin, den nieuwen Keizer Rudolf was gaan begroeten, door Nederland kwam, kreeg Sidney van Elisabeth in opdracht naar Oranje te gaan. Hij moest den Prins niet alleen gelukwenschen met de geboorte van zijne dochter, maar tevens als peet in naam van Elisabeth de doopplechtigheid bijwonen. De Prins, hiermee zeer vereerd, maakte van deze ongezochte gelegenheid gebruik om de zaak der Nederlanden bij de koningin aan te bevelen. Hij droeg Sidney op, de vorstin voor te stellen een geheim verbond met hem te sluiten. De havens van Holland en Zeeland en hunne vloot zouden in elken oorlog van Elisabeth met Frankrijk of Spanje, tot haar beschikking zijn; van haar kant zou ze jaarlijks geldelijke hulp geven, terwijl haar onderdanen alle verkeer met de Spanjaarden moest worden verboden en deze zich in Engelsche havens niet meer van benoodigdheden mochten voorzien. De Prins waarschuwde Elisabeth ook voor de plannen van Don Juan, welke zich mede tot Engeland uitstrekten.

Tegelijkertijd deed Wilson, Elisabeths agent te Brussel, haar ook waarschuwen voor Don Juan op de hoede te zijn.

In een schrijven van Wilson aan Walsingham geeft hij berichten over den gespannen toestand in de Nederlanden en daarin raadt hij ook onderhandelingen te beginnen. Daarna vertelt Wilson nog van de aanstaande komst van de Koningin van Navarre, Margareta van Valois te Spa en hij hecht aan dat bezoek groote politieke beteekenis, al gaat hij wat ver, het te vergelijken met de komst van haar moeder te Bayonne, kort voor den Bartholomeusnacht.

Het zal later blijken, hoe goed Wilson op de hoogte was.

Reeds aanstonds na den vruchteloozen afloop van de bijeenkomst te Geertruidenberg, schreef Don Juan aan den koning, dat volgens zijn zienswijze de bevrediging der Nederlanden niet tot stand zou komen, tenzij men weer den weg der zachtmoedigheid verliet en den oorlog hervatte. Zijn raad was dan ook, de Spaansche soldaten onmiddellijk weer terug te zenden. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want die soldaten waren ondertusschen ver van het land verwijderd en Don Juan gevoelde zich in Brussel, zonder gewapende macht ter zijner beschikking, niet meer veilig. De volksbeweging voor den Prins nam in de hoofdstad toe, trots al de pogingen van Don Juan om populair te worden. Berichten van aanslagen tegen zijn leven, bereikten hem. De adel in het Zuiden bleef dubbelzinnig in zijn houding; zij behoorde meerendeels tot hen, die zooals de Prins van Oranje het uitdrukte, "tusschen twee wateren zochten te zwemmen." Het Statenleger bleef nog bestaan en zijn gevoel van onmacht en wantrouwen was zoo beklemmend, dat hij den 11en Juni Brussel verliet en zich naar Mechelen verplaatste. Doch deze stad zou hem ook niet lang binnen hare muren zien. Hij had andere plannen. Magareta van Valois ging naar Spa, zoogenaamd voor haar gezondheid om er de baden te gebruiken, inderdaad met de bedoeling, daar aanhangers te werven voor een nieuw optreden van haar broeder, den hertog van Anjou. Deze vrouw daar te ontmoeten en een schitterende ontvangst te bereiden, werd het voorwendsel van Don Juan, ook Mechelen te verlaten en naar Namen te gaan, waar hij zich bij verrassing meester ging maken van het kasteel.

't Was wel een zeer eigenaardige ontmoeting tusschen de geslepen Magareta van Valois en Don Juan. Deze was meer dan ooit door de St Bartholomeus-bruid bekoord, maar hij besefte volstrekt niet, dat haar ware doel niet haar gezondheid betrof, maar wel de ondergeschikten van Don Juan om te koopen en zijn gezag te ondermijnen. En Don Juan zelf? Zijn hoofdbedoeling was niet de koningin het hof te maken, neen, haar tegenwoordigheid moest juist dienen om zijn werkelijke plannen te bedekken.

Toen Magareta in de richting van Luik verder was gereisd, bracht Don Juan zijn plannen ten uitvoer.

Op den 24en Juli ging hij op de jacht en begeleid door Barlaimont en zijn vier zonen, overrompelde hij den kasteelbewaarder Froymont, wierp hem met zijn soldaten de poort uit en vestigde er zich met de zijnen. Hij verklaarde toen, dat dit de eerste dag was van zijn regeering, dat hij tot dien tijd toe niets had gehad dan een ijdelen titel en dat hij genoodzaakt was voor zijn eigen veiligheid dien maatregel te nemen. Hij zond aan de Staten en stadhouders bericht, dat hij alle artikelen van de Pacificatie wilde uitvoeren, maar voor zich zelf eischte: een lijfwacht, den eed van gehoorzaamheid van de stadhouders en het krijgsvolk aan hem en niet aan den Staten-Generaal; verwijdering van alle verdachte personen als Marnix e.a. en krijg tegen den Prins, zoo deze weigerde te onderhandelen. Het moest volgens Don Juan worden: voor of tegen Oranje. Tegelijkertijd trachtte hij meester te worden van de citadel te Antwerpen, doch die poging mislukte en ook met andere vestingen, die hij wilde veroveren, gelukte hem dit niet beter.

Don Juans daad, hoe roekeloos ook, was niet onbegrijpelijk. Eer verwondert het ons, dat deze trotsche ridder, die met zulke hooggespannen verwachtingen naar het Noorden kwam, zich nog maanden lang al de vernederingen heeft laten welgevallen, en tot zulk een daad niet eerder de toevlucht nam. Doch hoe begrijpelijk ook, de daad zelf bevestigde volkomen het wantrouwen van den Prins; zij rechtvaardigde in de oogen van het gansche land den argwaan van Oranje. Al had hij zelf ook mede het wantrouwen gevoed, van het oogenblik af, dat Don Juan zich in zijn ware natuur deed kennen, rees zijn grootste tegenstander steeds meer in de schatting van het geheele volk. Don Juans aanslag op Namen werd de aanleiding tot de verheffing van den Prins.

Eenige dagen voor de verrassing van Namen, was Marnix namens den Prins belast geweest, aan de Staten mededeeling te doen van zekere in Frankrijk onderschepte brieven, waaruit de booze voornemens van Don Juan ontmaskerd werden. "Alleen te vuur en te zwaard," had hij den koning geschreven, konden de zaken hersteld worden, daar zachte geneesmiddelen niet hadden gebaat. Het land werd met slavernij en algemeenen ondergang bedreigd.

De Staten waren dus voldoende gewaarschuwd en de overrompeling van Namen konden zij als het begin van de uitvoering zijner plannen beschouwen. Bovendien, wat beteekende zijne verzekering, dat hij zich aan de Pacificatie zou houden, indien toch de vrede niet werd bewaard en Oranje moest worden bestreden. Juist de vrede was het hoofddoel van het verdrag te Gent, waarnaar het zuiden niet minder verlangde dan het Noorden. Geen wonder dan ook dat de Staten-Generaal zich na den aanslag van Don Juan aanstonds met den Prins in betrekking stelden. Deze had den 2en Augustus aan de Staten geschreven om zich tegen den laster van den landvoogd te verdedigen, maar hem tevens te doen voelen, dat de manier, waarop de citadel te Namen was genomen, een duidelijke inbreuk was op den vrede, zoodat zij niets meer aan hun landvoogd verplicht waren.

Don Juan zat, nu hij eenmaal het masker had afgeworpen, ook niet stil. Aerschot, de man, die door geen der partijen vertrouwd werd, ontnam hij het bevel over Antwerpen en droeg dit aan Treslong op, een onvoorwaardelijk royalist. Verder trachtte hij Duitsche huurtroepen naar Antwerpen te zenden, hetgeen echter mislukte, daar de stad ze weigerde binnen te laten. Treslong kon het niet lang op de citadel uithouden en daar vond men de geheime correspondentie van den landvoogd, die de valschheid van al zijn verklaringen aan de Staten openbaarde. De stad bleef echter bang voor de Duitsche huurtroepen binnen zijn wallen.

Toen echter Admiraal Haultain, een van 's Prinsen commandanten, de Schelde kwam opvaren, vluchtten de troepen, van schrik bevangen, de stad uit naar Bergen op Zoom, waar ze de wapenen neerlegden en naar Breda, waar ze het nog twee maanden uithielden. Hun kapitein Fronsberg zond aan Don Juan een bode om instructies en deze beloofde binnen 6 weken hulp. Dit antwoord viel echter in handen van den Prins. Door middel van een verdichten brief, waarin Don Juan meldde, dat hij geen hulp kon geven, stond het garnizoen tegen zijn leider op en gaf hem met de geheele stad en met al hun wapenen aan de Staten over; Breda opende de poorten voor de troepen van den Prins onder Hohenlohe. Hetzij het werkelijk door middel van deze krijgslist geschiedde, hetzij op andere wijze, 't voornaamste was dat op den 4en October 1577 de Duitsche voetknechten aftrokken en Hohenlohe nog denzelfden dag, onder uitbundig vreugdebetoon, de stad binnentrok. Van April 1567 af was de stad in handen der Spanjaarden geweest; nu, ruim tien jaar later was de Prins vrij in zijn eigen stad terug te keeren.

Niet alleen in Breda, maar in verscheidene andere plaatsen van het Noorden geraakte de bevolking in beweging ten gevolge van den aanslag op Namen. Men riep van alle zijden om den Prins. Op het oogenblik van den aanslag hield hij zich in Noord-Holland op, waar het herstel der dijken zijn tegenwoordigheid had vereischt. Overal werd hij met luide kreten van toejuiching begroet. "Vader Willem is gekomen," riep het volk elkander blijde tegen en waar hij werd ingeroepen, daar oordeelde hij het ook het best, heen te gaan.

Onder de gouvernementen van den Prins, die groote behoefte aan zijn persoonlijk optreden toonden, behoorde in de eerste plaats Utrecht. Daar was sedert Februari 1577, toen de Spaansche bezetting het kasteel had verlaten, nog steeds de vraag onopgelost gebleven, wie er het stadhouderschap zou bekleeden. De meerderheid der bevolking stond den Prins voor, maar er was ook een candidaat, die vooral door de geestelijkheid gewenscht werd. Het gelukte ten slotte, de Staten van Utrecht te bewegen, dat ze zich onder het bestuur van Oranje zouden stellen. Toch bleven de onderhandelingen over de satisfactie nog voortduren. Onderwijl werd het Utrechtsche kasteel onder het gejuich en de medewerking der bevolking geslecht. Na den aanslag van Don Juan echter werd de volksbeweging in de stad voor den Prins zoo sterk, dat de hoplieden en de burgers van de Staten eischten, den Prins als stadhouder te ontvangen.

Op den 18en Augustus kwam Oranje een feestelijk bezoek aan de stad brengen. Er scheen reden te bestaan, hem een lijfwacht voor zijn persoonlijke veiligheid aan te bieden, daar er vele Spaanschgezinden in de stad waren. Doch de Prins toonde, gedragen door de welkomstgroeten der bevolking geenerlei vrees; hij weigerde die lijfwacht en reed aan de zijde van Charlotte de stad door te midden der juichkreten.

Een paar treffende voorvallen deden zich op dien tocht door Utrecht voor. Eerst werd de Prins plotseling door een hard voorwerp getroffen. Charlotte, meenende, dat er een schot op haar geliefden echtgenoot was gelost, riep in haar doodsangst: "Wij zijn verraden." Oranje ontdekte spoedig, dat het niets dan een prop was uit een der kanonnen, die hem begroetten. "Het is heelemaal niets," met die woorden kalmeerde hij de Prinses en het opgewonden volk en verzekerde hen, dat hij geheel ongedeerd was.

En dat was niet het eenig ongeval, dat er plaats had; een van ernstiger aard zou nog volgen. Men verdrong zich overal aan de vensters, om den Prins in 't voorbijgaan te zien; een jong meisje, 9 jaar oud, het dochtertje van een apotheker, leunde voorover en werd op den grond geworpen, vlak voor de paarden, die het rijtuig van den Prins trokken. Het was te laat, om ze tegen te houden. Het arme kind kwam onder de hoeven der paarden terecht en stierf bijna onmiddellijk. Oranje sprong uit de koets, nam zelf het verbrijzelde lichaampje op, droeg het bij de troostelooze ouders binnen en sprak hun eenige woorden van deelneming toe. Indien die twee voorvallen werkelijk gebeurd zijn (en er is geen reden om dat te betwijfelen), dan oefenden ze waarschijnlijk meer invloed uit om aanhangers van Oranje te winnen, dan folio's argumenten zouden hebben kunnen doen.

Feitelijk als stadhouder erkend en gehuldigd, duurde het echter nog tot October, eer de Staten-Generaal en de Raad van State daarin toestemden. Men vreesde maar al te zeer voor de toeneming van Oranje's macht.

In het Zuiden ontstond in verschillende plaatsen eveneens groote beweging; vooral in Gent, Antwerpen en Brussel. In de laatste stad vertoefde Marnix, die met Théron en Heze niets verzuimde, om het volk aan te sporen, den Prins van Oranje te doen roepen. Deze bleef voorloopig in Holland en schreef o. a. in Augustus een eigenhandigen brief aan Marnix, waarin hij hem dankt voor al zijn goede diensten aan de publieke zaak bewezen en vooral voor zijn pogingen, om de Staten te overtuigen, dat de Prins in al zijn daden door zijn ijver voor het algemeen welzijn beheerscht was.

Hij geeft verder zijn vreugde te kennen over het afbreken van de citadel te Antwerpen en hoopt dat men daarmee door zal gaan. Aan het slot van zijn schrijven geeft hij te kennen, dat het goed zal zijn Don Juan van alle proviandeering, inzonderheid van koren af te sluiten, want, zegt de Prins: "Laat men bedenken, dat elke dag een maand is; ik zie overal de bewijzen, dat Don Juan al zijn krachten vergaderen wil en dat hij een tweede waagstuk gaat ondernemen, gelijk gij lezen kunt uit nevensgaanden brief van Mad. de Bailleu."

Inderdaad, Oranje gaf nauwkeurig acht op den tijd en wachtte den loop der dingen af, zonder dien naar zijn wensch te willen dwingen; hij bleef rustig in Holland. Had hij voor den aanslag op Namen alles gedaan, wat hij kon, om het wantrouwen tegen Don Juan op te wekken, nu dit door de feiten zelf was bevestigd, kon hij gerust den loop der zaken, zonder zich op den voorgrond te plaatsen, afwachten. Hij wilde zich voor geen prijs ter wereld aan het Zuiden opdringen; zelf zouden ze tot hem in nood de toevlucht moeten nemen. Hij begreep zeer goed, dat Don Juan zijn eigen graf had gedolven; de ontdekking van zijn brieven in de citadel van Antwerpen had zelfs de harten van hen, die hem zoogenaamd ondersteunden, verkoeld, terwijl de drukke correspondentie tusschen hem en de Staten niet in staat was, hem het vroegere vertrouwen terug te geven. Van de citadel te Namen uit drong hij o. a. met kracht aan op zijn recht, om de afgevaardigden van de Staten-Generaal te kiezen. Zijn bedoeling was, mannen als Marnix te weren. De Staten antwoordden, dat zoo iets door geen van zijn voorgangers ooit was gevraagd. Don Juan zag zich dan ook spoedig genoodzaakt, zijn toon te matigen. Het geheele land stond tegenover hem en de troepen, die hij terug ontboden had, waren nog niet eens op den terugweg. Filips zelf keurde eerst zijn handelingen ten sterkste af en verbood in den beginne, dat de troepen zouden teruggaan. Tegenover zulk een wanhopigen landvoogd moest wel van dag tot dag de invloed van Oranje rijzen. Dat beseften de Staten-Generaal ook wel en toch trachtten zij zich nog eerst aan die noodzakelijkheid te onttrekken. Ze zochten tijd te winnen en vleiden zich nog een poos, steun van den Prins te zullen ontvangen, zonder hem het bestuur over hunne zaken te geven. Doch die berekeningen, waarbij zeer vele persoonlijke consideraties in het spel waren, vielen eindelijk in duigen.

De Prins nam, gelijk wij zeiden, een afwachtende houding aan. Toch lag het in den aard der zaak, dat hij door middel van Marnix, zijn vertegenwoordiger, met de Staten-Generaal te Brussel in contact bleef. Hij liet in dezelfde maand Augustus door zijn vertrouwden vriend en vertegenwoordiger verschillende punten in zijn naam aan de Staten-Generaal voorstellen. Nu Don Juan zich niet meer zou kunnen rechtvaardigen en evenmin zijn zaak goed maken, al zou hij dat ook beproeven, raadde de Prins den Staten-Generaal, brieven te zenden naar den Duitschen keizer en verschillende prinsen en graven van het rijk, om hen van alles op de hoogte te brengen en hen van de billijkheid hunner zaak te overtuigen. Oranje verwachtte goede uitwerking hiervan en meende, dat de vorsten bereid zouden zijn, hulp en ondersteuning te schenken.

Ook wekt hij de Staten op, het wantrouwen in den Prins te laten varen, niet te denken, dat hij verandering in den godsdienst zou willen maken en toch vooral te gelooven, dat de Prins alleen het gemeenschappelijk heil op het oog heeft, n.l. den vijand te keer te gaan. En Oranje waarschuwt voor Amsterdam, dat hem nog altijd niet wil erkennen, neen integendeel met Don Juan heult. Over Amsterdam sprekende, zegt hij hard, maar niet onverdiend: "als zij konden zwemmen en het volk verdronk, ze zouden het rustig aanzien."

Ondertusschen begaf de Prins zich met het oog op de dingen, die komen konden en die hij wel voorzag, dat ook gebeuren zouden, naar Geertruidenberg, teneinde des te eerder bij de hand te zijn, als zijn hulp werd ingeroepen. Aan Courteville, die van wege de Staten tot hem kwam, gaf hij te kennen, dat alleen oorlog tegen den vreemdeling en eendrachtig handelen, het geneesmiddel tot behoud is. Verder geeft hij den Staten tal van dingen in overweging, welke naar zijn meening moeten geschieden, o.a. teruggave van vele steden als Breda, den Bosch, Roermond, Kampen, Deventer enz; een gezantschap naar Elisabeth; heffing van geld, lichting van troepen enz.

De Staten dankten hem voor zijn raad en deelden hun vreugde mede, dat hij te Geertruidenberg was gekomen, teneinde bij de hand te zijn, als de verdediging van de gemeenschappelijke zaak noodig was.

De hoop op hulp van Elisabeth scheen thans gegrond. Zij zelf scheen, na het verraad van Don Juan, bang voor zijn plannen en zond in plaats van Wilson, William Davison, den beslisten tegenstander van Spanje, als gezant naar Brussel. Hij kreeg last om in het openbaar de verzekering te geven van Elisabeths geneigdheid tot bemiddeling, doch onder de hand bij de "goede patriotten" het wantrouwen tegen Don Juan aan te blazen en de inroeping van Oranje te bevorderen. Het duurde nog tot het begin van 1578, eer Engeland werkelijk hulp zond.

Nog altijd was er in de Staten-Generaal een minderheid, die meer met vrees, dan met hoop de overkomst van Oranje tegemoet zag. Zij had gestemd tegen de slooping van de citadel te Antwerpen en het kasteel van Gent en zij hoopte steeds den oorlog te vermijden en met Don Juan als beschermer van het katholieke geloof en den wettigen landvoogd, vrede te kunnen sluiten. In de eerste dagen van September kwamen er allerlei onrustbarende tijdingen in Brussel over Don Juans toerustingen en de hulp, die hij van den hertog van Guise te wachten had.

De burgerij kwam daardoor in heftige beroering en met meer aandrang dan vroeger, riep deze nu om Oranje. De Prins werd als de eenige beschouwd, die getoond had de Spanjaarden het hoofd te kunnen bieden. Verschil in godsdienst mocht die komst niet beletten, want voor 't grootste gedeelte waren de Brusselsche burgers katholiek. De geheele stad telde niet meer dan 800 Calvinisten. Maar hetzij dan Calvinistisch of Katholiek, de Prins van Oranje alleen was in staat de orde te herstellen en den Spanjaard te keer te gaan.

Onder dien aandrang van het volk, viel op den 6en September het besluit der Staten-Generaal om den Prins in te roepen. Een commissie werd aangewezen, hem persoonlijk dit verzoek over te brengen. Onnoodig is het te zeggen dat die commissie een willig oor vond bij Oranje; hij gaf haar de verzekering, alles in het werk te zullen stellen, om, zelfs met opoffering van bloed en leven, het vaderland te behouden.

In het adres van de commissie was tevens gevraagd, of de Prins de uitoefening van den katholieken godsdienst ook in Holland en Zeeland zou toestaan, maar daarop gaf hij ten antwoord, dat dit niet in de Pacificatie stond, maar door hem in overleg met de Staten zou worden overdacht. Zijn plichten tegenover Holland en Zeeland noodzaakten hem niets te doen, zonder toestemming van de Staten. Hij beloofde plechtig, dat door hem noch door Holland en Zeeland eenige aanval op den katholieken godsdienst in andere gewesten zou gedaan worden.

Wel zag men Oranje in Holland en Zeeland, waar hij nu vijf jaren achtereen had gewoond en gewerkt, waar zijn populariteit met den dag was gestegen en waar men hem als den vader des vaderlands beschouwde, slechts noode vertrekken. Bekommering en angst maken zich meester niet alleen van zijne edele vrouw Charlotte van Bourbon, maar ook van tallooze regenten en mannen uit het volk, bij de gedachte, dat hun leider hen ging verlaten. Doch de Prins mocht niet anders handelen, dat begrepen ze ook zelve wel. De Staten in Gouda verzameld, gaven hun goedkeuring; eerstdaags verwachtten ze Graaf Jan van Nassau, 's Prinsen broeder, uit Dillenburg, die hem tijdelijk zou vervangen. Den 18en September ging Oranje naar Antwerpen.

Nog werd er een laatste poging aangewend door de minderheid der Staten-Generaal, om de komst van Oranje in Brussel tegen te houden. Gaspar Schets en de bisschop van Brugge waren de overbrengers van een ultimatum aan den landvoogd, waardoor men meende, den oorlog nog te kunnen vermijden. Van Don Juan werd geëischt: ontruiming van Namen, ontbinding van het leger, dat hij bezig was te verzamelen; zijn vertrek naar Luxemburg, totdat de koning een anderen landvoogd benoemd had, of overdracht der regeering aan den Raad van State. Wanhopig over het stilzwijgen van Filips II, stemde Don Juan in al de vernederende voorwaarden toe. De gezanten kwamen uit Namen terug en op 23 September keurde een onvoltallige vergadering dit verdrag, aan Don Juan afgeperst, goed.