Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 40
Het andere deel van dit lichaam, dat in Namen zetelde om met Don Juan te onderhandelen, moest geduld oefenen met den landvoogd. Uitstel en nog eens uitstel was het wachtwoord geweest en zelfs Aerschot, die zoo verlangde naar de overeenstemming met hem, had eens hopeloos uitgeroepen: "Indien Z. Hoogheid weigert te komen, laat hem gaan, waar hij wil."
Uit Brussel kwam een dreigement tot Don Juan; als hij niet binnen vier dagen na 23 Januari de voorwaarden had aangenomen, dan zou men een beroep op Oranje doen. Ook de Prins werd met dit besluit in kennis gesteld. Dat hielp. De onderhandelingen werden weder hervat en al was de discussie nu en dan zoo hevig, dat Don Juan in zijn drift een der leden met een kandelaar tegen het hoofd gooide, het resultaat werd bereikt. De nieuwe landvoogd stemde in de voorwaarden toe en op den 12en Februari teekende Don Juan te Marche-en-Famenne de artikelen van het verdrag, dat men het Eeuwig Edict noemde.
De Prins ontving bericht van de Staten, dat zij zich verplicht zagen te teekenen, hetgeen ze den 17en deden, waarop het Eeuwig Edict te Brussel werd afgekondigd.
Don Juan beloofde: handhaving van de Pacificatie; vertrek van de vreemde troepen over land, mits de Staten de 600,000 gulden, daarvoor noodzakelijk, leverden. Nooit mochten die troepen terugkomen, behalve in geval van een vreemden oorlog. Alle gevangenen zouden wederzijds worden losgelaten, behalve de graaf van Buren; deze alleen dan, als de Prins zich wilde onderwerpen aan de besluiten der Staten-Generaal. Alle privileges zouden worden erkend, maar de Staten moesten bij den Roomschen godsdienst en in 's konings gehoorzaamheid blijven. Don Juan zou dan onmiddellijk landvoogd worden na het vertrek der Spanjaarden. Ook de Staten-Generaal werden dan bijeengeroepen.
Ziedaar den korten inhoud van de voorwaarden van het Eeuwig Edict, zonder twijfel van de zijde des konings een groote tegemoetkoming, doch voor den Prins onvoldoende.
HOOFDSTUK XXIV.
ORANJE'S WANTROUWEN BEVESTIGD. GEVOLGEN VAN DON JUANS VERRAAD. 1577.
De groote bewerker van de zijde der Staten-Generaal van het Eeuwig Edict was ongetwijfeld Aerschot. Het wordt dan ook wel de vrede van Aerschot genoemd, hoewel anderen om den grooten invloed, dien de priesters er op uitoefenden, dien vrede met den naam van vrede der priesters betitelden. De Engelsche gezant Wilson schreef Aerschots aandrang vooral toe aan zijn vrees voor den Prins. De goedkeuring van dezen had men niet afgewacht en geen wonder dan ook, dat de eerste vraag, die de Staten in Brussel zich na de teekening van het stuk afvroegen, deze was: Wat zal Oranje doen?
Ze schreven hem onmiddellijk, om hun handelwijze te verdedigen en daarmede niet gerust, zonden ze hem twee afgevaardigden, teneinde hem nader persoonlijk uitlegging te geven van de beweegredenen, die hen tot het aannemen en onderteekenen geleid hadden. Oranje gaf reeds den volgenden dag, mede in naam van Holland en Zeeland, antwoord. Hij erkende de goede bedoelingen der Staten, maar meende, dat hun ijver misplaatst was. Verschillende gewichtige bezwaren voerde hij aan; zoo vond hij het verkeerd, dat de Staten-Generaal niet vrij waren zelf een vergadering bijeen te roepen; ook had men van de gelegenheid moeten gebruik maken nieuwe privileges te vragen.
De uitzondering, welke gemaakt was omtrent Oranje's oudsten zoon, den graaf van Buren, achtte hij in strijd met alle recht en billijkheid en tevens een schending van de Pacificatie. Behalve deze en nog meer klachten van den Prins, beloofde hij toch, het eeuwig Edict te teekenen mits enkele voorwaarden vervuld waren. De Staten-Generaal moesten beloven alle verkeer met Don Juan te verbreken, indien niet de Spaansche soldaten binnen een bepaalden tijd het land zouden verlaten hebben. Don Juan zal ook niet erkend worden, voordat ten volle en in allen deele in de punten is voorzien, die op eenigerlei wijze in strijd mochten zijn met de privileges, rechten en vrijheden van het land en met de Pacificatie, volgens welke ieder hersteld moet worden in zijn bezittingen in Bourgondië zoowel als in de Nederlanden.
Nu was vooral die tweede voorwaarde voor zeer verschillende uitlegging vatbaar. De handhaving van de Pacificatie en van de privileges had voor den Prins een geheel andere beteekenis, dan voor de meeste leden der Staten-Generaal te Brussel. Nauwelijks geloofde hij aan de belofte, dat de Spaansche troepen zouden vertrekken; maar zelfs in de onderstelling, dat dit nog gebeurde, geloofde hij niet in de goede trouw van den koning en van Don Juan omtrent andere bepalingen der Pacificatie. Zijn wantrouwen was te diep; hij had nu reeds te lang zooveel bittere ondervinding opgedaan van Filips' kwade trouw, dan dat hij niet zou meenen dat die koning, als hij de kans slechts schoon zag, de eerste zou zijn, om de Pacificatie te verbreken.
Wat was Oranje's voortdurend streven geweest? Hij was den strijd begonnen tegen de willekeur en het absolutisme van den landsheer en handhaving der privileges was zijn doel geweest. Doch nu was het gebeurd, dat hij in den loop van die worsteling zijn kloekste, offervaardigste medestanders gevonden had in de Calvinisten en zoo was hij de aanvoerder der ketters geworden en schijnbaar de kampvechter van het Calvinisme. Maar inderdaad reikte zijn blik verder. Oranje was geen Calvinist; hij miste een hunner hoofdkenmerken van dien tijd, hun mateloozen ijver en geest van uitsluiting; hij streed niet voor een secte, maar voor geloofsvrijheid; ook niet voor Holland en Zeeland alleen, doch voor de staatkundige vrijheid van al de Nederlanden."
Toch wilde hij een anderen toestand als dien onder Karel V, hoe deze vorst ook door hem om vele persoonlijke eigenschappen werd vereerd, want deze was toch begonnen met de plakkaten en met de vervolgingen. En dan--had Karel V niet de citadellen van Utrecht en Gent gebouwd, om deze steden in zijn bedwang te hebben? Daarom waren er betere waarborgen tegen willekeur noodig. Verloren privileges moesten herwonnen, maar ook nieuwe gegeven worden.
Op de vernietiging van die citadellen was dan ook zijn aandacht gevestigd. Op den 6en Maart zond hij Mansard naar Brussel, om o. a. daarop ten sterkste aan te dringen, voordat men Don Juan erkende, want in die kasteelen zag hij een voortdurende bedreiging van het land.
Ook uit den brief in die dagen aan zijn broer Jan geschreven, blijkt ten duidelijkste, hoe wantrouwend de Prins omtrent den Spanjaard bleef. Hij bedankt Jan tevens voor de moeite, die hij zich voor de goede zaak telkens geeft en hoopt spoedig met hem over alles te kunnen praten.
Don Juan begreep zeer goed, dat het Eeuwig Edict niet veel waarde voor hem had, zoolang de Prins het niet had geteekend. Hij was zeer op Oranje's vriendschap gesteld, terwijl hij wel wist, dat elke poging om Holland en Zeeland te herwinnen en het wereldlijk en geestelijk gezag te herstellen, zonder hulp van den Prins, op niets zou uitloopen. "Dit is de stuurman" schreef Don Juan aan Filips, "die het schip naar zijn welbehagen stuurt. Hij alleen kan het in den grond boren of redden. De grootste beletselen zouden uit den weg geruimd zijn, als men hem winnen kon."
Eerst dacht de nieuwe landvoogd er over en Filips was er zeer mee ingenomen, den Prins voor te stellen, zijn stadhouderschappen op zijn zoon, den graaf van Buren over te dragen, op voorwaarde, dat Oranje zelf naar Duitschland zou gaan.
Wat kenden Filips en Don Juan Oranje nog weinig, dat ze daarover nog een oogenblik gedacht hebben. Ze meenden, en Oranje's vijanden in onzen tijd doen dat ook nog, dat de Prins bovenal voor zich zelf iets zocht; ze konden zich blijkbaar geen voorstelling vormen van den nauwen band, die er tusschen hem en zijn aangenomen vaderland bestond. Het plan liet Don Juan spoedig varen en in overleg met Aerschot werd besloten om den Prins door overreding en onderhandeling te winnen.
Dr. Leoninus, die ook vroeger met Oranje in Breda had onderhandeld, werd er op afgezonden en den 11en Maart door den Prins te Middelburg in gehoor ontvangen. De toon door Dr. Leoninus aangeslagen, was zoo zacht en gemoedelijk mogelijk. Plechtig werd verzekerd, dat de Prins aan Z. M. zulk een dienst zou bewijzen; de belooning zou niet gering wezen en de toekomst van het huis van Oranje verzekerd zijn. 't Klonk alles prachtig, doch het voornaamste bleef, want het gezag van den koning en de Roomsche religie moesten als van ouds in Holland en Zeeland geëerbiedigd worden.
"Uw naam is er evenzeer veracht en verafschuwd, als die van den Prins geliefd en vereerd," schreef Don Juan in die dagen aan Filips, terwijl hij erbij voegde, dat aan Oranje zeer voordeelige voorwaarden geschonken dienden te worden, om niet alles te verliezen.
Don Juan scheen maar niet te kunnen begrijpen, dat Oranje zich onafscheidelijk met Holland en Zeeland had verbonden en tot geen prijs hoegenaamd gezind zou wezen, den vrede van hem te koopen. Oranje beloofde de zaak ter kennis van de Staten van Holland en Zeeland te brengen, maar hij zei aan Leoninus, dat hij het lot van Egmond en Hoorne niet kon vergeten, evenmin de wijze waarop de hertogin van Parma haar beloften aan de verbonden edelen had gehouden, noch het gedrag van den koning van Frankrijk tegenover Coligny. De Prins gaf ten slotte weinig hoop, dat men tot een verstandhouding zou komen, maar in Dordrecht kon de gezant het antwoord van de Staten van Holland en Zeeland vernemen.
Don Juan had zulk een resultaat in het minst niet verwacht, maar hij hoopte, dat de Prins ten slotte zou toegeven, terwijl hij Filips o. a. schreef: "Ik weet geen ander middel om den ondergang te voorkomen, dan dezen man te winnen, die zulk een invloed op het volk heeft."
Dit laatste was volkomen juist en de macht van Oranje werd steeds grooter, doordat zich ook vele steden in het Noorden bij de Pacificatie aansloten; alleen Amsterdam en Haarlem bleven zich nog verzetten.
Don Juan sloofde zich inmiddels uit om de gemoederen voor zich te winnen. De Spaansche troepen moesten weg, maar geld ontbrak; de landvoogd stortte echter uit eigen middelen 27000 kronen om het noodige te verkrijgen tot verwijdering der troepen. Op allerlei wijze toonde hij zijn minzaamheid ten opzichte van de burgers; hij woonde te Leuven een plechtig feest der schuttersgilden bij en naar het voorbeeld van keizers en vorsten uit vroeger dagen, nam ook Don Juan een kruisboog en schaarde zich onder de mededingers. Nog hooger klom de geestdrift, toen de overwinnaar van Lepanto den vogel nederschoot en onder algemeenen bijval tot schutterkoning van dat jaar uitgeroepen werd. Overeenkomstig het gebruik hingen de kapiteins van het gilde Zijne Hoogheid een gouden papegaai om den hals en volgden zij hem in statigen optocht naar de hoofdkerk.
Was het moeilijk geweest geld te krijgen voor de terugzending der troepen, in April vertrokken na uitlevering der wederzijdsche gevangenen, de Spaansche, Italiaansche en Bourgondische troepen in de richting van Italië. De voornaamste wensch van de Staten-Generaal was vervuld en velen waren het met de door Hooft vertaalde dichtregelen eens, welke luidden:
De Spaanjaards zijn nu dooR: Wat schreit gij Neerlandsch zaat? Ick kerm, omdat in stee van d'R de T niet staat.
Thans kon de landvoogd zijn intrede in Brussel doen en gehuldigd worden.
Zij had op den 1en Mei 1577 plaats. Geen moeite was gespaard, haar zoo schitterend mogelijk te maken. Het volk van Brabant was op het punt van tooneeleffecten zeer artistiek en er werd dan ook een prachtvol feest van gemaakt. Een reeks van triumfbogen was langs den weg, dien de optocht zou afleggen, opgericht. Een wagen bedekt door een met goud geborduurd kleed en door een paar schimmels getrokken, ging vooraan. Zij was beladen met den schoonen last van al de vruchten der aarde. Ook was er een stapel gebroken wapens te zien, om af te beelden, wat er van de vrede verwacht kon worden. De vensters waren gevuld met het schoone geslacht, vrouwen en dochters, jongen en ouden, edelen en burgers, allen sierlijk getooid. Bloemen en kransen werden den binnenkomenden landvoogd als een groet toegeworpen.
Toen Don Juan de Brabantsche hoofdstad binnenreed, zat de bisschop van Luik aan zijn eene zijde, de pauselijke gezant aan den anderen kant; de optocht bestond uit 3000 personen. Passende zinnebeelden getuigden overal van den ijver der Brabanders om den held van Lepanto te vereeren, dien zij thans als hun bestuurder erkenden, terwijl ze hem zoo geruimen tijd aan hun deur hadden laten staan. Drie dagen later legde de held van den dag den eed op het stadhuis af en daarmede scheen de Spaansche koning weder in zijn macht hersteld te zijn.
We zouden niet zeggen, dat dit feest den man gold, die de Nederlanden vergeleek met "een afzichtelijk babel" en een "hel," terwijl hij de hem omringende personen voor "dronkaards, wijnzakken en schelmen" uitmaakte.
Daar Oranje, noch de Staten van Holland en Zeeland het Eeuwig Edict hadden geteekend, namen zij ook geen deel aan de huldigingsfeesten van Don Juan in Brussel. De Prins bleef echter in alles gemengd en was in voortdurende correspondentie met de Staten-Generaal en den Raad van State, ook met Aerschot o.a. over Breda, dat hij overeenkomstig de Pacificatie, terugvorderde.
Onder al de werkzaamheden in die dagen werd hij door ernstige koorts aangetast en was genoodzaakt, het bed te houden. Hij schreef daar althans zijn broeder Jan over en gaf te kennen, dat hij zich te zwak voelde om hem over zeker onderwerp te schrijven.
Geen broeder ter wereld heeft ooit met zooveel hartelijkheid zwaarder lasten op zich genomen, als graaf Jan van Nassau voor Oranje. De kinderen van den Prins waren en bleven hem altijd welkom. Toen hij zijn eigen zoon naar Siegen zond, gaf hij ook als zijn wensch te kennen, dat Maurits, 's Prinsen zoon, daarheen zou gaan. En toen Oranje hem vroeg, hem zijn oudste dochter, Marie, terug te zenden, richtte Jan een schrijven aan hem, dat ons een allervriendelijkst beeld van het gezin in Nassau geeft, waarin we nog steeds Juliana, de moeder, ontmoeten. Hij schreef namelijk het volgende over dat terugzenden van Marie naar Holland:
"Het zou mij spijten, indien ik dit moest doen, maar ik wil u toch uw zin geven, als ge het verlangt. Alleen verzoek ik Uwe Genade niet te denken, dat ze mij tot last is; dat zou ik erg verdrietig vinden. Indien gij en uw vrouw haar niet missen kunt, zal ik mij natuurlijk niet verzetten, maar anders laat haar verblijf bij ons zoo lang mogelijk duren. Het is mij en mijne huisvrouw een groot genot haar bij ons te hebben en bovenal voor Mevrouw onze moeder zou het mij spijten, indien ze moest vertrekken.
Zichtbaar gaat onze moeder achteruit, ze wordt zwak en als ze alleen is, is zij zeer zwaarmoedig en gedrukt. Het is een weldaad voor haar, uwe dochter bij zich te hebben, daar zij het grootste deel van den dag met moeder kan doorbrengen en Marie is zeer behulpzaam met haar voor te lezen, voor haar te schrijven, haar te kleeden en voor haar medicijnen en confituren te zorgen. Onze moeder zal inderdaad hoogst verdrietig zijn, als ze mijn nicht zal moeten missen en dan alleen zal moeten zitten, zooals ze dat geruimen tijd moest doen na den dood van mijne dochter Anna, die zeer aan haar gehecht was.
Mijne huisvrouw heeft te veel met de kinderen en het huishouden te doen, zoodat zij slechts een klein deel van den dag in haar gezelschap kan zijn.
Dillenburg, in haast 26 Mei '77."
Ook de moeder, hoewel zwak, had begin April nog aan haar zoon geschreven dat, al wenschte zij met al haar kracht herstel van vrede, dit geen vrede moest zijn, die de arme Christenen in kommer en zorg liet. Ja zelfs over Don Juan schreef ze hem deze woorden: "De Satan kleedt zich in een schapenvacht, maar zal weldra een verscheurende wolf zijn, waardoor de Christenen in groote droefheid zullen komen. In weerwil van het aangenaam voorkomen van den schoonen en minzamen Prins van Oostenrijk en zijn onbekrompen aanbiedingen, moet men den verleider schuwen en het oor voor hem sluiten."
Te midden van den overstelpenden arbeid van Oranje op politiek gebied, die wel in staat zou zijn geweest, hem zijn gemoedsrust te ontrooven, moet het ook een weldaad voor hem geweest zijn, zulke innig vriendelijke gedachten uit zijn geboorteplaats te vernemen. Het doet ons zelfs weldadig aan, op dat vriendelijk tafereel te staren, dat Graaf Jan hier aan zijn broeder beschrijft. Want hoe hoog ook onze eerbied steeds moge stijgen voor het reuzengenie van Oranje, hoe heerlijk ook voor onzen blik diens machtige geest zweeft boven de bruisende wateren van staatkundige plannen en doeleinden, hier, waar een beroep wordt gedaan op zijn kinderhart, om ter wille van zijn verzwakkende moeder zijn dochter nog te blijven afstaan, daar hooren we ook het hart kloppen van dien grooten geest en ook dit doet ons wonder goed; we komen voor een wijle zelf tot verademing, te midden van het vermoeiend verhaal zijner inspanning en werkzaamheid.
Niettegenstaande de luisterrijke blijde inkomst van Don Juan in Brussel, gevoelde hij zich zelf toch alles behalve op zijn gemak. De brieven, die hij naar Spanje schreef, waren geheel in strijd met zijn vriendelijke houding, die hij tegenover de Nederlanders aannam. Nu moet erkend worden, dat zijn positie ook lang niet benijdenswaardig was. Naar het Noorden gekomen, in de hoop uitvoering te geven aan zijn ridderlijk plan, Maria Stuart te gaan verlossen, zag hij zich niet alleen in dien geheimen wensch geheel gedwarsboomd, maar hij kende ook de gezindheid van het volk tegenover hem en vreesde niet ten onrechte voor samenzweringen tegen zijn leven.
Hij wist, hoe Oranje door de bevolking van Brussel vereerd werd en hij, die alleen op oorlogsroem hoopte, zag zich niet alleen van alle soldaten beroofd, maar was verplicht de landvoogd te zijn van een volk, dat hem eenvoudig de wetten stelde. Herhaalde aanzoeken aan Filips, om ontslagen te worden van de landvoogdij, met de opmerking, dat Margareta van Parma of een andere vrouw hier beter op hare plaats zou zijn, werden door den koning geweigerd of niet beantwoord. En nauwelijks was hij zoo plechtig ingehaald, of de Staten-Generaal kwamen met een zestal nieuwe eischen tot hem, die hij moest inwilligen, doch die hem hoe langer hoe meer de handen bonden. Toch bleef hij aanvankelijk inschikkelijk en toegeeflijk en begreep hij, allereerst met Oranje tot een schikking te moeten komen, wilde er iets goeds door hem worden gedaan.
Wel was een zending van Leoninus in Maart naar Dordrecht, waar de Prins zich toen ophield, even vruchteloos afgeloopen als diens bezoek te Middelburg, maar de Staten-Generaal en Don Juan namen het besluit, nog een poging aan te wenden, om Oranje te winnen.
In het midden van Mei gingen van de zijde van Don Juan de volgende commissarissen naar Geertruidenberg: Aerschot, Hierges, Willerval en Meetkercke, om met Leoninus en Gaspar Schets van Grobbendonck, die reeds vooruit waren gezonden, de Staten-Generaal te vertegenwoordigen. Van 's Prinsen zijde waren er behalve Oranje zelf, Marnix, van Zuylen van Nijevelt, van der Myle, Coninck en Vosbergen. Het voornaamste punt der besprekingen was, of Oranje het Eeuwig Edict zou aannemen. De Prins beweerde echter, dat hij het onmogelijk kon teekenen, omdat het Edict zich grondde op de Unie van Brussel en deze Unie in strijd was met de bepalingen der Pacificatie.
"Over welk punt," vroeg Schets van Grobbendonck, "beklaagt gij u in het bijzonder en in welk opzicht is de Gentsche Pacificatie geschonden?"
Op die vraag brak de Prins in een stroom van verwijten los. Hij wees op zijn zoon, die in den vreemde werd gevangen gehouden; op zijn Bredasche goederen, die men hem onthield; op de schending van oude rechten en handvesten; op de verfoeilijke plakkaten, die naar het heette geschorst, maar in werkelijkheid in volle kracht waren enz.
"Gij verwijt mij wantrouwen!" riep Oranje uit, "maar zoolang de kasteelen van Antwerpen, Gent, Namen en zooveel anderen nog overeind staan, zijt gij het, die blijken geeft, hoe weinig vertrouwen gij hebt op eene duurzame en minnelijke schikking."
"En wat," vroeg de afgevaardigde, "wat is het punt dat u het naast aan het hart ligt? Wat verlangt Uwe Excellentie het meest? Door welke middelen kan de regeering u volkomen genoegdoening geven?"
"Ik wensch," gaf Oranje eenvoudig ten antwoord, "dat de Gentsche Pacificatie in allen deele ten uitvoer wordt gebracht. Als gij het algemeen welzijn des lands op het oog hebt, dan is het goed en dank ik u. Zoo niet, dan is het vruchteloos eenig aanbod te doen, want ik bedoel 's lands belang en niet het mijne."
Later zei de Prins, dat als de Staten-Generaal bijeengekomen zouden zijn, de tijd eerst was aangebroken om de artikelen voor te stellen, welke tot wederzijdsche zekerheid noodig waren.
Ook vroeg men den Prins welke waarborgen hij gaf tot nakoming der Pacificatie.
"Wij zijn niet verplicht die waarborgen te geven," gaf hij ten antwoord. "De Pacificatie is zelf een waarborg, want ze is eene voorloopige schikking door beide partijen te onderhouden, totdat de vergadering der Staten zal beslist hebben."
En toen een der afgevaardigden het vermoeden uitsprak dat de Prins, na alles teruggekregen te hebben, den oorlog zou verklaren, gaf hij ten antwoord:
"Den oorlog? Zijt ge daar bevreesd voor? Wij zijn maar een handvol volks, een worm, vergeleken bij den koning van Spanje. Bovendien zijt gij vijftien provinciën tegen twee, wat hebt ge dus te vreezen?"
"Maar," drong Schets aan, "belooft gij eerlijk, u aan alles te onderwerpen, wat de Staten-Generaal zullen verordenen, ook ten opzichte van den godsdienst?"
"Dat kan ik niet beloven," zei Oranje, "want gij hebt de Pacificatie reeds geschonden, door zonder onze toestemming met Don Juan eene overeenkomst aan te gaan en hem als landvoogd te erkennen."
"Gij zijt dus niet van zins, de beslissing der Staten aan te nemen?" hernam Schets.
"Dat zeg ik niet; mogelijk wel, mogelijk niet; wij zijn niet meer in ons geheel," antwoordde Oranje weer.
"Maar wij willen u in uw geheel brengen," zei Schets.
"Dat kunt gij niet," hernam de Prins, "want gij hebt de Pacificatie geheel verscheurd. Wij hebben daarom van de Staten niets anders te verwachten, dan kort en goed veroordeeld te worden."
Schets herhaalde nog eens de vraag, of de Prins niet voornemens was zich op het gebied van den godsdienst aan de Staten te onderwerpen en Oranje gaf het stellige antwoord:
"Neen! Zeker niet. Om u de waarheid te zeggen, wij zien, dat uw doel is, ons uit te roeien en wij willen ons niet laten uitroeien." En of Aerschot al suste: "Kom, kom! er is niemand, die dat wenscht," de Prins bleef bij hetgeen hij gezegd had. We behoeven niet te zeggen, dat de conferentie waarvan een trouw verslag is bewaard gebleven, tot geen resultaten leidde. De Prins zou zich zelf niet geweest zijn, indien hij zich had laten overreden tot het teekenen van het Eeuwig Edict, dat zoovele nadeelige consequenties voor hem en voor Holland en Zeeland in zich bevatte.
Merkwaardig is ook de brief, welke de Prins zelf in die dagen aan Don Juan schreef. Oranje dankt o. a. Don Juan, dat hij hem zoo humaan en zoo vol zorg den weg wil wijzen tot een rustig, zeker en eerlijk leven, maar hij voegt daaraan deze ironische woorden toe: "waarin voor u het hoogste geluk van dit sterfelijk leven schijnt te bestaan."
Waarschijnlijk had Don Juan hem wederom nieuwe beloften gedaan, voor den Prins persoonlijk voordeelig.