Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 4

Chapter 43,794 wordsPublic domain

Het gesloten verbond tusschen Hendrik II en Maurits, waarvan we boven spraken, was een feit en Karel V had de hulp noodig van al zijn getrouwe onderdanen, die oud genoeg waren om de wapens te dragen.

De verbondenen waren overeengekomen, dat Hendrik in het vroege voorjaar naar de Nederlanden zou optrekken en het keizerlijk leger, voor zoover het daar was, zou bezighouden, zoodat Maurits bij het openen der vijandelijkheden alleen de troepen zou ontmoeten, die Karel toevallig bij zich in Duitschland had. De allerchristelijkste koning verscheen met groot vertoon als de verdediger der vrijheid op het oorlogstooneel. Hoewel er nieuwe vervolgingen tegen de Fransche protestanten werden op touw gezet, omhelsde hij dapper de zaak der Lutheranen aan gene zijde van den Rijn, die door de onderdrukkingen van zijn meest katholieken broeder, den keizer, diep waren terneergeslagen.

Welk een schrik voor den keizer, toen hij te Innsbrück vernam, dat Maurits zijn masker van getrouwheid had afgeworpen en in Thüringen gereed stond, om zijn vroegeren meester met 2000 man voetvolk en 5000 ruiters, die hij in het geheim had bijeenvergaard, aan te vallen. Karel vluchtte, naar beweerd wordt verkleed als een oude vrouw, van Innsbrück naar Villach, teneinde daar te overleggen, welken weg hij verder zou inslaan.

Ofschoon Karel meer van onderhandelingen met Maurits dan van oorlog verwachtte, gaf hij toch Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden bevel, den aanval der Fransche troepen aan de grenzen te stuiten.

Het gevolg hiervan was, dat in het vroege voorjaar van 1552 Maria zich gereed maakte, de aanvallers op alle punten langs de grenzen, die niet door natuurlijke middelen verdedigd waren, te gemoet te gaan. Onder haar opperbevel trok Willem van Oranje aan het hoofd van zijn tien compagnieën naar de grenzen. Voordat de veldtocht was geopend, hadden Metz en Straatsburg zich reeds overgegeven en dit succes der Franschen werd nog gevolgd door de overgave van Damvilliers, Yvoy, Montmédy en andere kleine steden.

Door de verantwoordelijke positie van den Prins van Oranje, onderhield hij een geheime briefwisseling met de Regentes Maria over punten van tactiek, soldij, voorbereidingen van wapenschouwingen enz. Hij onderhield niet alleen met haar correspondentie, doch ook met zijn jonge vrouw, die als zijn plaatsvervangster in Breda was achtergebleven. 't Zijn alle aardige, maar jongensachtige briefjes, vol zorg voor zijn vrouw en vol van kleine nieuwstijdingen over den loop van den veldtocht, dien zij blijkbaar in stilte volgde.

Uit Thorn, waar hij in Juni was, schreef hij het volgende aan Anna:

Mijne vrouw!

Deze dient, om U te berichten, dat ik gisteren brieven van de koningin ontving, zoo vriendelijk als ik niet geloof, dat zij ooit aan iemand van welken rang ook geschreven heeft; zij drukte er haar goedkeuring in uit over mijne eigenschappen en wenschte mij toe, dat ik altijd denzelfden ijver zou toonen, terwijl zij mij verzekerde van haar volkomen vertrouwen in mij. Ik bid God, dat hij mij de genade geeft, dien goeden naam te behouden. Ik ga morgen naar het leger en hoop te Tongeren te slapen, waar ik vijf mijner compagnieën moet afwachten. Ik hoop, dat God mij zal vergunnen in goede gezondheid en met een goeden naam terug te keeren, zoodat wij dan beter gelegenheid zuilen hebben van elkanders samenzijn te genieten. Ik verzoek U, mijn verontschuldigingen bij onze grootmoeder en onze moeder te maken, dat ik haar niet geschreven heb. Daarmee wil ik liever tot later wachten, want ik ben bang, hen met mijne brieven te vervelen, daar ik niets nieuws weet te vertellen. Zoodra ik iets weet, zal ik dit doen. Tevens verzoek ik U mijn nederigste groeten over te brengen aan uw geheele hofhouding; ik bid U, het hen allen zoo aangenaam te maken, dat ze U in het graafschap gezelschap blijven houden en Uwe eenzaamheid, die gij anders zoudt gevoelen, daardoor wat verlichten. Den Schepper biddende, al uwe wenschen te verhooren enz.

Uw beste echtgenoot,

Willem van Oranje.

Aan Mevrouw de Prinses van Oranje.

Uit Thorn, 7 Juni.

De jonge officier beklaagde zich ernstig over de vele ongemakken van het kampleven en in een volgend briefje tracht hij haar gerust te stellen over het gevaar, dat Brabant, door een inval der Franschen, bedreigde.

Bovendien was een voortdurende oorzaak van angst de kwestie van versterking; daarbij heerschten allerlei ziekten in het slecht georganiseerde kamp onder de soldaten, zoodat de ondervindingen van den veldtocht in den zomer van 1552 verre van aangenaam waren. Veldslagen werden niet geleverd, doch de guerilla-oorlog putte het leger uit en daarbij kwam nog de voortdurende geldnood in de schatkist van het leger, zoodat de betaling der soldaten altijd ten achter was.

Karel was kwistig in beloften en verzekeringen, dat er geldversterking uit Spanje op weg was, maar het weinige, ooit door het leger gezien, werd van de onwillige Nederlanders afgeperst en gebruikt om de Spaansche troepen te betalen.

"Daarom bid ik U, houd goeden moed en hoop, dat wij in onze onderneming zullen slagen en dat wij een eind zullen maken aan het snoeven onzer vijanden", schrijft Oranje uit Mons op den 11en Juli aan zijn vrouw en ook hij doelde daarbij op de versterkingen zoowel aan soldaten als aan geld, die naar mededeeling van de koningin waren aangekomen.

Vier dagen later schrijft hij haar uit het kamp te Dorle, dat zijn regiment en de cavalerie een poging hadden gedaan om den Koning van Frankrijk in een hinderlaag te lokken, doch dat er geruchten gingen, dat de Fransche koning reeds over zijn grenzen was teruggetrokken.

Werd de oorlog dus slepende gevoerd, zonder dat er iets belangrijks werd uitgericht, Karel zelf was bezig met onderhandelingen, die het vredesverdrag van Passau (21 Aug. 1552) ten gevolge hadden.

Wel hadden de Duitsche edelen aan Hendrik de verzekering gegeven, geen verdrag met Karel te sluiten, wanneer niet allereerst de Fransche belangen werden behartigd, maar toen het tot dat punt kwam, werd er alleen door de verbondenen een korte clausule aan toegevoegd, waarin den koning van Frankrijk vergund werd, hun elke oorzaak van klacht tegen den keizer mee te deelen.

Hendrik dacht er niet meer over de voordeden, door hem behaald, prijs te geven; hij weigerde zijn troepen van den keizerlijken grond terug te trekken en had zich reeds in September van bijna geheel Lotharingen meester gemaakt.

Als wraak over den voorspoed van Hendriks leger verwoestte Maria verscheidene dorpen in Champagne, maar het mocht haar niet gelukken ook maar een enkele sterke plaats te nemen.

Door het verdrag van Passau had de keizer nu de handen vrij gekregen om Hendrik voor zijn al te werkzame belangstelling in de zaken van zijn buurman te straffen.

Het verlies van Metz was vooral zeer hinderlijk voor den keizer en hij besloot geen enkele poging te sparen om het te hernemen.

Hij naderde vroeg in September den Rijn, waaruit Hendrik reeds voor de leus zijn paarden had doen drinken en Maria lichtte weer troepen, teneinde ter vermeerdering van het keizerlijk leger, een detachement op te zenden. Oranje zond een bijzonder verzoekschrift aan haar om met een volgende divisie te worden gezonden, waardoor hij misschien de gelegenheid zou vinden op een spoedige beëindiging van het Catzenellenbogen-proces aan te dringen. Filips van Hessen was vrij geworden en nu hoopten de Nassau's op een gunstige schikking in hun proces, daar zij zich gedurende de gevangenschap van hun buurman zoo toegeeflijk hadden gedragen.

Maria wilde echter haar schikking niet veranderen en bleef er op staan, dat het regiment van den Prins naar Artois zou gaan; wel keurde ze goed, dat het commando aan een ander werd opgedragen, terwijl Oranje dan met verlof mocht om den keizer te bezoeken. Willem ging op dit voorstel niet in, want het was nog iets anders rechtstreeks naar den keizer te gaan en een verzoek tot hem te richten dan een opdracht te hebben, waardoor de gelegenheid zich zou kunnen voordoen in 's keizers nabijheid te komen en dan een gunstige gelegenheid af te wachten om zijn private belangen te behartigen.

De Prins ging dus niet met verlof, maar op weg om Brabant te doorkruisen, na echter te Brussel een brief aan Karel geschreven te hebben. Van Bouvignes aan de Maas, dat hij in October bereikte, kwam de jonge kolonel in Arras, waar hij een zeer waardeerend schrijven van Maria ontving voor zijn uitmuntende diensten.

Van hier schreef hij half November aan Anna, dat hij hoop had op spoedige ontbinding van het leger, waardoor zijn liefste wensch tevens vervuld zou worden haar spoedig terug te zien. ".... ik kan mijn verlangen om U terug te zien, niet in schrift uitdrukken. Ik gevoel mij alsof ik reeds een jaar van U verwijderd was," meldt hij o. a.

Die vurige wensch werd vervuld en de troepen van den prins werden te Valenciennes op den 17en November ontbonden.

Nadat zijn compagnieën waren weggezonden, bedwong Oranje zijn ongeduld om zijn vrouw te zien, want hij wilde zijn hulde aan Karel gaan betuigen. Uit Thionville kon hij met een koerier, die naar Brabant terugkeerde, enkele regels voor de prinses meegeven, om haar te zeggen, dat "Monsieur van Arras" hem had aangeraden, een dag bij Karel te gaan doorbrengen, omdat hij zoo in de buurt was; tevens meldde hij, dat er gezegd werd, dat de keizer niet lang voor Metz zou blijven. Dit bleek juist, want zes dagen later hief Karel, ontmoedigd door het gemis aan succes, de belegering op, die 56 dagen had geduurd en aan de belegeraars veel grooter schade berokkend had dan aan de burgers der belegerde stad.

Bijna 3000 man stierven aan ziekte of vielen in de schermutselingen, welke een ongelukkig deel uitmaakten van die akelige belegeringen. Dit beleg van Metz is als een zeldzaam voorbeeld in de geschiedenis bekend, omdat er door de overwinnende partij ridderlijke welwillendheid werd betoond. De hertog van Guise voorzag de berooide keizerlijke soldaten, die, na het vertrek van het voornaamste deel van het leger, op de wegen rondzwierven, van versterkingen, zooveel als hij kon uitsparen en beval aan Fransche geneesheeren al degenen te verzorgen, die te ziek waren om naar de keizerlijke dorpen te kunnen worden overgebracht.

Karel trok naar Brussel, waar hij zoo rustig den geheelen winter bleef, dat in Frankrijk reeds het gerucht van zijn dood werd verspreid. Zoover was het wel niet, maar de gebeurtenissen van 1552, dat jaar vol onaangename verassingen, hadden hem diep terneergedrukt. Zijn hartewensch bleef, zich op den koning van Frankrijk te wreken. Het geld hiervoor benoodigd moest uit Amerika komen; toen dit echter niet kwam, vroeg hij aan de Nederlanden een subsidie, die met tegenzin werd gegeven. Hollands aandeel alleen bedroeg 300.000 gulden en zijn stoere burgers waren bijzonder toornig, dat ze dit bedrag naar de grenzen van Artois moesten zenden, terwijl hun haringvisscherij groote behoefte aan bescherming had.

Vroeg in den zomer van 1553 werd Karel wakker uit zijn winterverdooving, trok te velde en deed een aanval op de stad Thérouanne, een der peluwen genoemd, waarop de Fransche koning gerust kon inslapen met de gedachte, dat zijn koninkrijk veilig was. Karel verwoestte de stad zoo geheel, dat de naam tijdelijk van de kaart van Frankrijk werd uitgewischt.

Dit troostrijke succes van den keizer had tengevolge, dat Hendrik de feestelijkheden, verbonden aan het huwelijk van Diana van Poitiers te Parijs, liet staken om de grenzen te bereiken en den keizer te verdrijven.

In dit tweede jaar van zijn werkelijken dienst diende Oranje onder den opperbevelhebber van het keizerlijk leger Emmanuel Philibert van Savoye. Veel belangrijks werd er echter niet uitgericht, daar Karel wijselijk een groot gevecht vermeed, maar toch langzaam vorderend over de Fransche grenzen trok en bijna Amiens bereikte. In October betrokken de soldaten hun winterkwartieren reeds.

In den winter, die nu volgde, trachtte Karel een verbintenis tusschen Filips en Maria van Engeland tot stand te brengen, een huwelijk, dat weinig goeds voor de Nederlanden voorspelde, terwijl Willem, die zich te Breda bevond, nieuwe huurlingen poogde te verkrijgen om voor de lentecampagne gereed te zijn. Hij ondervond daarbij van de zijde der koningin niet veel medewerking; deze was zuinig van aard en wilde geen handgeld geven, wel rijke beloften van toekomstige betalingen, waarmee de Duitschers echter geen genoegen namen. De Prins deed haar opmerken, dat de beste soldaten door andere vorsten zouden worden gehuurd, zoo hij niet die huurpenning of dat handgeld kon betalen; de koningin bleef doof voor zijn opmerkingen en behield haar penningen.

In de lente van 1554, op zijn 21e jaar, werd de jonge officier tot den rang van hoofdcommandant bevorderd en toen hij in Juni te velde trok, werden de vereenigde troepen van Brederode, van Schwarzburg, Rosenberg en Buren onder zijn commando geplaatst.

Hendrik II marcheerde vroeg in Juli naar de grens en nam bezit van Mariënburg, een versterkt jachtslot. Ook Dinant moest capituleeren en daarop naderden de beide legers te Givet, waar ze 6 dagen lang op de tegenovergestelde oevers van de Maas gekampeerd waren, met het volle gezicht op elkaar.

Toen Karel, die te ziek was om Brussel te verlaten, vernam, dat Philibert van Savoye was achteruitgeweken, blijkbaar onzeker hoe te handelen, raapte hij alle kracht, die nog in zijn uitgeput lichaam was overgebleven samen en verscheen plotseling, als een geest uit het graf, te Namen. Het scheen, alsof hij een vernietigender nederlaag tegemoet ging, dan hij ooit van te voren had geleden. Bij Metz had Karel zelf gezegd, dat de Fortuin een vrouw was, die een jongen koning verre verkoos boven een ouden keizer, maar thans bleek het anders te zijn, want de vijand was verplicht terug te trekken en de keizer kreeg daardoor een betere positie, dan hij drie jaar geleden had ingenomen.

Als weerwraak op de verwoesting in Artois, plunderde Karel het land en volgde den terugtrekkenden vijand tot in Picardië; daarna trok de keizer naar Brussel terug.

Hier werden verschillende pogingen beproefd om vrede met Frankrijk te sluiten. Oranje was in het bijzonder ongerust; volgens hem moest er in het aanstaande tractaat van zijne zaken nadrukkelijk sprake zijn, daar hij nooit door zijn Fransche Staten als heer was erkend. De onderhandelingen vorderden langzaam en opnieuw werden in de lente van 1555 de vijandelijkheden in het ongelukkige grensland geopend.

Bij een lastbrief, gedateerd 22 Juli, benoemde Karel Oranje tot hoofdcommandant over al de Nederlandsche troepen, die in de nabijheid van Givet onder de wapens waren. Het is mogelijk, dat de Prins die positie reeds eerder bekleedde, want hij zegt in zijn Apologie:

"Toen ik nog niet den leeftijd van 21 jaar had bereikt en niet aan het hof, maar te Buren vertoefde, koos de keizer mij tot hoofdcommandant gedurende de afwezigheid van den hertog van Savoye, niettegenstaande de raadsheeren en de koningin verschillende andere officieren daarvoor noemden, wier naam reeds gevestigd was, als de graven Bossu, Lalaing en Maarten van Rossum, allen veteranen in den dienst en Aremberg, Meghen en Egmond, die twaalf jaar ouder was dan ik." Hij voegde daarbij, dat de bescheidenheid hem niet veroorloofde de redenen te herhalen, die Karel tot die benoeming bewogen, daar het dan licht zou kunnen schijnen, alsof hij zichzelf overschatte.

Dit was een zeer gewichtige positie, die evenals andere verantwoordelijke betrekkingen, vele uitgaven eischte. De Prins had een groot inkomen, maar dit zelfs dekte zijn uitgaven niet. Vandaar, dat de kwestie van de financieële emolumenten aan zijn nieuwe waardigheid verbonden zeer gewichtig voor hem was. Hij schreef er ook zijn vrouw over en verzocht haar eens door zijn rechtsgeleerde te laten onderzoeken, hoeveel de oude Prins van Oranje, de hertog van Aerschot en de Bossu als inkomen hadden; hem was n.l. maandelijks 500 florijnen en 12 hellebaardiers beloofd, ieder tegen dubbele gage. Dit was zeer weinig, vond de Prins en zelf schatte hij in zijn brief het inkomen, dat hij maandelijks te verteren had op 2500 florijnen. Hoewel altijd slecht bij kas, aarzelde hij niet nieuwe uitgaven te doen; o.a. bestaan er brieven omtrent een gallerij, die de Prinses bezig was te bouwen. Gedurende de overige zomermaanden was de Prins weer te velde. Karel had besloten een rij van forten te bouwen om de bedreigde streek in Brabant te beschermen.

De jonge generaal stond tegenover ervaren en geduchte tegenstanders, zooals de hertog van Nevers en Châtillon, den admiraal van Frankrijk (Coligny), die sedert wel het bewijs heeft gegeven welk een sterke klant (rude partie) hij was. "Nochtans kon ik mij Goddank, tegen hen staande houden en bouwde Philippeville en Charlemont voor hun oogen (à la barbe), al woedde ook de pest in ons leger."

Behalve de pest, die niet kon bedwongen worden, vermeerderden de onophoudelijke regens de hardheden van het kampleven en het gewone gebrek aan fondsen dreef de ontmoedigde troepen tot een muiterij, die de officieren slechts met moeite konden bedwingen. De oprichting der forten was een tijdroovende bezigheid en in geenen deele aangenaam. Op den 15en October schreef Oranje aan de Prinses: "Ik verzeker U, dat het mijn eenig amusement is, buiten in den regen en in de modder bij onze versterkingen te staan en als ik wat rust neem, dan doe ik dat aan U gedachtig en stel mij de vraag voor, of ik nog lang hier zou blijven, indien het aan mij lag."

Het schijnt vreemd, dat Karel dezen drukken tijd heeft uitgekozen om zich aan het publieke leven te onttrekken. Na zijn laatste krachtsinspanning in 1554, was hij rustig te Brussel gebleven, alles voorbereidende voor dat befaamde afscheid van het Europeesch tooneel, dat eindelijk plaats had op den namiddag van den 25en October 1555. Ontmoedigd door zijn afnemende macht, had hij besloten liever vrijwillig afstand te doen van zijn rijk, dan getuige te zijn van de vermindering der macht, die hij zoo lang had gehandhaafd. Onder de vele hooge gasten, die verzocht waren om bij die niet alledaagsche plechtigheid tegenwoordig te zijn, vergat de keizer zijn nieuwen generaal niet. Deze was daar zeer mee ingenomen en schreef er de Prinses over, haar tevens radende aan de hertogin van Aerschot of aan Mad. Egmond te vragen, haar gedurende den korten tijd, dat ze in Brussel zou zijn, te ontvangen; hij zou op den dag der plechtigheid met de post komen, maar hoe lang hij bleef, kon de Prins nog niet zeggen.

Tengevolge van de late aankomst van den aartshertog Maximiliaan, werd de plechtigheid verscheidene dagen uitgesteld en had niet voor den 25en October plaats.

Het was een schitterende openbare plechtigheid, misschien een van de meest bekende uit de 16e eeuw, die door verschillende tijdgenooten en ooggetuigen in bijzonderheden is beschreven. Ook Karel had daaraan maanden lang een buitengewone aandacht gewijd; hij kende den invloed van staatkundig praalvertoon op het volk en hoopte door de pracht van zijn afscheid de vernederende gebeurtenissen van de laatste jaren zijner regeering te doen vergeten.

"De groote hal in het paleis te Brussel was luisterrijk versierd en al de verzamelde gasten waren in de rijkste kleeding getooid. Op eene verhevenheid aan het eind van de hal stonden drie schoone zetels, de middelste voor den keizer, die ter linkerzijde voor de koningin van Hongarije, die eveneens haar regentschap over de Nederlanden zou nederleggen, die aan de rechterzijde voor den koning. Op dezelfde verhevenheid ter rechterzijde stond een met tapijt bedekte bank voor de ridders van het Gulden Vlies en aan den linkerkant, een weinig lager, een dergelijke bank voor de prinsen en edelen; nog lager waren andere banken geplaatst voor de drie collaterale raden, den raad van state, van financiën en den geheimen raad. Onder die verhevenheid, vlak tegenover hunne majesteiten, waren met tapijt bedekte banken geplaatst voor de staten, die overeenkomstig hun rang zitting namen, de staten van Brabant vooraan, dan die van Vlaanderen en de andere daarachter naar hunne rangorde. Toen allen verzameld en gezeten waren, hetgeen ongeveer te drie uur was, kwam de keizer van de zijde der kapel de hal binnen, leunende op den schouder van den Prins van Oranje; koning Filips en de koningin (Maria van Hongarije) volgden, beiden begeleid door een groot gevolg van de voornaamste inheemsche edelen en anderen, ridders van de orde, in groot tenue versierd met hun groote halssnoeren, evenals hunne Majesteiten, de keizer en de koning. Hunne Majesteiten namen plaats op de genoemde zetels, terwijl de edelen en heeren, die in hun gevolg binnenkwamen, naast de verhevenheid aan den kant van de hal tegenover den toren van het hof bleven...."

De geheele vergadering bleef staande, totdat het bevel gegeven werd, dat ze hunne plaatsen zouden innemen, om de boodschap in den behoorlijken vorm aan te hooren, tegelijk met de redevoeringen, waarvan hier de hoofdinhoud volgt.

"Allereerst hield Philibert van Brussel, staatsraad en lid van den geheimen Raad, een aanspraak tot de Staten-Generaal in naam van den keizer, waarin hij diens besluit tot abdicatie en den formeelen afstand van al zijn Nederlandsche waardigheden en bezittingen aan Filips mededeelde. Hij somde al den grootschen arbeid op, dien Karel had volbracht, waardoor hij ten volle het recht op rust had verdiend; hij vroeg den Staten getrouwheid aan hun nieuwen souverein en bovenal de instandhouding der plakkaten ten opzichte van den godsdienst, die Karel had uitgevaardigd en Filips beloofde te handhaven."

Daarna rees de keizer van zijn zetel, wenkte den prins van Oranje en steunende op zijn schouder, begon hij met zijn toespraak. Hij herinnerde zijn volk, hoe werkzaam zijn leven was geweest. Sinds zijn troonsbestijging in 1515 had hij negen reizen gedaan naar Duitschland, zes naar Spanje, zeven naar Italië, vier naar Frankrijk, tien naar de Nederlanden, twee naar Engeland, evenveel naar Afrika, alles te zamen 40. Hij schetste zijn verschillende oorlogen, overwinningen en vredesonderhandelingen. Die reizen, waartoe zijn plicht tegenover zijn verschillende onderdanen hem had gedwongen, waren zoo vermoeiend geweest, dat hij op 55 jarigen leeftijd een oud en gebroken man was.

Terecht zegt Motley, dat het wel moeilijk is, in te zien, hoe dit op en neer gaan in de wereld, dit heen en weder reizen veel voordeel heeft gebracht aan zijn beminde onderdanen, die inderdaad gewoonlijk zijn komst een slecht voorteeken voor hun beurzen vonden, daar elk nieuw bezoek aanleiding was tot vermeerderde en nieuwe schatting.

Karels eenig verdriet bij zijn afscheid was, dat hij een oorlog met Frankrijk, die nog aan den gang was, als een erfgoed aan zijn zoon moest achterlaten, maar die zou wel spoedig teneinde zijn. Hij vroeg daarop vergeving aan zijn volk voor enkele dwalingen, die misschien in zijn liefderijk bestuur waren ingeslopen, verzocht zijn zoon en alle aanwezigen, de heilige kerk te bewaren en te beschermen, omhelsde Filips en riep hem, zijn hand op zijn hoofd leggende, tot graaf van Vlaanderen en souverein van de Nederlanden uit, terwijl hij in den naam der heilige Drieëenheid het teeken des kruises maakte. Volgens den Venetiaanschen gezant zonk hij aan het eind zijner rede uitgeput op zijn troon neder, terwijl de geheele doorluchtige vergadering tot tranen toe bewogen was. De Engelsche gezant te Brussel zegt het nog sterker. "Daar was niet één man in de gansche vergadering, die niet gedurende een groot deel van Karels rede overvloedig in tranen uitbarstte."