Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 39

Chapter 393,866 wordsPublic domain

De stad, een wereld van weelde en luister, was in een knekelhuis herschapen, haar handelsbloei geknot. Drie duizend lijken werden op straat gevonden, een gelijk getal menschen schatte men, dat in de Schelde omgekomen was, en nagenoeg evenveel werden er verbrand of op andere wijze omgebracht; zeker waren er niet minder dan achtduizend van het leven beroofd. Voor zes millioen aan goederen werd door den brand vernield en minstens evenveel door de Spanjaarden buit gemaakt."

Verwondert het ons, dat de kreet om verjaging van den Spanjaard uit de Nederlanden, sedert die afschuwelijke verwoesting van Antwerpen vertiendubbelde? De Staten van Brabant richtten zich reeds den volgenden dag tot de Staten-Generaal, aandringend op onmiddellijke voorziening en schadevergoeding. De Staten-Generaal, die reeds eenige dagen geaarzeld hadden het verdrag van de Pacificatie van Gent goed te keuren, gingen thans onverwijld tot die goedkeuring over "pour prévenir et éviter de plus grands inconvénients."

Op den 8en November werd met toestemming van de Staten-Generaal de Pacificatie geteekend. Die Pacificatie was niet alleen eene bevrediging, maar ook een verbond.

Het was een ontzaggelijke triomf voor den Prins van Oranje en het geheele verdrag was een meesterstuk van diplomatie.

Door onderlinge samenwerking moesten eerst de Spanjaarden uit het land worden verjaagd; dit doelwit was door den Prins bereikt. Dat het hoogste belang van de Noordelijke gewesten (de godsdienst) in handen was gegeven van een toekomstige vergadering der Staten-Generaal, was een quaestie, die, volgens Oranje, in 't verre verschiet lag. Bovendien zou ook die vergadering geen vrede hebben met ketterplakaten. Zeker mocht de Prins, de man van groote verdraagzaamheid, zich vleien met de hoop, dat de Staten-Generaal dan niet het vonnis zouden vellen over landgenooten en trouwe wapenbroeders, alleen om geloofsverschil.

Voor zijn staatkundig bewustzijn was niet de godsdienstquaestie het moeilijkste punt, maar wel de houding, die men elkander tegenover Don Juan beloofde. Zonder de Spaansche Furie was waarschijnlijk de Pacificatie op het verschil daaromtrent nog afgestuit. Holland en Zeeland hadden het plan Don Juan niet te erkennen; het Zuiden wel, doch onder belofte, in deze zaak niet zonder bijstand van Oranje en de Staten van Holland en Zeeland te zullen handelen.

Het was te begrijpen, dat er over de Pacificatie in alle gewesten groote vreugde heerschte en niet het minst in Holland en Zeeland. In de afkondiging werden al de Staten genoemd, welke met den Prins van Oranje en Holland en Zeeland een verbond hadden gesloten, terwijl het verboden werd met de steden, die nog Spaansche garnizoenen hadden, eenig verkeer te onderhouden. In een andere proclamatie werd van de vluchtelingen, die zich in de aangesloten steden kwamen vestigen, een eed van trouw geëischt zoowel aan den koning, als graaf van Holland onder het bestuur van den Prins van Oranje, zijn wettigen stadhouder, gouverneur en kapitein-generaal, als aan de Staten-Generaal van die landen. Bovendien bevatte zij de verplichting de Spanjaarden uit alle gewesten te verdrijven, alle ordonnantiën en bevelen van de Staten-Generaal, van Z. Excellentie en de Staten van Holland te gehoorzamen. Ook moest men de verplichting nakomen niets tegen den Hervormden godsdienst te ondernemen en de gesloten pacificatie van Gent in stand te houden.

Ofschoon de Prins zelf liever een belofte dan een eed op het verdrag had gewild, namen de Staten echter dit besluit.

Alzoo was de geheele vereenigde macht van de 17 gewesten nu vrij, het Spaansche leger uit de Nederlanden te verdrijven, zelfs al waren zij onder het bestuur van een Spanjaard. En dit was het geheele werk van den man, die geen persoonlijk deel genomen had aan de beraadslagingen te Gent. Zonder hem zou de zaak onmogelijk geslaagd zijn.

Ook Oranje zelf was met het bereikte resultaat ten zeerste ingenomen. "Onze afgevaardigden," schrijft hij aan Jan, "hebben zoo goed gewerkt, dat door Gods genade op den 28en der laatste maand vrede gesloten is tusschen ons en de andere gewesten." Hij spreekt in dien brief tevens de hoop uit, dat deze vrede mettertijd een goede en volkomen rust zal brengen en ook broer Jan van het geluk, dat daaruit kan voortkomen, zijn deel zal hebben. Hij erkent, dat het nog werk genoeg zal kosten, het land te zuiveren, maar hoopt, dat de vrede tusschen de gewesten er toe zal medewerken en de Spanjaarden uit zich zelf het land zullen verlaten.

Gedurende de onderhandelingen over de Pacificatie had Oranje niet opgehouden tot Anjou in betrekking te staan. Wel was het aanzoek van de maand Mei zonder gevolg gebleven, maar het was niet afgestuit op den onwil van den Franschen Prins. Integendeel, deze was vol verlangen om den Nederlanden hulp te verleenen en zond twee gezanten spoedig na elkaar naar deze gewesten. De Prins, overtuigd dat Don Juan zijn rol niet zou kunnen spelen in de Nederlanden, had eerst tot aanneming van Anjou's voorstel geraden; de instructies van den tweeden gezant waren echter zoo aanmatigend, dat Oranje zijn aanhangers in Brussel tot kalmte aanspoorde. Van die hulp kwam dan ook op dat oogenblik niets. Toch bleef de Prins met hooggeplaatste personen o.a. met Hendrik van Navarre in betrekking, terwijl zijn vrouw een hartelijken brief schreef aan haar broeder, Frans van Bourbon, die geheel met het huwelijk van zijn zuster was verzoend.

De oude gravin Juliana verloor op haar vergevorderden leeftijd ook niet haar belangstelling in de Nederlandsche gebeurtenissen. Meer dan eens maakte ze van de boden van haar zoon Jan gebruik, om aan haar oudsten zoon een vriendelijk, hartelijk briefje te zenden. Ze zijn in zeer eerbiedigen toon geschreven, dien men van een moeder tegenover haar kind bijna niet zou verwachten. Ze spreekt hem steeds aan als "Hooggeboren Vorst," doch in het midden van haar vormelijke frases komt nu en dan een teedere uitdrukking voor, waaraan men de godvruchtige moeder ten volle herkent. In een briefje van den 22en October wenscht zij hem geluk met het helderder licht, dat voor hem door de wolken breekt. Ze hoopt, dat God door zijn heiligen Geest hen mag verlichten, die aan den vredehandel deelnemen. Hoe kras de oude vrouw nog was, blijkt uit het bericht, dat ze eerstdaags naar haar dochter Juliana, echtgenoote van graaf Albrecht von Schwarzburg hoopt te gaan, ten einde bij hare bevalling te helpen.

In het midden van de vermoeiendste staatszaken van den Prins, met haar slingeringen van hoop en vrees, zijn die teekenen van huiselijk leven vriendelijke lichtstralen op zijn pad.

HOOFDSTUK XXIII.

DON JUAN VAN OOSTENRIJK EN DE PRINS VAN ORANJE. HET EEUWIG EDICT. 1576-1577.

Reeds in de lente van 1576 had koning Filips zijn half-broeder Don Juan van Oostenrijk tot opvolger van Requesens benoemd. Deze jongste zoon van Karel V was in 1545 te Regensburg geboren; zijn moeder was een zekere Barbara Blomberg, waschvrouw van beroep. In zijn jeugd was hij naar Spanje gezonden en met groote zorg opgevoed door Louis Quixada, een lid der keizerlijke hofhouding. Eerst toen de keizer was overleden, werd hij door Filips als zijn broeder erkend en werd zijn opvoeding, te gelijk met die van zijn neven Alexander Farnese en Don Carlos, voltooid. Uiterlijk geleek hij op niemand van de familie van zijn keizerlijken vader, want hij was een der knapste jongelieden uit Europa. "Rijzig van gestalte, innemend van uiterlijk, dapper en hoffelijk, vroom katholiek en man van de wereld tevens, herinnerde hij, veel meer dan zijn koninklijke broeder, aan zijn roemruchtigen vader, hoewel hij, driftig, ja opvliegend als hij was, zijns vaders staatsmanstalenten ten eenenmale miste."

Filips had hem voor de kerk bestemd, maar dit vooruitzicht strookte niet met zijn moedigen, avontuurlijken geest. Het gelukte hem werkelijk den wil van zijn koninklijken broeder te braveeren en zijn eigen wenschen te volgen. Waarschijnlijk hielp de buitengewone persoonlijke betoovering, die van Don Juan tegenover jong en oud uitging, hem, om den koning voor zijn plannen te winnen en Filips stond hem toe, in plaats van een monnikskap een helm te dragen; hij droeg hem zelfs het commando op van een expeditie tegen de Mooren in Granada toen hij pas 23 jaar oud was. Schitterend succes bekroonde deze eerste onderneming, hoewel ongelukkig de overwinning door vreeselijke wreedheid bezoedeld werd.

Omstreeks dienzelfden tijd vielen de Turken aan op Venetië en bedreigden de veiligheid van geheel Italië. Toen werd Don Juan opgedragen hen te bestrijden en won hij, meer door geluk dan door wijsheid, een zeeslag in de baai van Lepanto. Europa was in dien tijd in voortdurende onrust, dat het Turksche rijk werd uitgebreid en dus werd overal de tijding van die overwinning met buitengewone vreugde begroet. Het feit, dat er bijna evenveel Christenen als Mohammedanen waren gesneuveld, bracht men niet in rekening; het werd als een beroemde overwinning beschouwd en men prees den jongen held uitbundig om zijn succes.

Die aanbidding van zijn beschermeling behaagde Filips niet bijzonder; hij riep zijn broeder spoedig van het oorlogstooneel terug, vreezende dat de lauweren, die hij behaalde, meer roem zouden geven aan den jongsten zoon van Karel V dan de gouden kroon aan zijn oudsten.

Ondertusschen waren Don Juans zucht naar krijgsroem en zijn ridderlijke eigenschappen in den strijd tegen de Turken nog aangewakkerd. Terwijl zijn broeder de koning, afkeerig van persoonlijke deelneming aan den krijg, zich in zijne paleizen opsloot, om van daar (zooals hij meende) het lot der volken te beheerschen--dacht Don Juan, dat hij evenals zijn vader tot een groote rol in de wereldgeschiedenis bestemd was en de katholieke kerk door middel van het zwaard tegen Turken en ketters moest verdedigen. Daarbij speelde het romantisch denkbeeld door zijn brein om de ongelukkige Maria Stuart uit de gevangenis te verlossen, haar te huwen, en in plaats van Elisabeth tot koningin van Engeland te verheffen.

Inderdaad was dat romantisch denkbeeld een jongen held dier dagen ten volle waard. Sedert 1568 was de weduwe van den Franschen Koning Frans II ([+] 1560) na tallooze pogingen om den haar rechtmatig toekomenden Schotschen troon te behouden, in de macht van haar groote vijandin gekomen. Omringd door verraad in haar eigen land, had zij zich na de nederlaag bij Langside, in de macht van Elisabeth gegeven en was ze sedert van de eene gevangenis naar de andere gesleept, tot ze eindelijk, gelijk ieder weet, te Fotheringay onthoofd werd. Acht jaren lang had de ongelukkige, onttroonde vorstin reeds in haar gevangenis gezucht, toen Don Juan van Oostenrijk zijn droombeeld, om haar te verlossen, koesterde.

In den herfst van 1576 was hij in Italië; daar ontving hij na den dood van Requesens zijn aanstelling tot landvoogd van de Nederlanden en zijn meening was, dat die Nederlandsche roeping een eerste stap zou zijn, om zijn ideaal te kunnen verwezenlijken. Niet wetende, dat er zulk een haast was, naar de ontvoogde Nederlanden te gaan en door zijn vertraging aan de Nederlanden alle mogelijke speelruimte gevende, hun eigen zaken zonder landvoogd en buiten Filips om, ter hand te nemen, ging Don Juan eerst uit Italië naar Spanje terug, om daar, in overleg met zijne vertrouwden, den grondslag van zijn staatkunde te leggen, die hij meende te zullen volgen. Daar hij op zijn reis door Frankrijk bevreesd was voor mogelijke aanranding door vrienden van de Nederlanders, vermomde hij zich op zijn tocht door dat land als Moor en zijn geheele escorte bestond uit zijn vriend Ottavio Gonzaga, zes krijgslieden en een koerier. Hij zelf moest doorgaan voor den knecht van Gonzaga. Het gezelschap hield een nacht in Parijs stil, waar Don Juan een samenkomst had met Guise, den oom van Maria Stuart, met wien hij zijn verlossings- en huwelijksplan besprak.

Wij kunnen ons levendig voorstellen, hoe bitter teleurgesteld de jonge held was, toen hij op den 3en November in Luxemburg aankwam en vernam, hoe de zaken in de Nederlanden op dat oogenblik stonden. Bij zijn groote plannen met Engeland, had hij zijne landvoogdij over de Nederlanden als de gemakkelijke brug beschouwd, tot bereiking van zijn doel aan gindsche zijde van het Kanaal en nu moest hij vernemen, hoe hem zelfs niet eens de toegang tot de Nederlanden werd vergund, alvorens hij de Pacificatie van Gent met zijn handteekening had bekrachtigd.

Wij vermeldden vroeger, hoe die Pacificatie reeds den 28en October tot stand was gekomen, en onder den indruk der Spaansche Furie, den 8en November door de Staten-Generaal werd geteekend. Ook Don Juans komst op den 3en dier maand verhaastte nog die teekening. In plaats dus, van onmiddellijk als landvoogd te worden verwelkomd en de eeden af te vorderen van de Nederlanden, moest hij eerst trouw zweren aan die Pacificatie en zag hij zich zelfs den toegang tot de hoofdstad gesloten. Die Pacificatie was hem eerst een groote ergernis; hij zag er een verbond in, even tegenstrijdig met den dienst van God als met de gehoorzaamheid, aan den koning verschuldigd. Roda maande hem, zich aanstonds aan het hoofd der in de Nederlanden aanwezige Spaansche troepen te stellen, die volgens zijne berekening nog wel uit 10.000 man bestonden. Doch aan dien raad wilde hij ook geen gevolg geven; hij was gekomen als bemiddelaar en buitendien zou het met geweld optreden in Nederland aanstonds al zijn plannen tegenover Engeland in duigen geworpen hebben. De Staten-Generaal waren ook wel in twee partijen verdeeld, waarvan de eene meer de politiek van Oranje aanhing, de andere getrouw aan den koning wilde blijven--maar op het punt van de Pacificatie en de verwijdering der Spaansche troepen waren zij het toch volkomen eens.

De eerstgenoemde partij, die Oranje aanhing, deed alle mogelijke moeite om den Prins zelf naar Brussel te troonen; maar zoolang de volledige Staten-Generaal hem dit niet verzochten, was Oranje onwillig, dat te doen. Volgens hem moesten er gansch andere maatregelen met Don Juan genomen worden. Den 9en November zond hij namelijk uit Middelburg een advies aan de Staten-Generaal, met begeleidend schrijven aan den hertog van Aerschot, die door den Prins slechts half vertrouwd werd.

In dit schrijven aan Aerschot meldt Oranje hem, dat de komst van Don Juan van Oostenrijk veel kwaad aan het land kan brengen, indien men door eigen schuld hem daartoe de middelen verschaft, maar daarom moet men door groote voorzichtigheid zijn plannen voorkomen. De Prins is dan ook zoo vrij een advies aan de Staten-Generaal te zenden en om de vergadering des te beter te kunnen inlichten, zendt hij een afschrift van het advies aan Don Juan, vóór de samenkomst wordt gehouden.

In dat schrijven aan de Staten-Generaal wijst Oranje op het kleine gezelschap, dat den landvoogd vergezelt en hij maakt eruit op, dat de koning en zijn raad er geheel aan wanhopen, door middel van geweld, de orde in het land te herstellen. Maar, waarschuwt de Prins, men wil ons te kennen geven, dat we op zeer zachte en menschelijke wijze zullen behandeld worden, doch op een goed gekozen oogenblik zal worden uitgevoerd, hetgeen in de geheime particuliere instructies is geschreven. Op grond hiervan raadt de Prins ten sterkste aan, Don Juan in verzekerde bewaring te nemen en zich meester te maken van zijn persoon, want alleen in dat geval, zegt hij, zal er zonder verdere bloedstorting met Gods hulp een eind aan den oorlog komen.

De meerderheid van de Staten-Generaal was met Aerschot bevreesd voor te grooten invloed van Oranje en ze besloten het advies niet te volgen, doch met Don Juan in overleg te treden.

Daarover niet uit het veld geslagen, legde de Prins nogmaals in een zeer uitvoerig advies, den nadruk op de dreigende gevaren. Het doet hem leed, dat er velen zoo goed van vertrouwen zijn en hij tracht de Staten-Generaal te bezielen met hetzelfde wantrouwen, dat hem vervult.

"De toorn van koningen is onsterfelijk," schrijft Oranje. "Wat Don Juan ook moge beloven, het is alles misleiding en bedrog, het is verraderlijke toegevendheid door den nood afgeperst, die ten doel heeft, ons in slaap te wiegen, onze kracht te breken en ons daarna met schending van alle trouw tot nog harder slavernij te dwingen...."

Verder eischt de Prins waarborgen tegen willekeur, verwijdering van alle troepen en het opnieuw bezweren van de gewestelijke privileges. Wil men Don Juan erkennen en tevens veilig zijn tegen de wraak van Filips, dan moet de macht van den landvoogd beperkt wezen. "Verklaar hem," zegt Oranje, "dat ge zult voortgaan met u te versterken en dat gij het voetvolk en de ruiters, waarover gij te gebieden hebt, niet eer zult wegzenden; want het ware hem het mes in de hand geven, waarmede hij u den hals zou afsnijden."

Zeker, zijn adviezen aan de Staten-Generaal lieten aan kracht en overtuiging niet te wenschen over, maar het was voor doovemans ooren gepraat; men luisterde niet naar zijn raad.

Later zou het zonneklaar blijken, dat Oranje volkomen gelijk had met zijn waarschuwingen tegen Don Juan.

Ondertusschen bleef de Prins, steeds vanuit Middelburg, ijverig in de weer het zuiden voor te lichten en de Pacificatie van Gent tot een feit te maken. De briefwisseling in die dagen was grooter dan ooit en niet alleen met het Zuiden, maar ook met die Noordelijke gewesten, welke nog niet waren aangesloten, terwijl in Friesland door zijn invloed de Spaanschgezinde Robles door George Lalaing, den graaf van Rennenberg, als stadhouder werd vervangen. Ook met Anjou bleef hij steeds in betrekking.

Al volgde men zijn advies ten opzichte van Don Juan niet, van alle kanten trachtte men hem te overreden, persoonlijk naar Brussel te komen, maar hij achtte den tijd nog niet daar. Hoe hoog zijn populariteit ook in Brussel was gestegen, hoe men daar ook zijn hoop alleen op hem bouwde; hij begreep terecht, dat, zoolang er met Don Juan onderhandeld werd, zijn persoon niet anders dan nadeelig kon werken. Hij zag n.l. wel in, dat zijn eigenlijke bedoeling, vrijheid van godsdienst, nimmer door den nieuwen landvoogd zou worden toegestaan.

In dien geest schreef hij ook aan St. Aldegonde, die zich te Brussel bevond maar, zoo meldde hij zijn vriend, al meen ik niet te moeten komen, ge kunt er van verzekerd zijn, dat ik niet zal ophouden dag en nacht in het ware belang van het land te werken.

Oranje wantrouwt nog den toestand en vreest, dat de andere Staten zich van die van Brabant zullen afzonderen, indien hij ontijdig toegeeft aan den wensch der bevolking. Inderdaad, niet alleen enkelen, maar de gansche burgerij in Brussel was vol geestdrift voor Oranje; door gewapende oploopen oefenden zij zelfs dwang uit op de beraadslagingen der Staten-Generaal. Heze, de uitvoerder van den Staatsgreep van 4 September, was heer en meester in de stad. Alleen wijze staatkunde hield den Prins tegen, nog niet naar Brussel te gaan en de tijd zou komen, dat zijn optreden door de omstandigheden geëischt werd. Voorloopig weigerde hij aan den oproep te voldoen, tenzij een eenstemmige uitnoodiging van de Staten-Generaal hem daartoe deed besluiten.

Wel blijkt uit een brief, dat een deel van Oranje's troepen in Brussel aanwezig was sedert den 23en November, want de commandant Olivier van den Tempel schrijft Oranje over de wijze, waarop de troepen waren ingekwartierd. Ook hij meldt aan den Prins, dat de zaken niet goed gaan, "tenzij er herstel komt door uw Exc., om wien iedereen roept en naar wiens komst iedereen verlangt..."

De Staten-Generaal onderhandelden intusschen nog met Don Juan, wiens ergernis steeg, naarmate hij meer over den toestand hoorde. Men zegt, dat er zelfs een poging werd gedaan, Don Juan te overreden zelf de teugels der regeering te aanvaarden en eenvoudig de trouw aan zijn broeder op te zeggen. Onwaarschijnlijk is het, dat de Prins hiertoe den raad gegeven zou hebben, daarvoor vertrouwde hij Don Juan te weinig. Zoover kwam het ook niet. De partij der gehoorzamen aan den koning behaalde in de Staten ten slotte de overwinning en den 6en December werden aan den nieuwen landvoogd de voorwaarden gesteld, die in hoofdzaak neerkwamen op de verwijdering der troepen, de handhaving der Pacificatie van Gent, een algemeene amnestie en het samenroepen der Staten-Generaal. Wilde de landvoogd dan nog een eed afleggen, dat hij de privileges der gewesten zou handhaven, men zou hem aanstonds als landvoogd erkennen, terwijl de Katholieke godsdienst zoowel als Filips' gezag gehandhaafd zouden worden. Van elk verbond met vreemden zag men dan af, de vreemde huurtroepen verdwenen en een korps geboren Nederlanders zou als eerewacht van den nieuwen regent dienst doen.

Tegen alle verwachting in, scheen Don Juan geneigd, de voorwaarden aan te nemen, maar de redenen, die er hem toe bewogen, hield hij verborgen. Het vertrek der troepen kwam hem juist gewenscht voor, want ze zouden moeten dienen om Elisabeth door een inval te verrassen en Maria Stuart te verlossen. Wilde dit in 't geheim gebeuren, dan was het noodig, dat de troepen zich in een Vlaamsche haven inscheepten, schijnbaar met de bedoeling, naar Spanje terug te keeren. Hij stemde toe in den eisch, de troepen te verwijderen, maar drong er op aan, dat ze over zee zouden terug keeren. Zelfs ging hij zóó ver, dat hij aan Elisabeth liet vragen of de Spanjaarden, welke naar huis terugkeerden, zich in haar havens van proviand mochten voorzien!

De Staten-Generaal vertrouwden dien aandrang van Don Juan niet erg. Waarom juist dien zeeweg? De Staten, vooral door Oranje en de zijnen bewerkt, bleven bezwaar maken, ook toen het bleek, dat de landvoogd in alles toestemde op voorwaarde van dien bepaalden weg.

Dat de Prins alles deed, wat hij kon om het wantrouwen tegen Don Juan te vermeerderen, is hem door velen kwalijk genomen, maar is het niet natuurlijk, dat hij, die den Spanjaard zoo goed had leeren kennen, zoo handelde? Charlotte van Bourbon, die zich met staatkunde nooit inliet, schreef zelfs de volgende waarschuwing aan haar echtgenoot: "Gij moet zijn de hagedis, die den mensch, terwijl hij slaapt (d. i. de St.-Generaal) tegen den beet der slang (Don Juan) waarschuwt."

Wat de Prins ook deed om de onderhandelingen der Staten-Generaal te vertragen, deze wilden die niet afbreken en besloten hun vergadering en den Raad van State naar Namen te verplaatsen, teneinde zich daardoor, gelijk Aerschot meende, aan den invloed van de bevolking van Brussel, welke geheel op Oranje's hand was, te onttrekken. Dit plan kon echter alleen doorgaan, toen werd aangenomen, dat een deel der Staten-Generaal in Brussel zelf achterbleef en dezelfde rechten verkreeg, als zij, die zich naar Namen verplaatsten.

Onder hen, die in Brussel bleven, waren vele aanhangers van den Prins, maar er waren er ook onder, die het afbreken der onderhandelingen met Don Juan, zooals Oranje wilde, afkeurden. Hun aantal werd nog versterkt door afgevaardigden uit Groningen, Friesland, Drente, Utrecht en Gelderland. Het talmen van Don Juan moede, sloten zij eenstemmig de eerste Unie van Brussel op den 9en Januari. Hierdoor gaven zij nieuwe kracht aan de Pacificatie en in zoover handelden ze geheel in den geest van Oranje. Daar zij echter de handhaving van den katholieken godsdienst op den voorgrond stelden, welk teere punt bij de Pacificatie naar de toekomst was verwezen en waardoor zij Don Juan de hand toestaken, deden zij volstrekt niet naar Oranje's bedoeling. Later is deze Unie dan ook door een "nadere Unie van Brussel" gewijzigd.

Geen vijandelijke bedoelingen had men met deze Unie tegen den Prins voor, maar het verbond was ook niet geheel een werk in Oranje's belang. Had de Prins in het eind van Januari zijn denkbeeld kunnen doen zegevieren, dan was er een herhaling op groote schaal van den Staatsgreep van 4 September gevolgd; allen die naar een verdrag met Don Juan streefden en de nauwe vereeniging met Holland en Zeeland tegenhielden, waren dan onschadelijk gemaakt. Dit wilden de Staten-Generaal in Brussel niet.