Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 37
Voor den duur van den oorlog was aan den Prins de souvereiniteit opgedragen in vereeniging met de Staten en hunne gecommitteerden. Hij werd gemachtigd met den koning van Frankrijk, zijn broeder, of eenig ander vorst te onderhandelen, die Holland en Zeeland onder zijn bescherming zou willen nemen. De Prins was bevelhebber te land en ter zee en had het recht alle officieren te benoemen. De gedeputeerden van de Staten mocht hij oproepen en zij waren op straffe van geldboete verplicht, op te komen. Van elke stad of elk dorp mocht hij garnizoenen zenden zonder raadpleging van de Staten of de stedelijke magistraat. De uitoefening van den hervormden godsdienst moest hij handhaven en eveneens de uitoefening van allen godsdienst in strijd met het Evangelie, verbieden.
De gezamenlijke uitgaven zouden naar evenredigheid tusschen gewesten worden verdeeld, terwijl negen commissarissen door den Prins op voordracht der Staten benoemd, permanent zouden zitting houden als zijn raadgevers, als assessoren en collecteurs van de belastingen. De geconfedereerden beloofden elkander wederkeerig bij te staan, om alle onrecht, kwaad en geweld te voorkomen.
Inquisitie mocht niet worden toegepast op iemands geloof of geweten en niemand mocht tengevolge daarvan moeite, onrecht of hindernis lijden.
In dit verbond handelde elke gemeente als een kleine souverein, zond gezanten naar de vergadering der Staten om als gevolmachtigden te stemmen en te teekenen. De edelen vertegenwoordigden niet alleen hunne eigen belangen, maar werden ook ondersteld de boeren op het land te representeeren. Het doel van de staatsinrichting volgens de Unie van Delft was, representatie van het volk in zijn volle breedte. Eerst later hebben de colleges het volkselement onderdrukt, maakten ze misbruik van eigen verkiezing en werd het beginsel aristocratisch. Plaatselijk genomen was de confederatie republikeinsch, maar de algemeene regeering, die gevestigd werd, monarchaal. Oranje werd inderdaad souverein ad interim en terwijl 's konings gezag tijdelijk buiten werking was gesteld, werd de Prins niet alleen met uitvoerende macht bekleed maar ook had hij een groot aandeel in de wetgevende functiën van den Staat.
De uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht werden door den Prins niet zoo gescheiden gehouden als volgens de staatsrechterlijke theorie veroorloofd was. Het lag geheel in zijn eigen macht om zijn voorloopige autoriteit te doen voortduren.
Oranje was op het hoogtepunt van zijn populariteit en inderdaad de eenige man, dien men werkelijk vertrouwde. De uitdrukking "Vader Willem" werd reeds toen gebruikt al was hij nog maar 43 jaar. Toch wilde hij niet alleen den last dragen. Hij was het vooral, die met kracht aandrong op de noodzakelijkheid, vreemde bescherming te zoeken. Zeer goed zag hij de moeilijkheden in om de eenige stuurman op het nieuwe schip van staat te zijn, dat hij trachtte van de koninklijke dokken te lichten. Vandaar de nieuwe pogingen om zich door vreemde hulp te versterken.
Twee dagen slechts na de Unie van Delft, had er in Frankrijk een gebeurtenis plaats, die ook voor de Nederlanden van groot belang scheen te worden.
In 1574 was Karel IX gestorven en weder moest een broer zijn opvolger worden, evenals Karel zelf in 1560 Frans II had vervangen. Nu was de derde zoon van Catharina de Medicis de aangewezen opvolger van Karel als koning van Frankrijk, maar deze was in 1573 koning van Polen geworden. Doch er was nog een vierde zoon van Catharina de Medicis, de hertog van Alençon, die eerzuchtig in de hoogste mate en ontevreden over zijn lot als jongere broeder, zich in allerlei samenzweringen stak om macht en invloed te krijgen. De Hugenoten, die onder Condé e. a. zich weder hadden vereenigd, wilden zelfs bewerken dat de hertog van Alençon, bij ons bekend onder den naam van hertog van Anjou, als koning van Frankrijk Karel IX zou opvolgen, terwijl zijn oudere broer dan koning van Polen zou blijven. Ook Oranje trachtte dit plan in de hand te werken, zooals uit een brief van hem aan zijn broer Jan bleek. Toch kon de terugkeer van Hendrik uit Polen niet belet worden, daar Catharina de Medicis hem en niet Anjou tot opvolger van Karel wilde. Polen werd in den steek gelaten en hij keerde na een kort regentschap van zijn moeder, als koning naar Frankrijk terug. Ook Anjou huldigde voor het uiterlijk zijn broeder als koning, doch zijn eerzucht zette hem aan tot het smeden van allerlei complotten en toen het mislukt was, hem in Polen gekroond te krijgen of hem in Italië een souvereiniteit te scheppen, bood hij, geprikkeld door jaloezie op zijn broer, Condé zijn hulp aan. Deze wilde hem gaarne verheffen tot het hoofd der Hugenoten, zoodat Anjou in stilte het hof ontvluchtte om zich naar Condé te begeven, waarvan een algemeene beweging onder de Hugenoten, vooral te la Rochelle, Nîmes en Montauban het gevolg was.
De vijfde burgeroorlog begon. Ook Hendrik van Navarre zwoer bij vernieuwing trouw aan de zaak der Protestanten. De beweging had zooveel succes, dat deze oorlog eindigde met zeer gunstige voorwaarden voor de Hugenoten; de vrede kreeg naar den hertog van Anjou den naam van "Paix de Monsieur." Hij zelf ontving daarbij een machtige, bijna onafhankelijke positie. De Hugenoten kregen niet alleen het recht hun godsdienst in het rijk vrij uit te oefenen, maar ze werden ook verkiesbaar gesteld voor alle ambten en betrekkingen, terwijl aan de gerechtshoven volkomen onpartijdigheid werd voorgeschreven.
Geen wonder, dat na het herstel van de rust in Frankrijk (nu de toestand der Hugenoten zoo gunstig was geworden), Oranje weer een blik naar Frankrijk sloeg, te meer daar de Prins nog zoo kort geleden van de baatzucht van Engelands vorstin overtuigd was geworden.
Van de meerdere macht hem door de Unie van Delft verleend, maakte hij dan ook gebruik, met de Staten de voorwaarden op te stellen, waarop men den hertog van Anjou, die thans gold als beschermer der Hugenoten, de grafelijke waardigheid over Holland en Zeeland zou kunnen aanbieden.
Dit voorstel was echter vergeefsch; de onderhandelingen werden lang slepende gehouden; Elisabeth was verontwaardigd op Anjou en verzette zich heftig tegen de ondersteuning der Nederlanden.
De onderhandelingen leidden voor het oogenblik tot geen goed resultaat en het zou nog twee jaar duren, eer de Prins tot Anjou terugkeerde. Misnoegd schreef hij aan zijn broer Jan:
"Wij hadden altijd gehoopt, dat de Fransche vrede tenminste hun welwillendheid tegenover ons zou vermeerderen, maar het komt mij voor, dat ieder zich tevreden stelt met zijn eigen bijzondere zaken, zonder zich om het lot van anderen te bekommeren." De vraag echter dringt zich vanzelf aan ons op: Hoe kon de Prins aan zulk een onwaardige, als de laatste Valois was, niet alleen de bescherming van het land, maar zelfs de souvereiniteit aanbieden?
In de eerste plaats moet men niet vergeten, dat het duidelijk gebleken was, dat Koningin Elisabeth er niet over dacht een protectoraat te aanvaarden; dit was afgestuit op haar onwil om met Spanje te breken. De zaak der Nederlandsche rebellen stond bovendien in April 1576 vrij hopeloos. Alleen uit Frankrijk was nog kans op hulp en niemand anders dan Anjou kon die brengen. Ook zou men hem gemakkelijker dan den koning voorwaarden kunnen stellen en het was Oranje nog niet zoozeer om den persoon van Anjou te doen, dan wel om Fransche hulp. De Prins zou toch het gezag hebben behouden, terwijl alleen de titel eigenlijk werd aangeboden.
Ofschoon de zaak ten slotte op niets uitliep, was het in zoover belangrijk, dat er voor het eerst een vorm werd gegeven aan de vorige plannen omtrent de aansluiting bij Frankrijk, die reeds lang in veler hoofden en harten hadden geleefd.
Was de toestand van Holland en Zeeland in het voorjaar van 1576 zeer hachelijk, de redding kwam van een anderen kant, dan de Prins had vermoed. De muiterij der Spaansche soldaten en de verwarde toestand in de regeering van het Zuiden, na den dood van Requesens, werden voor het Noorden de redding. De hulp, die Elisabeth noch Anjou met een protectoraat of souvereiniteit hadden kunnen geven, werd door een reeks van omstandigheden van zelf aan de benarde gewesten geschonken. Die omstandigheden waren de gevolgen van de overgave van Zierikzee en van den dood van Requesens.
Reeds maanden lang werd die Zeeuwsche stad, de hoofdstad van Schouwen en de sleutel tot half Zeeland, door Spanje belegerd; de eerst zoo goed geslaagde tocht naar Schouwen onder Mondragon, vond in het verzet van de stad Zierikzee een keerpunt. Zoowel van Spaansche als van Nederlandsche zijde bleef men in den strijd volharden.
De Prins van Oranje stelde alles in het werk, om de stad te hulp te komen. Den 16en Mei schreef hij aan Jan van Nassau, dat Zierikzee het nog uithield, en, liet hij er op volgen: "ik moet zeggen, dat allen, die ons moesten helpen, al te bedachtzaam zijn."
Niettegenstaande de drukke bezigheden van Oranje, zoodat hij volgens zijn secretaris "nauwelijks tijd heeft om adem te scheppen," beraamde de Prins in het voorjaar van 1576 een poging tot ontzet van Zierikzee. De wakkere admiraal Boisot, de held van het gedenkwaardig ontzet van Leiden, was belast met de onderneming. Van de zeezijde probeerde Boisot op den 25en Mei Zierikzee te naderen, maar Mondragon had in de nauwe haven gladde palen doen aanbrengen, waartegen Boisot te gronde ging. Hij kon onmogelijk zijn schip, de roode Leeuw, bevrijden en bevreesd, als de eb kwam, een gemakkelijke prooi van den vijand te worden, sprong hij in zee om naar de naastbijzijnde schuilplaats te zwemmen. Driehonderd man volgden zijn voorbeeld, maar Boisots krachten ontschoten hem; zijn volgers konden in de groote duisternis hun leider niet helpen en hij kwam jammerlijk in het water om.
Voor den Prins was de dood van Boisot een groot verlies en Charlotte van Bourbon, dat beseffende, schreef den volgenden hartelijken brief aan haar man, welk schrijven ons in staat stelt een blik te slaan in de verhouding van den Prins en zijne vrouw.
Monseigneur.
Het spijt mij innig, dat al de moeite en al de arbeid, die gij daarginds op u genomen hebt, niet den uitslag hebben verkregen overeenkomstig ons aller hoop. Vooral ben ik zeer bedroefd over het ongeval, het groote schip overkomen en over het verlies, dat gij door den dood van den admiraal hebt geleden, want ik twijfel niet, of gij zijt in groote verlegenheid, wien gij in zijne plaats zult stellen.
"Mr. de Very deelde me mede, dat de graaf von Hohenlohe u groote ondersteuning had geschonken. Ik was blij dat te hooren en niet minder te weten, dat gij zoozeer verlangt, mij bij u te hebben. Doch daar ik me nog zeer zwak gevoel, heb ik na dit eerste bericht van Zierikzee nog geen raad durven vragen, uit vrees, dat een nieuwe teleurstelling mij des te meer zou treffen. Nog zeven of acht dagen zal ik wachten met te zien, hoe ik me zal bevinden, om in dien tusschentijd, als het God behaagt, wat versche lucht tot bij den Haag te gaan inademen. Wat uw dochter aangaat, die maakt het wel. Ik heb onderzocht of de zee gevaarlijk voor haar zijn zou; velen zeggen neen. In elk geval verzoek ik u, Monseigneur! mij te melden, wat gij wenscht, dat ik doe. Ik heb niet nagelaten, uw brieven, zooals gij mij beveelt, aan de Heeren Staten te laten zien, alsook het besluit van den Franschen vrede.
God geve, dat gij spoedig tijdingen mocht ontvangen, die u zullen bevredigen; want daarvan hangt mijn geluk geheel af, alsook van de wetenschap, of gij een goede gezondheid geniet, waarvoor ik U zeer ootmoedig bid, goede zorg te willen dragen."
Delft, 2 Juni 's avonds 7 uur.
Uwe zeer nederige en gehoorzame vrouw, zoolang ze leven zal,
C. DE BOURBON.
Wat moeten zulke liefkoozende woorden van Charlotte na al de egoïstische uitlatingen van Anna van Saksen, een verkwikking geweest zijn voor het gemoed van den Prins, dat aan sympathie zooveel behoefte had!
Alle pogingen om de stoutmoedige Zierikzeesche burgers te helpen, bleken vergeefsch. Negen maanden hadden ze het uitgehouden, maar het verlies van Boisot was zoo ernstig, dat alle verdere verzet hopeloos scheen. Den 21en Juni had, overeenkomstig de instructies van den Prins, de overgave van Zierikzee plaats. Mondragon, wiens soldaten zich in een ellendigen toestand bevonden en op het punt waren aan het muiten te slaan, was bijzonder verheugd een eerlijk verdrag te kunnen toestaan.
In een brief van Oranje aan zijn broeder Jan, meldt hij de noodzakelijkheid, dat de stad zich heeft overgegeven, maar schrijft hij: "indien ons van eenige zijde hulp was geboden, of wij allen van het begin af onzen plicht hadden gedaan, zou de arme stad nooit in 's vijands handen zijn gevallen, te meer omdat we gehoord hebben, dat de zaken van den vijand zoo slecht stonden, dat ze het beleg niet lang zouden kunnen volhouden."
Blijkens denzelfden brief, liet Oranje ook nu den moed niet zinken, maar werkte met grooten ijver om het verder voortgaan van den vijand te beletten.
De val van Zierikzee, schijnbaar de grootste ramp voor het Noorden, werd door zijn gevolgen eene groote uitkomst. Wel werden de burgers tot een schadevergoeding van 200.000 gulden genoodzaakt, doch daar deze som grootendeels naar de hoofdkwartieren ging, achtten de Spaansche soldaten zich schromelijk door die schikking benadeeld. Een opstand van die soldaten, beter georganiseerd dan een der voorgaande, werd de aanleiding tot onze redding uit den meest benarden toestand.
Gedurende 23 maanden hadden de Spaansche krijgslieden geen betaling ontvangen. De soldaten beschouwden de Nederlanden als een mijn, die zij slechts met hunne hoofden gemeenschappelijk hadden te exploiteeren en zij meenden, dat een schikking met een stad, die door hun dapperheid tot onderwerping gebracht was, hen van hun wettig deel aan den buit beroofde. Zij vroegen niet om hun loon, toen ze het vooruitzicht hadden op buit, maar toen de vredelievende schikking met Zierikzee werd afgekondigd, barstte hun ontevredenheid uit en een geregelde muiterij in al haar gewone vormen werd er georganiseerd. Tevergeefs trachtten de hoofden hun compagnieën met beloften en spoedige betaling te paaien. De mooie woorden werden niet door klinkende munt gevolgd; de muitende soldaten gingen voort met hun organisatie en spoedig heerschte de Eletto met het hoogste gezag over het leger in Schouwen. Men weigerde Mondragon te gehoorzamen. De muitende soldaten vereenigden zich uit verschillende posten met elkander; ze verlieten de Zeeuwsche eilanden en sloegen den weg in naar Vlaanderen.
De regeering in Brussel, die zich eerst gouden bergen beloofd had van dien tocht naar Zeeland, zag zich erg in het nauw gebracht, want niet alleen werd door die muiterij de gansche onderneming ijdel, maar 's konings gezag zou daardoor ook in het Zuiden aan het wankelen gebracht worden.
In Vlaanderen was men reeds lang de Spaansche soldaten moede; doch nu sloeg de inwoners der Vlaamsche steden de schrik zoo om het hart, dat de burgers zelf naar de wapenen grepen en de poorten sloten voor het onheil dat hen wachtte. Reeds gevoelde zich Brussel onveilig op de nadering der benden. Wel trachtte nog de Raad van State (voorloopig het hoogste regeeringslichaam na den dood van Requesens) zijn gezag te handhaven, door Mansfelt, den commandant der stad, af te zenden om met de oproerige soldaten te onderhandelen, maar dit was geheel vergeefsch en steeds stouter en stouter traden de muiters op. Onverwachts maakten deze zich van Aalst meester en eischten ze daar onderwerping aan hunne bevelen, op straffe van vermoord te worden; zelfs een honderdtal plaatsen in de buurt werden door hen schatplichtig gemaakt.
Dit veroorzaakte, gelijk te begrijpen is, hevige opschudding en beroering in de hoofdstad. Het volk eischte thans van den Raad van State, dat hij de Spaansche oproerige soldaten buiten de wet zou stellen en openlijk tot rebellen verklaren. De Raad van State waagde het niet, dien eisch te weerstreven en gaf daarbij aan het verzoek der Staten van Brabant gehoor, tot het lichten van troepen over te gaan om de rebellen te bestrijden.
Aan het hoofd der troepen werd als kolonel gesteld Willem van Hoorn, Heer van Heze, een jong, eerzuchtig edelman, die, gesteund door de burgerij, spoedig een voldoend aantal troepen onder zijn bevelen had, om de Spaansche soldaten angst in te boezemen, Brussel te bewaken en den Raad van State, die niet wist wat te doen, naar zijn hand te zetten.
In dien Raad was nog een Spanjaard: Jerome de Roda; doch deze moest zich, evenals Romero, geruimen tijd voor de woede der bevolking verborgen houden. Oogenschijnlijk alleen gericht tegen de muitende troepen, was de geheele volksbeweging eigenlijk tegen alle Spaansche troepen bedoeld en zelfs geen Spanjaard gevoelde zich meer veilig. Wel trachtte d'Avila nog uit Antwerpen tusschenbeide te komen, maar de Nederlandsche leden van den Raad van State bedankten hem voor zijn tusschenkomst, daar zij elke Spaansche bescherming wantrouwden.
De Prins van Oranje volgde natuurlijk deze gebeurtenissen met de hoogste belangstelling. Van Middelburg uit, waar hij tijdens en na het beleg van Zierikzee vaak toefde, zocht hij bij vernieuwing de oude betrekking in het Zuiden aan te knoopen en trachtte hij onder de leden der Brabantsche Staten en aanzienlijke burgers eene partij te vormen. Allerbelangrijkst is o. a. de brief, door den Prins uit Middelburg aan den Heer van Heze geschreven op den 1en Augustus 1576. Deze brief luidt als volgt:
Mijnheer en Neef,
Ik heb gehoord, dat eindelijk de Staten van het land besloten hebben niet langer de tirannie en insolentie van de Spanjaarden te verdragen, die hen zoolang onder een te schandelijk en ondragelijk juk hebben gehouden; tevens dat zij met de wapenen in de hand er een eind aan willen maken, zooals zij door hun ambtseed verplicht zijn te doen voor God en voor het volk en dat gij tot dit doel met alle dapperheid en alle grootmoedigheid zijt toegerust. Ik heb daarom niet willen nalaten, u dezen brief te schrijven, ten einde u in naam van het geheele vaderland geluk te wenschen, dat daarvoor aan u en uwe nakomelingschap ten eeuwigen dage de grootste verplichting zal hebben.
Ik wil u ook bidden, dat gij met de standvastigheid, u en uwe voorvaders waard, moedig moogt voortgaan met de uitvoering dezer onderneming, die ongetwijfeld tot eer van God, tot het bijzonder heil van het geheele land, tot den waren dienst van Z. M. en tot groote eer van u en uw nakomelingschap zal strekken. En daar ik geheel mijn leven aan hetzelfde doel gewijd heb, zooals ik nog tegenwoordig doe, te weten, om dit arme land eens terug te brengen van die ongelukkige en schandelijke tirannie tot zijn oude, wettige vrijheid, zooals al mijn daden helder kunnen bewijzen aan allen, die ze onpartijdig zullen onderzoeken, daarom heb ik u door middel van brenger dezes, dien ik U verzoek te vertrouwen, ook in enkele bijzonderheden, die hij u mondeling zal mededeelen, willen te kennen geven de goede en algeheele affectie, die ik heb, om u in al wat in mijn macht staat te secundeeren. Ik bid u daarbij, staat op mij te maken, als een uwer beste en hartelijkste vrienden en u verzekerd te houden, dat ik en het geheele land alhier u, zooveel in ons vermogen is, zullen helpen en assisteeren tot het doel hierboven genoemd. Want wij allen begeeren niets liever dan eens de tegenwoordige jammeren van het land veranderd te zien in een goede en wettige vrijheid, en een zekeren gelukkigen vrede, dien wij nooit zullen bereiken dan door middel van wapenen; deze zullen ons alleen van zoovele gruwelijke insolenties en tiranniën, als wij reeds te lang hebben geleden, kunnen verlossen.
Ik verzoek ook met nadruk, u niet door bedreigingen te laten bang maken, noch u te laten overreden door allerlei voorstellen, die men mogelijk zal aanbieden. De zaken zijn reeds te ver gegaan, dan dat gij uw onderneming zoudt kunnen opgeven of daarin terugwijken, zonder u zelf in een ellendigen ondergang te storten, waaruit naast God alleen uw standvastigheid en grootmoedigheid u zullen kunnen helpen. Gaat gij voort met een goed geweten, met het doel voor oogen, dat gij u hebt gesteld, dan behoeft gij er niet aan te twijfelen, of gij zult geholpen worden door alle menschen van goeden wille, zelfs door hen, die zich nu nog niet willen verklaren. En in het bijzonder zult gij u verzekerd kunnen houden, dat de goedgunstigheid van God u nooit zal verlaten. Na mij te hebben aanbevolen in uw goede gunsten, hoop ik, mijnheer en neef, dat uwe plannen een goeden uitslag zullen hebben en ik wensch u een goede gezondheid, een lang en gelukkig leven toe.
Uw toegen. neef, WILLEM VAN NASSAU.
Middelburg, 1 Aug. 1576.
Deze brief is uit Middelburg gedateerd. Daar was de Prins sedert den 6en Juli, dus kort na de overgave van Zierikzee, gevestigd, terwijl ook afgevaardigden van de Hollandsche en Zeeuwsche Staten zich daar met hem bevonden, o.a. Paulus Buys, Arend van Dorp en Peter de Rycke.
Behalve tot Heze, richt zich de Prins ook tot anderen in het Zuiden en wel door bemiddeling van den Zuid-Franschen edelman en hugenoot Jean Théron, die onberekenbaar groote diensten aan de zaak der Nederlanden in dat tijdperk bewees. Hij was dan ook de tusschenpersoon, die onophoudelijk van Middelburg naar Brussel reisde, om brieven van den Prins aan zijne geestverwanten in de hoofdstad over te brengen. Merkwaardig is bovenal de briefwisseling door den Prins gevoerd met den burgemeester van Brussel, Henri de Bloyere. Anderen, als Liesfelt, de abten van St. Geertrui en du Parc, misschien ook Aerschot werden voor de plannen gewonnen en zoo kwamen de Staatsgreep van 4 September en de Pacificatie van Gent tot stand.
HOOFDSTUK XXII.
DE STAATSGREEP VAN 4 SEPTEMBER EN DE PACIFICATIE VAN GENT. 1576.
Op de 11en Augustus verliet het eenige Spaansche lid van den Raad van State, Jerome de Roda, Brussel, om van uit Antwerpen te beproeven met een genoegzaam aantal Spaansche troepen in de hoofdstad terug te keeren, teneinde de veiligheid der regeering te waarborgen. Brussel was echter te veel in beroering, dan dat die poging nog zou kunnen gelukken. Niet alleen waren de inwoners van al wat Spaansch was, afkeerig geworden, maar ook in de Staten van Brabant was de meerderheid geneigd, den raad van den Prins van Oranje te volgen en van het oogenblik, dat er geen landvoogd was, gebruik te maken, om de nationale wenschen te doen zegevieren.
Op den 23en Augustus gelukte het Heze, na tien dagen tevoren daartoe een vergeefsche poging te hebben gedaan, in die Staten een brief van Oranje voor te lezen, die een aansporing bevatte om het juk der Spaansche soldaten af te werpen en zich met Holland en Zeeland te vereenigen. Aan den Prins zond men een sympatieke dankbetuiging. Ook de Staten van andere gewesten werden door die van Brabant opgewekt, gemeenschappelijk te handelen en aan te dringen op de bijeenroeping van de Staten-Generaal. Doch aan dien eisch kon de Raad van State geen gehoor geven.
Het bericht was gekomen, dat Don Juan tot landvoogd was benoemd en zich gereed maakte, naar de Nederlanden te komen. In het eind van September--zoo luidden de geruchten--zou de nieuwe regent in het land zijn. Voor diens komst moest er een beslissende stap gedaan worden. Men moest zich van den Raad van State meester maken, opdat diens gezag, dat toch zoozeer geknakt was, geheel zou worden gebroken. Daarom drong een luitenant van den kolonel Heze, Glimes genaamd, op den 4en September de vergaderzaal van den Raad van State binnen en nam de aanwezige leden: Barlaimont, Assonleville, Sasbout en Mansfelt gevangen; Barlaimont en Mansfelt werden naar het Broodhuis gebracht, terwijl de anderen, waarschijnlijk ook Viglius, die niet aanwezig was in de vergaderzaal, in hun huis werden bewaakt.