Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 36
Kinderen uit het Kinderen uit Kinderen uit het Zoon uit het eerste huwelijk. het tweede derde huwelijk. vierde huwelijk. ------ huwelijk. ------ ------ ------ 1. Marie* 1. Louise Juliana Frederik Hendrik 1553-1616 1. Anna 1576-1644 1584-1647 geh. met Filips, 1562-1588 geh. m. Frederik IV geh. met Graaf van geh. met Willem Keurvorst van de Amalia von Hohenlohe. Lodewijk Paltz. Solms-Braunfels. (Stadhouder | 2. Filips Willem van Friesland). 2. Elisabeth | 1554-1618 1577-1642 | geh. met 2. Maurits geh. met Henri, | Eleonora docht. 1564. Hertog van | van Hendrik, Bouillon. | Prins v. Condé. 3. Maurits | 1567-1625. (Een harer zoons | was de maarschalk | 4. Emilie Turenne). | 1569-1629 | geh. met 3. Catharina Belgica | Emanuel, Prins geh. met Lodewijk, | van Portugal. Graaf van Hanau. | | 4. Charlotte | Flandrina | 1579-1640 | Abdis van Poitiers. | | 5. Charlotte | Brabantina | 1580-1631 | geh. met den Hertog | de TréMouïlle. | | 6. Emilie | Antwerpiana | 1581-1657 | geh. met | Fred. Casimir, | Paltzgraaf van | Zweibrücken. | | ----------------------------------------------------------------------| 1. Willem II 2. Louise 3. Henriëtte | 1626-1650 Henriëtte Emilie | gehuwd met 1627-1667 en | Maria Stuart, geh. met 4. Isabella | dochter van Frederik Willem Charlotte, | Karel I van Keurvorst van beiden jong | Engeland. Brandenburg. gestorven. | | (Van haar stamt | Willem III dus af het | 1650-1702 tegenwoordig | Koning van Duitsche | Engeland Keizershuis). | in 1688 | gehuwd met | Maria Stuart, | dochter van | Jacobus II. | (Uitgestorven). | | ----------------------------------------------------------------------| 5. Albertina Agnes 6. Henriëtte 7. Marie 1634-1696 Catharina 1642-1688 geh. met Willem 1637-1708 gehuwd met Frederik v. Nassau, gehuwd met Paltzgraaf Lod. Dietz. Stadh. van Jan George II, Hendrik Maur. Friesland.** Prins van Hertog van (Van haar stamt dus Anhalt-Dessau. Zimmeren. af de tegenwoord. Koninklijke familie van Nederland. Deze afstamming volgt later).
* 1556 wordt ook wel als geboortejaar vermeld.
** Willem Frederik van Nassau is een kleinzoon van Jan den Oude; Albertina Agnes een kleindochter van Willem den Zwijger.
Onze Koningin stamt dus in rechte mannelijke lijn af van Jan den Oude en in rechte vrouwelijke lijn van Willem den Zwijger.
Met de grootste toewijding had Oranje's broeder die taak der verzorging op zich genomen; maar de afwezige vader was en bleef toch de verantwoordelijke man, evengoed als hij aansprakelijk was voor de enorme sommen, die Jan van Nassau hem en de Nederlanden geleend had. Brengen we dit mede in rekening, dan bevreemdt ons het verzet van Oranje's broeder tegen zijn derde huwelijk nog minder. En inderdaad zouden ook wij hier voor een raadselachtigen trek van het karakter van den Prins staan, zoo er geen gewichtiger redenen bestonden, die zijn gedrag rechtvaardigden. Die redenen lagen in niets anders dan in de staatkunde.
Evenals Oranje eertijds ten dage van Granvelle zijn Duitsch huwelijk sloot met het oog op de hulp, die hij daardoor van de Duitsche vorsten verwachtte voor de Nederlanden, zoo was vooral sedert 1568 zijn oog op Frankrijk gericht. We zagen, hoe zelfs de Bartholomeusnacht niet in staat was geweest, het denkbeeld in zijn ziel te vernietigen, dat alleen door en met Frankrijk de bevrijding der Nederlanden te verwachten was. Er waren velen hier te lande, die meer op de koningin van Engeland, Elisabeth, bouwden; die meenden dat zij, als het hoofd eener kerk, die eveneens als de Calvinisten, de gehoorzaamheid aan den Paus had opgezegd, haar steun niet zou, noch kon weigeren. Doch gelijk vroeger reeds meermalen bewezen was, ook Engelands politiek was tegenover de Geuzen louter zelfzuchtig geweest, en zelfs zou, gelijk we nader zullen zien, een gezantschap, dat daar in het einde van 1575 heenging bij vernieuwing ondervinden, dat op Engeland niet te rekenen viel. In April van dat jaar had Elisabeth Oranje en de zijnen openlijk tot rebellen verklaard. Was het dan wonder, dat de Prins zelf telkens versterkt werd in zijne vaste overtuiging, dat, wilde er voor de Nederlanden tegen de Habsburgsche Spaansche politiek hulp komen, die alleen van den grootsten vijand van die politiek, van Frankrijk, te wachten was.
Wat gebeurde er nu omstreeks denzelfden tijd, dat de Prins zoo druk in de weer was, om, lijnrecht tegen al het verzet van zijn broeder en de Duitsche vorsten in, de hand van Charlotte van Bourbon te verwerven? In dezelfde maand April, dat Züliger, Marnix, Hohenlohe e. a. in naam van Oranje alles in 't werk stelden, om dit huwelijk te bevorderen, kwam er vanwege Koning Hendrik III een zeker Fransch edelman, genaamd, de Revers bij den Prins om zijn medewerking te verzoeken tot stichting van een duurzamen vrede in Frankrijk. Naar aanleiding daarvan werd Dr. Junius (gouverneur van Veere, een der gezanten van de Staten bij de vredesonderhandelingen te Breda), door den Prins naar Parijs gezonden, teneinde mededeeling te doen van Oranje's gezindheid, om het verlangen van den koning te bevredigen. De Prins zou zich zeer gelukkig achten een dergelijken vrede door alle wettige en eerlijke middelen mede te bevorderen.
Het aanzoek toch van den koning was zeer vereerend voor den Prins, wiens gezag in de Nederlanden, te midden van dergelijke twisten, als nog steeds in Frankrijk bestonden, ontwijfelbaar gebleken was. Maar niet alleen vereerend. Het aanzoek was ook voor 's Prinsen bewustzijn een bewijs, dat alleen door 't samengaan van Nederland en Frankrijk, Spanje's macht kon gebroken worden. Zou dan het vermoeden ongegrond zijn, dat nu meer dan ooit door den Prins aanknooping van banden met Frankrijk gezocht werd, en dat ook mede daarom Charlotte van Bourbon zoozeer door hem werd begeerd; ja, dat hij geen enkel beletsel wettigde dat hem die verbintenis ontried?
Zijn latere Fransche politiek, om door middel van Anjou, Filips II geheel te overwinnen, was slechts voortzetting van diezelfde gedragslijn. Daarop komen we nader terug.
En wat Charlotte aangaat: indien iemand mocht beweren, dat de Prins toch niet door middel van die ontvluchte non zijn banden in Frankrijk zou kunnen versterken, hij bedenke, dat in elk geval Charlotte van koninklijken bloede was en dat zij door haar geboorte en haar karakter talrijke machtige vrienden in Frankrijk bezat. Zij stond in betrekking tot de fijn beschaafde en eerbiedwaardige gravin Diana de Montmorency en tot mevrouw Duplessis-Mornay; Charlotte's zuster, Françoise de Montpensier, hertogin van Bouillon, was Hugenote en zeer op de hand van Oranje. Nog een zuster, Anna, gehuwd met den Hertog van Nevers, stierf als protestante, terwijl haar broeder juichte in het huwelijk en alles deed, wat hij kon om haar met den hertog van Montpensier, haar vader, te verzoenen.
Alleen de opsomming van deze namen van goeden klank is bewijs genoeg, dat Oranje in zijn huwelijk niet tevergeefs naar verstandhouding met Frankrijk zoeken zou. Bedenken we daarbij, dat de koning van Navarre, het hoofd der hervormden, zich zeer over het huwelijk verheugde en evenals Condé behoorde tot Charlotte's vorstelijke bloedverwanten; dat zelfs Catharina de Médicis een rente bij den bruidsschat van de nieuwe Prinses van Oranje voegde en dat het streven van Hendrik III in die dagen blijkbaar was, den vrede te herstellen en den Hugenoten de vrijheid te verzekeren, dan komt ons het vast besluit van Oranje nog minder vreemd voor, om zich met die Fransche Prinses te vereenigen, daardoor zich te vermaagschappen aan al de genoemde Fransche grooten en er, trots alles wat er gebeurd was, de redding van de Nederlanden uit de macht van Spanje in te zoeken.
Wij zullen later, vooral wanneer we over Anjou moeten uitweiden, gelegenheid genoeg hebben, op dien schakel van de keten zijner politiek te wijzen. Hier mogen nog eenige bijzonderheden nader vermeld worden uit dit derde hoogst gelukkige huwelijk van den Prins.
Gedurende het eerste jaar woonde Charlotte van Bourbon in den Briel, Zierikzee en Delft, waar haar oudste dochter, Louise Juliana, den 30en Maart 1576 geboren werd. Het is bekend, dat Charlotte aan zes dochters het leven geschonken heeft. Behalve de genoemde waren het Elisabeth, Catharina Belgica, Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana. Al deze geboorten hadden plaats tusschen 1576 en 1581. De hertog van Montpensier, Charlotte's vader en de koningin van Engeland waren de peten van de eerste twee dochters. De andere vier hadden de Staten van Holland, Vlaanderen, Brabant en de stad Antwerpen tot peten. Ze zijn allen na den dood van Charlotte opgevoed door Oranje's vierde gemalin en deden door haar invloed meest allen uitstekende huwelijken.
Wanneer wij daarbij bedenken, dat Charlotte nu ook de zorg op zich nam voor de voorkinderen van den Prins, dan begrijpen we licht, dat het leven dier vrouw in haar gezin geheel opging. Hare brieven aan den Prins zijn vol kleine bijzonderheden over "al het kleine volk" dat ze rond zich had; over de gezondheid der kinderen, het onderwijs van Maurits en andere gewone, maar zeer gewichtige belangen.
Toch maakte de zorg voor die kleine dingen het leven van Charlotte van Bourbon uit. Het was haar lust, op die wijze in het belang van den Prins werkzaam te zijn. De moeilijkste jaren in het leven van Oranje volgden nog. Onophoudelijk zouden zijn diensten na 1576 ook in het Zuiden geëischt worden. Herhaalde afwezigheid van den huiselijken haard was daarvan het onvermijdelijk gevolg, doch nu wist de Prins dat hij eene vrouw bezat, die al zijne zorgen deelde en die hem een ongekend huiselijk geluk schonk, zoo menigmaal hij van zijn zorgen kwam uitrusten.
Welk een verschil tusschen Anna van Saksen en Charlotte van Bourbon! De eerste geneigd om te schitteren, lastig van humeur, ongeregeld van leven; de tweede, haar eigen geluk alleen zoekende in het geluk van haar echtvriend. Geen wonder dat Jan van Nassau, de geweldige tegenstander van dit huwelijk, later, toen hij Charlotte had leeren kennen, getuigde: "Het is een kostbare troost en een groote verlichting voor mijn broeder, dat God hem een gemalin heeft gegeven, die hoog staat door haar godsvrucht en deugd en door haar bijzondere toewijding. Zij is in alle opzichten de beste, die hij voor zich kon begeeren."
Charlotte gevoelde zich ook zeer tot de oude moeder van Oranje, Juliana van Stolberg, aangetrokken en die sympathie was wederzijdsch. Hoe pleit het voor haar, dat zij, de jonge Fransche vrouw, de weggeloopen abdis, van wie zooveel praatjes de ronde deden, zich bemind heeft weten te maken in de streng Duitsche omgeving der Nassau's.
Charlotte was in onophoudelijke briefwisseling met Oranje als hij van huis was. Een toon van teedere gehechtheid en hartelijke zorg klinkt in die brieven.
"Hoe wenschte ik, dat gij reeds Antwerpen hadt verlaten; ik zal niet gerust zijn voor ik de mogelijkheid van uw vertrek verneem. Draag toch zorg voor uwe gezondheid, want daarvan hangt de mijne af en na God al mijn geluk. Uwe dochters groot en klein zijn wel, evenals ik."
Dat was haar trant van schrijven; daaruit leeren wij haar kennen als de echte vrouw, die haar geluk en haar leven slechts vinden kon in haar echtgenoot. Ontroerd bij elke scheiding, gedachtig aan de onzekerheid en de gevaren van zijn leven, maakte Charlotte al haar brieven tot een weerklank van haar bekommerde teederheid en zorg.
Om het lot van Willem van Oranje als vrouw te deelen, daartoe behoorden eigenschappen, die waarlijk niet het deel zijn van velen. Wat zoeken de meeste vrouwen in hun huwelijk? Wat zocht een Anna van Saksen in zeer sterke mate? Bevrediging van eigen begeerten, die op roem of naam, op grootheid of genot zijn gericht. Oranje's derde gemalin, schoon nog in den bloei der jaren, zocht zich zelve nooit, doch alleen het heil van den Prins. Zij trachtte geen invloed uit te oefenen op zijn staatkunde, die zou Oranje ook niet hebben geduld, al was haar persoon voor hem ook een schakel in de keten zijner staatkundige gedachten.
Charlotte van Bourbon eerbiedigde haar gemaal in alle opzichten en toonde eene onderwerping, waartoe weinig vrouwen in staat zouden geweest zijn. Doch zulk eene had de Prins noodig. Niets had beteekenis voor Charlotte, dan door hem. Was daarom Oranje voor haar een despoot? Hij had te veel van de vrouw ondervonden, dan dat hij vatbaar zou geweest zijn voor eenig sentimenteel gedroom over de liefde. Hij had behoefte aan eene vrouw als Charlotte was. Hij had haar noodig teneinde te voorkomen, dat het getal zijner bastaards niet werd vergroot; behoefte aan haar gezellig samenzijn en teedere zorg voor al wat het zijne was; behoefte ook voor zijn staatkundige idealen. En wij zegenen het, dat hij in zijn derde gemalin gevonden heeft, wat hij zocht. Hun huwelijk, hoe kort ook van duur, was zeer gelukkig.
HOOFDSTUK XXI.
UNIE VAN DELFT. ORANJE EN HET ZUIDEN. 1575-1576.
Indien iemand tegenover de opgestane gewesten en Oranje een leelijke rol heeft vervuld, dan was het wel Koningin Elisabeth, van wie, als hoofd der Anglicaansche kerk, de Geuzen recht hadden ondersteuning te verwachten, doch die uitsluitend en alleen haar belang tot richtsnoer van haar gedrag tegenover de Nederlanden gemaakt heeft.
Het is bekend, hoe zij in 1572 de Watergeuzen een langer verblijf in Engeland verbood, hetgeen de aanleiding werd tot de inneming van den Briel. Daarna had zij niet opgehouden, met Spanje, ter wille van het handelsbelang van haar volk, op een goeden voet te blijven, zoodat er in 1573 tusschen Alva en haar te Nijmegen een verdrag werd gesloten, dat pas in 1575 door de koningin bekrachtigd werd, maar toen ook vergezeld ging van een proclamatie, waarbij Oranje en de zijnen tot rebellen verklaard werden.
Trok daarom Elisabeth eene lijn met Filips II? Verre vandaar; zij bestreed toch de staatkunde van den Spaanschen koning, om de Nederlanden tot een onderdeel der Spaansche monarchie te maken, maar van aansluiting bij Frankrijk wilde zij ook niets weten. De koningin was daarom nu en dan voorkomend tegen de Nederlandsche gewesten, maar dreigde ze, zich geheel bij Spanje te voegen, indien de Nederlanden zich bij Frankrijk aansloten.
Zoo iemand haar doorzag, dan was het wel de Prins; hij begreep zeer goed, wat Elisabeth tot zulk een dubbelzinnige handelwijze dreef en van haar verwachtte hij ook werkelijk geen steun.
Evenals in de groote kwestie van Schotland en Maria Stuart, haar staatkunde beheerscht werd door argwaan en ijverzucht, zoodat Elisabeth zich niet bekommerde om het arme Schotland, indien zij Maria Stuart maar in haar macht kreeg, zoo was haar politiek tegenover de Nederlanden even gewetenloos als huichelachtig.
Schonk zij eens hulp aan de gewesten, dan was er steeds zooveel eigenbelang bij in het spel, dat voor Oranje, die den toestand goed kon doorzien, die hulp geenerlei waarde had.
Wat gebeurde er nu in Juni 1575? Toen kwam er vanwege Koningin Elisabeth een gezant namelijk Daniel Rogers, tot Oranje, niettegenstaande hij en de zijnen in de maand April door de koningin tot rebellen waren verklaard. Wat kwam die gezant bij den rebel Oranje doen? Elisabeth had van de komst van een Fransch edelman in Nederland gehoord en tevens, dat daarop iemand naar Parijs was gezonden. Hierdoor ontstond bij Elisabeth vrees voor aansluiting bij Frankrijk en het doel van Rogers was dan ook, den Prins door bedreiging en overreding te doen afschrikken van een nadere verbintenis met Frankrijk. Dat Holland zich bij Frankrijk zou aansluiten en dit land daarvan de voordelen zou genieten, kon de koningin niet dulden. Hoewel Rogers bij vele Engelschgezinde vrienden van Oranje wel succes had, bij den Prins zelf niet, die er den gezant nadrukkelijk op wees, dat de handelwijze van zijn koningin Holland dwong, naar Frankrijks zijde te neigen.
Kort daarop werd tengevolge van de vroeger vermelde overwinningen van den vijand in den zomer van 1575, zoowel in het hart van Holland als van Zeeland, de toestand zoo benauwd, dat de Prins tegen den 4en October de Staten te Rotterdam bijeenriep. Hier wilde hij met hen overleggen of men niet aan eenigen vorst en zoo ja, aan welken, de souvereiniteit dezer landen zou opdragen. De Prins meende, dat een souverein protector onmisbaar was voor de gewesten. Onder de Staten bestond groot verschil van gevoelen, maar het slot was toch, na de vroedschappen te hebben gehoord, dat men onder zekere voorwaarden de souvereiniteit aan Elisabeth zou opdragen. Terwijl de koningin een gezant naar de gewesten had gezonden, om weder op de gevaren van een Fransch bondgenootschap te wijzen, waardoor ook invloed op het besluit was uitgeoefend, zond de trouwelooze vorstin tevens gezanten naar Spanje en Brussel, teneinde hulp tegen Holland aan te bieden.
Toen nu Spanje te kennen gaf daarvan niet gediend te zijn ging Elisabeth in op onze voorstellen, althans zij gaf te kennen, dat de gezanten uit de gewesten haar welkom zouden zijn. Maar tot het verleenen van hulp kwam het niet; Spanje en Frankrijk moesten niet in het bezit der Nederlandsche kusten komen, doch Holland helpen, dáár dacht de baatzuchtige vrouw niet over, zelfs niet onder afstand van Walcheren. De onderhandelingen liepen op niets uit en het bleek maar al te zeer, dat Oranje's twijfel aan Elisabeth niet zonder grond was geweest.
Ondertusschen was de toestand zelf minder dreigend; wel bleef Zierikzee ingesloten en zou die stad eindelijk moeten vallen, doch onder de Spaansche soldaten in Zuid en Noord, steeg de verbittering met den dag. Bovendien had Filips algemeene ontstemming gewekt onder de bankiers van Antwerpen en elders door het besluit, waarbij alle geldcontracten verbroken, de onderpanden vervallen verklaard en de renten gereduceerd werden.
Requesens verkeerde meer dan ooit in geldelijke verlegenheid en het kostte hem steeds meer moeite, geld van de gewesten los te krijgen. Toen hij nog op Duiveland was, ontving hij van de Staten-Generaal antwoord op zijn verzoek om geldelijke ondersteuning. Het hield echter alleen een uitvoerige klacht in over het wangedrag van het krijgsvolk en dit schrijven vol verwijten, in plaats van beloften van geld, deed den groot-kommandeur in wanhoop uitroepen : "O die Staten, die Staten! Heer verlos ons van die Staten."
Zijn plotselinge dood verloste hem ook werkelijk ervan, want den 5en Maart 1576 overleed hij, zonder eenige schikking voor zijn opvolger gemaakt te hebben.
Geen wonder, dat Oranje, zoo somber gestemd in het najaar van 1575, in het begin van het volgende jaar de zaken weer veel lichter inzag. Dat hij zeer ontmoedigd was geweest blijkt wel uit hetgeen men omtrent het plan van den Prins vertelt, kort voor den dood van Requesens. Hij zou met de gedachte hebben rondgeloopen, al de sloepen, die hij in Holland en Zeeland kon vinden, te verzamelen, de inwoners, mannen, vrouwen en kinderen aan boord te nemen, tegelijk met alle eigendommen en dan de zee over te steken en een nieuwe republiek te stichten. Voor men afreisde, zouden eerst alle molens verbrand worden en alle dijken doorstoken, zoodat de vijand niets anders dan overstroomd land kon bemachtigen. Het kan wezen dat Oranje in dagen van ontmoediging daar wel eens over gedacht heeft, maar onwaarschijnlijk is het, dat het ooit een plan is geweest. Aan zijn broer Jan heeft hij er nooit over geschreven en zeker is het, dat bij den dood van Requesens dat plan, mocht er ooit over gedacht zijn, onmiddellijk terzijde werd gelegd.
Het tijdelijke gemis van een opvolger en de verwarring, welke daardoor ontstond, werden door den Prins ten nutte gemaakt, zich meer met het Zuiden te bemoeien en daardoor tevens zijn plaats in het Noorden te verbeteren.
Oranje begreep, dat de vereeniging van Holland en Zeeland doorgedreven moest worden, anders zou men altijd blijven stuiten op strijd van belangen en wat een vorig jaar was mislukt, kon hij thans door den nood van 1576 tot een goed einde brengen.
Door de Unie van Delft op den 25en April gesloten, werd de eenheid in de regeering der beide gewesten aangenomen. Deze gebeurtenis was van groot belang, daar het document als de oorspronkelijke stichtingsacte van de Vereenigde Nederlanden werd aangemerkt en als een model voor vele latere confederaties diende.