Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 35

Chapter 353,369 wordsPublic domain

Er was echter één groot bezwaar om dit huwelijk tot stand te brengen. De tweede vrouw van Oranje, Anna van Saksen, leefde nog, al was ze ook tengevolge van haar slecht gedrag voor haar echtgenoot als het ware dood. Haar bestaan, al werd het ook zooveel mogelijk geheim gehouden, was een hinderpaal op den weg van zijn nieuwe verbintenis. Was de Prins een trouw zoon der kerk gebleven en had zich dan hetzelfde geval voorgedaan als met Anna van Saksen, dan zou die kerk, voor wie anders de echtscheiding niet bestaat, hem door middel van een bijzondere dispensatie zeker wel in de gelegenheid gesteld hebben weer te trouwen. De geschiedenis is vol van dergelijke gevallen. Nu echter was het veel moeilijker, want al namen de Protestanten reeds in die dagen een ander standpunt in tegenover de echtscheiding, geheel wettig was daaromtrent nog niets bepaald.

Vandaar dat Graaf Jan van Nassau wel in zijn betrekking als overheidspersoon het geval had beoordeeld, maar nooit was er nog een uitspraak van wettige scheiding gedaan. Toen Oranje dus bij den keurvorst van de Paltz om de hand zijner beschermelinge aanzoek deed, zond hij hem een afschrift van de processtukken, waaruit de schuld van zijn gemalin ten duidelijkste bleek. Deze was daarmee voldaan en ook Charlotte achtte zich daardoor gerechtigd, het huwelijk aan te gaan. Jan van Nassau echter bleef zijn broeder alle overijling ontraden, omdat hij wel begreep, hoe dat nieuwe huwelijk van den Prins de vorsten van Saksen en Hessen zou ergeren, misschien aanleiding zou geven tot allerlei eischen en in elk geval den band van vriendschap, zoo noodzakelijk in die dagen, zou verbreken.

Toch liet de Prins zich daardoor niet bewegen, van de zaak af te zien; integendeel maakte hij groote haast, om die tot een goed einde te brengen. Reeds den 7en Juni 1575 werd het contract opgemaakt. Vijf protestantsche geestelijken verklaarden, dat de Prins vrij was een ander huwelijk te sluiten en dat Charlotte van Bourbon zijn wettige derde gemalin zou wezen. Het huwelijk werd door den predikant Taffin ingezegend en Marnix geleidde de jonge vrouw naar Holland, waar de Prins haar in Brielle opwachtte.

Ondertusschen was de geheele wereld, om zoo te zeggen, hierover in beweging. Ten einde het karakter van Oranje, die zich nooit aan bedreigingen stoorde in zaken, die hij met een gerust geweten voor goed hield, des te beter te kennen, is het noodig nog het een en ander te vermelden omtrent den tegenstand, dien hij bij dat huwelijk van alle kanten ondervond.

Van Fransche zijde werd het nog het minst bestreden. De keurvorst had ook den koning en de koningin-moeder hun oordeel gevraagd. De koning wenschte zich niet te mengen in die zaak, omdat ze tegen zijn godsdienst indruischte. Toch meende hij, dat Charlotte gelukkig kon geacht worden, zulk een goede partij te doen en de koningin-moeder was van dezelfde meening. Zij zouden niet euvel opnemen, wat Charlotte op raad van den keurvorst deed en wat in haar voordeel geacht werd, indien het althans niet streed tegen den dienst van den koning. De hertog van Montpensier, die eenmaal gezegd had, dat, zoolang zijn dochter protestant was, zij beter deed onder bescherming van den keurvorst te blijven, werd niet eens geraadpleegd; Charlotte was meerderjarig, zij bleef zich onderwerpen aan de raadgevingen van haar beschermer en had de toestemming van haar vader niet noodig. Haar andere bloedverwanten waren zelfs met het huwelijk ingenomen. Het zou haar een behoorlijken staat geven en maakte vanzelf een eind aan het kwaad gerucht, dat haar vlucht uit het klooster had veroorzaakt. Charlotte's zuster, Louise, schreef haar een brief vol vreugde over de tijding en ook haar broeder was er mede ingenomen.

Geheel anders was echter de stemming van Jan van Nassau en andere Duitsche vorsten. Het schijnt wel, alsof de Prins van den kant van zijn broeder eenig verzet verwacht heeft. Ten einde dit te begrijpen, vergete men niet, dat de kinderen van Oranje uit zijn tweede huwelijk voortdurend nog aan de zorgen van Jan waren toevertrouwd en dat de Prins tegenover dien broeder zware geldelijke verplichtingen had.

Oranje was blijkbaar niet zeer geneigd, met dien broeder over zijn voorgenomen huwelijk te redeneeren. De stukken, die betrekking hadden op Anna van Saksen waren in het bezit van Jan van Nassau. Vandaar dat Marnix in Mei 1575 met nadruk bij den graaf aandrong, om al die bewijsstukken over te zenden, ten einde zoowel den keurvorst als de aanstaande bruid te overtuigen en te doen weten, hoe ze zouden kunnen handelen, wanneer ze in Holland gekomen waren. Maar Oranje zelf schreef geen woord over de zaak, toen hij in dezelfde maand Mei aan Jan berichten zond over den oorlogstoestand, de vredesonderhandelingen e.a. zaken. Ondertusschen maakte Oranje groote haast; in April zond hij zijn schoonbroeder Hohenlohe uit Dordrecht naar Duitschland met boodschappen aan graaf Jan, aan den Paltzgraaf en Mlle de Bourbon. Diens instructie luidde als volgt:

"Hohenlohe moet mijn broeder de briefwisseling met Züliger toonen en hem mijn vast voornemen meedeelen, om voort te gaan met deze zaak, mits Mlle de Bourbon haar toestemming geeft.

"Daarna moet hij met mijn broeder, den graaf, overleggen, wat de beste weg zou zijn om mijn bruid naar Holland te voeren, over Emden of recht de rivier af. Daarna moet Hohenlohe zijn weg naar Heidelberg nemen en mijn brieven aan den keurvorst ter hand stellen.... St. Aldegonde heeft mijn positie aan den keurvorst uiteengezet en nu moet mijn zwager nog uitgebreider inlichten, opdat Z. Ex. ten volle op de hoogte zij, welken raad hij geven zal. Ook moet hij weten, dat mijn voornemen is, rond en open te werk te gaan, zonder in 't minst mijn bruid grond te geven tot eenig later verwijt. Hij moet daarom ten volle uitleggen, hoe mijn zaken met mijn vorige vrouw stonden. Ook wil ik uiteengezet hebben, dat bijna al mijn eigendom moet vallen aan mijn eerste kinderen, zoodat ik niet in staat ben, aan Mlle op dit oogenblik eenige huwelijksgift te schenken, maar ik zal in dat opzicht alles doen, als het God behaagt, mij in de toekomst andere middelen te geven. Het huis, dat ik in Middelburg gekocht heb en dat ik te Geertruidenberg bezig ben te bouwen, hoewel er niet veel op te roemen valt, neme zij aan, als zij wil, als een begin en tevens als een bewijs van mijn goeden wil. Ze moet niet vergeten, dat wij hier in oorlogstoestand leven, waarvan de uitslag onzeker is en dat ik voor de zaak diep in de schulden zit bij de vorsten, edellieden, legerhoofden en soldaten. Ook bedenke zij wel dat ik al oud begin te worden, namelijk 42 jaar," enz. enz.

Uit deze instructie blijkt voldoende, hoe open en eerlijk Oranje met zijn aanstaande vrouw omging. Graaf Jan bleef den stap van den Prins ondoordacht en te overhaastig noemen. Hij begreep wel, dat betoogingen aan zijn broeder niet zouden baten en daarom schreef hij aan Aldegonde, er bij den Prins op aan te dringen, toch de zaak nog een poos uit te stellen. Broer Jan achtte het vooral gevaarlijk, het huwelijk te laten doorgaan, voor de Rijksdag van 29 Juli was afgeloopen.

Met een beroep op het oude spreekwoord "Berouw is de gezel van overhaaste plannen en die het gevaar bemint, zal er in omkomen," eindigt graaf Jan zijn dringend vertoog om uitstel.

Wij zien er uit, hoe sterk Oranje's broeder zich voorloopig tegen dit huwelijk verzette. Jan begreep echter zelf, dat het tegenover den Prins niet veel zou baten. Maar volgens hem was de opinie der Duitsche vorsten zóó tegen dit huwelijk, dat, als Marnix Charlotte medevoerde als gemalin van Oranje, Jan hem zelfs waarschuwde, dat Marnix' leven in Duitschland niet veilig zou zijn. Hij voegde bij zijn brief de meening van Willem van Hessen, die reeds op den 20en April aan Dr. Schwarz had geschreven, dat hij niet kon begrijpen hoe het den Prins ernst met dit huwelijk kon zijn, er bijvoegende dat, als deze het toch door dreef, dan de positie van Anna van Saksen geheel veranderde en de rechters wel konden komen ad mutuam compensationem parium delictorum; m. a. w. dat de Prins en zijn tweede gemalin dan even schuldig waren. De keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen dreigden zelfs met de bewering, dat Anna's misdrijf niet juridisch bewezen was.

Doch Oranje zelf bekommerde zich noch om het een, noch om het ander. Hij plaatste zich daarbij op een geheel ander standpunt. Toonde Jan van Nassau vrees voor de Saksische en Hessische vorsten, de Prins dreigde hen met de openbaarmaking van de zaak, tot schande van het huis van Saksen. Verder deelt hij, zonder eenigszins in te gaan op de bezwaren van zijn broeder, hem formeel het huwelijk mede en herhaalt hij, welke stappen hij heeft gedaan. Aldegonde had hij opgedragen, de bruid naar Holland te geleiden, indien alles goed ging. Hij verzocht Jan, den keurvorst van de Paltz alle bewijzen bij te brengen, die noodig waren ten opzichte van Anna. Kwamen de papieren niet voor den dag, dan zou het noodzakelijk zijn, dat hij de zaak publiceerde. "Het was misschien niet kwaad, Rubens zijn misdaad nog eens voor eenige edellieden en menschen van kwaliteit te laten bekennen. Dan zouden we zekerder van onze zaak zijn, als ooit iemand ons later zou willen beschuldigen, haar onwettig op te sluiten."

De kalmte van dezen brief is merkwaardig; zijn derde huwelijk wordt als zoo natuurlijk mogelijk door Oranje beschouwd. Jan van Nassau echter bleef de zaak niet licht opnemen. Hij schreef aan den landgraaf, dat het zijn schuld niet was en Willem van Hessen schreef terug, dat hij wel kon begrijpen, dat het huwelijk niet met zijn goedkeuring kon doorgaan noch met die van eenig persoon, die zijn zinnen goed bij elkaar had. In het Latijn voegt hij er bij, dat de Prins, die zooveel zorgen heeft, zijn verstand wel schijnt verloren te hebben.

Op den 3en Juni schreef daarom Jan van Nassau nog eens een brief aan zijn broeder, die, hoewel zeer eerbiedig gesteld (Het voegt mij niet aan Uwe Hoogheid maatregelen voor te schrijven), toch met allen aandrang en broederlijke genegenheid Oranje dit huwelijk ontraadt. "Ik moet bekennen, dat die onbegrijpelijke haast in deze gewichtige aangelegenheid mij schokt en zeker uw publieke zaken niet zal bevorderen." Het was geen tijd, beweerde hij verder, dat de Prins zijn eigen neigingen mocht volgen. De verwanten van de andere partij zullen woedend zijn; haar huwelijksgoed, dat 12.500 thaler jaarlijks bedraagt, zal worden teruggeëischt. Een bekend feit heeft daarom nog niet altijd wettige kracht enz.

Kort daarna waren de huwelijksplannen van den Prins een punt van onderzoek bij Calvinistische predikanten in Frankrijk en in de Nederlanden. De heeren Feugheran en Capet uit Frankrijk gaven hun meening op schrift, dat het nieuwe huwelijk van den Prins wettig was en hun voornaamste argument luidde, dat Anna's wangedrag haar echtgenoot van alle verplichtingen tegenover haar vrij maakte. En eindelijk werd er, gelijk we reeds zeiden, een formeele acte in den Briel opgemaakt door vijf van de voornaamste Calvinistische predikanten in Nederland, met name Gaspar van der Heyden, J. Taffin, J. Michael, Thomas Tylius en Jan Miggrods. Dit dokument eindigt met deze woorden, dat "Mijnheer de Prins volgens goddelijke en menschelijke wetten, vrij is om te huwen en dat zij, die hij trouwt, voor God en menschen zijne wettige vrouw zal zijn."

Ondertusschen had Marnix er geen gras over laten groeien en bereikte Charlotte onder zijn bescherming den Briel. Zij werd begroet door de Heeren Keeneburg en Zwieten en de afgevaardigden van Dordrecht, Alkmaar, Vlissingen en den Briel, die haar een huwelijksgift van 5000 ponden aanboden. De Prins ontving haar met groote plechtigheid; op den 12en Juni werden ze in den echt vereenigd en op vreugdevolle wijze in Dordrecht ontvangen.

De storm, dien Jan van Nassau voorzien had, stak ook hevig na het sluiten van het huwelijk op en bedaarde slechts zeer langzaam. De woede van den landgraaf uitte zich in heftige bewoordingen. Hij raasde tegen dien pedant van een Marnix, die de zaak had beklonken. Voor Charlotte had hij niets dan scheldwoorden: "Ze is een non, een weggeloopen non, van wie allerlei praatjes verteld worden uit den tijd, dat ze zich aan het kloosterleven wijdde. Wat haar schoonheid aangaat, het is moeilijk te gelooven, dat de Prins daardoor werd bekoord, want men kan de bruid niet zien, zonder eer van haar te schrikken dan behagen in haar te scheppen."

En van den Prins begreep de landgraaf niets. Deed hij het om haar vroomheid of om haar schoonheid, die waren geen van beide veel zaaks. Deed hij het om de nakomelingschap, waarlijk de Prins had al kinderen genoeg; hij mocht liever wenschen noch vrouw, noch kinderen te hebben als hij bij zijn zinnen was. Ja, hij gaat zoo ver, dat hij een mogelijke vergiftiging van den Prins onderstelt. "Hij zal wel mogen denken aan het lot van den admiraal op de bruiloft te Parijs, want zulke beleedigingen kunnen de heeren moeilijk vergeven sine mercurio et arsenico sublimato." (Zonder kwik en rattenkruid).--De keurvorst van Saksen was razend en maakte zich belachelijk door de hevigheid van zijn uitdrukkingen.

Het huwelijk was echter een voldongen feit en de Nassau's moesten er maar in berusten. Op den 24en Juni schreef Charlotte een aardig eerbiedig briefje aan haar schoonmoeder Juliana, ma bien aimée mère, in de hoop, dat ze in den kring der Nassau's goed zou worden opgenomen. Op den 7en Juli schreef de Prins zelf een langen karakteristieken brief aan zijn broeder Jan, als antwoord op al zijn verzet tegen het huwelijk. Het is voor de kennis van Oranje's karakter merkwaardig genoeg, daaruit het volgende aan te halen.

"Steeds heb ik er mij op toegelegd om, sedert God mij een weinig verstand gegeven heeft, mij niet om woorden of bedreigingen te bekommeren in zaken, die ik met een goed geweten kon doen, zonder onrecht aan mijn naasten te berokkenen .... Indien ik had willen acht geven op de praatjes der menschen of de bedreigingen der vorsten of op andere moeilijkheden, die zich op mijn weg hebben voorgedaan, dan zou ik mij nooit in zulke gevaarlijke handelingen, zoo in strijd met den wil des konings, mijn vroegeren meester en met den raad van verscheidene mijner bloedverwanten en vrienden, hebben gestoken. Maar nadat ik had ondervonden, dat noch nederige smeekingen, noch waarschuwingen of klachten, noch iets anders meer kon baten, besloot ik, met de hulp van God, dezen oorlog tot den mijne te maken, waarover ik nog geen berouw heb, maar veeleer dank aan God breng, dat het Hem behaagd heeft door zijn goedertierenheid de oprechtheid van mijn geweten gade te slaan, toen hij mij in het hart gaf, geenerlei acht te geven op al die moeilijkheden, die zich aan mij voordeden, hoe groot ze ook waren.

"Juist hetzelfde zeg ik met het oog op mijn huwelijk, omdat dit een zaak is, die ik met een volkomen zuiver geweten voor God en zonder eenig billijk verwijt van de menschen kan doen. Zelfs door Gods gebod gevoel ik mij gehouden en verplicht, het te sluiten en voor de menschen is, ik behoef het niet te herhalen, de zaak zoo zuiver en rein mogelijk. Ik heb gedurende vier of vijf jaar gewacht en er al mijn bloedverwanten mede in kennis gesteld, zoowel door u als door mijn schoonbroeder, den graaf von Hohenlohe. Daar niemand mij de hand leende of raad gaf om verandering in mijn belang aan te brengen, kwam het mij wenschelijk voor, toen de gelegenheid zich aanbood, aanstonds te besluiten en zelfs met haast, om de deur niet te openen voor hinderpalen, die men mij in den weg kon leggen. De groote bezwaren, die zich voordeden en die gij zeker terecht bespreekt, zijn door mij van te voren goed overwogen en niet licht geacht, noch oppervlakkig behandeld, zooals gij volgens uw schrijven meent. Maar aan den anderen kant waren er gewichtiger redenen, om de zaak te verhaasten, dan om die uit te stellen. Daarom hoop ik, als ik het geluk heb u te zien, u alles van de zaak te vertellen en u reden te geven tot volle tevredenheid. Ik hoop, dat dit huwelijk ons zelf en de algemeene zaak ten goede zal komen; uitstel en vertraging zouden dit niet hebben kunnen bewerken, maar wel gemakkelijk onze geheele bedoeling hebben kunnen vernietigen en omverwerpen.

"Ik zie verder, als ik alles goed beschouw, geen enkele gegronde reden, waarop de vorsten hun verontwaardiging en beleediging kunnen bouwen, die zoo groot is, gelijk gij mij schrijft. Men vreest dat het misdrijf der schuldige daardoor overal bekend zal worden--maar de zaak is in Frankrijk, Italië, Spanje, Engeland en hier zoo bekend, dat het spreekwoord er op toepasselijk is: "Les enfants en vont à la moutarde." Wat het uitstel aangaat, hoe langer deze zaak slepende werd gehouden, des te meer zou ieder den mond er vol van hebben, en er het zijne van willen zeggen, waarvan spot en blaam het gevolg zou wezen .... En er is niets dat kwade vermoedens zoo spoedig onderdrukt als een rustige en snelle manier van handelen, alsof men de beste rechter van zijn eigen daden was, veel beter dan een zaak met een trompet uit te bazuinen en zich zelf aan het oordeel van hen bloot te geven, die onbekend zijn met de geheele waarheid. Ook zou het uitstel van mijn huwelijk veroorzaakt hebben, dat men dan des te meer gelegenheid zou hebben gehad, te denken, dat niet de noodzakelijkheid, maar eerder eenige vroolijkheid van hart of een soort leedvermaak mij er toe gebracht had ..."

Doch waartoe meer. De Prins geeft in dien brief krachtige uiting aan zijn recht, om alleen met beroep op zijn eigen geweten dit huwelijk te sluiten en te handelen in strijd met al de beleedigende en gruwelijke dingen, die hij er van zijne Duitsche bloedverwanten over moest hooren.

Op denzelfden datum schreef hij aan den keurvorst en gaf hem persoonlijk verklaring van zijn stap, terwijl hij daarbij de hoop uitdrukte, dat zijn wijsheid hem dien niet ten kwade zou doen uitleggen. Doch geen woorden waren in staat, om Augustus' toorn te stillen en gelijk we reeds zeiden, liet hij zich over de verbintenis schandelijke uitdrukkingen ontvallen. Den geheelen zomer maakte het huwelijk het onderwerp van tallooze praatjes in Duitschland uit. Gaspar Schomburg schreef aan Jan van Nassau, dat het ook in Frankrijk in verschillende kringen werd afgekeurd. Hij ging zelfs in een anderen brief zoover van te beweren, dat het 's Prinsen Fransche politiek zeer zou benadeelen. Toen de Rijksdag in October te Ratisbonne bijeen was, had men op dit huwelijk nog heel wat aan te merken. En zelfs de keurvorst van de Paltz, die er toch eerst mee ingenomen was geweest, schrikte zoo van de algemeene afkeuring, die het ondervond, dat hij de verantwoordelijkheid van zich afwierp en beweerde, dat hij in niets was gevraagd en Marnix alles had gedaan.

Worden wij bij zooveel verzet niet gedwongen tot de beantwoording der vraag, wat toch Oranje tot dit huwelijk mag bewogen hebben? Wij nemen gaarne genoegen met het beroep op zijn geweten, doch ook dat geweten moet zijn geleid door motieven, die hij niet uitspreekt en die toch, misschien wel in verband met andere omstandigheden, kunnen vermoed worden. Wij zijn des te meer tot die vraag verplicht, indien we het volgende nog bedenken.

Van gewoon burgerlijk standpunt uit was het verzet van Jan van Nassau ook nog om andere, dan de reeds vermelde redenen, niet meer dan natuurlijk. Al de kinderen toch van den Prins, behalve den naar Spanje opgelichten oudsten zoon Filips Willem, waren sedert geruimen tijd aan de zorg van zijn broeder Jan van Nassau toevertrouwd. Op diens schouders was de voornaamste last van Anna van Saksen gevallen. Maria, uit Oranje's eerste huwelijk, was een meisje van twee-en-twintig jaar. Over haar uithuwelijking werd in die dagen tusschen de beide broeders gecorrespondeerd. Later trouwde zij met graaf Filips van Hohenlohe. Anna, de oudste dochter van Anna van Saksen, was 13 jaar, Maurits 8 en Emilie 6 jaar oud.

GESLACHTSREGISTER VAN WILLEM VAN ORANJE. (Geb. 1533, vermoord 1584).

Gehuwd met: 1. Anna van Egmond, dochter van Maximiliaan, graaf van Buren ([+] 1558). 2. Anna van Saksen, ,, ,, Maurits van Saksen ([+] 1577). 3. Charlotte van Bourbon, dochter van Louis, hertog van Montpensier([+]1582). 4. Louise de Coligny, ,, ,, Gaspar de Coligny ([+] 1620).