Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 34

Chapter 343,854 wordsPublic domain

De nieuwe Universiteit werd begiftigd met inkomsten, voornamelijk voortvloeiende uit de oude abdij van Egmond. Motley zegt terecht, dat de acte van instelling een der meest ironische gedenkstukken is. De fictie toch van 's konings souvereiniteit werd er in gehandhaafd en de meest katholieke vorst der wereld werd daarin gezegd, deze protestantsche academie te vestigen als een belooning aan Leiden voor zijn opstand tegen hem. Ook ontbrak daarin niet de oude formule "onze waarde neef" Willem, Prins van Oranje, met wien de koning wordt voorgesteld als na rijp beraad tot de oprichting van die hoogeschool besloten te hebben.

Inderdaad, al werd die plechtige vestiging in naam van den koning van Spanje door den Prins van Oranje volstrekt niet ironisch bedoeld, al meende de stichter dier Universiteit, door den naam Filips te noemen, alleen de tol der hulde te betalen van den vasal aan den souverein, wij, die de geschiedenis kennen, wij, die weten, hoe het ontzet van Leiden de grondslag is geworden van de geheele bevrijding van ons land; wij, die den loop dier glorievolle instelling kennen, die de eeuwen door de bakermat is geweest van alle waarachtige vrijheid--wij kunnen in die acte slechts de ironie der geschiedenis zien, de goddelijke ironie, die zoo vaak in de wereldgeschiedenis terugkeert, zoo dikwijls geheel tegen de bedoeling in van onverstand, domheid, bijgeloof en onderdrukking, ja juist door het verzet van die vereende booze krachten, de vrijheid van individuen en volken gaat bloeien.

Wij kunnen dan ook niet anders dan te dezer plaatse in de geschiedenis van den Prins, hem, al is onze bedoeling niet, een lofrede op hem te schrijven, de volle hulde brengen van ons volk, dat zijn groote mannen niet wil vergeten.

Wij begrijpen ten volle, dat Oranje het mikpunt is geweest en tot heden gebleven van den haat en den laster van de vijanden onzer vrijheid, want zonder hem was zij niet veroverd. Doch wat men ook tot eer van de tallooze vergeten weldoeners der menschheid moge zeggen, hoe men de keten van oorzaak en gevolg ook verbreekt, als men aan de groote mannen alleen den loop der wereldgeschiedenis toeschrijft; welke verborgen krachten er toch misschien ook in het samenstel der maatschappij mochten geweest zijn, die langs anderen weg tot hetzelfde resultaat gevoerd zouden hebben, bij afwezigheid dier helden; wie zal niet ten volle erkennen, dat nooit meer dan in de dagen van Leidens beleg alle geestkracht van het volk belichaamd is geweest in den grooten Zwijger? Wie zal dit ontkennen? Zij b.v. die de belangrijke gebeurtenissen van 1574, die Leiden betroffen, samenvatten in een halve bladzijde druks en niet eens den naam noemen van den Prins, die van allen en alles de ziel was.

Men kan den grooten keer niet ontkennen, die door de mislukking van Leidens beleg de gebeurtenissen ten bate van de opgestane gewesten genomen heeft. "In drie maanden hadden de Spanjaarden te midden van de Hollandsche moerassen bij de 700 stukken geschut gelaten. Ze hadden bijna geene kanonnen meer.... Al wat den trots der overwinnaars op de Mookerhei en der belegeraars voor den geest riep, verdween voor de schansen van Leiden." Doch met geen enkel woord wordt de man herdacht op die bladzijde, aan wien dat alles te danken of (volgens hun meening) te wijten was. Waar het wapen van den laster niet kan gehanteerd, daar moet de held dier tijden worden doodgezwegen. Alsof de steenen van de ontzette stad niet spraken! Alsof de keten der gebeurtenissen niet zou zijn verbroken, als de schakel van den persoon van Oranje daaruit was weggenomen!

Hoe kort was het nog geleden, dat hij al zijn hoop op de komst van Lodewijk had gevestigd. En toen het eindelijk zekerheid voor hem was geworden, dat Lodewijk nimmer zou wederkeeren, toen raapte hij, in plaats van land en volk nu over te geven aan den vijand, alle geestkracht, die nog in hem was gebleven, te zamen en smeedde bij vernieuwing daaruit een wapen, dat den Spanjaard te machtig was.

Al werd hij ook op het ziekbed geworpen ten gevolge van alle teleurstelling en overspanning, een enkel bericht, dat de stad het nog hield, was in staat hem weer nieuwe krachten te schenken. Opgestaan van een ziekbed, dat bijna zijn sterfbed werd, en zelf slechts langzaam in krachten toenemende, wist hij de flauwhartigen bij vernieuwing te bezielen, de moedeloozen te steunen, de kleingeestigen te sterken. Uit zwakheid putte hij kracht en hij ondervond de waarheid van het oude, schoone woord omtrent de waarlijk godsdienstigen, dat zij telkens hun kracht vernieuwen en opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, loopen en niet moede worden, wandelen en niet mat worden.

HOOFDSTUK XIX.

VERGEEFSCHE VREDESONDERHANDELINGEN. 1574-1575.

Toen de angst en de zorg van Leiden waren opgeheven, vond de Prins gelegenheid, de aandacht op een ander vraagstuk te vestigen, een vraagstuk dat hem reeds lang had vermoeid en afgemat. Het succes in de laatste maand was groot geweest en ieder in den lande moest erkennen, dat de Prins de ziel der geheele beweging was; aan hem en aan zijn ijver dankte men dien voorspoed.

Oppervlakkig zou men dus zeggen, dat er thans maar één stem moest geweest zijn om hem in alles te steunen. En toch had Oranje in die dagen met grooten tegenstand van de zijde der Staten te worstelen; een tegenstand die zelfs zoo onverdragelijk voor hem werd, dat hij slechts veertien dagen na het ontzet van Leiden tot een middel de toevlucht nam, dat meermalen door groote staatslieden in gespannen oogenblikken is aangewend: hij dreigde met zijn ontslag en stelde voor, het land te verlaten.

Wat was er dan gebeurd, dat hem tot zulk een krassen maatregel deed besluiten?

De oorzaak daarvan lag in de slecht omschreven en dikwijls weinig geëerbiedigde macht van Oranje. Op de vergadering te Dordrecht in Juli 1572 had hij al de macht van den landsheer gekregen. Hij was hun stadhouder en luitenant-generaal maar als een autocraat het land te besturen, dat lag geenszins in zijn karakter, terwijl het bovendien in strijd zou geweest zijn met de uitdrukkelijke privilegiën der gewesten, die hem als stadhouder erkend hadden. Van het begin af aan raadpleegde hij met de Staten en hield met hunne meeningen rekening. Inderdaad, dit was de eenig practische handelwijze, maar het werd voor hem een bron van oneindige verlegenheid en moeite. Wel kon zijn persoonlijke invloed veel uitwerken, maar de zware kosten van den oorlog, de schadevergoeding aan de eigenaars en bebouwers van het overstroomde land veroorzaakten, dat de Prins telkens hooge geldelijke eischen stelde aan de Staten, die ze echter met groote moeite inwilligden. Daarenboven maakten de Staten en vroedschappen, het hof en de edelen, zich schuldig aan allerlei aanmatigingen; ze maakten inbreuk op zaken die duidelijk tot het ambt van den Stadhouder behoorden; zij handelden tegen oude privilegiën van het land, mengden zich zelfs in de bijzonderheden van de militaire zaken omdat zij het geld verschaften.

Daarbij kwam nog, dat de Staten zeer licht ontmoedigd waren en telkens een voorwaartsche beweging belemmerden; ook waren er voortdurend twisten tusschen de steden van Noord-Holland en den wreeden Sonoy. Het is te begrijpen, hoe vooral in oorlogstijd dit alles belemmerend op den goeden gang van zaken werkte, terwijl de Prins, die in den regel als bemiddellaar optrad, telkens in moeilijkheden geraakte. Het werd hem eindelijk duidelijk, dat hij met gebonden handen het schip van Staat niet kon besturen.

Ontmoedigd door al de uitvluchten en de verwarring in regeeringszaken en financiën, verscheen hij op den 20en October voor een vergadering van de Staten van Holland en verklaarde plechtig, dat het beter was, indien zij zelf de regeering in handen namen en hij het land verliet. De Prins grondde die verklaring op den waan van het volk, alsof het geld, dat werd opgebracht, ten dienste van hem was en niet van het algemeen belang, op den onwil om de gelden op te brengen en op het misbruik, dat er van die gelden door verkeerde administratie werd gemaakt.

Dat middel hielp, doch niet zoo spoedig, als men wellicht zou meenen. De Staten beraadslaagden over zijn voorstel en vroegen hem op den 12en November niet alleen zijn ambten te behouden, maar zeiden, dat het eenig middel tot verbetering was: centralisatie van het bestuur in de handen van den Prins. Zonder een hoofd konden zij niets doen; hij was de eenige leider, dien zij begeerden. Zij boden hem daarom aan: "absolute macht, autoriteit en souverein bevel ten dienste van al de gemeene landszaken, niet een uitgezonderd."

Dat was alles goed en wel, doch naar den zin van den Prins nog niet beslissend genoeg, daar alles afhing van geregelde geldelijke subsidiën. Hij bleef aandringen op f 45.000 per maand en toen er weder een week verloopen was voor hier een beslist antwoord op kwam, zond de Prins Paulus Buys naar de Staten om aan te dringen op geen langer uitstel, daar het belang van het land dat niet kon lijden. Men bood hem toen maandelijks f 30.000 aan, meenende, dat dit voldoende was. Oranje weigerde en verklaarde ten tweede male, dat hij liever het land verliet, dan het onmogelijke te beproeven. Dan konden zij hun zaken zoo zuinig mogelijk behandelen als zij wenschten.

De Staten gaven toe, willigden f 45.000 in en daarmee was de positie van den Prins voor goed gevestigd. Hij had nu een bepaald budget, waarop hij kon rekenen en dictatoriaal gezag over al de belangen van de gewesten.

Onder den titel van "gouverneur" voor den koning was hij thans feitelijk de souvereine heer van Holland en Zeeland. "Niet het minst in deze zaken," zegt Prof. Blok, "toonde hij zich een staatsman van groote talenten en zulk een staatsman was bij de toenmalige verhoudingen noodig."

Ondertusschen waren de onderhandelingen over den vrede nooit geheel afgebroken. Requesens was door de muiterij der Spaansche soldaten en zijn geldgebrek zeer in het nauw gebracht, zoodat zelfs tijdens de insluiting van Leiden en na den slag bij Mook, toen alle kansen gunstig schenen te staan voor de Spanjaarden, pogingen door hem waren aangewend, om den Prins tot den vrede te overreden. Te Bommel, waar Oranje zich toen ophield, verscheen de vorige pensionaris van Middelburg, Hugo Bonte om den Prins over den vrede te polsen.

Aan Bonte gaf hij het antwoord, dat hij gewoon was te geven, namelijk, dat hij de handhaving der privilegiën en de vrijheid van godsdienst eischte voor 't land en tevens, dat hij zijne belangen niet wilde scheiden van die van Holland en Zeeland. Van Spaansche zijde had men dit laatste anders gedacht; men achtte den Prins wel vatbaar voor overleggingen, die zijne bijzondere belangen betroffen.

Was men daarin geslaagd en had men alzoo den Prins van het land gescheiden, dan zou dit gemakkelijk onder het Spaansche juk gebracht kunnen worden.

De Prins stemde toe in een samenkomst van gedeputeerden der Staten met enkele katholieke heeren, 't zij in de buurt van Woerden, 't zij bij Geertruidenberg. Hij deed Bonte echter gevoelen, dat een sine qua non van elke overeenkomst zijn zou: de instandhouding van het hervormd geloof. Toen Bonte twijfel daaraan opperde, zei de Prins, dat zelfs de Paus verdraagzaam was tegenover de Joden. Ook sprak Oranje nog bij die gelegenheid het merkwaardige woord, dat er nog wel een andere sterke hand kon gevonden worden, om het land, "een schoone dame met vele aanbidders," te beschermen.

Eenige dagen daarna kwamen er verschillende afgevaardigden bij den Prins. Zijn antwoord was helder en eenvoudig. Ook hij verlangde hoe eer hoe beter, het eind van de troebelen, wilde geheele verwoesting van het land worden voorkomen. Op het punt van godsdienst moest het volk worden tevreden gesteld; wat hem aanging, hij was bereid, als de koning het wilde, het land te verlaten, zoodra de onlusten bedaard waren.

Een poging door Marnix gedaan, die daarvoor expres uit de gevangenis te Utrecht naar Rotterdam mocht gaan om den Prins te bezoeken, had geen verder succes; Oranje bleef bij zijne eischen en Marnix keerde onverrichterzake naar de gevangenis terug.

De drang naar vrede was, in het bijzonder in de Zuidelijke Nederlanden, zeer sterk en Requesens beijverde zich dan ook in die richting werkzaam te zijn. Het gevolg hiervan was dat in het voorjaar van 1575 te Breda werkelijk de vredesonderhandelingen werden geopend. Keizer Maximiliaan werkte die zeer in de hand, al had hij sedert Filips' huwelijk met zijn dochter, niet meer beslist partij gekozen voor de opgestane gewesten.

De voorwaarden welke door Requesens waren aangeboden hielden o. a. in, dat de katholieke godsdienst uitsluitend zou worden gehandhaafd. Natuurlijk was deze voorwaarde voor de Noord-Nederlanders onaanneembaar, terwijl de koning niet wilde ingaan op het voorstel van hen, n.l. aan de Staten Generaal, meer macht te geven in de zaken van den godsdienst. Hoe ook geneigd tot den vrede en andere tegemoetkomingen, binnen de landpalen van zijn gebied kon en mocht alleen de oude godsdienst gehandhaafd worden.

Het bleek maar al te duidelijk: tusschen den Koning en den Prins was geen vergelijk mogelijk.

Al was het eigenlijke doel niet bereikt, de onderhandelingen waren niet geheel zonder resultaat, want vóór het opheffen der vergadering kwam de kwestie van de Unie van Holland en Zeeland en de macht van den Prins nog op het tapijt. Er was een band noodig tusschen de twee gewesten, die naar hetzelfde doel streefden.

De Zeeuwen en de Noord-Hollanders toonden weinig neiging tot nadere vereeniging; ze vreesden door een aansluiting aan Zuid-Holland hun zelfstandigheid te verliezen. Het verbond kwam dus niet tot stand, maar de geldmiddelen voor beide gewesten werden geregeld. Holland wilde zich echter niet door de Zeeuwen laten ophouden om den Prins het gouvernement aan te bieden. Het eenige verschilpunt tusschen de Staten en hem was de regeling van den godsdienst, daar de Prins bleef vasthouden aan het beginsel van algemeene verdraagzaamheid, waartegen de Staten zich verzetten. Ze kozen ten slotte de zeer dubbelzinnige uitdrukking, dat verboden werd "de exercitie van de religie den Evangelie contrarieerende," waarmee Oranje genoegen nam, zeker niet vermoedende, dat men na zijn dood, die uitdrukking ook op den R. Katholieken godsdienst van toepassing zou maken.

Wat de souvereiniteit betreft, kan men zich moeilijk zonderlinger verhouding voorstellen dan tusschen den Prins en de Staten. De steden, die hen afvaardigden, zochten zich onophoudelijk een gezag aan te matigen, dat hun volgens de oude rechten niet toekwam. De Staten, zich wel bewust, dat alleen de leiding van den Prins vastheid aan de regeering kon geven, wilden hem de dictatuur opdragen, maar zij wisten ook dat de vroedschappen op het behoud hunner zelfstandigheid bedacht waren. Aan de dictatuur konden zij zich door de vroedschappen niet onderwerpen, maar toch boden zij haar den Prins aan. Deze wenschte geen dictatorschap, maar het uitvoerend gezag, waarvan hij het hoofd was, moest niet onophoudelijk de Staten en deze weer de vroedschappen vragen.

Duidelijk staan we bij deze onderhandelingen voor dezelfde gebreken, die in later eeuwen steeds de Republiek en hare inrichting hebben aangekleefd. Die gebreken waren vooral drieledig: 1o. de afhankelijkheid van de leden der Staten van hunne machtgevers, de steden; 2o. de uitsluiting van het volk, aan wie de souvereine regenten geen deelneming aan het staatsbestuur wilden toestaan; 3o. de oppermacht en onverdraagzaamheid van de Staatskerk.

Tot welk een oligarchie, [10] nepotisme [11] en onderdrukking dit heeft geleid, is genoeg uit de geschiedenis bekend. Het is de kanker van al haar rampen en van haar eindelijken ondergang. Wie bewondert dan niet het scherpe oog van den wijzen staatsman, Willem van Oranje, die al die fouten doorzag en zelf de middelen tot herstel aan de hand gaf. Hij wenschte een souvereine vergadering en geen souvereine regenten van steden; hij wenschte aandeel van de gemeente in het staatsbestuur en vrijheid van godsdienst ook voor de Roomsch-Katholieken. Maar noch het een, noch het ander vond goedkeuring bij de mannen van zijn tijd. Daartoe waren ze te autocratisch, te aristocratisch, te Calvinistisch. Eene definitieve regeling tusschen den Prins en de Staten bleef dus achterwege en Oranje behandelde voorloopig met eenige gedeputeerden de zaken. Dit kon alleen, omdat de Prins zulk een waarlijk groot staatsman was, die met een vast en edel doel voor den geest, de menschen, die met hem werkten, zoo volkomen wist te beheerschen.

Daarbij ontbrak het hem niet aan personen als Marnix van St. Aldegonde, Paulus Buys, van Dorp, Pauli, later ook Oldenbarnevelt, die één van zin en hart waren, als het gold het belang van den opkomenden staat.

Na het afbreken der vredesonderhandelingen werd de oorlog spoedig hervat. Reeds in het voorjaar van 1575 deed de koninklijke Stadhouder van Utrecht en Gelderland, Hierges, een aanval op Noord-Holland, waar juist toen in die dagen Sonoy, kwader gedachtenisse, zijn afschuwelijke vervolging der katholieken was begonnen. Deze maakte zich in West-Friesland aan schandelijke wreedheden schuldig. De vervolgden deden wel een beroep op den Prins, maar Oranje was vooreerst niet bij machte de gruwelen, die Sonoy bedreef, te keeren. Vandaar dat, hoe onbillijk ook, de smet, die op Sonoy kleefde, den Prins zelf werd en nog wordt aangewreven. Hierges belegerde daarop Oudewater, dat, hoe dapper ook verdedigd, zich eindelijk moest overgeven en even gruwelijk behandeld werd als Sonoy de roomsche boeren in het Noorden deed. Ook Schoonhoven viel in zijne handen en het gevaar, dat de Spanjaard van die zijde Zuid-Holland zou heroveren, bleef nog geruimen tijd dreigen.

Ook in Zeeland had er in 1575 een nieuwe vijandelijke aanval plaats, die de verovering van Zierikzee in het jaar daarop tengevolge had en die het leven kostte van de beide edele en dappere broeders Boisot, eerst Charles en daarna Louis. Het is bekend, dat na de inneming van Zierikzee door den opstand der Spaansche troepen zelf en de daarop volgende Spaansche furie, de zaken voor Holland een beteren keer namen. Doch daarop komen we nader terug, want ons rest nog van het jaar 1575 een hoogst belangrijke andere gebeurtenis uit het leven van den Prins te verhalen.

HOOFDSTUK XX.

HET DERDE HUWELIJK VAN DEN PRINS MET CHARLOTTE VAN BOURBON. 1575.

Kort voor zijn terugkeer naar de Nederlanden, had Willem van Oranje te Heidelberg kennis gemaakt met de vrouw, die bestemd was zijn derde echtgenoote te worden. Ofschoon hij nooit eenige beteekenis voor zijn politiek aan de vrouw heeft gehecht, oefende zij toch door haar verkeer met hem, invloed uit op zijn karakter en innerlijk leven.

We deelden de bijzonderheden mede van de ellende van zijn tweede rampzalige echtverbintenis; hoe gelukkig, dat we thans als tegenhangster van de booze Anna van Saksen de zoo vriendelijke en getrouwe Charlotte van Bourbon kunnen stellen.

Charlotte van Bourbon was eene dochter van den hertog van Montpensier, een jongere linie van den koninklijken stam, waarvan de koning van Navarre, de oudere vertegenwoordigde. Haar moeder was Jacqueline de Longueville. De hertog en zijn vrouw waren op het punt van den godsdienst niet eensdenkend. Hij was een vurig voorstander van het Katholicisme, vocht tegen de Hugenoten met grooten ijver mede en leverde de protestantsche gevangenen met groote toewijding aan het gerecht over. Zij was in haar hart Hugenootsch gezind; ze haatte de devotie der Guises en oefende zelfs op de koningin af en toe een gunstigen invloed uit. Toch bleef zij voor het uitwendige den katholieken godsdienst getrouw en zond zelfs drie harer dochters naar een klooster.

Tot dezen behoorde ook Charlotte, geboren in 1546; zij werd zeer jong naar het klooster van Jouarre gebracht, waarover haar tante abdis was, terwijl ze zelfs bestemd was dien titel van haar te erven. Op dertienjarigen leeftijd, in 1559, werd zij reeds daartoe gewijd. Haar moeder stierf spoedig daarna en de tweede echt van haar vader met een zuster der Guises bedroefde en verbitterde haar zoo, dat zij mede door den invloed van haar tante, de abdis van het klooster Paraclet, in het geheim tot de Hervorming overging, na daarin onderricht ontvangen te hebben van een vriend van den admiraal de Coligny, den predikant d'Averly. Ook een andere zeer goede bekende van de Coligny, n.l. zijn schoonzoon Téligny (die in denzelfden Bartholomeusnacht met den admiraal werd vermoord), kwam met Charlotte, in den tijd dat ze abdis van Jouarre was, in aanraking. Hij bracht brieven en boodschappen aan haar over van hare vriendin Jeanne d'Albret. In diens gezelschap bevond zich dan meer dan eens Lodewijk van Nassau, welke ontmoeting de aanleiding is geworden van de bewering, dat Charlotte, door den levendigen en bevalligen edelman getroffen, onder zijne hoede het klooster had ontvlucht. Die vlucht zelve heeft werkelijk plaats gehad en gaf ook allen schijn van een romantisch avontuur. Want nadat ze zich eerst tot de koningin van Navarre gewend had, met verzoek haar behulpzaam te zijn bij den overgang tot het Protestantisme en deze haar voor die zaak naar hare zuster Bouillon had verwezen, heeft zij op een winteravond met twee harer geestelijke zusters het klooster verlaten, geholpen door d'Averly, die haar met paarden aan de poort wachtte. Ze vluchtte toen eerst naar hare zuster Bouillon, die haar spoedig bij Frederik III van de Paltz in veiligheid liet brengen.

Wel eischte de koning van Frankrijk, dat de vluchtelinge naar haar klooster zou terugkeeren en was haar vader, de hertog van Montpensier woedend, maar Charlotte bleef in Heidelberg onder bescherming van den keurvorst en werd daar natuurlijk in het Calvinisme meer en meer onderricht. Zij ontmoette er in 1574 den hertog van Anjou op zijn doorreis naar Polen.

Lodewijk van Nassau wees haar, als een der beste partijen aan, toen hij bezig was de bisschoppen aan den Rijn voor de protestantsche zaak te winnen en pogingen aanwendde, hen te doen huwen. In hoeverre hijzelf door haar bekoord werd, is onzeker.

In 1572 had zij kennis gemaakt met den Prins van Oranje, die toen 39 jaar oud was, doch die ontmoeting was slechts zeer kort en toch lang genoeg, om bij hem een diepen indruk achter te laten. De drie daarop volgende jaren waren voor den Prins een tijd van bittere eenzaamheid geweest. Door zijne vrouw schandelijk bedrogen, was hij daarbij van allen, die hij liefhad, sedert hij naar Holland ging, gescheiden. Uit zijne brieven aan zijn verwanten blijkt, hoeveel behoefte Oranje had aan vriendschap en sympathie. En toch was hij nu gescheiden niet alleen van zijn moeder maar ook van al zijn broeders en toen hij eindelijk hoopte van zijn eenzaamheid te worden verlost, werden Lodewijk en Hendrik hem voor altijd ontnomen.

Het verlies van Lodewijk kwam hij nooit, gelijk we vroeger reeds opmerkten, geheel te boven. Ook waren zijn kinderen niet bij hem, al wist hij, hoe goed ze het hadden bij zijn broeder Jan van Nassau; bovendien volgde hij met angst het lot van zijn oudsten zoon Filips Willem, in Spanje gevangen. Al zijn oude vrienden en kameraden waren òf gestorven, òf een anderen koers uitgegaan. De eenige, met wien hij in Holland op intiemen en vertrouwelijken voet omging, was zijn vriend Marnix van St. Aldegonde.

En toch had Oranje behoefte aan huiselijk leven, aan vrouwelijk verkeer; ook te midden van zijn overstelpende bezigheden verlangde hij naar een nieuwe haven van huiselijk geluk. Was het vreemd, dat hij in die stemming den indruk in zijn hart voelde verlevendigen, die in 1572 Charlotte op hem gemaakt had? In de lente van 1575 zond hij daarom Marnix naar Heidelberg, ten einde hare hand te vragen en bij toestemming haar naar de Nederlanden te begeleiden.