Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 33

Chapter 333,882 wordsPublic domain

Eerst op den 7en Mei schijnt de Prins de volle waarheid te hebben vermoed. Van dien dag dagteekent een brief, welke terecht beroemd is geworden, aan zijn thans eenig overgebleven broeder Jan. Blijkens dat schrijven vreest de Prins, dat men met voorbedachten rade den dood zijner broeders voor hem en Jan van Nassau geheim houdt en hij doet uitkomen hoe nadeelig die geheimhouding werkt. Van alle zijden wordt hij zelf bestormd met vragen naar den afloop en nu hij daarop geen beslist antwoord weet te geven, meent men, dat hij zelf de waarheid verbergt en het gevolg hiervan is, dat men begint te wanhopen aan den staat van zaken.

Daarop volgen dan die schoone, diepgewortelde en innig godsdienstige woorden:

"Ik belijd U, dat ik nooit iets ondervonden heb, dat mij meer leed doet en inniger spijt, doch we moeten ons onderwerpen aan den wil van God en zulk een vertrouwen hebben op Zijne goddelijke voorzienigheid, dat Hij, die het bloed van Zijn Eenigen Zoon niet heeft gespaard, om Zijn kerk te bewaren, niets zal doen dan wat dienen kan tot uitbreiding van Zijn roem en bewaring van Zijn kerk, al schijnt het ook in het oog der wereld een onmogelijke zaak. En al zouden wij allen komen te sterven, en al zou het geheele volk worden vermoord of verjaagd, deze zekerheid moeten wij altijd hebben, dat God de Zijnen nooit zal verlaten, waarvan wij heden ten dage zulk een merkwaardig voorbeeld in Frankrijk zien, waar na den gruwelijken moord van zooveel edelen ieder meende, dat het einde en de algeheele uitroeiing van den (herv.) godsdienst nabij was, terwijl wij nu zien, dat zij bij vernieuwing meer dan ooit het hoofd hebben opgeheven, terwijl de koning zich in meer moeite en ellende bevindt, dan ooit te voren. Wij hopen, dat de Heer onze God, wiens arm niet verkort wordt, van Zijne macht en Zijn mededoogen jegens ons zal gebruik maken..."

Daarop geeft Oranje aan zijn broeder een beschrijving van de verslagenheid van het volk te midden waarvan hij leeft. "Daar is geen volk ter wereld, dat zich spoediger verheugt over eenig goed bericht, maar er is ook geen tweede, dat zoo erg door eenig droevig voorval is terneergeslagen." Indien zijn broeder daarbij in aanmerking neemt, dat de nieuwe landvoogd een nieuw pardon heeft afgekondigd, waarvan slechts 14 of 15 personen zijn uitgesloten, dan kan hij daaruit berekenen, hoe groot de verleiding is, om zich weer te onderwerpen. "Doch van mijn kant kunt gij verzekerd zijn, dat ik mijn plicht zal doen, zooveel in mij is, want keert dit volk onder het juk en de tirannie der Spanjaarden terug, dan zal spoedig de godsdienst geheel zijn vernietigd, zonder een vonkje meer te doen schijnen. En de Duitschers, die ons aan ons lot hebben overgelaten, zullen evenals de Engelschen mettertijd zich wel bewust worden van de groote schade, die ook zij daardoor zullen ondervinden."

Het is daarom, dat de Prins zijn broeder opwekt om nog eens met zijn "volle vijf zinnen" te overleggen, welk geneesmiddel er te vinden zou zijn. Want zonder buitenlandsche hulp tegen de macht van Spanje zal Holland, dat het een tijdlang alleen heeft volgehouden, niet langer bestand zijn.

Verder bespreekt Oranje in den langen brief de kwestie van het meest geschikte legerhoofd, in het geval er van Duitsche en Fransche zijde hulp komt opdagen, de huisvesting die het hulpleger zou kunnen gegeven worden en de plaats, waar zij de Nederlanden het best zouden kunnen binnenkomen.

Kortom uit den geheelen brief blijkt, dat de Prins nog den moed niet heeft verloren, ook na den allernoodlottigsten afloop van den tocht van zijn meest geliefden broeder Lodewijk. En die moed, die hem blijft bezielen, steunde op degelijke gronden. Hij doet zijn broeder beseffen, waarover hij nog kan beschikken. De Staten hebben hem 150.000 florijnen per maand toegestaan, zoolang het noodig zal zijn; maar hulp is dringend noodzakelijk. Blijft die uit en "willen de arme bewoners, van ieder verlaten, desniettemin volhouden.... dan zal het den Spanjaarden nog half Spanje kosten in geld en in mannen, eer ze ons geheel vernietigd hebben." Want .... nog had Oranje te bevelen over 71 compagnieën infanterie in Holland, 14 in Zeeland, 20 in Waterland, in het geheel 15 à 16000 man, met meer dan 100 groote en kleine oorlogsvaartuigen. Zoolang hij kon, zou hij met deze macht volhouden.

Rijst onze eerbied en bewondering voor den Zwijger niet door zulk een moedige taal na zulke jammeren als op de Mookerheide? Het scheen wel, alsof de Prins uit elke nieuwe smart nieuwe krachten putte. Hoe weinig volkomen zekerheid er omtrent het lot zijner broeders in dien eersten tijd bestond, blijkt o. a. ook uit den brief, dien de Prins van zijn moeder Juliana van Stolberg nog in de maand Mei ontving.

"Ik weet wel"--zoo schrijft zij--"dat gij gelijk hebt; wij moeten met geduld dragen, wat de Heer ons toezendt, maar menschen blijven menschen en zij vermogen dat zonder Gods hulp niet. Moge God mij arme beproefde vrouw, die mijn droefenis niet verzetten kan, mij genadig uit dit jammerdal tot zich nemen of mij met zijn genade sterken en zijn heiligen geest van berusting zenden. Herhaaldelijk is mij verzekerd, dat mijne zonen nog in leven zouden zijn, zoodat ik nog altijd hoop heb. Voor drie dagen werd mij nog verhaald, hoe een edelman kort geleden nog zes dagen bij mijn lieven Lodewijk geweest is en hem naar omstandigheden wel gevonden had. Zijn rechterarm was van boven doorschoten maar hij kon dien nog bewegen. Aan zijn spraak had hij hem herkend. En daardoor heb ik nu weder wat hoop, maar toch vrees ik, dat men een ander voor hem heeft aangezien. Van hertog Christoffel en mijn lieven Hendrik wist men mij niets te zeggen. Doch de zaken mogen gaan, zooals God het beveelt; ik kan niet anders, dan Hem om geduld bidden en dat gij en ik in eeuwigheid niet van Hem mogen gescheiden worden."

IJdele hoop van de zwaarbeproefde moeder! Want allerwaarschijnlijkst zijn Lodewijk en Hendrik beiden omgekomen in een huis, waar ze heengingen, om hun wonden te verbinden, doch dat boven hun hoofden in brand geraakte en zijn ze zoo ellendig in rook en damp gestikt. Hunne lijken echter, en dat bleef de oorzaak der onzekerheid, zijn nooit teruggevonden.

Een der gronden, waarop Oranje zijn hoop bleef bouwen voor de toekomst trots de jammerlijke nederlaag op de Mookerheide, was zonder twijfel gelegen in zijn kennis van de Spaansche toestanden in het zuiden en den strijd, waarin de nieuwe landvoogd ook zelfs met de Spaansche soldaten gewikkeld was. Zou dat een paar jaar later bij de Spaansche furie tot de geweldigste uitbarsting leiden, die ook het zuiden naar de komst van Oranje in zijn midden zou doen verlangen, reeds voor den slag van Mook hadden de oproerige Spaansche soldaten te Antwerpen onder een Eletto (d. i. een door muitende soldaten gekozen hoofd) de regeering genoodzaakt, aan hun geldelijke eischen toe te geven en op den dag na den slag begon een nieuwe muiterij onder de overwinnende troepen te heerschen.

"Zoodra zoo'n muiterij uitbrak," zoo verhaalt Motley, "begon men van de naastbij gelegen stad bezit te nemen, waar de Eletto gewoonlijk in het stadhuis zijn verblijf nam en het krijgsvolk bij de burgers ingelegerd werd. Wat voeding en huisvesting betreft was voor deze rooversbenden niets te goed. Mannen, die maanden lang van hun legerrantsoen geleefd hadden--ruwe kinkels, die hun ploeg hadden gedreven, totdat men hen gedwongen had om het musket te hanteeren--sliepen thans op keurig beddegoed en vorderden van de sidderende burgers de lekkerste spijzen. Zij aten het land kaal als een leger van sprinkhanen."

"Kuikens en patrijzen," schreef de zuinige Antwerpsche kroniekschrijver, "kapoenen en faisanten, hazen en konijnen, tweeërlei soort van wijn;--tot kruiding van het maal, olijven, citroenen en oranjeappelen, specerijen en zoetigheden; tarwebrood voor hunne honden en zelfs wijn om de pooten hunner paarden te wasschen."

Ziedaar het weelderig onthaal, door de muitende troepen geëischt. Verdroot den burgers deze gedwongen gastvrijheid, dan moesten zij een belasting opbrengen.

De muiterij, die na de nederlaag van graaf Lodewijk uitbrak was bijzonder erg. Bij Alva's vertrek was er reeds 6 millioen achterstand van soldij en Requesens was niet in staat, op geregelde betaling eenige hoop te geven. Toch kwamen ze toen nog tot een overeenkomst, daar het Requesens gelukte den grooten Raad van Antwerpen tot een leening van 400.000 florijnen te bewegen. De muitende soldaten vierden op de Place de Meir een groot feest bij gelegenheid van die gesloten overeenkomst, toen plotseling de mare doordrong, dat admiraal Boisot de Schelde was opgevaren. Voordat men gewapend was, had Boisot veertien Spaansche schepen genomen en doen zinken en den Admiraal Haemstede krijgsgevangen gemaakt. Dit was voor den Prins althans een lichtstraal in den donkeren nacht; te meer omdat het feit der muiterij wees op den hopeloozen geldelijken toestand van Spanje, die op den duur niet anders dan een krachtige hulp voor zijn verzet kon wezen.

Voorloopig echter moesten alle krachten, die in Holland aanwezig waren, worden ingespannen. Want binnen den kortst mogelijken tijd was Valdez, die tijdelijk de omstreken van Leiden met zijn leger had verlaten om Lodewijks inval te voorkomen, weer met zijn troepen rondom de stad teruggekeerd en Leiden was op den 21en Mei weder geheel ingesloten. Het beleg en het ontzet van die stad behoort tot de belangrijkste gebeurtenissen der wereldgeschiedenis. Onze vrijheid zou groot gevaar geloopen hebben, indien Leiden was gevallen. Haar behoud heeft op het oogenblik Holland voor ons gered. Het kan ons doel niet zijn, dat beleg en dat ontzet in zijn bijzonderheden te beschrijven. Hoofdzaak is voor ons, het deel aan te wijzen dat de Prins daaraan gehad heeft en aan te toonen, hoe hij voor den verderen loop van den oorlog heeft gebruik gemaakt van den gelukkigen afloop van dat beleg. Want er mag niet vergeten worden, dat ook het beleg en het ontzet van Leiden eenvoudig een schakel in de groote keten der elkander opvolgende gebeurtenissen is geweest, die tot de bevrijding van ons land, tot de voltooiing van het werk van Oranje heeft geleid. Ook dat de Prins tijdens dat beleg vredesonderhandelingen heeft gevoerd, die na het ontzet van zijne zijde met veel meer krachtsbesef konden worden voortgezet. Op die onderhandelingen komen we terug, als we eerst den Prins in zijn arbeid voor Leiden gevolgd hebben.

Toen Oranje den laatsten brief aan zijn broeder Jan schreef, was hij in Dordrecht, waar hij gedurende de maand Mei met de Staten van het land in voortdurend overleg bleef. Daar kwam hem de tijding ter oore van de nieuwe insluiting van Leiden; daar vernam hij, hoe de inwoners dier stad geweigerd hadden garnizoen in te nemen, zelfs de Engelsche vaandels niet toe wilden laten en zijn raad in den wind geslagen hadden, om, terwijl Valdez zich met zijn troepen had verwijderd, voor een nieuwen voorraad levensmiddelen te zorgen.

Hoe hem ook die verschillende berichten troffen en onaangenaam stemden, ze verhoogden slechts zijn eigen krachtsinspanning, want al had Leiden het misschien niet om zijn zorgeloosheid verdiend, het belang van het geheele land was er mee gemoeid. De Staten werden dan ook onmiddellijk door hem tegen den 1en Juni te Rotterdam beschreven, om een plan vast te stellen voor de bevrijding der stad en de noodige gelden voor die onderneming bijeen te krijgen. Bij den bekenden onderlingen naijver der steden was dit geen lichte taak, doch den Prins gelukte het, de zelfzuchtige bondgenooten te doen samenwerken. Fruin zegt terecht van hem: "Om dat te bereiken, werd een leidsman gevorderd, zoo onuitputtelijk geduldig, zoo hoog geacht en bemind, zoo zelfopofferend voor de goede zaak, als de nooit volprezen Willem van Oranje."

Toen het geld gevonden was, werd bepaald, dat men Leiden zou te hulp komen, door Zuid-Holland onder water te zetten. Er waren deskundigen, die daartegen groote bezwaren hadden. Aan de eene zijde werd beweerd, dat het hooger gelegen Rijnland nooit door het Maaswater zou kunnen worden bereikt; alleen Delfland en Schieland zouden onder water komen; aan den anderen kant had men groote bezwaren, dat op die wijze het land niet licht weer zou kunnen worden drooggelegd. Toch werd er toe besloten. "Het al om het al op het spel te zetten, was in dien tijd de leus onzer kloekmoedige voorvaderen. Hun was de vrijheid van denken en gelooven, het volksbestaan, de zelfregeering het hoogste, ja het eenig goed, het al. Om dat te behouden, was geen prijs hun te hoog, geen waagstuk te vermetel." Zij hebben alles gewaagd en alles gewonnen.

Dit besluit werd den 30en Juli genomen en onmiddellijk daarop ten uitvoer gebracht. Bij de doorgraving te Capelle aan den IJsel was de Prins persoonlijk tegenwoordig, o. a. in gezelschap van Paulus Buys, die krachtig zijn hulp had verleend om de bestrijders van het plan te overwinnen. Door zestien gapende dijkbreuken stroomde het IJselwater op het land. Daarop werd de Maasdijk aan weerszijden van Rotterdam doorgegraven en de sluizen van Schiedam werden opengezet. Dagen moesten echter verloopen, eer het water zich over de oppervlakte van zooveel honderden bunders verspreiden zou.

Ondertusschen ontbood Oranje uit Zeeland Louis de Boisot, die in den jongsten tijd daar als admiraal groote bekwaamheid had bewezen, zoowel in Januari bij den slag van Roemerswaal, waardoor Middelburg in handen van Oranje viel, als door de overwinning op de Spaansche vloot op de Schelde, waarvan wij gewag maakten. Niemand beter geschikt dan Boisot om een werk te verrichten, waarbij zooveel zeemanschap en krijgsbeleid geëischt werd. Gelukkig, dat men dien ervaren man op dat oogenblik in Zeeland missen kon; een nieuwe Spaansche vloot die men verwacht had en die in hem den besten overwinnaar zou gevonden hebben, was door tegenspoed van allerlei aard niet naar de Nederlanden vertrokken. Boisot zou het beste scheepsvolk en de meest vertrouwde kapiteins in Zeeland gaan halen en dan de onderneming met tal van vaartuigen en de noodige kanonnen aanvangen.

Allerlei teleurstellingen echter vertraagden de bevrijding der stad, waar de jammer van dag tot dag in de maanden Augustus en September vermeerderde. Haar lot te beschrijven, haar steeds toenemende ellende te teekenen, ligt wel niet op onzen weg, maar van een harer bange beproevingen kunnen we ook in ons verband niet zwijgen. Wij bedoelen de aanwezigheid in de stad van een menigte royalistische inwoners, die met hun geestverwanten in andere plaatsen het er op toelegden, de stad aan den vijand over te geven. Dit waren de zoogenaamde glippers, die alles aanwendden, om de inwoners in het denkbeeld te stijven, dat ontzet der plaats onmogelijk was en wier woord, hoe hooger de ellende klom, des te meer ingang vond bij de menigte.

Gelukkig, dat mannen als Bronkhorst, Jan van der Does, Jan van Hout en Pieter Az. van der Werff, de burgerij en de vroedschap in bedwang hielden en geen oogenblik verslapten in hun ijver voor de algemeene zaak. Waren zij niet werkzaam gebleven, hadden zij niet alle vertrouwen op den Prins behouden, dan zou zonder twijfel door het katholiek gedeelte der bevolking met beide handen het pardon zijn aangegrepen, dat Requesens had afgekondigd en dat door Valdez aan de inwoners van Leiden werd aangeboden, op voorwaarde van overgave. Nu echter werd die lokstem beantwoord met het Latijnsche woord van Cato: "Fistula dulce canit, volucrem dun decipit auceps." (De fluit klinkt liefelijk, terwijl de vogelaar den vogel verschalkt.)

Het ergste dat gedurende de maanden van het beleg van Leiden geschiedde, was de wekenlange ziekte van den Prins. Die overviel hem den 10en Augustus. Opgekropte smart en de last der beslommeringen, misschien ook daarbij zwaar gevatte koude tengevolge van het staan op de dijken in regen en wind, wierpen den man op het ziekbed, die minder dan ooit op dat oogenblik gemist kon worden. Het eigenlijk karakter der ongesteldheid konden de geneesheeren niet aanstonds herkennen; men vreesde dat het een aanval van de pest was, die in Holland in die dagen heerschte. Hij werd door onophoudelijke koortsen gefolterd en zijn krachten namen zoo af, dat zijn geneesheeren voor tering vreesden. Men had hem gaarne naar Delft, naar zijn eigen woning vervoerd, doch die reis kon hij niet meer maken en daarom was hij gebonden aan een ongezellig huis in Rotterdam. Er bestaat een belangrijk verhaal van die ziekte van een geneesheer Foreest. Zijn secretaris Brunynck en zijn hofmeester Nuyhem gaven voortdurend aan zijn broeder Jan van Nassau berichten omtrent den loop der ziekte, die in de maand Augustus sterk toenam en zelfs tot vier koortsaanvallen op één dag steeg. Men dacht niet anders of de Prins ging sterven. Het gerucht van zijn dood werd reeds door zijn vijanden verspreid.

Treffend is het verhaal, hoe hij, diep bekommerd over het lot der zijnen, zich reeds tot sterven gereed maakte, toen daar Cornelis van Mierop, later Ontvanger-Generaal van Holland, onaangediend bij hem aan het bed kwam. Een paar boden uit Leiden wilden namelijk, voor ze weer terugkeerden naar de belegerde stad, den Prins gezien hebben, omdat het gerucht van zijn dood reeds verspreid werd.

Dat bezoek, dat dus de bedoeling had, om de Leidenaars te sterken, werd ook voor den zieken Oranje een geneesmiddel. Want van ooggetuigen hoorende, dat de stad het nog uithield, verheugde hij zich daarover met zoo groote vreugde, dat hij van die ure begon te beteren. "Wie"--zoo vraagt Fruin terecht--"wie herkent Vader Willem niet in dien zieke, die zijn dienaars wegzendt uit vrees, dat ze door zijn ziekte besmet zouden worden; die hoe ongesteld ook, geen gehoor weigert aan die hem zoeken; die herleeft op de tijding, dat de goede zaak nog niet is verloren, en die zich van het ziekbed opricht, om bij vernieuwing te zorgen en te zwoegen voor "dat arme volk."

Gelukkig was de beterschap geen schijn. De koorts, die hem aan den rand van het graf had gebracht, die hem ten doode toe had verzwakt, keerde sedert den 28en Augustus niet terug; maar slechts langzaam kwamen de krachten weder. Reeds op den 2en September kon Brunynck aan Jan van Nassau schrijven, dat ze hoopten dat de Prins buiten gevaar was. Op den 7en September was de zieke zelf reeds in staat, aan zijn broeder te schrijven en we kunnen ons voorstellen, hoe gelukkig dit handschrift van den geliefden Prins de zijnen maakte. Zijn volkomen herstel wachtte Oranje niet af om zijn taak weer te aanvaarden. Wel hadden de Staten niet veel verzuimd, maar toch waren de pogingen om Leiden te hulp te komen, niet zoo krachtig voortgezet, als had kunnen geschieden. "De Staten konden den Prins niet vervangen; zij misten zijn gezag, zijn vasten, geëerbiedigden wil, die nooit buiten noodzaak geweld gebruikte, maar niettemin wat noodig was met kracht doorzette. Het bijzonder belang was niet overal voor het algemeen landsbelang geweken." Kortom, het werk der bevrijding van Leiden had verder kunnen zijn, dan het was. Aan de uitrusting van de schuiten, die Boisot naar Leiden moesten voeren, was ijverig doorgewerkt in de maand Augustus, doch van doortastende maatregelen was niet veel gekomen. En toch waren die dringend noodig. Wel stond het Maaswater tot Delft toe over alle landen, maar bij de grenzen van Rijnland stuitte het. Om het ook daarin te doen vloeien, moesten nieuwe doorgravingen plaats hebben, doch op punten, die zeker hardnekkig door de Spanjaarden zouden worden verdedigd.

Een eerste aanval mislukte geheel; bij een tweeden was men gelukkiger, omdat de vijand er niet op had gerekend. Op den 28en September verlangde Boisot, dat de Prins met eigen oogen den staat van zaken kwam opnemen. Hij was wel zoo goed als hersteld, doch nog steeds zwak. Met ongunstig weer mocht hij zich niet vertoonen. Doch de 28e September was een zonnige en fraaie dag; toen liet hij zich naar de vloot roeien, waar hij alles in oogenschouw nam en door zijn tegenwoordigheid den moed verlevendigde. Nog zou echter misschien alles vergeefsch zijn geweest, indien niet een stormwind uit het noordwesten, gepaard aan een springvloed, het water op de volgende dagen met kracht had voortgedreven en als daarop door het keeren van den wind van het noorden naar het zuiden de watermassa den kant van Rijnland niet was opgestuwd.

Op den 1en October steeg het water, van 9 op 28 centimeter en hoewel zich ook toen nog allerlei bezwaren voordeden, was toch de stad gered. Want de vijand, bevreesd voor het opkomende water, verliet de schansen en de forten en vluchtte naar den Haag. Valdez besefte, dat de oogen van Europa op hem waren gevestigd. Hij liet een Latijnschen afscheidsgroet te Leiderdorp achter, luidende: "Vale civitas, valete castelli parvi, qui relicti estis propter aquam et non per vim inimicorum." (Vaarwel, o stad, vaartwel kleine kasteelen, die verlaten wordt niet door de kracht der vijanden, maar door het water).

De derde October, toen de stad ontzet werd en de bijna doodgehongerde menigte aanviel op de spijzen, die Boisots vaartuigen medebrachten, viel op een Zondag. De Prins bevond zich in de Waalsche kerk, toen hij de blijde tijding ontving, terwijl zijn gedachten waarschijnlijk meer bij Boisot en in Leiden waren dan bij de preek. Na afloop van deze liet de Prins den predikant de heugelijke tijding aan de gemeente voorlezen. Toen stroomde de geheele bevolking naar de kerken, gelijk ook de Leidenaars op dien gedenkwaardigen dag deden, om God te danken voor de verlossing der stad, de voorbode van de bevrijding van het land.

Op den volgenden dag schreef Oranje een dankbaar briefje aan zijn broeder Jan, om hem deelgenoot te maken van de gewichtige gebeurtenis en toen ging hij, niettegenstaande de waarschuwingen, dat hij te zwak was, om zich bloot te stellen aan de zoo zeer vergiftigde atmosfeer te Leiden, naar de bevrijde stad, om haar in persoon te begroeten en te danken voor haar volharding. Hij nam zijn intrek ten huize van Dirk Jacobus van Montfoort, een aanzienlijk man, doch geen lid der regeering en bleef er tien dagen vertoeven. Een zijner voornaamste werkzaamheden gedurende dien tijd was de regeeringsverandering, waaraan dringend behoefte bestond, want tijdens het beleg was het gebleken, dat er in de vroedschap verscheidene mannen waren, die de burgerij zeer slecht hadden vertegenwoordigd. Wel was die verandering in strijd met de privilegiën der stad--want de vroedschap bestond uit 40 onafzetbare mannen, die zelf burgemeesters en schepenen benoemden. Doch volgens de getuigenis van de aanzienlijkste personen der stad, moest de Prins met gezag doortasten en de slechte elementen verwijderen. Er waren er zelfs, die beweerden, dat hij niet ver genoeg met de zuivering was gegaan.

"Doch zoo was," zegt Fruin, "Prins Willem gewoon te handelen; hij maakte zich het regeeren niet gemakkelijk, door elken tegenstand voor goed te breken; hij behielp zich met hetgeen hij vond en veranderde slechts als het onvermijdelijk was en dan nog niet meer dan het dringend noodige. Van alle dwingelandij, met welk goed doel ook, was hij afkeerig. Hij had behoefte aan medewerking, niet aan blinde gehoorzaamheid."

Behalve persoonlijke geschenken aan de verdienstelijkste mannen, die hadden meegewerkt aan het ontzet van Leiden, ontving de stad zelf voor haar trouw en standvastigheid, twee giften van groote waarde. Allereerst de vergunning om jaarlijks een tiendaagsche jaarmarkt te houden, vrij van alle tollen en lasten. Nog veel grooter gift was de stichting van de Universiteit--de eerste Protestantsche hoogeschool op Nederlandschen grond. Reeds op 8 Febr. 1575 werden de professoren van deze nieuwe instelling ingewijd met ceremoniën en allegorische voorstellingen, waarop de Nederlanders steeds zóózeer waren gesteld, dat geen ellende noch jammer hun lust tot zulk een vertooning ooit kon uitdooven.