Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 32
De burgers dier stad hadden zich niet op deze gebeurtenis voorbereid, hoewel zij uit het voorbeeld van andere steden wel wijsheid hadden mogen putten. Haarlem en Amsterdam waren nog de eenige steden in Holland, die in de macht der vijanden waren, terwijl in Zeeland Middelburg nog Spaansch was, maar deze stad was door een geuzenvloot ingesloten. De tijdingen uit Duitschland waren zoo vol hoop, dat de Prins dacht in de lente misschien wel met den nieuwen landvoogd, van een voordeelig standpunt uit, te kunnen onderhandelen. Ook zonder bemiddeling van den keizer meende hij thans wellicht gelegenheid te hebben, tot een schikking met Filips te komen. Juliaan Romero, een vroegere krijgsmakker van Oranje begon in November tegenover den Prins eenige openingen tot onderhandeling te doen. "Ik heb drie of vier brieven van Juliaan Romero ontvangen, schreef Oranje aan zijn broeders, "vol hoffelijkheden en beleefde aanbiedingen, die ik op dezelfde wijze beantwoordde."
Uit de onderhandelingen met Romero blijkt, dat hij Oranje verzocht had met hem een samenkomst te hebben. De Prins ging daar echter niet op in maar beloofde een vertrouwd persoon te zenden om met Romero over de gevangenen te onderhandelen. Tot dezen behoorde nog altijd Marnix van St. Aldegonde en Romero verzocht den Prins, hem voor Bossu in te ruilen. Hoewel Oranje zeer gehecht was aan Aldegonde, ging hij toch op dit voorstel niet in, daar hij Bossu, den door den koning aangestelden stadhouder van Holland, een te hoogen prijs vond. Marnix en Bossu bleven derhalve vooreerst nog in de gevangenis, maar noch de een, noch de ander had reden tot klagen. Het bevreemdt ons daarom, dat er uit die dagen van Marnix' gevangenschap brieven van hem aan den Prins bestaan, waaruit duidelijk blijkt, hoe hij den moed had verloren.
Marnix gaat zelfs zoover, Oranje in overweging te geven met den strijd te eindigen, alle banden met het vaderland te verbreken en in een vreemd land te gaan leven, waar men zijn ziel in vrede kan bezitten. Hij acht dit beter dan in voortdurenden oorlog te verkeeren, "hetgeen niet anders kan uitloopen dan op goddeloosheid en ellende en die de goddelijke wraak zal wakker roepen," zoo schrijft Marnix.
Hoewel de Prins de goede bedoeling van zijn trouwen vriend Aldegonde waardeert, meent hij toch, na de Staten over den brief gehoord te hebben, het voorstel van Marnix geheel te moeten verwerpen.
In zijn antwoord wijst hij erop, welke slechte gevolgen o. a. het accoord van 1566 heeft gehad, dat ten slotte op niets uitliep dan op de uitoefening van den waren godsdienst en den moord van duizenden; het volk, rekenende op de zoogenaamde pardons en verdragen, kwam jammerlijk bedrogen uit en hun vertrouwen werd beloond met verbanning en dood. Ook herinnert Oranje hem aan den gruwelijken Franschen moord, die niet tijdens den oorlog, maar in een periode van vrede, ja te midden van huwelijksfeesten plaats had. Neen, noch Oranje, noch de Staten willen er iets van weten en, zegt de Prins aan het slot van zijn schrijven: "Wil Z. M. werkelijk de tegenwoordige ellende doen ophouden, dan zal hij zich voor altijd een goeden naam hebben verworven."
Deze brief dagteekende van 28 November 1573 uit Delft, waar de gewone residentie van Oranje in die dagen was. Uit het overleg met de Staten blijkt tevens in welke verhouding de stadhouder sedert 1572 tot de Staten stond. Op de vergadering te Dordrecht was de Prins als stadhouder erkend, waardoor het gezag aan hem werd toevertrouwd. Spoedig was hij verplicht geweest door de overstelpende bezigheden en de herhaalde afwezigheid een deel van het bewind aan de Staten op te dragen, waardoor hun invloed steeds grooter werd. In de lente van 1573 stelde hij naast zich drie raden in, voor de financiën, voor de admiraliteit en den Raad van State. In den laatste bekleedde Paulus Buys, sedert 1572 advocaat van den lande, eene belangrijke plaats. Hij was als zoodanig de raadsman van Oranje en de Staten en werd later de rechterhand van den Prins.
Niettegenstaande den brief van Oranje aan Marnix, waarin hij, gelijk we zagen, niet in het minst vertrouwen op vredesonderhandelingen had, bleven zij toch slepende. De vrijheid van geweten en de handhaving van de oude privilegiën zette de Prins op den voorgrond. Noircarmes, die te Utrecht de plaats van Bossu als Stadhouder had ingenomen, opende eveneens een briefwisseling met den Prins, die de bedoeling had tot den vrede te leiden. De nieuwe landvoogd beproefde alle middelen, om den Prins te bewegen den strijd op te geven, ook nog telkens in het jaar 1574. De Prins antwoordde op zeer koelen en waardigen toon en hij kon hem zelfs later onderschepte brieven voorleggen, die duidelijk bewezen, dat er niet de minste hoop was op verandering van gezindheid bij den koning. Het ontbrak ook van andere zijden den Prins niet aan raadgevers, die hem den krijg wilden doen eindigen. Landgraaf Willem van Hessen schreef hem o. a.: "Het is verloren spel, dat gij speelt, geef het op, terwijl gij nog iets te verliezen hebt." Maar de Prins was en bleef doof voor die vermaningen. Geen aanbiedingen zelfs van geldelijke schadeloosstelling, mits hij de Nederlanden verliet, konden hem terugbrengen van voortzetting van den krijg. Het ontbrak hem ten eenenmale aan vertrouwen op 's konings woord; hij wilde zijn lot niet van dat der Nederlanden scheiden en bovenal wilde hij, hetgeen Spanje nooit zou toestaan: vrijheid van godsdienst.
De eenige, die Oranje in die dagen hoop gaf, was zijn broeder Lodewijk. Te Blamont had hij Fransche geldelijke hulp gekregen en zijn expeditie, die hij reeds lang voornemens was, werd door hertog Casimir gesteund. Op zijn komst met een leger had Oranje reeds lang gehoopt. De belofte van die naderende komst gaf den Prins nieuwen moed. De oorlog werd voortgezet.
In December 1573 ging de Prins naar Zeeland en sloeg zijn hoofdkwartier op te Zierikzee, om den loop der belegering van Middelburg af te wachten, waarbinnen de Spaansche royalisten met denzelfden moed en dezelfde volharding het beleg van de geuzenvloot volhielden als de Haarlemmers dit bij het beleg der Spanjaarden hadden gedaan.
HOOFDSTUK XVIII.
MOOK EN LEIDEN. 1574.
Het jaar 1574 opende zich onder goede vooruitzichten voor het land. Alva was vertrokken en opgevolgd door een man, die tot vrede geneigd was. In Middelburg hielden de Geuzen den wakkeren Mondragon zóó ingesloten, dat de kans op bewaring der stad zeer klein was. Geduldig wachtte de Prins in Zierikzee op den afloop.
Elke regel, die hij gedurende dien winter schreef, spreekt van verlatenheid, waaronder hij gebogen ging.
Zijn broeders schreven hem voortdurend, maar de communicatie tusschen Dillenburg en Zeeland was zoo slecht, dat maar een klein gedeelte van de hartelijke brieven hun bestemming bereikte.
Dit maakte Oranje onrustig en stemde hem somber; "Sedert den 6en November heb ik geen woord van u vernomen," schrijft de Prins op den 6en Januari uit Vlissingen aan zijn broeders. Dringend vraagt hij om bericht hoe de zaken staan en waarop hij mag rekenen, opdat de droevige geschiedenis van Haarlem zich niet zal herhalen. "Waarom worden de maatregelen, die gij genomen hebt, zoo lang uitgesteld?" gaat hij verder, "nu zou daadwerkelijke hulp wat beteekenen, want de vijand is ontmoedigd, verdeeld en naar alle kanten verspreid."
Nog voordat hij den brief had verstuurd kwam er tijding van Jan uit Dillenburg, den 21en November verzonden, waarin deze vertelt over de ontmoeting van Lodewijk met den koning van Polen. Oranje dankt hem ten zeerste en bericht tevens, dat Middelburg tot zulk een uiterste is gebracht, dat de stad eerstdaags wel in hun handen zal vallen. Vele mannen, vrouwen en kinderen sterven dagelijks van honger en het zal den vijand niet gelukken, de stad van proviand te voorzien.
Misschien had Mondragon het nog langer dan de Prins vermoedde in Middelburg uitgehouden, wanneer niet in dezelfde maand Januari, Oranjes admiraal Boisot, een glorierijke overwinning op een Spaansche vloot had behaald.
Requesens wilde nl. een poging wagen om Middelburg te ontzetten; daarom verzamelde hij een groot aantal schepen bij Bergen op Zoom, die met een vloot van dertig schepen onder d'Avila van Antwerpen uit naar Middelburg zouden stevenen. d'Avila kwam in het laatst van Januari niet ver van Vlissingen aan, teneinde daar de komst van de andere vloot onder Romero af te wachten en dan gezamenlijk het uitgehongerde Middelburg hulp te verleenen.
Requesens begaf zich naar Bergen op Zoom om het vertrek van Romero's schepen te bespoedigen, doch de Prins van Oranje zou niet gedoogen, dat de stad langs dien weg gered werd.
De vloot van admiraal Boisot was reeds de Schelde opgevaren en had tegenover Bergen op Zoom het anker laten vallen. Oranje scheepte zich te Zierikzee in en bracht de geuzenvloot een bezoek; de onderbevelhebbers werden bijeengeroepen en hij hield hun kort en krachtig voor, van welk groot belang het was, dat Middelburg, de sleutel van Zeeland, in hun handen zou vallen. Zijn bezoek miste de uitwerking niet; men zwoer den Prins alles voor het vaderland en de goede zaak, die zij dienden, over te hebben en alle krachten te zullen inspannen den Spanjaarden te beletten in Middelburg te komen.
Den 29en Januari liep de vloot van Romero uit Bergen op Zoom, gesplitst in drie smaldeelen elk van vijf en twintig vaartuigen. Tegenover Roemerswaal wachtte Boisot, in slagorde geschaard, de Spanjaarden op. Men had besloten de Spaansche schepen te enteren en al het volk stond op het dek met handspaken en enterbijlen gereed.
Zoovelen van Romero's schepen als men op den nauwen waterplas enteren kon, raakten ook aan den vijand vast. Een moorddadig gevecht van man tegen man volgde, waarbij bijl, enterpiek, pistool en dolk de wapenen waren.
Reeds spoedig bleek de minderheid der Spanjaarden en nadat zij tal van schepen hadden verloren en eenige honderden Spanjaarden gesneuveld waren, vertrok het overschot van 's vijands vloot naar Bergen op Zoom.
Hier stond de groot-kommandeur op een dijk het verloop van het gevecht gade te slaan en was daardoor getuige van de volslagen nederlaag. Romero, wiens schip in den grond was geboord, kwam zwemmende aan wal, juist waar Requesens stond. "Ik heb Uwe Excellentie gezegd," zei Romero koeltjes, toen hij druipend nat op het strand klom, "dat ik een landsoldaat en geen zeeman was. Indien gij mij bevel gaaft over een honderdtal vloten, ik zou het er niet beter hebben afgebracht dan nu."
Het gevolg was, dat d'Avila ook verplicht was naar Antwerpen terug te keeren en Mondragon in Middelburg aan zijn lot moest worden overgelaten.
In het midden van Februari gaf de stad zich over; op den 18en dier maand teekende de Prins vijf artikelen, waarbij aan den Spaanschen bevelhebber eervolle uittocht werd verleend.
Deze gebeurtenis was in menig opzicht allerbelangrijkst. Volgens de Spanjaarden was de Prins een rebel, de leider van een oproerigen troep, met wien men niet, als met een oorlogvoerende mogendheid kon onderhandelen. Toen Mondragon toestemde tot een mondelinge onderhandeling, stond door dit feit de Prins aanstonds op een geheel ander standpunt, waarvan hij niet meer afweek.
In de artikelen, die Oranje aan Mondragon ter teekening aanbood, werd met opzet vermeld, dat Oranje de stadhouder van den koning was en dat de burgers trouw aan hem moesten zweren en eene schatting van 300.000 florijnen zouden betalen. Ook beloofde Mondragon de loslating van Aldegonde en vier andere gevangenen van hooger rang te bewerkstelligen en, indien dit niet gelukte binnen twee maanden, dan zou hij zelf terugkeeren en zich als krijgsgevangene aan den Prins overleveren.
Een paar dagen na het vertrek van Mondragon verscheen de Prins in de stad en organiseerde er aanstonds het bestuur. Hierin kreeg Oranje veel macht, daar de abt van Middelburg, een der drie leden van de Staten, verviel en de adel alleen vertegenwoordigd werd door een zoogenaamden Eersten Edele, welke waardigheid Oranje in 1562 voor zijn oudsten zoon had verkregen. Door het verblijf van dien zoon in Spanje, was de waardigheid op den Prins overgegaan, die als zijn vertegenwoordiger Arend van Dorp, gouverneur van Zierikzee, aanstelde. Iets later kocht Oranje het markiezaat van Veere en Vlissingen, waardoor zijn macht nog aangroeide in Zeeland, daar deze steden met de andere in de Staten optraden. Op dubbele wijze had de Prins dus in dit gewest grooten invloed, waaruit dan ook te verklaren is, dat de macht van de Prinsen van Oranje in het geheele verloop van de geschiedenis onzer Republiek zeer groot is geweest.
Behalve dat het dagelijksch bestuur uit vertrouwde vrienden van den Prins werd gevormd, nam men ook maatregelen om Zuid-Beveland en Tholen eveneens van de Spanjaarden te bevrijden.
Ondertusschen bleef het er in Holland nog droevig uitzien. Terwijl Amsterdam en Haarlem in handen der Spanjaarden waren, werd Leiden langzamerhand door Valdez ingesloten. Van een eigenlijke belegering van Leiden, in den ouden zin van het woord, was geen sprake. Het platteland rondom de stad werd bezet met een aantal schansen, teneinde de bewoners der stad door den honger tot overgave te dwingen.
Men was aan die bezetting steeds bezig, toen in Februari 1574 graaf Lodewijk met zijn leger te velde kwam. Fransch geld en Duitsche troepen hadden den vurigen man daartoe eindelijk in staat gesteld. Wat een moeite had de ijverige Lodewijk zich daarvoor getroost! Niet alleen hij, maar al de Nassau's hadden het hunne bijgebracht, om het nieuwe plan te doen slagen. In Januari had de graaf reeds te Frankfort 3000 ruiters en 10.000 voetknechten bijeen. Hendrik, zijn broer, zou ook deelnemen aan den tocht. Eerst was Lodewijks voornemen, een nieuwen inval in Groningen te doen, maar daar hij zich in het zuiden met de Fransche troepen zou vereenigen, koos hij een aanslag op Maastricht en Luik. Het had hem de grootste moeite gekost de bisschoppen althans onzijdig te houden. Waren enkelen alleen voor goeden buit vatbaar, anderen werden door huwelijksplannen gunstig gestemd, zooals de bisschop van Keulen, waardoor Lodewijk vergunning verkreeg deze stad als zijn hoofdkwartier te gebruiken, hetgeen hem zeer te pas kwam. Van de Duitsche zijde scheen daar alles tot het welslagen van den tocht mede te werken. Jammer, dat het leger zelf zooveel te wenschen overliet. Het was niet veel meer dan een samengeraapte bende, slecht gewapend en ongeoefend. Zoo toog men naar Maastricht, ook mede op raad van den Prins, die dat de voordeeligste weg vond en die reeds in November 1573 had geschreven: "Mij dunkt wanneer gij de onderneming op Friesland en Groningen tot Maart uitstelt, gij beter doen zult, al uw krachten naar Maastricht te wenden en wel met de meest mogelijke haast, voor ik geheel ben ingesloten".
Tegen het einde van Februari bereikte Lodewijk de Maas en legerde zich bij Maastricht, aan den Duitschen kant van de rivier. Requesens had echter ook Duitsche hulptroepen gelicht en uit zooveel steden als hij durfde, de garnizoens genomen; zelfs had hij een deel der troepen, die Leiden insloten, naar het zuiden gezonden. Mendoza, de Spaansche generaal, was reeds voor Lodewijks aankomst in Maastricht en don Sancho d'Avila kwam Mendoza kort daarop nog versterken. Van Lodewijks leger waren reeds, voor dat het de grenzen was overgetrokken, 1000 man gedeserteerd. Hij had gehoopt, aanstonds de Maas te kunnen oversteken, maar het drijfijs verhinderde de booten. Daarom bleef hij nog aan de andere zijde gelegerd, 4 mijlen boven Maastricht. Dat oponthoud was de oorzaak van den noodlottigen afloop, want als hij onmiddellijk had kunnen doorgaan, dan was d'Avila niet gereed geweest hem te volgen en het leger van Lodewijk had den Bommelerwaard kunnen bereiken, waar de Prins eenige troepen had verzameld, die zich dan met Lodewijks leger hadden kunnen vereenigen.
Nu echter was hij gedwongen te wachten en werd hij nog bij Bemelen door een nachtelijken aanval op zijn kamp zeer geschaad, zoodat hij 700 man verloor en zelfs naar den kant van Valkenburg moest aftrekken. [9] Het was eerst in het begin van April, dat hij zich noordwaarts naar Roermond kon wenden. Op weg daarheen maakten zijn troepen zich aan schandelijke wanordelijkheid schuldig. Ook Roermond kon hij evenmin als Maastricht of Luik nemen, daar ook die stad door Spanjaarden bezet was. Toen trok hij noordwaarts, van plan bij Nijmegen door de Betuwe naar den Bommelerwaard te gaan.
Den 13en April kwam hij bij Mook aan, doch d'Avila was aan de andere zijde van de Maas Lodewijks leger gevolgd en bracht zijn troepen bij Grave op een haastig van booten gebouwde brug naar denzelfden kant der rivier over. Lodewijk was dus binnen een betrekkelijk kleine ruimte tusschen Maas en Waal ingesloten. Hij liet een gracht graven, waarvan nog de overblijfselen bij het tegenwoordig klooster te vinden zijn, doch dat was zijn eenig zwak verdedigingspunt. d'Avila's stelling daarentegen was veel voordeeliger. Het steunpunt daarvan was de Maas. Lodewijks kracht lag in zijn ruiterij, hij had toen 1800 ruiters, terwijl de Spaansche veldheer slechts eenige honderden ruiters had; maar op de plaats, door d'Avila voor den slag gekozen, kon Lodewijk van die ruiterij geen voordeel hebben. Had hij een slag kunnen vermijden, dan had hij het zeker gedaan, maar dit was onmogelijk. Bij het aanbreken van den dag, op den 14en April, begonnen de Spanjaarden den aanval op de gracht en uren lang duurde het gevecht. Tot driemalen toe werd die aanval herhaald en bleef de uitslag onzeker. Toen scheen eerst door de attaque van Lodewijks ruiterij, de overwinning aan zijn kant te zijn, zoodat de voorhoede der Spaansche ruiters zelfs over de Maas gedreven werd. Doch daarop keerde plotseling de kans. De enkele honderden ruiters der Spanjaarden waren door een duizendtal, de voorhoede van het leger van Valdez, versterkt; ze drongen op de Duitschers in en een algemeene vlucht van dezen in de bosschen volgde. Nog hielden de hoofden stand, maar ze werden door de overmacht verpletterd en Lodewijk van Nassau, zijn broeder Hendrik en Christoffel van de Paltz kwamen jammerlijk om het leven.
Met Lodewijk bovenal ging een held te gronde, die zeldzame gaven in zich vereenigde, wiens ridderlijk karakter niet alleen, maar ook wiens adeldom van geest door allen, die hem gekend hebben, om strijd is geroemd. Van zijn twintigste jaar af was hij steeds aan de zaak van Oranje verbonden. In zijn 36e levensjaar vond hij den dood op de Mookerheide en wanneer we terugzien op al wat hij gedurende die 15 jaar heeft verricht, dan lijkt ons die tijdruimte bijna te klein voor al dien arbeid. Niet altijd was hij met Oranje geheel een van zin geweest. Hij is overal, waar we hem ontmoeten, de vurige man, die de voorzichtigheid van den staatsman wel eens uit het oog verloor, maar die gedreven werd door een onstuimigen aandrang, om ten uitvoer te brengen, wat hij goed en nuttig achtte. Van zijn deelneming aan het verbond der Edelen af, eigenlijk tegen den zin zijns broeders, tot zijn laatsten veldtocht toe, nergens verloochende hij die geestdriftige natuur. "Lodewijk--zoo zegt prof. Blok--was een man van het oogenblik; vurig en ridderlijk; onstuimig toesnellend op zijn doel; driftig voorthollend op den weg van het avontuur; het gevaar uitdagend; zijn woorden weinig wikkend, bewegelijk en hartstochtelijk; geboren krijgsman, zoo al geen legerhoofd."
Meer dan een zijner impulsieve daden heeft het succes van belangrijke maatregelen bedreigd; meer dan eens wilde de voorzichtige Prins al de plannen van Lodewijk niet kennen. Ook in het godsdienstige kwam datzelfde karakter uit. Hij had een innig godsdienstige overtuiging; zijn doel was altijd de bevordering van de protestantsche zaak; hij maakte die niet aan de politiek, maar wel deze aan het Protestantisme dienstbaar. Van de hooge verdraagzaamheid van Oranje wilde Lodewijk niet weten. Hij liet zich vaak tot heftigheid tegen het Pausdom en de katholieke kerk verleiden. Doch ook die vurige ijver vloeide voort uit zijn geestdriftige natuur, waarom hij in tallooze kringen zoo bemind was. Bemind in Dillenburg, bemind aan het Fransche hof, bemind bovenal door zijne moeder. Van liefde echter vinden we, na zijn vergeefsch huwelijksaanzoek om de erfgename van Rijsberg, in zijn leven geen spoor, of het moest zijn de hulp, die hij verleende aan Charlotte van Bourbon bij haar vlucht uit het klooster in N.-Frankrijk, waarover later. Hij bleef althans ongehuwd. Maar al werd hij door geene droeve weduwe betreurd, zijn dood liet een leegte achter in tallooze gemoederen. De Fransche Hugenoten betreurden hem als een hunner meest geliefde leiders. De Hollanders wachtten thans vergeefs op hun Engel Gabriël. De Duitschers zouden hun Bayard nimmer wederzien.
Bovenal Juliana van Stolberg, die Lodewijk buitengewoon liefhad en die hem onlangs nog op zijn ziekbed met zooveel toewijding had verzorgd, smolt weg in tranen. En de Prins? Bij den slag op de Mookerheide ging er een licht voor hem uit, welks afwezigheid zijn geheele leven door hem gevoeld werd. In zijn Apologie wijdde hij o.a. deze woorden aan zijn nagedachtenis: "Zij, die omtrent mijn broeder Lodewijk iets te zeggen hebben, deden beter zulk een goed ridder met rust te laten. Met hem kunnen ze niet worden vergeleken en een veel beter Christen was hij."
Hendrik, die ter zelfder tijd zijn leven verloor, was slechts 24 jaar. Van hem persoonlijk is weinig bekend; wel weten wij, dat hij meermalen het voorwerp uitmaakte van de zorg en overleggingen zijner moeder en broeders. Als Oranje daarin deelde, hebben wij niet verzuimd het te melden. Behalve een stijf gestelden Latijnschen brief van Hendrik uit zijn jongenstijd, is er niets meer van zijn hand bewaard gebleven.
Er wordt wel beweerd, dat de Prins over het voornemen van graaf Lodewijk, om bij Herwaarden tusschen Maas en Rijn de rivier te passeeren, niet zeer tevreden was. Hij zou het groote gevaar daarvan hebben ingezien en zich ook niet in staat geacht hebben, in zulk een groote haast voldoend oorlogsgereedschap op die rivier te zenden. Ook zou Oranje zelfs tot de intieme vrienden gezegd hebben, dat, "hoe lief en aangenaam zijns broeders komst hem ook mocht wezen, hij nogtans op dien tijd wel lijden mocht, dat hij met zijn leger 100 mijlen van daar was." Dat bericht, hoe geloofwaardig op zich zelf, wordt niet bevestigd door een schrijven van den Prins uit Dordrecht van den 13en April, waarin hij zijn broeders belooft, dat hij al zijn best zal doen, om hen bij hun aankomst in de omstreken van Tiel door een goed escorte te doen ontvangen. Het kan echter wel zijn, dat Oranje in vertrouwelijke gesprekken zich niet zoo optimistisch omtrent Lodewijks inval uitliet en toch hem zelf daarmede niet wilde bezwaren. De geheele maand April verliep, zonder dat de Prins en zijn geheele familie van het smartelijk ongeval kennis kreeg.
Uit brieven van den 15en en 17en April bleek, dat Oranje nog niets bekend was omtrent het ongelukkig verloop van den veldtocht; hij was integendeel vol goeden moed en de berichten uit Engeland waren ook gunstig, daar de regeering meer geneigd scheen om met Duitschland verbonden, den koning van Spanje openlijk den oorlog te verklaren.
Berichten ontving Oranje niet; geen enkel antwoord van zijn broeders op de zeven brieven vanaf den 10en der maand aan hen geschreven.
Wel is hem bekend geworden, dat er een nederlaag is geleden, zooals uit het schrijven van den Prins aan Jan van Nassau blijkt, maar omtrent het lot van zijn broers en Christoffel van de Paltz weet hij absoluut niets.