Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 31
Op Engelands hulp kon in 't geheel niet worden vertrouwd; Elisabeth had toenadering tot Alva getoond en het aanbod van den Prins, om Holland en Zeeland onder haar gebied te brengen, had de vorstin afgeslagen. Engeland poogde zelfs de handelsbetrekkingen met Spanje te hernieuwen, maar hoewel dit mislukte, bleef Elisabeth als vroeger even dubbelzinnig tegenover de Watergeuzen.
In een aanknooping der vredesonderhandelingen met Spanje zag Oranje echter erg weinig licht; toch waren er die meenden, dat het succes kon hebben. Jan van Nassau ging zelfs in Mei naar Keulen, uitdrukkelijk met het doel den vrede te bevorderen, terwijl de landgraaf van Hessen zich bereid verklaarde als bemiddelaar op te treden om den vrede tusschen Filips en zijne onderdanen op den grondslag van den vrede van Augsburg van 1555 te helpen stichten.
"Ik kan me niet voorstellen," schrijft Oranje aan Lodewijk, "dat de Koning van Spanje ooit eenigen vrede met zijn onderdanen sluiten zal, dan alleen in den vorm van pardons, die gewoonlijk vol capties en excepties zijn en buitendien natuurlijk weinig vertrouwbaar, omdat een gunst weder naar willekeur en welbehagen kan worden teruggeroepen."
Wat het verbond van Frankrijk aangaat, waarop Oranje altijd hoopt, schrijft hij aan Lodewijk, dat de Staten er een groot wantrouwen in koesteren, tengevolge van de vreeselijke daad, die de koning van dat land op zijn geweten heeft en, gaat de Prins verder:
"Men acht zijn verraad, zijn tirannie en wreedheid zoo verschrikkelijk, dat men beweert, dat het dan nog beter is, door zijn natuurlijken vorst te worden onderdrukt en die meening is diep in het hart van ieder geworteld en is inderdaad redelijk."
Alleen echter van Frankrijk, den ouden vijand van het Bourgondisch-Habsburgsche huis, verwachtte Oranje op den duur hulp.
Zooals we zagen, daagde er voor Haarlem geen hulp van Lodewijks kant en moest de stad zich ten slotte overgeven.
Dat Haarlems val grooten indruk maakte is licht te begrijpen; Oranje ging de steden rond, ze "bezoekende en sterkende" gelijk een oud schrijver zegt. Wel klaagde de Prins, dat hij raad noch steun in deze moeilijke omstandigheden ontving, maar zijn grootste kracht vond hij in die dagen in zijn vurig en warm geloof. Van dien tijd dagteekent ook de bekende uiting, welke van zijn godsdienstig gemoed de hoogste getuigenis aflegt. Op de vraag van zijn vrienden in Noord-Holland, of hij geen machtig vorst tot bondgenoot had, schreef hij hun deze indrukwekkende woorden:
"Wij willen u daarop antwoorden, dat, aleer wij deze zaak tot bescherming der Christenen en andere verdrukten in dit land zijn begonnen, wij met den alleroppersten Potentaat der Potentaten zulk een vast verbond hebben gesloten, dat wij geheel verzekerd zijn, dat wij en al degenen die daarop vertrouwen, door zijn geweldige en machtige hand ten laatste nog ontzet zullen worden."
Die bemoedigende toon hielp. De bevolking van Holland besloot, ook zonder andere bondgenooten, den strijd voort te zetten. En het was, alsof die nieuwe moed, in het hart der bevolking overgestort, ook aanstonds eenig licht in den donkeren toestand aanbracht. Want van Alkmaar begon de victorie!
Na Haarlem kwam Alkmaar aan de beurt. Reeds in Juli, nog tijdens het beleg van de Spaarnestad, hadden de Spanjaarden een vergeefsche poging gedaan de stad te nemen, maar nu Haarlem gevallen was en ook de muiterij onder het Spaansche krijgsvolk was bedwongen, kon Don Frederik al zijn krachten gebruiken om ook deze stad in het lot van Haarlem te doen deelen.
De Spaansche krijgsoverste had goede plannen, want hij was reeds besloten tegenover Alkmaar niet zoo goedertieren (!) op te treden als tegen Haarlem. Aan Filips schreef hij zelfs, dat er in de stad geen levende ziel behoorde gelaten te worden, want met goedheid was er met dit volk niets uit te richten.
Den 21en Augustus begon de insluiting en binnen enkele dagen reeds kon Alva aan zijn koning berichten, dat "geen mensch bij mogelijkheid uit of in de stad kon komen."
De strijd was wel ongelijk! De sterkte der belegeraars bedroeg ongeveer 16000 man, allen ervaren in den krijg, terwijl de stad een 2000 weerbare mannen telde, waaronder een 700 krijgslieden van beroep waren.
Van overgave, zooals Don Frederik bij aankomst eischte, was echter geen sprake. De opperbevelhebber met de Burgemeesters en vroedschappen besloten zelfs, niet met den vijand "in gesprek te treden".
De bezetting begreep welk lot haar te wachten stond en besloot zich tot het uiterste te verdedigen, maar daarbij rekende zij op een machtigen bondgenoot: het water. De onderwaterzetting van de omstreken bracht natuurlijk tal van bezwaren mede en zoo besloot men iemand met brieven naar Sonoy te zenden, teneinde het doorsteken van de dijken te verkrijgen.
Het gelukte Pieter van der Meij het waagstuk te volvoeren. Met een in lood gewikkelden brief, welke in een polsstok was geborgen, wist hij door het vijandelijk kamp te komen.
Intusschen hadden de belegeraars niet stilgezeten, doch de vele schermutselingen, welke hadden plaats gehad waren zonder groote gevolgen gebleven. Den 18en September werd door Don Frederik een ernstige aanval op de stad gedaan; na gedurende twaalf uur op de stad geschoten te hebben, trachtte de bevelhebber de veste stormenderhand te nemen. Met groote onstuimigheid rukten de troepen met de Lombardische keurbenden aan het hoofd op de Friesche poort en den rooden Toren los, maar de ontvangst viel hun niet mee.
Alle burgers waren op de wallen; de bestormers, zegt een tijdgenoot, werden met grof geschut, musket- en pistoolvuur begroet; kokend water, pek en olie, gesmolten lood en ongebluschte kalk stroomden op hen; honderden brandende pekkransen werden hen behendig om den hals geslingerd en vruchteloos worstelden zij om zich van die doodelijke halskragen te ontdoen; niet zoodra had een hunner den voet gezet in de bres, of hij werd met zwaard en dolk door de burgers ontvangen en hals over kop in de gracht teruggeworpen.
De aanval werd tot driemaal toe ondernomen, maar ook telkens weer afgeslagen. Niet alleen mannen, maar ook vrouwen en kinderen namen aan de verdediging deel; ze stoorden zich niet aan het fluiten der kogels en voorzagen de mannen op de wallen van kruit en lood, dat ze uit de tuighuizen haalden. Zulk een hardnekkig verzet bleef dan ook niet zonder succes, want tegen het vallen van den avond trokken de Spanjaarden af met een verlies van eenige honderden dooden. Alva's vergrijsde krijgers hadden het dien dag afgelegd.
De stad van Alkmaar behielt de kroon, Zij gaaven de Spanjaards kranssen, Pijpen en trommelen gingen daar schoon, Men speelde daar vreemde danssen, De Spanjaards stonden daar vergaart, Zij dansten een nieuwe Spaansche galjaart, Maar zij vergaten te komen in hun schansen.
Het is begrijpelijk, dat de burgers bemoedigd werden door dezen uitslag en ook de berichten van een gevangen genomen Spanjaard brachten de belegerden op de hoogte van den toestand en de plannen van den vijand.
Het was intusschen van der Meij gelukt Sonoy te bereiken en deze had reeds enkele dijken laten doorsteken, zoodat het land in den omtrek der legerplaats reeds drassig was geworden.
Oranje gaf in een brief, welke van der Meij aan Sonoy overbracht te kennen, dat het beter was het land geheel onder water te zetten, dan Alkmaar in handen van de Spanjaarden te doen overgaan. Bovendien verzocht Oranje in dien brief aan de burgers vier seinvuren te ontsteken, indien tot de uiterste maatregelen moest worden overgegaan. Verheugd over deze goed geslaagde zending trachtte van der Meij weer binnen de stad te komen, hetgeen hem met veel moeite wel gelukte, maar hij had het ongeluk zijn stok te verliezen. Deze viel in handen van den vijand, waardoor Don Frederik op de hoogte kwam van den inhoud der brieven, welke hem voldoende toonde, hoe er alles op gezet zou worden om de stad te behouden.
De geest onder het Spaansche krijgsvolk was er al niet beter op geworden na de vergeefsche stormaanvallen, maar als zijn soldaten nu nog vernamen dat een veel grootere vijand, het water, hen op de hielen zat, dan zou de toestand nog minder worden.
Daarom gaf Don Frederik, meenende, dat men voor de eer der Spaansche wapenen genoeg gedaan had, bevel tot het opbreken van het beleg.
Het was de 8e October! Alkmaar ontzet!
Oorlof die daar in Alkmaar zijn De Heer heeft zijnen zeegen Gegeeven nu op dit termijn Door zijnen grooten reegen. Door 's menschen hulp nog door bijstand Dan alleen door Gods magtige hand Hebt gij 't ontzet gekreegen. [8]
Behalve dit groote succes was Bossu op de Zuiderzee verslagen en werd deze koninklijke stadhouder gevankelijk binnen Hoorn gebracht.
Wel stond daar tegenover het verlies van Marnix van St. Aldegonde, die bij Maaslandsluis gevangen genomen en naar Den Haag gevoerd werd, doch ook begon van verschillende andere zijden het licht door de wolken te breken.
De zooeven aangehaalde getuigenis omtrent het innig geloof van Oranje, verdient eenige nadere toelichting, te meer omdat men juist dergelijke uitspraken van hem heeft aangemerkt als bewijzen voor het huichelachtig karakter van den Prins.
Dit is echter onjuist, want het langzaam ontwaken van den Prins is historisch zeer duidelijk te constateeren. Vroeger zagen we reeds, hoe het bovenal tijdens zijn ballingschap in Dillenburg was ontwaakt en hoe de voortdurende omgang met zijne moeder, de vrome vrouw bij uitnemendheid, ook zijn hart allengs ontvankelijk had gemaakt voor het godsdienstig leven. Juliana bleef met den Prins, ook toen hij weer naar Holland was vertrokken, in voortdurende briefwisseling.
"Met welk een blijdschap," schreef zij aan Oranje tijdens het beleg van Haarlem, "heb ik uw schrijven ontvangen en uw welvaart gelezen! De Almachtige beschutte en bescherme U met al de Uwen en sta U bij in de groote zaak... Al laat het zich aanzien, of Hij ons had vergeten, Hij zal zich te zijner tijd met zijn hulp laten vinden..."
Zou het anders mogelijk zijn geweest, dan dat zulke woorden den Prins zelf godvruchtig stemden? Hoe vreugdevol en deelnemend schrijft zijne moeder hem na de overwinning van Bossu op de Zuiderzee: "Met hoe hartelijke vreugde heb ik Uw brief ontvangen, waaruit ik de groote overwinning las, waarbij zoovele schepen en krijgslieden der vijanden door de genade Gods in Uwe handen gevallen zijn. Den Almachtige zij dank in eeuwigheid! Moge Hij altijd met U zijn en steeds de opperste Raadgever en Helper van mijn zoon in alle zaken blijven!" Zou die moederlijke toon tegenover den Prins, die in die dagen juist geklaagd had over zijne eenzaamheid, terwijl hij niemand had, die hem diende met hulp en raad, zou die moederlijke toon geen ingang gevonden hebben in zijn hart? Wij voor ons gelooven dit zonder eenigen twijfel en de stap, dien hij dan ook in de maand October deed en die hem voor goed zoowel van het "oud geloof" als van de Augsburgsche confessie scheidde, die stap is zielkundig zeer goed te verklaren, ook al nemen we daarbij alle wereldsche redenen in aanmerking, welke hem er mede toe bewogen.
Wij bedoelen zijn openlijken overgang tot het Calvinisme. Op den 23en Oct. schreef een zekere predikant, Bartholdus Wilhelmi, te Dordrecht wonende, aan een der Londensche Kerken: "Broeders! ik heb u niet kunnen verbergen de genade, die God ons bewezen heeft, dat de Prins van Oranje, onze Godzalige Stadhouder, zich tot de gemeente heeft begeven, het brood des Heeren met de gemeente gebroken en zich aan de kerkelijke tucht onderworpen heeft, hetwelk niet klein te achten is."
Neen waarlijk, die stap van den Prins was niet gering te achten; integendeel, hij besliste over de toekomst der Nederlanden. Het is bekend genoeg, dat de Prins met de omhelzing van het Calvinisme, in geen enkel opzicht aansprakelijk wilde zijn voor den onverdraagzamen geest, die de Calvinisten gekenmerkt had en nog eeuwenlang zou kenmerken. De Prins moest zich echter met hen één van ziel en zin verklaren, wilde er iets van de redding van het land komen. Van de dweperij en den revolutionairen geest, die de Calvinisten voorheen hadden getoond, was hij geweldig afkeerig, maar daarvan waren ook de meeste Calvinisten genezen.
Hij herinnerde zich met vreugde het levend geloof van zijn krijgsmakkers, de Hugenoten; hij behoefde thans noch zijn Luthersche vrienden en verwanten, noch de Anglicanen langer te ontzien. Met zijn overgang tot het Calvinisme was "de teerling geworpen, die over zijn verder levenslot moest beslissen." Daarmede had hij tevens de toekomst van ons vaderland bepaald. Want eerst toen kon het volk hem ten volle vertrouwen en zich aan zijne leiding overgeven. Hij werd thans meer dan ooit de ziel van den opstand, die zonder zijn invloed, zonder zijn bemoediging, zonder zijn genie allerwaarschijnlijkst op niets was uitgeloopen.
Het is wel jammer, dat er omtrent deze belangrijke gebeurtenis in zijn geschiedenis geen bijzondere brieven van den Prins meer voorhanden zijn. Natuurlijk heeft Lodewijk, die sedert zijn omgang met de Hugenoten, een ijverig Calvinist was, grooten invloed in dezen op zijn broeder uitgeoefend. In 1567 had de Prins nog van de verschillende geloofsbelijdenissen gezegd: "Het verschil is te kleen, om gesplijt te blijven." En ongetwijfeld was dit nog zijn volle meening. Doch nu was het duidelijk, dat hij het staatkundig hoofd van het volk moest zijn. Daarom was het beter voor de algemeene zaak, dat hij zich met de grootste secte vereenzelvigde, om van die sterke stelling uit ook de andere te beschermen. Doelmatigheid was het voornaamste motief tot zijn daad, doch het was een zeer oprechte doelmatigheid. Hoe moeilijk het was, het hooge standpunt van zijn verdraagzaamheid te begrijpen, wordt wel bewezen door het feit, dat zelfs vele Calvinisten hem niet ten volle vertrouwden en met argwaan zagen, hoe vriendelijk hij zich betoonde tegenover menschen, die niet tot hun gemeenschap behoorden.
Wij zagen reeds, hoe weinig de Prins verzuimde, om trots zijn "verbond met den Potentaat aller Potentaten," toch ook langs andere wegen op redding voor het land bedacht te zijn. Zijne werkzaamheid was zelfs in dezen tijd verbazingwekkend. Geen enkele mogelijkheid in eenige richting liet hij onaangeroerd; geen enkele kans om hulp te verkrijgen of sympathie op te wekken, liet hij ontsnappen. Voortdurend richtte hij lange en gedetailleerde brieven aan zijn broeders. Aan hen liet hij de onderhandeling met de Duitsche vorsten over. Voor zich bleef hij trots al wat er gebeurd was, trots zijn eigen meening en die der Staten, dat het beter was zijn natuurlijken vorst tot een tiran te hebben, dan een tiran zooals Karel IX zich getoond had, eenig geloof in Frankrijk slaan en de hoop op Frankrijk behouden. Niet omdat hij òf Karel IX òf Catharina de Medicis vertrouwde, maar omdat hij inzag dat zij er belang bij zouden hebben, den indruk van den Bartholomeusnacht uit te wisschen en motieven van eigenbelang hen wel drijven konden tot ondersteuning zijner zaak.
In Frankrijk was naast de Katholieken en de Hugenoten een derde partij ontstaan, onder den hertog van Alençon, de partij der politieken. Daarbij wenschte Catharina de Medicis den troon van Polen, die in Juli 1572 vacant was geworden, voor den Hertog van Anjou. Die poging gelukte en de nieuwe koning van Polen moest in het jaar 1573 naar zijn rijk vertrekken. Toen bood Karel IX den Prins van Oranje 100.000 kronen aan, om den oorlog tegen Spanje voort te zetten, onder voorwaarde, dat de Duitsche Protestantsche vorsten, den hertog van Anjou door hunne staten naar Polen zouden geleiden. Lodewijk was er de man niet naar, om aanstonds zonder slag of stoot op die onderhandelingen met het trouwelooze hof van Catharina in te gaan. De hardste waarheden zeide hij zoowel tot Fregoso, den afgezant van Catharina de Medicis, als in een brief aan Karel IX.
Die brief, welke zelfs in druk verscheen, vertoornde eerst wel den koning, maar ook deze offerde zijn toorn aan de staatkunde op. Door zijn broeder en door de Nederlandsche belangen aangespoord, deed ook Lodewijk, hoewel schoorvoetend en het hart vol bittere verontwaardiging, telkens een stap voorwaarts in de richting van een nieuw Fransch bondgenootschap en schreef hij in December 1573, naar aanleiding van de samenkomst te Blamont met Fransche afgevaardigden, een brief aan den Prins.
Hierin meldt hij, dat hij op raad van den Paltzgraaf een poging had gedaan om den nieuwen landvoogd te Heidelberg te ontmoeten, waar deze, op weg naar de Nederlanden, langs zou komen. Toen dit tot zijn spijt mislukt was, had hij een ontmoeting gehad met de koningin en haar zoon, den koning van Polen, die op weg naar zijn koninkrijk was. Het gevolg was geweest, dat Lodewijk aan Oranje thans kon mededeelen, dat de koning van Frankrijk beloofd had, de zaken van de Nederlanden te steunen, zelfs nog voordat de Protestantsche vorsten hetzelfde zouden willen doen. Verder bericht Lodewijk aan zijn broer, dat de zaken in Duitschland goed staan en zelfs de keurvorst van Keulen op den goeden weg is. Lodewijk belooft geld te zenden en hij geeft nog aan Oranje de verzekering, spoedig met een grooten of kleinen troep te komen.
't Was een brief vol goeden moed over de toekomst en in diezelfde dagen, dat de graaf zoo goed gestemd was, begon er voor Holland eenig licht door de wolken te breken. Wel was Haarlem gevallen, maar Alkmaar behouden en wij zagen reeds, hoe Bossu was verslagen. Ook in Zeeland waar de Boisots tegenover Mondragon stonden, begonnen de kansen zich ten gunste van den Prins te keeren. Daarbij waren er aan den kant van den vijand zeer donkere wolken te bespeuren. De tijd van Spanje's grootsten bloei was in 1570 reeds voorbij, zelfs stond een staatsbankroet voor de deur. De strijd met het kleine Holland zou, gelijk Prof. Blok schrijft, verder een strijd zijn tusschen een kolossus op leemen voeten en een kleinen doch krachtigen tegenstander.
Zelfs Alva kon, trots zijn succes, niet langer de Spaansche monarchie in de Nederlanden tot steun zijn. Behalve den vroeger reeds vermelden strijd tegen zijn persoon te Madrid, uitgaande van Ruy Gomez, en de geheime oppositie van Medina-Coeli, die hem toch ook niet opvolgde, werd de landvoogd door voortdurende geldelijke ongelegenheid gekweld. Hij had geen financieele hulpbronnen meer en kon zijn troepen daarom niet in orde houden. Bovendien was het aan een deputatie uit de Z. Nederlanden eindelijk gelukt, tegen zijn onmiddellijken raad in, den tienden penning weer geschorst te krijgen, met de belofte, dat hij zou worden afgeschaft. Van daar dat Alva met aandrang zijn ontslag vroeg, dat hem 19 Oct. werd verleend.
Den 18en December 1573 verliet hij de Nederlanden en werd hij opgevolgd door Don Louis de Requesens y Zuniga. Het is hier de plaats niet, om het volledig stelsel van Alva te bespreken. Ongetwijfeld vond zijn tiende penning algemeen scherpe afkeuring; geen enkel katholiek schrijver zelfs zal een Alva meer verdedigen; en toch was zoowel zijn nieuwe wijze van belastingheffing en waren vooral zijn crimineele ordonnantiën verbeteringen in het beheer dezer landen. Zijn geheele optreden echter tegenover de Nederlanden heeft hem met den rechtmatigen vloek van tijdgenoot en nakomelingschap beladen. Hier zij nog deze trek uit zijn laatste regeeringsjaar vermeld, die hem als een der eersten doet kennen, die getracht heeft den Prins te vermoorden.
Granvelle had vroeger reeds den koning aangeraden, zich van den Prins en zijn broeder Lodewijk door middel van sluipmoord te ontslaan en al was Filips op datzelfde oogenblik aan het onderhandelen met de Duitsche vorsten over den vrede met de Nederlanden, hij had er zijn goedkeuring aan gehecht. Nu deed zich het volgende geval voor: Een zekere Juan de Albornoz, secretaris van den hertog van Alva, schreef op den 12en Februari 1573 aan den voornaamsten secretaris van Filips, Gabriël de Cayas, het volgende:
"Hij, die het hoofd van den admiraal (Coligny) heeft aangebracht, heeft aangeboden ook een ander te dooden, die niet minder kwaad aan de Christenheid heeft berokkend dan die schurk, die thans in de hel is. Hij en twee anderen zijn er heen. God sta hen bij! Het is een onderneming, waarin ze God een grooten dienst zullen kunnen bewijzen en tegelijk zelf eer en voordeel mee zullen behalen...
Uit Nijmegen, 12 Febr. 1573."
De secretaris van Filips liet dit aan den koning lezen en deze schreef er zelf in margine bij: "Ik begrijp dat niet, omdat ik niet weet, waar het hoofd van den admiraal is gebracht, noch van wien dat andere hoofd is, hoewel het mij voorkomt, dat hiermee Oranje bedoeld wordt. Zeker hebben ze weinig hart getoond, met hem niet te dooden, want dat zou het beste geneesmiddel zijn."
En Cayas schreef aan Albornoz terug: "Ik heb Z. M. over die personen gesproken en over de middelen, om de beide broeders uit den weg te ruimen. Z. M. was daar zeer over voldaan. Geef mij door alle koeriers bericht van het resultaat; Z. M. zal er zeer bijzonder over verheugd en zeer tevreden mede zijn."
Men zegt, dat Alva een Albanees had gehuurd om den Prins te dooden, maar dat die verplicht was, zijn voornemen op te geven. Hij was geheel onbekend met het Vlaamsch en kon niet in tegenwoordigheid van Oranje komen. St. Goard, Fransch gezant te Madrid, schreef aan Karel IX, dat Alva en Don Frederik verschillende vertrouwde personen hadden, die den Prins wilden vermoorden. Maar Oranje was wel verdacht op zulk verraad. In elke richting had hij spionnen, tot zelfs in Filips' eigen kabinet. Een klerk van denzelfden Cayas was in zijn dienst en verzuimde nooit een copie van alle brieven van den koning, die voor den Prins belangrijk waren, aan Oranje te zenden.
We zullen Alva's laatste dagen in de Nederlanden hier niet beschrijven. Zijn geldgebrek en schulden drukten hem zeer. Wat we nog wel moeten vermelden uit Alva's laatsten tijd in de Nederlanden doorgebracht, is, dat hij in September 1573 de Staten van alle Nederlandsche gewesten opriep, om in Brussel te komen, ten einde hun ondersteuning te verkrijgen voor bijdragen. Oranje maakte van die gelegenheid gebruik, in zijn naam en in den naam van Holland en Zeeland een beroep te doen op de vergaderde Staten. Het bevatte een krachtdadigen oproep tot gezamenlijke handeling. Al de geldmiddelen, die Alva verkreeg om het volk te onderdrukken, kwamen uit hun eigen zak. Moesten de Staten dan kalmpjes voortgaan, om hem den zenuw van den oorlog te verschaffen, die tegen henzelf gericht was? Hun vroegere vorsten hadden geleefd op hun grond en nooit was hun een stuiver geweigerd. Waarom moest dan die vreemdeling misbruik maken van hetgeen geen ingeboren vorst ooit zou hebben durven vragen? Holland zou doen, wat het kon, al was ook Amsterdam niet met haar vereenigd. Als de Nederlanden slechts één waren, wat zouden ze dan niet kunnen doen!
Dit stuk, in naam van de Staten opgesteld, werd gevolgd door een brief aan den koning van Spanje, die wijd en zijd over Europa verspreid werd. Met nietssparende kleuren werd daarin een schildering gegeven van de ellende van het land; het pardon, door Filips aangeboden, werd met verachtelijke uitdrukkingen gekenmerkt en daarop verklaarde de schrijver rond en open, dat de wapenen, die tegen Alva waren opgenomen, niet zouden worden neergelegd, zoolang er een hand was, die het zwaard kon hanteeren.
Toen Requesens, met grooten tegenzin en bovendien met een wankelende gezondheid, in December 1573 Alva als landvoogd opvolgde, was de oorlogstoestand in Holland als volgt: Don Frederik was, gelijk we zagen, verplicht geweest, het beleg van Alkmaar op te heffen en ging toen voor een poos naar Amsterdam, van waar hij naar den omtrek van Leiden toog, om die stad te gaan insluiten. Toen echter vertrok hij zelf met zijn vader naar Spanje en gaf het bevel over het leger, dat Leiden insloot, aan Valdez over.