Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 30
Eindelijk had er op den 28en Mei een beslissend gevecht tusschen de beide vloten plaats. Van weerszijden werd er geënterd en lang en hevig man tegen man gevochten. Bossu had honderd schepen onder zijn bevel; Maarten Brand, de Hollandsche admiraal, kommandeerde er omtrent honderdvijftig, maar kleinere. Batenburg stond aan het hoofd van het krijgsvolk op de Hollandsche schepen. Na een hardnekkigen strijd, waarin eenige duizenden omkwamen, werd de overwinning ten gunste der Spanjaarden beslist. Na tweeëntwintig van 's prinsen schepen bemachtigd en de overigen geheel verslagen te hebben, voer Bossu in zegepraal over het meer.
De schansen der Geuzen werden onmiddellijk ingenomen en den Haarlemmers de gemeenschap met hunne vrienden voor goed afgesneden.
Dit was het begin van het einde: de wanhoop maakte zich meester van de stad. De bevolking was lang met één pond brood per man en een half pond voor iedere vrouw toegekomen; maar thans was het brood op en na de afsluiting van het meer stond de hongersnood voor de deur. De Haarlemmers deden den Prins dringend verzoeken, nog iets voor hunne redding te beproeven; drie weken bepaalden zij als het uiterste tijdstip, tot wanneer zij het nog konden harden.
Oranje liet hun door postduiven weten, dat zij het nog wat moesten volhouden, daar hij een krijgsmacht verzamelde en hoopte hun onderstand te bezorgen.
Intusschen nam in den loop van Juni de nood der inwoners van uur tot uur toe; van gewoon voedsel was reeds sedert lang geen sprake; men leefde van lijn- en hennepzaad; toen ook de voorraad daarvan was uitgeput, at men katten, honden, ratten en muizen; waren ook die dieren verbruikt, dan kookte men paarden- en ossenhuiden en schoenleder, men plukte distelen, het gras van de kerkhoven en het onkruid dat tusschen de straatsteenen groeide, om het leven maar te rekken, totdat de beloofde hulp komen zou. Mannen, vrouwen en kinderen vielen van honger dood op de straat, terwijl zij, die hen overleefden, nauwelijks het hart of de kracht hadden om ze van de straat op te nemen en te begraven. De nog levenden schenen als schimmen rond te waren en benijdden hen, aan wier lijden de dood een einde had gemaakt.
Zoo verstreek de maand Juni; op den 1en Juli besloten de burgers in onderhandeling te treden. Zij zonden gemachtigden aan de belegeraars, maar de onderhandelingen werden kortweg afgebroken, daar Don Frederik van geen voorwaarden of vergelijk wilde hooren. Op den 3en werd er weder een stevig vuur tegen de stad geopend: duizend en acht kanonkogels werden er verschoten, meer dan op eenig anderen dag sinds den aanvang van het beleg. De wallen werden zeer beschadigd, maar geen storm geloopen, want de belegeraars waren er zeker van, dat de inwoners het onmogelijk langer konden uithouden.
Een laatste brief, met bloed geschreven, ging uit Haarlem naar den prins van Oranje, om hem den wanhopigen toestand te kennen te geven; tegelijk wierp men met den spot der wanhoop de weinige brooden, die er nog binnen de vest over waren, in de vijandelijke legerplaats. Een paar dagen later werd er een tweede vergeefsche poging tot onderhandelen gedaan; toen stak men een zwarte vlag uit, ten teeken, dat men aan vriend en vijand wanhoopte; maar kort daarop vloog er eene duif de stad in met een brief van den prins, waarin hij verzocht, het nog twee dagen uit te houden, daar de hulp ophanden was.
De Prins had inderdaad alles gedaan wat mogelijk was: hij had burgers van Delft op het marktplein doen vergaderen en hun zijn voornemen aangekondigd om in persoon Haarlem te hulp te komen, indien men slechts wat krijgsvolk bijeenbrengen kon. Soldaten waren er niet, maar de Hollandsche steden Delft, Rotterdam en Gouda voelden de innigste deernis met Haarlems lot en vele deftige burgers, zelfs personen van aanzien, boden zich als vrijwilligers aan, om tot ontzet op te rukken. De Prins was niet ingenomen met dat gemengde leger, waarvan hij niet met zekerheid voorspellen kon, dat het in het vuur stand houden zou, en als krijgsman wist hij, dat bij zulk eene onderneming geestdrift geenszins het gebrek aan ondervinding vergoeden kon. Daar echter de drang van het oogenblik geen uitstel duldde, stelde hij een volmacht op, waarin hij Paulus Buys benoemde tot gouverneur bij zijne afwezigheid en tot waarnemend stadhouder, zoo hij bij den tocht kwam te sneuvelen. Vierduizend gewapende vrijwilligers met zeshonderd ruiters onder van der Noot van Carlo waren bijeen en de Prins zelf stelde zich aan hun hoofd. Een kreet ging op; overheden en burgers, de troepen zelf wilden niet gedoogen, dat een zoo kostbaar leven, zoo onmisbaar voor Hollands bestaan, in gevaar zou worden gesteld. Van belang was het zeker, Haarlem onderstand te zenden, maar de Prins woog tegen vele steden op. Met weerzin stemde hij er eindelijk in toe, het beleid van den tocht op te dragen aan den baron van Batenburg, des te schoorvoetender omdat hij de troepen niet genoeg vertrouwde. Op den 8en Juli bij het vallen van den avond, brak het leger van Sassenheim op: het bedroeg omstreeks vijfduizend man, die vierhonderd wagens met leeftocht en zeven veldstukken bij zich hadden. Onder de vrijwilligers zag men den later zoo beroemd geworden Oldenbarneveld met het musket op den schouder; het was één voorbeeld voor den geest, die de gansche bevolking bezielde.
Batenburg hield halt in het Noordwijkerbosch, aan de zuidzijde van Haarlem en bleef er tot middernacht. Alles scheen stil in 's vijands leger; nadat er een gebed gedaan was, gaf de Hollandsche bevelhebber last om voort te rukken, in de hoop terwijl het leger sliep, tusschen de schansen door te kunnen sluipen. Hij zou zich bitter teleurgesteld zien: de Spanjaarden waren nauwkeurig bekend met zijne plannen en de sterkte zijner macht, daar twee duiven met brieven, al de bijzonderheden van den voorgenomen tocht behelzende, geschoten en aan Don Frederik gebracht waren. De burgers rukten naar het schijnt, de vest aan den kant van waar men Batenburg verwachtte, uit, om zich met hem te kunnen vereenigen. Men had afgesproken door seinvuren den belegerden kennis te geven van de nadering der hulptroepen; de Spaansche opperbevelhebber liet nu echter een hoop groene takken, pik en stroo in brand steken tegenover de bres in de stadswallen en er vijfduizend uitgelezen mannen bij post vatten; vijfduizend anderen, met een ruiterbende aan de duinzijde geplaatst, moesten de Nederlandsche troepen in de linkerflank aantasten; zes regimenten onder Romero moesten oostwaarts oprukken en den vijand in de rechterflank vallen. De dikke rookwolken verborgen de door Batenburg ontstoken seinvuren voor de burgerij, en de vijfduizend Spanjaards voor de aanrukkende Hollanders; zoodra Batenburg uit het bosch opdaagde, werd hij door een overmacht aangevallen en weinige minuten later van alle kanten omsingeld. Het geheele Spaansche leger was onder de wapenen en had den vijand reeds twee dagen lang verbeid. De Haarlemmers alleen waren onkundig van zijne nadering; het rumoer van het gevecht hielden zij voor een valsch alarm der Spanjaards om hen in het vijandelijke leger te lokken.
Batenburg sneuvelde en zijne troepen werden geslagen; het aantal gevallenen werd verschillend opgegeven, van zeshonderd tot twee- en zelfs drieduizend toe. In elk geval werd de gansche macht vernietigd of verstrooid en was de poging om de stad te hulp te komen, mislukt. Batenburgs dood werd te minder betreurd, omdat men hem, waarschijnlijk ten onrechte, beschuldigde van tijdens het gevecht beschonken geweest te zijn, en bijgevolg onbekwaam om de hem toevertrouwde onderneming te leiden.
De Spanjaards sneden nu een gevangene neus en ooren af en zonden hem in de stad om er de tijding van de nederlaag te brengen, terwijl men ter bevestiging van het bericht, eenige hoofden over de wallen wierp. Toen de rampspoedige afloop te Delft bekend werd, zou er een uitbarsting van verontwaardiging tegen Oranje zelf plaats hebben gehad; volgens een bericht van Alva, dat echter niet geheel kan worden vertrouwd, wilden enkelen uit het grauw het verblijf van den Prins plunderen en deden zij hem persoonlijke beleedigingen aan.
Indien er eene opschudding plaats vond, dan was de gramschap van het volk wel zeker ongegrond; doch het verhaal berust op een vage verzekering van den hertog en is in strijd met andere berichten. Het was thans evenwel noodzakelijk geworden, de heldhaftige, maar beklagenswaardige stad aan haar lot over te laten; onmogelijk kon iets meer te haren behoeve gedaan worden.
Het Haarlemmermeer met de daaraan liggende schansen was in 's vijands macht; de troepen, die men had kunnen bijeenbrengen om de belegeraars aan te tasten, waren verslagen en met een bezwaard gemoed liet de Prins den burgers thans aanzeggen, dat zij op de best mogelijke voorwaarden met den vijand een verdrag moesten zien aan te gaan.
Eene vreeselijke verlegenheid ontstond in de uitgehongerde stad: er was geen heil te vinden in onderwerping, noch in tegenstand; er bleef niets anders over dan vermoord te worden of te verhongeren. Doch zoo er binnen de vest niets meer te hopen viel, daarbuiten wachtte nog een krijgsmansdood: de bezetting besloot met de weerbare burgers in dichtgesloten gelederen de poorten uit te rukken en zich door het vijandelijke leger een weg te banen of te sneuvelen. De hulpeloozen en zieken, die men in de stad achterliet, zouden mogelijk wel door den vijand met verschooning behandeld worden, als de weerbare mannen allen gevallen waren, en dezen konden met in de stad te blijven hen toch niet beschermen. Zoodra echter dit besluit ruchtbaar werd, hieven vrouwen en kinderen zulk een deerlijk gekrijt en gejammer aan, dat het den krijgslieden en burgers door het hart sneed en het eerste plan opgegeven werd. Nu zou men de vrouwen en kinderen, de zieken en ouden in het midden nemen, zoo uittrekken en zich met de wapenen een doortocht banen, door de kracht der wanhoop overwinnen, of althans allen te zamen omkomen.
Deze wanhopige ontwerpen werden spoedig in het Spaansche leger bekend, en Don Frederik was na hetgeen hij in de laatste zeven maanden gezien had, overtuigd, dat er niets was, wat de Haarlemmers niet zouden durven bestaan. Hij vreesde, dat zij de stad in brand zouden steken en met hunne huizen, vrouwen en kinderen omkomen, en hij wilde zich de vrucht der zoo duur gekochte overwinning niet ontrukt zien, nu hij tot plukken gereed stond. Op zijn last werd er, uit naam van graaf Overstein, die over de Duitsche troepen in het Spaansche kamp het bevel voerde, een brief gezonden aan de overheid en de aanzienlijkste burgers, om hen uit te noodigen zich onvoorwaardelijk over te geven, doch onder de plechtige verzekering, dat niemand gestraft zou worden, uitgezonderd zij, die dit naar het oordeel der burgers verdiend hadden en met belofte van rijkelijke vergiffenis, indien de stad zich onverwijld overgaf.
Op het oogenblik, dat Don Frederik dezen brief afvaardigde, had hij gestrenge bevelen van zijn vader ontvangen om geen man van de bezetting in het leven te sparen, uitgenomen de Duitschers, en bovendien een aanzienlijk getal burgers ter dood te doen brengen: deze bevelen dorst hij niet ongehoorzaam zijn, zelfs al had hij daartoe eenige geneigdheid gevoeld. Intusschen gaf de stad zich, tengevolge van Oversteins half officieelen brief op 12 Juli aan de genade des overwinnaars over.
De groote klok werd geluid en er werd bevolen, dat al de wapens, die de bezetting of de burgerij bezat, op het stadhuis zouden uitgeleverd worden; vervolgens werd last gegeven, dat de mannen zich in het klooster te Zijl, de vrouwen in de Groote Kerk, de krijgsknechten in de Bakenesser Kerk zouden verzamelen.
Don Frederik, begeleid door den graaf van Bossu en een talrijken staf, reed de stad in; het schouwspel, dat zich aan zijn blik vertoonde, had een hart van steen tot deernis kunnen bewegen. Overal zag men de sporen van ellende, zoo heldhaftig verduwd in het zevenmaandsch beleg; de rookende puinhoopen der huizen, door de gloeiende kogels in brand geraakt, de vergruizelde bolwerken, de gevelde boomstammen, opgebroken straatsteenen, verbrijzelde beelden en andere voorwerpen, die hadden moeten dienen om de bressen te stoppen. Verder de afgeknaagde beenderen van het ongedierte, waarmee men zich had gevoed; de onbegraven lijken van mannen en vrouwen, die op straat gestorven waren--bovenal de spookachtige, uitgemergelde gestalten der nog levenden, die slechts de schaduw van zich zelven geleken: dit alles was wel geschikt om ten minste te doen twijfelen, of het doorgestane lijden niet reeds eene toereikende straf was, zelfs voor zulke zware vergrijpen als ketterij en afval.
Don Frederik dacht er evenwel anders over; hij meende in de holle oogen, die hem bij het binnenrukken der stad aanstaarden, zoowel uittartenden moed als wanhoop te lezen en hij bekreunde zich niet om de belofte, die hij wel niet uitdrukkelijk, maar toch niet minder heilig gegeven had.
Al de bevelhebbers der bezetting werden in hechtenis genomen. Eenigen hunner hadden hun vonnis door een vrijwilligen dood voorkomen. Kapitein Bordet, een Fransch edelman, dwong gelijk Brutus, zijn dienaar hem den degen voor te houden, waarin hij zich stortte, liever dan zich levend aan de wraak der Spanjaards over te geven. Het ontbrak ook niet aan trekken van edelmoedigheid: in plaats van Pieter Hasselaar, een jongen vaandrig, die zich in het beleg door dapperheid had onderscheiden, namen de Spanjaards bij vergissing zijn broeder Nicolaas gevangen. Deze liet zich zonder tegenkanting wegvoeren, toen Pieter opsprong, op de wacht toesnelde en uitriep: "Zoo gij den vaandrig Hasselaar zoekt, die ben ik. Laat dezen onschuldige los!" Het mocht nog een buitengewoon geluk heeten, dat hem slechts een harde gevangenschap ten deel viel; al de gevangen genomen bevelhebbers toch werden naar het Huis te Kleef vervoerd en daar onmiddellijk ter dood gebracht. Hopman Ripperda, die zich zoo heldhaftig tegen den kruipenden zin der overheid had verzet, die door zijn kloeke taal de bezetting en burgerij tot tegenstand ontvlamd en door zijn beleid en moed het beleg zoo lang gerekt had, was een der eersten, aan wien het doodvonnis voltrokken werd. Een natuurlijke zoon van den kardinaal Granvelle, die gemakkelijk zijn leven had kunnen redden door zich op eene afkomst te beroepen, die hij vloekte, en jonker Lancelot van Brederode, een bastaardspruit van dat aanzienlijke Huis, bevonden zich mede onder de slachtoffers.
Den dag daarop kwam Alva in het leger; hij reed om de stad heen, en bekeek de bolwerken van den buitenkant, doch keerde naar Amsterdam terug, zonder de stad zelve betreden te hebben. Den volgenden morgen begon het bloedbad.
De plundering was voor tweehonderd en veertigduizend gulden afgekocht, welke som de burgers zich verbonden hadden in vier termijnen te betalen; doch de moord, die bij de Spanjaarden een onmisbare toegift tot de overwinning was, kon niet worden afgekocht. Bovendien had Alva tot een algemeen bloedbad besloten.
De bezetting was in den loop van het beleg van vierduizend tot op achttienhonderd ingekrompen; op Alva's last werden de zes honderd Duitschers op vrije voeten gesteld, mits zij zich verbonden niet meer tegen den koning te dienen, en al de overigen met minstens evenveel burgers, onmiddellijk ter dood gebracht. Dagelijks werd er met trommelslag afgekondigd, dat al wie personen herbergde, die vroeger voortvluchtig waren geweest, hen moest uitleveren, op straffe van anders zelf oogenblikkelijk voor de deur opgeknoopt te worden. Het was vooral aan die vluchtelingen en aan het krijgsvolk, dat zich de moordlust des overwinnaars koelde; hoewel men van dag tot dag aanhoudend redenen wist te vinden om iedereen ter dood te brengen, die zich eenigermate door verdiensten, rang, vermogen of vrijheidsliefde onderscheidde, de slachting toch kon niet op eens volbracht worden; ondanks allen ijver kostte het verscheidene dagen. Vijf scherprechters met hun knechts hadden handen vol werk en toen zij eindelijk van vermoeienis uitgeput, of misschien niet langer tot hun afgrijselijk werk in staat waren, werden driehonderd rampzaligen paarsgewijze rug aan rug gebonden en in het Haarlemmermeer verdronken.
Eindelijk, na het in koelen bloede vermoorden van drie-en-twintig honderd menschen in een stad, waar vroeger reeds zoovele duizenden door een gewelddadigen of pijnlijk gerekten dood omkwamen, werd er zoogenaamd vergiffenis verleend. Zevenenvijftig der meest bekende burgers werden evenwel van deze amnestie uitgesloten en in verzekerde bewaring genomen, als borgen voor het toekomstig goed gedrag hunner medeburgers. Sommigen dezer gijzelaars werden spoedig ter dood gebracht, anderen stierven in de gevangenis, en allen zouden ten laatste van kant geholpen zijn, indien niet de kort daarop gevolgde nederlaag van den graaf van Bossu op de Zuiderzee, den Prins van Oranje in staat had gesteld, de nog overige gevangenen uitgewisseld te krijgen.
Tienduizend tweehonderd zes en vijftig schoten waren er gedurende het beleg op de wallen gericht; twaalfduizend der belegeraars waren aan wonden of ziekten gestorven, gedurende de zeven maanden en twee dagen, die er tusschen de eerste insluiting en de overgave verliepen. In de eerste helft van Augustus, nadat het moorden opgehouden had, deed Don Frederik zijne zegevierende intrede in de stad, met wier val Hollands overweldiging thans was aangevangen. Het gedenkwaardige beleg van Haarlem doet ons evenzeer verbaasd staan over de toegebrachte als over de doorgestane ellende.
De Spanjaarden vierden feest door in Utrecht 's Prinsen beeltenis eerst plechtig ten toon te dragen, vervolgens op het rad te leggen en te verbranden. Intusschen was Haarlems verovering een van die zegepralen, die voor de overwinnaars bijna gelijk staan met een nederlaag en zeker was de Spaansche heerschappij niet sterk genoeg om tegen nog vele dergelijke overwinningen bestand te zijn. Indien er dertigduizend uitgelezen manschappen, waaronder drie keurbenden van Alva "de onoverwinnelijken," "de onsterfelijken" en "de weergaloozen" gedoopt, noodig waren geweest in zeven maanden en met verlies van twaalfduizend man om de zwakste stad van Holland te veroveren, hoeveel soldaten, hoeveel tijd en hoeveel menschenlevens zouden er dan niet worden vereischt, om deze kleine provincie geheel tot onderwerping te brengen? Want, gelijk de plundering en moord van Naarden het tegenovergestelde hadden uitgewerkt van hetgeen er mee beoogd was en het Hollandsch gemoed er eer door tot kloeken wederstand geprikkeld, dan in verslagenheid gedompeld werd, zoo had ook Haarlems standvastige en roemrijke verdediging, ondanks den treurigen afloop slechts gediend om den haat tegen de vreemde onderdrukkers en de vaderlandsche geestdrift van de andere Hollandsche steden ten top te voeren.
Zelfs de schatten der nieuwe wereld zouden ontoereikend zijn om de kosten der verovering van die kleine strook land goed te maken. In vijf jaren tijds had men uit Spanje vijfentwintig millioen gulden naar de Nederlanden gezonden, ter bestrijding van de oorlogskosten en toch bleek dit bedrag, ofschoon nog vermeerderd met de aanzienlijke sommen, jaarlijks uit verbeurdverklaringen getrokken, met de vijf millioen, waarop de honderste penning geschat werd en met de twee millioen 's jaars waarvoor de tiende en twintigste penning afgekocht was, ontoereikend om het krijgsvolk behoorlijk betaald te houden.
Desniettemin was de blijdschap voor het oogenblik uitbundig. Filips lag gevaarlijk ziek bij Segovia, toen het heuglijk nieuws van Haarlems verovering en het daarmede gepaard gaande bloedbad aankwam. Het verhaal van al dien jammer hem door Alva uitvoerig medegedeeld, werkte op hem als een toovermiddel. Het bloed van drie-en-twintig honderd zijner natuurgenooten, in koelen bloede, op zijn last, in één enkele stad vermoord, bleek voor den bloeddorstigen Monarch een heulsap: hij dronk en voelde zich verkwikt. "Het voornaamste geneesmiddel, dat Zijne Majesteit geholpen heeft," meldde de geheimschrijver Çayas uit Madrid aan Alva, "is de vreugde, die hem de door u medegedeelde blijde tijding van Haarlems overgaaf heeft verschaft."
In de uitgelatenheid zijner blijdschap vergat de koning hoe misnoegd hij nog onlangs over den gang van zaken in de Nederlanden geweest was, hoeveel schatten er jaarlijks zonder bevredigende uitkomsten verspild waren. "Bewust, in welk een nood gij u bevindt," vervolgde Çayas, "heeft Zijne Majesteit op staanden voet doctor Velasco bij zich laten komen en hem last gegeven u geld te verschaffen, al moest hij het hart der aarde opdelven."
Was de blijdschap der Spanjaards zoo groot, de Prins van Oranje verloor toch de hoop en den moed niet: hij sloeg den blik naar boven en stelde zijn vertrouwen op een hoogere macht dan die van menschen. "Ik had gehoopt, u betere tijding te zenden," schreef hij aan graaf Lodewijk; "met dat al, daar het den Goeden God anders behaagd heeft, behooren wij in Zijn goddelijken wil te berusten. Ik neem denzelfden God tot getuige, dat ik naar mijne middelen alles gedaan heb wat mogelijk was, om de stad te ontzetten."
Eenige dagen later schreef hij in denzelfden geest, terwijl hij zijn broeder meldde, dat het den Zeeuwen gelukt was, het kasteel Rammekens op het eiland Walcheren te veroveren. "Ik hoop," zeide hij, "dat dit den trots onzer vijanden zal fnuiken, die na Haarlems overgaaf ons levend dachten te verslinden. Ik ben echter verzekerd, dat zij meer werk zullen vinden, dan zij verwachten."
Tot zoover Motley's beschrijving van dit merkwaardig beleg en den indruk, dien de overgave maakte.
HOOFDSTUK XVII.
ONDERHANDELINGEN. BELEG VAN ALKMAAR. VERTREK VAN ALVA. 1573.
Zooals we zagen was de Prins onvermoeid werkzaam geweest in het belang van Haarlem en Holland; die werkzaamheid was waarlijk niet gering geweest, als we bedenken, dat er groote verwarring heerschte, dat het in bestuurs- en rechtszaken treurig gesteld was, ook al door de verdeeldheid onder de regenten, vroedschappen, schepenen en steden.
Trots alle pogingen om Roomsch en Geus te doen samengaan, steeg met den dag de haat tusschen Calvinisten en Katholieken en werden de eersten bijna overal de machtigsten. Terwijl Oranje intusschen met zijn broeders en verwanten druk correspondeerde over het zenden van een leger, waren er nog andere gewichtige zaken te behandelen. Hieronder neemt een eerste plaats in, het opnieuw aanknoopen van onderhandelingen met Frankrijk. Het schijnt vreemd, dat reeds in October 1572, dus slechts twee maanden na den beruchten Bartholomeusnacht, Oranje weder in verbinding trachtte te komen met het hof van Karel IX, maar de Prins had gehoord, dat de koning onmiddellijk na den moord berouw had gehad en als echt staatsman wilde Oranje in zijn politiek belang daarvan gebruik maken.
Van Fransche zijde was voorgewend, dat de Bartholomeusnacht alleen het gevolg was geweest van eene Calvinistische samenzwering tegen den koning, maar dat hij volstrekt geen verandering gebracht had in de verhouding van Frankrijk tot Spanje, welks macht Frankrijk bleef vreezen en waartegen het zich zou blijven verzetten. Graaf Lodewijk had volstrekt geen lust met het verraderlijke Frankrijk weer in onderhandeling te treden; zijn geheele gemoed kwam daartegen in opstand. De Prins dacht er anders over; zijn staatkundige blik achtte die onderhandeling onmisbaar voor de toekomst en hij hoopte met Frankrijk tegen Spanje den oorlog voort te zetten, teneinde de volkomen vrijheid van de Noordelijke gewesten te verkrijgen. Voor dezen raad van den Prins bezweek ook Lodewijk.
Van andere zijde was er zelfs bij Oranje op aangedrongen om rechtstreeks met Spanje te onderhandelen, waartoe de keizer zijn bemiddeling aanbood.
Uit een brief van den 5en Februari aan zijn broeders geschreven blijkt, hoe weinig vertrouwen de Prins heeft in onderhandelingen met Spanje. Toch wil hij zijn broers en de Duitsche vorsten niet terughouden van hetgeen zij meenden, dat gedaan kon worden.