Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 3
In Juli 1544 sneuvelde Réné te Saint-Dizier, door welke gebeurtenis het leven van den jongen Willem volkomen veranderde. Réné had toestemming verzocht en gekregen om zijn uitersten wil te maken en Karel V had deze beschikking, waarbij al de goederen op zijn Duitschen neef Willem overgingen, goedgekeurd. Wel had Willem de Oude, krachtens vroegere afspraken met zijn broer Hendrik, aanspraak mogen maken op het Nassau-aandeel van de bezitting, maar de vader vond het verstandiger te berusten in de keizerlijke sanctie, teneinde de opvolging van zijn zoon in de moederlijke erfenis van Réné niet in de waagschaal te stellen. Zooals de vermaking was beschreven, werd zij door Willem den Oude voor zijn zoon aanvaard; dit bracht echter mee, wat Karel V nadrukkelijk had vastgesteld, dat de jonge erfgenaam aan zijn hof zou worden opgevoed.
Het wekt eenigszins bevreemding, dat Willem, op dat oogenblik toch erkend protestant, erin toegestemd heeft, dat zijn zoon opgevoed zou worden aan een hof, waar hij verplicht zou zijn, de voorschriften op te volgen van een godsdienst, dien de vader zelf reeds had vaarwel gezegd. Gedurende de afwezigheid van Karel V zou Willem in het huisgezin van Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden, wonen en deze werd geacht Lutheraansche sympathieën te koesteren, ja zelfs wordt beweerd, dat zij den hervormden godsdienst had aangenomen.
Hoewel dit zeer onwaarschijnlijk is, daar geen lid van de Oostenrijksche familie het zou gewaagd hebben, zoozeer den overheerschenden ouderen broeder te weerstaan en in 1544 alle kerkvormen nog door Maria werden in acht genomen, is Willems gedrag in dezen verklaarbaar, als we bedenken, dat het Protestantisme nooit zulk een levenskwestie voor Graaf Willem is geweest en men nog leefde in een tijd, dat beide godsdiensten niet zoover van elkaar afweken en er allerlei pogingen werden gedaan om ze te hereenigen.
Dat het protestant blijven de vooruitzichten van den zoon zeer zou hebben benadeeld is zeker en deze wilde Graaf Willem niet opofferen, zoodat we hem in Augustus 1544 met den jongen Prins naar Brabant zien gaan, ter regeling van de beschikking bij Réné's dood gemaakt en op den 28en dier maand verschenen beiden te Breda, ten einde de begrafenis van Réné bij te wonen.
Voor het eerst kwam Willem op Nederlandschen bodem, voor het eerst ook aan het Hof van Karel V.
De regeling van de erfenis schijnt spoediger in orde gekomen te zijn, dan bij dergelijke gelegenheden dikwijls het geval was, want reeds in September kwam met de weduwe van Réné een transactie tot stand, waarbij deze van het haar bij testament toegekend vruchtgebruik tegen andere voordeelen afzag.
Een belangrijke zaak, welke geregeld moest worden, was de voogdij over den jongen prins; de keizer wilde den vader hiermee niet belasten, met het oog op zijn Lutheraansche sympathieën, zoodat hij genoegen moest nemen met een drietal voogden, waaronder Claude Bouton, heer van Corbaron, een kamerheer van den keizer, die in 1545 feitelijk tot gouverneur van Willem werd aangesteld.
Tegelijkertijd met deze benoeming van Corbaron was ook het hof van Willem geregeld, waarbij de grootste zuinigheid betracht moest worden, daar er nog al schulden te betalen waren en de verkregen goederen verre van onbezwaard overgingen. De onkosten van het hof, dat behalve uit den gouverneur en twee jonge graven, tijdgenooten van den Prins, uit een stalmeester voor zijn negen paarden, een edelman, vijf bedienden en een schoolmeester bestond, bedroegen ongeveer 3500 caroliguldens per jaar, welke uit de inkomsten van Breda werden gevonden.
Het is jammer, dat over deze eerste jaren van Willem aan het hof van Karel V zoo weinig bekend is geworden, ja, het is zelfs onzeker, wanneer de Prins volkomen is opgenomen in de onmiddellijke omgeving van den keizer.
Hij hield zijn verblijf te Breda en in het paleis te Brussel onder het dagelijksch persoonlijk toezicht van zijn gouverneur, die steeds vol lof over hem was en hem als zeer gewillig en volgzaam prees. Bovendien kwam Willem geregeld aan het hof der landvoogdes, Maria van Hongarije, die een wakend oog op hem hield en al haar best deed, gedurende de minderjarigheid van den Prins het zwaar belaste Bredasche vermogen in beteren staat te brengen; ook bewoog hij zich in het gevolg van den keizer, wanneer deze zich in het land bevond.
Op de reizen van Karel V vinden we Willem in zijn gezelschap, zooals uit de tegenwoordigheid op den Rijksdag van Augsburg in 1548 blijkt. In dezen tijd schijnt de geheele opneming van den Prins in het gevolg van den keizer overwogen te zijn en zoo vinden we hem ook bij de huldigingsreis van Karels zoon Filips door de Nederlanden in 1549.
Het doel, dat vooral in deze eerste jaren bij Willems opvoeding op den voorgrond stond, was, hem los te maken van zijn Duitsche verwanten en hem tevens als Nederlandsch edelman nauwer aan het Brusselsche hof en de Nederlandsche zaken te verbinden.
De keizer bemerkte spoedig het merkwaardige karakter van den jongen en reeds op zeer jeugdigen leeftijd was hij de vriend, ja zelfs de vertrouwde van den keizer. Zijn plaats was steeds om en bij den keizerlijken meester en bij de meest gewichtige beraadslagingen was Willem altijd aanwezig. Geheimen scheen de vorst niet voor hem te hebben en zijn helder oordeel en scherp verstand kwamen door dit leven al spoedig tot buitengewone ontwikkeling. Dat Karel V veel zorg aan zijn opvoeding besteedde, blijkt wel uit het feit, dat Willem vijf talen vloeiend sprak, terwijl Filips zich alleen in zijn moedertaal kon uitdrukken en een weinig slecht Latijn sprak.
De vader van den Prins was niet onverdeeld ingenomen met de opvoeding, welke zijn zoon kreeg. Hinderde het hem al, dat Maria zich krachtig verzette tegen zijn wensch om gesteund te worden uit het vermogen van den Prins, o. a. voor het voeren van het Catzenellenbogen-proces, het krenkte den vader bepaald, dat men zijn zoon zoo uiterst karige middelen toestond, gedurende zijn minderjarigheid. Willem riep daartegen de hulp in van den meest invloedrijken minister van Karel V, Granvelle, den bisschop van Arras, met het gevolg, dat deze naast Maria van Hongarije de gewichtigste beschermer van den jongen Willem werd.
Jérome Granvelle, een jongere broeder van den kardinaal, werd zijn onderwijzer en gouverneur, waarover Willems vader zich ten zeerste verheugde. De vroegtijdige zelfstandigheid van den Prins en ook zijn huwelijk met Anna van Buren, had Willem in hoofdzaak aan dezen gouverneur te danken. Het gevolg hiervan was, dat de vriendschapsbetrekkingen, aldus met de Granvelle's gevormd, van zeer intiemen aard waren en de Prins bleef ook met den kardinaal op goeden voet, tot kort voor de breuk tusschen hem en de Nederlandsche edelen.
Tot zijn achttiende jaar bleef de Prins aan het hof van den keizer; welk edelman zou reeds op dien leeftijd een zoo schitterende positie hebben ingenomen? Hij stond in blakende gunst van Karel V, die nauwelijks den middelbaren leeftijd bereikt had; hij was jong, goed opgevoed en ontwikkeld, rijk door eigen middelen en droeg daarbij den titel van een onafhankelijk vorst. In 't kort, hij zou voor ieder een bij uitstek begeerenswaardige schoonzoon zijn. Zoo dacht ook Maximiliaan, graaf van Buren, een van de meest gewaardeerde generaals van den keizer. Toen Karel hem, ter erkenning van gewichtige diensten, den hertogstitel aanbood, weigerde Maximiliaan, omdat daaraan geen geldelijke voordeelen waren verbonden en hij liever een rijke graaf dan een arme hertog wilde wezen. Men verhaalt, dat de generaal van de gelegenheid gebruik maakte en den keizer in plaats van een hoogeren rang, den Prins van Oranje als echtgenoot zijner eenige dochter Anna van Egmond vroeg, aan wie hij dan een aardigen bruidschat zou meegeven.
Reeds vroeger, zelfs toen de Prins pas 15 jaar was, had men over een huwelijk gedacht, nog wel met een Spaansche dame, maar het is te begrijpen, dat de verwanten van Willem dit ongaarne zagen en verheugd waren, toen in 1550 weder over Anna van Buren gesproken werd.
Maximiliaan beleefde het echter niet Willems schoonvader te worden, want op het einde van 1548 overleed hij en gaf als zijn laatste wil te kennen, dit huwelijk gaarne te zien. Pas in 't laatst van 1550 stemde de keizer toe in de verbintenis met Anna, waartegen hij aanvankelijk op godsdienstige gronden bezwaren had gemaakt.
Den 9en Juli 1551 werd het huwelijk voltrokken en het jonge paar begon het huishouden op schitterenden voet. In het begin van het volgende jaar had de officieele huldiging van het vorstelijk echtpaar als heer en vrouwe van Breda plaats. Gedurende twee dagen waren er schitterende feesten te Breda, terwijl de stad als blijk van hulde, den Prins met een geschenk van 20.000 gulden vereerde. Tevens werd de Prins uit zijn voogdij ontslagen en mocht hij zelf over zijn goederen beschikken; dit kon hij nu in ruimer mate doen en meer overeenkomstig zijn rang, daar zijn jonge vrouw hem hiertoe in de gelegenheid stelde.
Willems vader in Dillenburg, die zich wel verheugde over het gesloten huwelijk, scheen toch met eenige bezorgdheid vervuld te zijn over den zoon; het hof te Brussel kenmerkte zich volstrekt niet door strenge zeden en voor een nog zoo jong en onervaren edelman vond de vader deze omgeving niet zonder gevaar. Hij was dan ook pas gerust, toen hij de bepaalde toezegging verkreeg van "de bijzondere bescherming en leiding der verstandige landvoogdes, die zich hare verhouding tot hem nog altijd min of meer als een "moederlijke" dacht en ook in de eerstvolgende jaren toonde, deze met ernst te willen waarnemen.
Er hebben vele geruchten geloopen omtrent het ongeluk uit deze verbintenis voortgevloeid; tevens werd er verteld, dat Willem zeer onvriendelijk was tegenover zijne vrouw, zelfs beschuldigt men den Prins van haar vergiftigd of met een dolk gedood te hebben. Dit laatste is een belachelijk sprookje, dat zelfs geen geloof vond bij hen, die het verspreidden, maar 't is een bewijs, hoe ook dezen grooten man geen laster gespaard is gebleven. Wat het onvriendelijk zijn tegenover Anna betreft, ook dat moet valsch wezen, tenzij Willem op zijn 19e jaar reeds een volleerde huichelaar was, hetgeen we niet kunnen aannemen; in de twee-en-twintig brieven, die nog van hem aan haar bestaan, geen zweem van die onvriendelijkheid, ze zijn daarentegen buitengewoon aardig, echte ontboezemingen van een jongen, in eenvoudigen stijl geschreven.
Uit hetzelfde jaar 1551 bestaat er een blijkbaar fabelachtig verhaal, waarvan echter de beteekenis voor het leven van den Prins niet kan ontkend worden. In dat jaar sloot Maurits van Saksen een verbond met Hendrik II van Frankrijk tegen den keizer, ten einde aan zijn inbreuk maken op de Duitsche vrijheid weerstand te bieden. Karel had gepoogd de Duitsche edelen tot een staat van "beestachtige slavernij" te brengen. In het bijzonder bedoelde dit verbond de bevrijding van Filips van Hessen en Frederik van Saksen, die sedert den slag van Mühlberg in 1547 werden gevangen gehouden. Nu was er een zekere maarschalk de Vieilleville, die aan de hoven van Frans I en Hendrik II een voorname rol vervulde, wiens mémoires, door zijn secretaris Vincent Carloix geschreven, een der bronnen uitmaken van de Fransche geschiedenis van dat tijdvak. De stijl daarvan is zeer helder en levendig, hoewel het niet twijfelachtig is, dat, wanneer de herinnering den secretaris in den steek liet, hij niet aarzelde schilderachtige bijzonderheden uit zijn eigen verbeelding te schetsen. Deze nu geeft een minutieus verhaal van een Duitsch gezantschap, dat in 1551 naar Fontainebleau ging met het plan om een offensief en defensief verbond voor te bereiden.
Volgens hem stonden de hertog van Symerch en de graaf van Nassau aan het hoofd dezer ambassade en was de graaf vergezeld door zijn zoon, den Prins van Oranje.
Indien echter één kenmerk Graaf Willem onderscheidde, dan was het voorzichtigheid. Hij was zoo gelukkig geweest aan den Schmalkaldischen oorlog te ontsnappen en het is in het geheel niet waarschijnlijk, dat hij zijn eigen belangen en die van zijn zoon zou in de waagschaal gesteld hebben, door zulk een publieke daad van vijandschap tegen den keizer, als deze zending naar Fontainebleau was. Daarbij, een der voornaamste bedoelingen van Maurits' verbond met Frederik was, om Filips van Hessen, Nassau's erfvijand en levenslangen bestrijder, te bevrijden. Willem had nu zeker geen voordeel getrokken van de gevangenschap van zijn vijand, door zijn Catzenellenbogen-landen aan te randen, maar dit was ééne soort grootmoedigheid; een bepaalde poging hem vrij te maken, zou een andere geweest zijn.
Waar of niet, het verhaal is te aardig om stilzwijgend voorbij te gaan.
De Graaf van Nassau vergezelde den hertog van Symerch, omdat hij zeer bekend was met de zaken, het volk en de behoeften van Duitschland en ook omdat het Fransch hem even vertrouwd was als zijn moedertaal.
Vieilleville legde het eerste ceremonieële bezoek af aan de gezanten en bij zijn vertrek vroeg Nassau hem de vergunning om den maarschalk naar zijn hotel te mogen begeleiden, waarmee hij zijn wensch te kennen wilde geven, een meer intieme conversatie te hebben, daarbij voegende, dat hij aan den maarschalk verwant was.
Vieilleville zeide, dat hij in Duitschland geene betrekkingen had en Nassau vroeg hem toen, of hij niet verwant was aan het huis van Oranje. Vieilleville antwoordde van ja, maar sinds den dood van Philibert wist hij niet, aan wien het vorstendom was gekomen. Willem deelde hem toen mede, dat zijn zoon de tegenwoordige bezitter was. Vieilleville omhelsde daarop den graaf als zijn neef en drong er op aan, dat hij den prins zou ontbieden, opdat hij ook hem kon omhelzen en zij beiden zijn gasten mochten zijn. Nassau stemde daarin toe en zei, dat het alleen het verlangen naar diezelfde hartelijke omhelzing als neef was geweest, die zijn zoon bewogen had, met hem mee te komen.
Toen zij de tent, waar de maaltijd zou plaats hebben, binnentraden, vielen de oogen van den graaf van Nassau op de wapens van Oranje. Het dekkleed van het muildier, beladen met extra-proviand, waarop de kwartieren van het schild van den gastheer waren geborduurd, was ook van die wapens voorzien. Die attentie trof den graaf zoozeer, dat hij zijn nieuw ontdekten neef weder warm omhelsde; hij zeide, dat het hem nu niet langer verwonderde, dat zijn zoon een Fransch hart had en hij voegde daarbij deze woorden:
"Ik geloof, dat als zijn hart werd geopend, men er een lelie in zou vinden, want onophoudelijk spreekt hij van uw koning en uw volk. Ik geloof, dat het hem zeer zou behagen tot den dienst der Fransche kroon te behooren. Ik zal hem dat niet beletten, want zijn fortuin zal hij nooit in den dienst des keizers maken. Om dat te doen, moet men Spanjaard zijn en buiten noodzakelijkheid niets met ons volk te maken hebben."
Nassau weidde daarop uit over de wijze, waarop de keizer de Duitsche Staten en edelen had behandeld en voegde er bij, dat hij hartelijk hoopte, dat Hendrik uit christelijke barmhartigheid hen onder zijn bescherming zou nemen; zij waren aan hem verwant, terwijl de Italianen, wien hij zooveel vriendelijkheid en lankmoedigheid had bewezen, slechts vreemdelingen voor hem waren.
Gedurende dit gesprek kwam de Prins binnen. Hij was een jongmensch van zeer bescheiden en aangenaam voorkomen, die, zonder een introductie van zijn vader af te wachten, zich met nederigen eerbied in de armen van den maarschalk de Vieilleville wierp. Hij vertelde, dat het doel van zijn geheele reis enkel de begeerte geweest was, hem te zien en hem zijn diensten aan te bieden; want hij wist, dat de maarschalk het eenige sieraad was van het Fransche hof, met wien hij verlangde te leven en te sterven. Onder zijn invloed zou hij gelukkig leven en zijn jeugd gevormd kunnen worden.
Na hem voor die woorden te hebben bedankt, zei de maarschalk: "De graaf, uw vader en ik, waren juist bezig er over te spreken, toen gij binnenkwaamt, om van u een goed Franschman te maken, want hij, niet minder dan ik, wenscht, dat gij van land en partij verandert. Het komt ons beiden voor, dat dit zeer voordeelig voor u zijn zou, om een menigte redenen, die ik u een anderen keer wel eens vertellen zal (want het wordt tijd voor den maaltijd); doch de belangrijkste daarvan is, dat de staat, welks naam gij draagt, in Frankrijk ligt.
"Dat is waar, inderdaad," zei de Prins, "maar het is niet het grootste, zelfs niet het zesde deel van mijn bezittingen in de Nederlanden. Niettemin is er één punt, dat mij schijnt te dwingen, om aan Uw wensch te voldoen, n.l. dat de Prins van Spanje, zonder eenige klaarblijkelijke reden, mij niet kan uitstaan; het is mij onmogelijk, hem te behagen, hoewel ik niet in staat ben de oorzaak van zijn animositeit te ontdekken; ik ben mij althans niet bewust, hem ooit te hebben beleedigd."
"Dan zijt gij wel erg ongelukkig," antwoordde Vieilleville, "en als hij erfgenaam van alles wordt, kunt gij wel uw rol in de staten van het Keizerrijk en van Spanje opgeven."
"Daar is nog iets anders," voegde de Prins er bij, "iemand, zeer bekwaam in sterrenwichelarij, die wonderlijk de diepten aller wetenschap heeft gepeild, heeft me gewaarschuwd, dat ik bestemd ben om door zijn hand te sterven of tengevolge van een samenzwering door hem tegen mijn leven gesmeed."
"Maar waar denkt gij dan aan, arme Prins," zei Vieilleville, "dat gij niet luistert naar den raad van uw vader en van mij? Wel! de vrees daarvoor alleen is in staat te dooden. Wat die waarzegger u heeft verteld, zal u het geheele leven in doodelijken angst doen doorbrengen en het aldus verkorten."
"Het is mogelijk," zei de Prins, "maar de intieme vriendschap, die de keizer, zijn vader, mij heeft bewezen en de gunsten, die ik van hem heb ontvangen, hebben mij zóó aan zijn dienst gebonden, dat het mij niet mogelijk zou zijn, hem te verlaten, al zag ik den dood nabij."
"Het is genoeg," hernam Vieilleville. "Had ik geweten, dat dit uw laatste vaste besluit was, ik zou nooit een voorstel aan u gedaan hebben en zoolang ik leef, zal ik er niet meer over spreken."
Na den maaltijd, waarbij ook andere Duitsche edelen in der haast waren genoodigd, even goed als de Prins, had de Graaf een bijzonder onderhoud met Vieilleville en drong hij daarin krachtig bij hem aan, den koning te bewegen, om de voorstellen der Duitschers aan te nemen.
Vieilleville hernam, dat er niets was, dat hij meer begeerde dan dit verbond, dat glorie aan Frankrijk brengen zou; maar zeide hij, hij had weinig invloed op Hendrik, daar hij geen Montmorency was, noch zelfs lid van den geheimen raad.
De gasten vertrokken en dienzelfden nacht werd Vieilleville door den koning ontboden en hem meegedeeld, dat hij tot lid van den geheimen raad was benoemd. Op de eerstvolgende vergadering nam hij stoutmoedig een standpunt in tegenover de andere raadsleden, die Hendrik aanrieden de aanbiedingen af te wijzen en hij sprak met zulk een goed succes, dat Hendrik besloot in het verbond te treden en alzoo de kampioen der Duitsche vrijheid werd.
De onderhandelingen werden voortgezet en er kwam een verdrag tot stand, waarbij werd aangenomen, dat Hendrik maandelijks een zekere som aan de Duitschers zou betalen, die onmiddellijk de operaties zouden beginnen, terwijl de Fransche koning een afleiding in Luxemburg en op de grenzen van de Nederlanden zou scheppen. Verder werd er bij bepaald, dat hij bezit zou nemen van al de Fransch-sprekende steden, die hij zou overwinnen en dat de Duitschers hem helpen zouden, om Milaan, zijn vaderlijk erfgoed, te heroveren, zoodra hun eigen troebelen vereffend waren.
Voor het vertrek van het gezantschap werden zij, na de gunstige beëindiging hunner zending, op een Zondag, den 20en October, te Fontainebleau genoodigd. Nadat ze zich te Chesnil verfrischt hadden, werden ze in de groote hal te Fontainebleau binnengeleid, die zij, volgens de beschrijving in de mémoires "zoo rijk versierd vonden, dat ze met bewondering waren vervuld. Daar hingen de wapenschilden van het Rijk, (behalve die van het huis van Oostenrijk) met die van de afgezanten der keizerlijke steden aan den wand. Schitterende festoenen en een verbazingwekkende overvloed van gouden en zilveren versiersels zetten aan alles een grooten luister en pracht bij.
Zijne Majesteit kwam eindelijk ook binnen, vergezeld door zijn prinsen en heeren, zoo rijk gekleed, dat ze allen wel voor koningen konden doorgaan. De koning nam den hertog van Symerch en den graaf van Nassau ter zijde, om met hen wat te praten; de connétable en de prinsen onderhielden zich met de anderen door middel hunner tolken. M. de Vieilleville wendde zich tot den Prins van Oranje, die ook hem zocht, zoodat niemand aan zichzelf bleef overgelaten, terwijl men op het diner wachtte, dat zou worden voorgediend.
Na het diner begon het bal, waarbij de koningin en al de hofdames verschenen, zoo kostbaar gekleed, dat de Duitschers één en al verbazing waren. Na den koninklijken dans in paren, werden de Duitsche dansen, die de gasten beter kenden, uitgevoerd, met een gaillarde (een destijds zeer bekenden dans) voor deze bijzondere gelegenheid, die des te voordeeliger de gratie van onze Fransche jeugd deed uitkomen.
Niet een der gasten bood zich aan om de figuren daarvan mee te dansen, behalve de Prins van Oranje, die zich zeer knap daarvan kweet en zeker den prijs van de gaillarde gewonnen zou hebben, als hij met al zijn houdingen, sprongen, draaiingen en bewegingen de maat van de muziek had kunnen houden.
Op den volgenden dag keerde het gezantschap, beladen met geschenken en vol toewijding aan den Franschen koning, naar Duitschland terug.
Dit romantische verhaal wordt bij vele geschiedschrijvers aangetroffen, vooral de beschrijving van het bal, maar 't is wel onwaarschijnlijk, dat zoo spoedig een definitieve overeenkomst zou gesloten zijn. Dergelijke onverwachte ambassades met volkomen volmachten en verdragen, geteekend en gesloten binnen enkele dagen, zijn feiten, die alleen door geschiedschrijvers als Vieilleville's secretaris worden verhaald. Ook wordt omtrent dit verbond door Pfister het volgende meegedeeld:
"Maurits en koning Hendrik II van Frankrijk zochten met elkander een overeenkomst te sluiten op zulk een wijze, dat het niet bekend was, wie de eerste stappen gedaan had. Korten tijd te voren had Jan Frederik van Saksen een alliantie met Frankrijk afgeslagen, omdat die de veiligheid van het keizerrijk bedreigde. Maar de wanhopige toestand stond niet langer halve maatregelen toe. De Fransche gezant, Fraxinus, kwam op het eenzaam in het woud gelegen kasteel Friedewald in Hessen. Hier traden de Duitsche vorsten, Keurvorst Maurits voor zichzelf en zijn pupil George Frederik van Brandenburg-Anspach, hertog Albert van Mecklenburg en de jonge landgraaf Willem van Hessen, tot een defensief en offensief verbond met Hendrik van Frankrijk toe, ten einde staatkundige en godsdienstige vrijheid te erlangen."
Daarop volgt een trek, die doet denken aan Vieilleville: "Terwijl de verbondenen bezig waren de acte van het verdrag te teekenen, sloeg een bliksemstraal, gepaard aan een hevigen donderslag een scheur in de hal van Friedewald, hetgeen Fraxinus, overeenkomstig de oude meening, als een goed voorteeken opvatte."
Het is, om kort te gaan, hoogst onwaarschijnlijk, dat de Graaf van Nassau eenig deel aan de transactie heeft genomen en nog onwaarschijnlijker, dat hij zulk een daad van onvoorzichtigheid en trouweloosheid zou hebben verricht, om zijn zoon in operaties te wikkelen tegen den keizer en het keizerlijke leger, waarbij hij juist zijn opdracht had ontvangen.
In September 1551 n.l. ontving de Prins zijn eerste militaire benoeming als kapitein van een ruiterafdeeling van 200 paarden en in April van het volgende jaar kreeg hij van de regentes een tweede opdracht als kolonel van tien compagnieën voetvolk. Dit was geen kolonelspost alleen voor de eer, om, terwijl hij rustig aan het hof kon blijven, den jongen man een uniform te leeren dragen, want de oorlog was aanstaande, die ook hem op het slagveld roepen zou.