Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 29

Chapter 293,813 wordsPublic domain

De Prins had te Leiden een drie- of vierduizend man bijeenverzameld, die hij nog vóór het midden van December onder bevel van den graaf van der Marck naar de stad zond, maar deze troepen werden onderweg door een sterke afdeeling onder Bossu, Noircarmes en Romero aangetast en na een scherp gevecht onder eene hevige sneeuwjacht verslagen. Een duizendtal sneuvelde, anderen werden gevangen genomen en naar de galgen gesleept, die reeds in de Spaansche legerplaats zoo opgericht waren, dat zij van verre in het oog vielen en die gedurende het geheele beleg nooit leeg stonden.

Onder de krijgsgevangenen was een wakker bevelhebber, Baptist van Trier, voor wien van der Marck vruchteloos tweeduizend kronen en negentien Spaansche gevangenen aanbood: het voorstel werd minachtend van de hand gewezen, en van Trier bij het ééne been aan de galg gehangen totdat de dood volgde. Uit weerwraak liet van der Marck de negentien Spanjaards onmiddellijk ophangen. Met deze wisseling van wreedheden was het beleg voor goed begonnen.

Don Frederik had een stelling ingenomen tegenover de Kruispoort, die niet zeer sterk was, maar door een bolwerk gedekt werd. Van zins om het beleg zoo kort mogelijk te doen duren, liet hij onmiddellijk zijne batterijen oprichten en den 18en, 19en en 20en December de Kruispoort, de St. Janspoort en het gordijn tusschen die beide poorten, hevig beschieten. Zes honderd en tachtig schoten werden op den eersten dag en ongeveer evenveel op elk der beide volgende dagen gelost. De wallen werden zeer beschadigd, maar mannen, vrouwen en kinderen arbeidden dag en nacht om de bressen even spoedig te herstellen als zij gemaakt waren: zij brachten zakken met zand, stapels steenen, wagens vol aarde van alle kanten aan en beroofden de kerken van hare beelden om daarmede de breuken te stoppen. Dit wekte afgrijzen onder de belegeraars: zij, die dagelijks menschen slachtten en gevangenen in koelen bloede ophingen, huiverden onder dien gruwelijken hoon, gesneden beelden aangedaan.

Na drie dagen de stad beschoten te hebben, gaf Don Frederik bevel tot den storm, om zoo door een verhaast bloedbad de kroon op zijne heldenfeiten van Zutfen en Naarden te zetten. De vest zou, naar zijn meening binnen eene week bezwijken en na nog eene tweede week aan plundering en moord gewijd te hebben, wilde hij naar nieuwe steden trekken, totdat Holland geheel onder den voet zou zijn gebracht.

Romero rukte op de bres aan, door een aantal bestormers gevolgd, maar ontmoette een tegenstand, die de Spanjaards verbaasd deed staan. Alom riep het klokgebom de burgerij te wapen, de gansche bevolking stroomde naar de wallen en de belegeraars werden begroet, niet slechts met zwaard en musket, maar met elk voorwerp, dat den burgers voor de hand kwam. Het regende zware steenen, kokende olie, gloeiende kolen op de hoofden der Spanjaards; brandende pekkransen werden hen behendig om den hals geslingerd. Zelfs Spaansche moed en Spaansche woestheid moesten deinzen voor de vastberadenheid eener burgerij, door één zelfden geest bezield. Romero verloor een oog in het gevecht, vele bevelhebbers werden gedood en gekwetst en drie of vierhonderd soldaten lieten in de bres het leven, terwijl slechts drie of vier van de stedelingen sneuvelden.

Met weerzin werd het teeken tot den aftocht gegeven en de Spanjaards zagen van den storm af. Don Frederik besefte thans, dat Haarlem hem niet bij het eerste trompetgeschal te voet zou vallen; klaarblijkelijk moest een beleg het bloedbad vooraf gaan, en hij gaf dus bevel om het ravelijn te ondermijnen, niet twijfelende, of na weinige dagen zou de stad toch in zijne handen vallen.

Intusschen stelde de Prins van Oranje, uit zijn hoofdkwartier te Sassenheim, aan de zuidelijke grens van het meer gelegen, eene nieuwe poging in het werk om onderstand in de stad te brengen. Twee duizend man met zeven veldstukken en vele wagens vol krijgsbehoeften werden door hem onder Batenburg afgezonden. Deze bevelhebber was in de plaats getreden van den graaf van der Marck, dien de Prins eindelijk van zijn post had ontzet. De vermetele en gewetenlooze vrijbuiter mocht niet langer eene zaak dienen, die door zijne wreedheid meer bezoedeld werd dan zijne wanhopige dapperheid haar bevorderen kon.

Batenburgs onderneming viel echter niet voorspoediger uit, dan die van zijn voorganger: reeds in de nabijheid der stad gekomen, geraakten de troepen door den dikken mist, die bijna voortdurend het oorlogstooneel omhulde, den weg bijster. Vruchteloos poogde men hen door kanonschoten, klokkengelui en seinvuren van de wallen terecht te helpen; de kans was verloren. De Spanjaards vielen hen aan, vóór zij den weg naar de stad konden vinden; velen werden overhoop gestoken, anderen namen de vlucht in verschillende richtingen, zeer weinigen gelukte het, binnen de stad te geraken. Batenburg bracht een gering overschot van zijne troepen behouden terug, maar al de zoo hoogst noodige voorraad was verloren gegaan en de kleine macht geheel verstrooid.

De Koning, die onder Batenburg het bevel had gevoerd, was onder de gevangenen: de Spanjaards hieuwen hem het hoofd af en wierpen het over de wallen in de stad, met het opschrift: "dit is het hoofd van kapitein Filips de Koning, die met versterking op weg is voor de goede stad Haarlem." De burgers beantwoordden dit met nog gruwzamer spot: zij deden elf gevangenen ter dood brengen en sloten de hoofden in eene ton, die zij in het Spaansche leger wierpen, met dit briefje er aan bevestigd: "Breng deze hoofden aan den hertog van Alva voor den tienden penning: het elfde hoofd zenden wij hem voor intrest toe, opdat hij zich niet over de trage betaling beklage."

Door zulke afgrijselijke scherts wisselden belegerden en belegeraars de eentonigheid van het winterbeleg af. Daar er dagelijks uitvallen en schermutselingen voorvielen, had men ook aanhoudend gevangenen en konden beide partijen hunne afschuwelijke geestigheden volhouden, terwijl de galgen in legerplaats of stad voortdurend dienst deden.

Sedert den storm van den 21en December was Don Frederik met den onderaardschen aanval begonnen door regelmatige loopgraven te openen. Even snel als de Spanjaarden, groeven de burgers er loopgraven tegen in. Dagelijks stootten zij op elkander en kampten zij onder den grond. Wanhopig waren die gevechten, in gangen, zóó nauw, dat men zich slechts van dolken bedienen kon, zóó duister, dat de flauwe lantarens ternauwernood bij de doodelijke slagen licht gaven; het scheen een worstelstrijd niet van menschen, maar van booze geesten en met die gevechten, man tegen man, was het niet gedaan: hoofden, armen, beenen, rompen, de deerlijk verminkte overschotten van honderden menschelijke wezens, spoten dikwijls uit de aarde op, als uit een onzichtbaren vulkaan. Toch zwoegden de Spanjaards voort met onverminderden ijver; toch ondergroeven de belegerden zonder zich te laten ontmoedigen, de vijandelijke werken en beletten den voortgang met zwaard en speer en met vreeselijke mijnontploffingen.

De Prins van Oranje prikkelde middelerwijl de burgers tot volharding door menigvuldige beloften van hulp. Zijne brieven op zeer kleine reepjes papier geschreven, werden door postduiven in de stad gebracht. Den 28en Januari zond hij een aanzienlijken voorraad van twee dringende benoodigdheden, buskruit en brood op honderdzeventig sleden over het Haarlemmermeer, begeleid door vierhonderd oudgediende krijgers. De burgers hielden den strijd vol in de loopgraven, tegen het bolwerk van de Kruispoort gericht, doch het lag voor de hand, dat zij dit niet lang meer konden doen: zij hadden dan ook in de lange winternachten aan de binnenzijde van dat bolwerk een halve maan stevig opgemetseld. Burgemeesters, bevelhebbers, burgers, soldaten, vrouwen, kinderen, oud en jong, rijk en arm, allen hadden meegeholpen aan dat werk, waardoor men de stad nog hoopte te behouden, als het bolwerk gevallen was.

Op den 31en Januari gaf Don Frederik na de Kruispoort, de St. Janspoort en de daar tusschen liggende gordijnen twee of drie dagen achtereen te hebben doen beschieten, last tot eene nachtelijke bestorming. De wallen waren zeer beschadigd; een gedeelte der St. Janspoort lag in puin; de Spanjaarden beklommen de bres; de stad werd bijna overrompeld en de opperbevelhebber, reeds zeker van de overwinning, deed zijne gansche macht onder de wapenen komen om de bevolking, die door plotselingen schrik verbijsterd, de stad zou uitstroomen, den pas af te snijden. Intusschen hadden de veertig of vijftig schildwachten op de wallen toch aan den onverhoedschen aanval weerstand geboden terwijl zij te wapen riepen. De stormklok luidde de verschrikte burgers uit den slaap, en weldra waren de wallen bemand.

De dag brak aan, terwijl de strijd op het hevigst was. De belegerden verdedigden zich met musket en rapier, met gesmolten pek, brandende pekkransen, knodsen en steenen. Na de vroegmis werd in het Spaansche kamp de trompet gestoken tot een algemeenen aanval, en het bolwerk bij de Kruispoort eindelijk bemachtigd. De Spanjaards stormden voort om terstond de stad te vuur en te zwaard te verwoesten maar bij het beklimmen van den wal bespeurden zij het nieuwe en nog sterkere bolwerk, dat men van binnen had aangelegd. Duidelijk was het thans, waarom men het bolwerk prijsgegeven had; de halve maan, wier aanwezigheid de Spanjaards niet vermoed hadden, verhief zich, met geschut beplant, voor hen en een hevig vuur werd er uit geopend, terwijl in hetzelfde oogenblik het bolwerk, door de burgers ondermijnd, met een donderend geweld in de lucht sprong en de zoo even zegevierende bestormers vermorzeld werden. Dit was het keerpunt: de aftocht werd geblazen en de Spanjaards keerden haastig naar hun legerkamp, terwijl zij minstens driehonderd dooden onder de wallen achterlieten. Zoo was deze tweede storm, door een geweldige overmacht onder aanvoering der meest ervaren Spaansche krijgsbevelhebbers beproefd, roemrijk door de burgers van Haarlem afgeslagen.

Er werd nu besloten om de stad, die noch door het openen van loopgraven, noch door plotselingen aanval te nemen was, door hongersnood tot de overgave te dwingen. Toch had bij het voortgaan van den winter het machtig leger buiten de wallen evenzeer door gebrek te lijden, als de bevolking daarbinnen. De soldaten bezweken aan de ziekten, door de strenge koude en het ontoereikend voedsel ontstaan, en zooals gewoonlijk, overtrof het aantal van hen, op die wijze omgekomen, verreweg dat dergenen, die tegenover den vijand sneuvelden.

Het lijden binnen de stad nam, gelijk te verwachten was, toe, daar de gansche bevolking op beperkt rantsoen was gesteld; dagelijks verminderde de voorraad en met de nadering der lente en het invallen van den dooi liepen zij gevaar van allen toevoer afgesneden te worden. Als de vijand meester werd op het water, moesten zij zich overgeven of verhongeren en zij betwijfelden het, of de prins wel in staat zou zijn een vloot uit te rusten. Het dreigende spook van den hongersnood rees voor hen op en voorspelde hun den ondergang. In hun ellende haakten zij naar de bestormingen der Spanjaards; dan althans hadden ze een minder geduchten vijand onder de oogen te zien. Dagelijks trokken zij met slaande trom en vliegende vaandels de wallen rond om de belegeraars tot hernieuwde aanvallen te tarten, en om den godsdiensthaat hunner tegenstanders te doen ontvlammen, dosten zij zich uit in de schitterende, met goud bestikte kleederen der priesters, die zij uit de kerk genomen hadden, en bootsten een plechtigen omgang na, waarbij zij opgetooide beelden, reliquiën en andere gewijde voorwerpen omhoog hielden om ze dan verachtelijk van de wallen te slingeren of met luide spotkreten stuk te breken.

Op datzelfde tijdstip echter dacht de vijand er ernstig over, of hij het beleg niet zou opbreken. Don Frederik meende, dat men thans voor de eer der Spaansche wapenen genoeg had gedaan; het verdroot hem, zijn krijgsvolk hulpeloos te zien omkomen en hij achtte den prijs te onbeduidend in vergelijking met de offers, dien hij kosten zou. Zijn vader dacht er anders over; misschien kwam de hertog het beleg van Metz voor den geest en den raad, toen door hem aan keizer Karel gegeven en dien de vorst, naar hij geloofde, hem nooit vergeven had.

Hoe dit zij, Alva zond Bernardino de Mendoza, door Don Frederik naar Nijmegen afgevaardigd, om zijn vader verlof te vragen tot het opbreken van het beleg, met dit antwoord terug: "zeg aan Don Frederik, dat, zoo hij niet besloten is het beleg voort te zetten tot de stad is genomen, ik hem niet langer voor mijn zoon erkennen wil, hoe ik ook vroeger over hem gedacht heb. Valt hij in het beleg, dan zal ik het zelf voortzetten, en mochten wij beiden vallen, dan zal de hertogin er uit Spanje voor overkomen."

Die taal was niet dubbelzinnig en de vijandelijkheden werden met levendigheid hervat. De belegerden waren erover verheugd en deden dagelijks uitvallen. In een daarvan stormden Haarlemmers onder begunstiging van een dikken mist op de vijandelijke hoofdbatterij los en poogden de stukken te vernagelen. Allen werden zij bij den mond van het geschut gedood, en daar lagen zij in de batterij nog met hamers en spijkers in de verstijfde vuist geklemd. Elke dag werd door dezelfde koelbloedigheid opgeluisterd. In het voorjaar ging het vee dagelijks de poorten uit naar de weide, ondanks het gewoel, dat in den omtrek heerschte, en het was den Spanjaards niet mogelijk één enkel stuk rund te bemachtigen, zonder dat het hun minstens een twaalftal soldaten kostte. "Deze burgers," schreef Don Frederik, "doen al wat menschelijkerwijze de beste soldaten in de wereld zouden kunnen doen."

Tegen het einde van Februari hield de vorst op. Den graaf van Bossu, die te Amsterdam een vloot van kleine vaartuigen had laten bouwen, gelukte het kort daarop met eenige van geschut voorziene schepen op het Haarlemmermeer te komen door eene opening, die hij had doen maken in den Overtoom, op omtrent een halve mijl afstand van Amsterdam. De vaart op het meer was dus ook niet veilig meer, maar ook de Prins had niet stil gezeten, ook hij was gereed een kleine vloot op het meer te zenden.

Intusschen verkeerde het Spaanschgezinde Amsterdam in bijna even hachelijken toestand als het prinsgezinde Haarlem. Gelijk de eene stad over het meer, zoo kreeg de andere toevoer over den dijk: kon men dien grooten, kunstig aangelegden weg, die naar Muiden en Utrecht voerde, doorsteken, dan ware Amsterdam even zeker als Haarlem uitgehongerd. "Sedert ik ter wereld kwam," schreef Alva, "heb ik nooit in grooter bezorgdheid verkeerd. Indien het hun gelukt de gemeenschap langs den dijk af te snijden, dan zou ons niets anders overschieten, dan het beleg van Haarlem op te breken en ons met gevouwen handen over te geven, of van honger om te komen."

Oranje besefte volkomen den toestand van beide steden, doch hij had als gewoonlijk, gebrek aan volk en middelen. Hij schreef smeekbrieven aan zijn vrienden in Engeland, in Frankrijk, in Duitschland en hij verzocht zijn broeder Lodewijk ten dringendste, om zoo het menschelijkerwijs mogelijk was, met eenige soldaten op te dagen. "Het gansche land ziet zoo verlangend naar u uit," schreef hij aan Lodewijk, "alsof gij de aartsengel Gabriël waart."

En terwijl hij zoo dringend om versche troepen uit Duitschland of Frankrijk bad, deed hij met de vrijwilligers die hij verzamelen kon, al wat in zijn macht was. Hij hield nog steeds zijn verblijf in Sassenheim, ten Zuiden van Haarlem, terwijl Sonoy met zijn onbeduidende macht ten Noorden van die stad gelegerd was. Thans zond hij dien krijgsoverste met een bende, zoo aanzienlijk als hij kon bijeenbrengen, tot een aanval op den Diemerdijk af. Het volk verschanste zich zoo goed mogelijk tusschen het Diemermeer en het IJ, terwijl tegelijk de sluizen opengezet en de dijk doorgestoken werd. Terwijl hun aanvoerder uit Edam versterking was gaan halen, werden zij door een aanzienlijke macht uit Amsterdam aangetast: een hevige strijd volgde te land en te water, deels in booten, deels op den glibberigen dijk, deels in het water, een strijd, waarschijnlijk niet ongelijk aan de gevechten tusschen de oude Batavieren en Romeinen ten tijde van Claudius Civilis.

De Hollanders moesten ten laatste voor de overmacht onderdoen. Sonoy, op weg om hen te hulp te komen, werd in zijn plan teleurgesteld door de onverwachte flauwhartigheid der vrijwilligers, die hij in Edam bijeen had gebracht. Duizend gevaren trotseerende zette hij, bijkans geheel alleen gelaten, met zijn broer den tocht voort, maar hij kon slechts met eigen oogen de nederlaag en verstrooiing der zijnen zien. Het was te laat om de wijkende troepen te hereenigen. Wakker hadden zij gestreden, doch voor de overmacht moesten zij zwichten, nadat één hunner wonderen van dapperheid had verricht.

Jan Haring uit Hoorn had geheel alleen post gevat op den dijk, die tusschen het IJ en het Diemermeer lag en zoo smal was, dat nauwelijks twee mannen naast elkander konden staan. Daar had hij met zwaard en schild aan een duizendtal vijanden weerstand geboden en hun den weg versperd, lang genoeg om zijn kameraden in staat te stellen, zich weder te verzamelen en den aanval af te slaan. Het was te laat, maar toch handhaafde de wakkere krijgsman zich op zijn post, totdat zijn krijgsmakkers, die nog in de verschansingen waren, veilig hadden kunnen aftrekken: toen sprong hij in het water en ontkwam ongedeerd.

Ware hij een Griek of Romein geweest, Horatius of Chabrias, zijn naam zou in de geschiedenis vermaard, zijn standbeeld op het marktplein opgericht zijn, want de koene Hollander had op zijn dijk evenveel dapperheid in een even heilige zaak aan den dag gelegd, als de uitstekendste helden der oudheid.

Deze mislukte poging om de gemeenschap tusschen Amsterdam en het land af te snijden, versterkte Alva's vertrouwen. Eenige honderden Nederlanders waren gedood of gevangen genomen, en onder de gesneuvelden bevond zich de schilder Antonie Olivier, door wiens toedoen Lodewijk van Nassau Bergen overrompeld had; zijn hoofd werd afgehouwen door twee vaandrigs, die er den gestelden prijs, tweeduizend Carolusguldens, voor ontvingen. Nu bevestigde men er een stuk papier aan, waarop de naam van den terdoodgebrachte geschreven stond en wierp het hoofd zoo in de stad Haarlem. Tevens werd in de Spaansche legerplaats vóór de stad, op eene in het oog vallende plek eene nieuwe galg gezet, waaraan men al de gevangenen, eenigen bij den nek, anderen bij de hielen, in het gezicht der hunnen ophing. Zooals gewoonlijk, prikkelde deze wreedheid de burgers tot weerwraak.

Twee van de afgezette overheden, die de Spaansche zijde gekozen hadden, zaten nog in Haarlem gevangen, evenals nog zeven andere personen, waaronder een priester en een twaalfjarige knaap. Zij werden nu tot de galg veroordeeld. De vrouw van een der afgezette burgemeesters en zijne dochter, een bagijn, vergezelden hem naar de plaats der terechtstelling met vrome vermaningen om de uitjouwingen van het gepeupel en zijn smadelijk vonnis moedig te dragen. Het grauw, door die koenheid verbitterd, joeg vrouw en dochter in het water, waar zij beiden omkwamen. Het is billijk, deze voorbeelden van wreedheid door de Nederlanders begaan, te vermelden, maar die wreedheid was het bijna onvermijdelijk gevolg der gruwzaamheid van den uitheemschen vijand.

Het was een oorlog van wolven; om Mendoza's woorden te gebruiken: "allen, zoowel binnen als buiten Haarlem, schenen door een geest van persoonlijke wraakzucht gedreven." Het onschuldig bloed, in Mechelen, Zutfen, Naarden en op duizend schavotten vergoten, had te lang reeds tot God om wraak geschreeuwd; de Hollanders moesten meer of minder dan menschen geweest zijn om zich soms niet te laten verleiden tot daden, die de rechtvaardigheid en de rede moeten afkeuren.

De zonderlinge gril van een manhaftig bevelhebber der bezetting, hopman Curey, stelt duidelijk het afgrijzen in het licht, waarmede de edeldenkenden zulke bloedtooneelen beschouwden. Uit den aard zachtmoedig, maar door het zien der Spaansche wreedheid ontvlamd, had hij de wapenen, die hem vroeger tegenstonden, opgevat; dapper tot vermetel toe, voerde hij de zijnen, bij elken uitval, bij elk gevaarvol nachtelijk waagstuk, aan. Slechts met zijn rapier gewapend, ongeharnast, kon men hem steeds zien, waar de strijd het hevigst woedde en talrijk waren de slachtoffers, door zijn staal geveld. Teruggekeerd van zulke tochten, sloot hij zich in zijn huis op en bleef dagen lang te bed liggen, door wroeging gepijnigd, terwijl hij zich bitter al dat bloedvergieten verweet, waarin hij gedeeld had en dat door eene wreede lotsbeschikking noodig scheen. Als die vlaag van verteedering bedaard was, kwam zijn strijdlust gewoonlijk terug en ijlde hij wederom naar het slagveld om nieuwe slachtoffers voor zijn woede te vinden.

Bijna dagelijks hadden er gevechten voor de wallen plaats. Op den 25en Maart deden duizend man een schitterenden uitval, verdreven al de vijandelijke buitenposten, staken driehonderd tenten in brand en bemachtigden zeven stukken geschut, negen standaards en vele wagens vol mond- en krijgsbehoeften en dat alles brachten zij veilig in de stad. Na aldus buit behaald te hebben, op eene wijs, niet dikwijls te werk gesteld door de burgers eener belegerde stad, in het aangezicht van dertigduizend oudgediende krijgers--na van den vijand, wiens gansche macht bijna aan den strijd deelnam, achthonderd man gedood te hebben, terwijl zij zelven slechts vier van de hunnen verloren,--richtten de Haarlemmers een ontzettend maar verheven zegeteeken op. Een zodenheuvel werd, in het gezicht van het vijandelijke leger, in den vorm van een reusachtig graf, op de wallen aangelegd en daarop de zoo heldhaftig veroverde kanonnen en standaards geplant, terwijl midden op den heuvel een banier golfde met het uittartend opschrift: "Haarlem is het kerkhof der Spanjaarden."

Ziedaar de bijzonderheden, waardoor dit vermaard beleg zich gedurende den winter en de vroege lente kenmerkte. Wel mocht Alva aan zijn vorst schrijven, dat "het een beleg was, welks gelijke men tot dusver in geen ander land ooit gezien of gehoord had." Toch had de hertog bijna zestig jaren van onafgebroken oorlog gekend. Hij meldde aan Filips, dat "geen vest ooit met zooveel beleid en dapperheid verdedigd was als Haarlem," hetzij door opstandelingen, hetzij door mannen die voor hun wettigen vorst streden."

Zeker had zijn zoon ingezien hoezeer hij zich vergist had, toen hij beweerde, dat de stad zich binnen een week zou overgeven; terwijl de vader na eene ondervinding van zes jaar dit "volk van boter" minder smijdig begon te vinden, dan zelfs die "ijzeren volken," die hij zich beroemde getemd te hebben. Het was gebleken, dat noch een Grieksche of Italiaansche hemel, noch het verheven Zwitsersche alpenland vereischten waren, om een geest van kloekmoedigen weerstand tegen uitheemsche onderdrukking te doen ontvlammen, een geest, die zich even krachtig gelden liet onder de winternevelen en op de lage weiden van Holland, als hij het ooit onder zonniger luchtstreken en in bekoorlijker oorden gedaan had.

Mendoza had zijne zending naar Spanje volbracht en was binnen zes weken met geld teruggekeerd. Op zijne voorstellen en Alva's herhaald verzoek, had Filips daarenboven aan Requesens, stadhouder van Milaan, last gegeven, drie oude Spaansche regimenten naar de Nederlanden te zenden, die thans voor Haarlem meer noodig waren, dan in Italië. Terwijl de landmacht dus versterkt werd, was de vloot op het Haarlemmermeer ook aanzienlijk vergroot.

Van zijn kant had de Prins van Oranje meer dan honderd vaartuigen van verschillende soort verzameld, zoodat de waterplas van schepen wemelde. Bijna dagelijks vielen er thans ter zee gevechten en schermutselingen voor, het bleek duidelijk dat de kamp op leven en dood thans op het water zou gestreden worden. Zoo lang de Hollanders zich daar konden handhaven, was het nog mogelijk aan Haarlem onderstand te doen toekomen, maar zoo de Spanjaarden de prinselijke vloot overwonnen, moest de stad onvermijdelijk verhongeren.