Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 28
Weer had Oranje gerekend, gelijk in 1568 op de hulp der steden van Brabant en Vlaanderen en op de opening der poorten voor zijn leger. Onder den indruk van den gehaten tienden penning had hij daarop vertrouwd, maar hoe bitter werd hij teleurgesteld! Thienen en Diest ontvingen hem, maar grooter plaatsen als Leuven en Brussel openden de poorten niet voor hem. Vrees voor Alva, maar ook vrees voor het plunderzieke leger van den Prins zelf, hield de harten der bewoners gesloten. Verscheidene plaatsen kochten zijn binnenkomst met groote sommen af en Mechelen, waar hij werd ontvangen, moest later vreeselijk daarvoor bloeden.
Oranje was evenwel niet terneergeslagen, integendeel hoopvol gestemd, zooals uit zijn brief van den 11en Augustus aan zijn broer Jan blijkt. De steden zonden hem geld en niettegenstaande de nederlaag van Genlis, was het vooruitzicht schitterend, want Coligny had 12000 man voetvolk en 3000 ruiters verzameld en hoopte spoedig zelf te komen. Die hoop werd helaas kort daarop geheel in duigen geworpen, want de dagen van den admiraal waren geteld. Terwijl Lodewijk in pijnlijke afwachting van de versterking der Hugenoten verkeerde, terwijl Oranje langzaam tot hem naderde, werd de vreeselijkste tragedie der gansche eeuw in Parijs voorbereid en afgespeeld.
Hendrik van Navarre zou in het huwelijk treden met Margareta van Valois en met deze echtverbintenis waren de Hugenoten zeer ingenomen, daar die hun den toegang tot het hof scheen te openen.
Op den 24en Augustus was de bruiloft gevierd en in den volgenden nacht werden alle Hugenoten in Parijs meedoogenloos in bed of op straat vermoord. Het schijnt werkelijk ongelooflijk, dat eenig menschelijk wezen met zulk een dubbelhartigheid zou hebben kunnen handelen, indien het waar is, dat Karel IX maandenlang zoo vertrouwelijk met Coligny en Lodewijk van Nassau heeft omgegaan, terwijl hij tegelijkertijd een algemeenen moordaanslag op de Fransche Protestanten beraamde. Waarschijnlijker is, dat Karel op het laatste oogenblik door zijn moeder op het denkbeeld gebracht is, dat er een samenzwering tegen hem bestond en dat zijn eenige veiligheid gelegen was in het met wortel en tak uitroeien van het hervormd geloof.
Volgens de meest gematigde berekening bedroeg het aantal slachtoffers alleen in Parijs meer dan tienduizend.
Geheel het protestantsch Europa was ontsteld over dit afgrijselijk voorval. De koningin van Engeland trok rouwgewaad aan en weigerde met verachting gehoor aan wat de Fransche gezant tot verdediging aanvoerde. Hoe Lodewijk het hoorde verhaalt zijn secretaris Michel de la Huguerye: "Juist begonnen wij het ongeval van Genlis te vergeten, toen we op zekeren nacht, het was de 28e Augustus, een hevige kanonade hoorden, die ons deed vermoeden, dat er een nieuwe aanval op de stad begon. Anderen meenden, dat die kanonade plaats had ter eere van Alva persoonlijk, die op den 27en in het kamp der belegeraars was gekomen.
"Den volgenden ochtend vonden we eenige arme vluchtelingen van het leger van Genlis, die ons de tijding brachten van den dood van den admiraal, die vijf dagen te voren, in den Bartholomeusnacht vermoord was. Ook vertelden die mannen, dat er een groot getal arme Christenen was omgebracht, zoodat we niet langer hulp konden verwachten, maar beter deden te capituleeren."
Men weigerde eerst geloof te slaan aan dat ontzettend bericht, maar helaas! twee hervormde predikanten, d'Amours en de la Porte, kwamen een paar dagen later aan en vertelden de geheele historie van de vreeselijke tragedie. De arme Lodewijk trok zich den moord zijner vrienden zoo aan, dat hij door een zenuwziekte werd aangetast, die drie maanden duurde. Gedurende het laatste jaar was hij zoolang in Frankrijk geweest en had hij in zulk een intieme verstandhouding niet alleen met Coligny en zijn Protestantsche vrienden gestaan, maar ook met den koning en de katholieke edelen, dat het hem meer dan pijnlijk aandeed, nu ze zoo wreed en verraderlijk waren geweest. Voor het warm, sympathiek gemoed van Lodewijk was het inderdaad een bittere ontgoocheling te ontdekken, dat zijn vertrouwen zoo misplaatst was. Toch schreef hij aan den Prins, dat hij Bergen tot het uiterste zou blijven verdedigen en gaf hij hem den raad, thans bij de Engelsche koningin hulp te zoeken. Hij meende, dat verontwaardiging over den gruwel van den Bartholomeusnacht als de hefboom moest gebruikt worden, om de Protestanten van alle zijden op te wekken en dat Elisabeth nu wel aanstonds gereed zou zijn, als kampioen voor hun zaak in 't veld te treden.
Volgens la Huguerye toonde Alva grooten afschuw van den moord te Parijs en zeide hij, liever zijn rechterhand af te snijden dan medeplichtig te zijn aan zulk een slag. Hij bood zelfs onder dien indruk aan Lodewijk billijke voorwaarden van overgave aan. Doch de graaf was daartoe nog niet bereid. Nog steeds hopende op de komst van Oranje, haalde hij zijn troepen, die dreigden hem te ontvallen, door zijn welsprekendheid over, ten minste te blijven, totdat de Prins van Oranje zou gekomen zijn.
Nog drie weken hield Lodewijk het vol en op den zevenden September verscheen werkelijk Oranje in de nabijheid van Bergen. Zijn gedeeltelijk succes in Mechelen, Dendermonde en Oudenaarde, die hun poorten voor hem hadden geopend, had hem nieuwen moed gegeven. Waar hij was, toen de tijding van den Bartholomeusnacht hem bereikte, is onbekend. Later schreef hij aan Jan, dat niet alleen hij, maar iedereen in Europa geheel onvoorbereid was op zulk een gebeurtenis. "Het was een donderslag bij klaren hemel. Niet alleen is het nu uit met alle hoop op hulp van Frankrijk, maar zelfs Karel moet Alva met geld ondersteunen. Alle vertrouwen op menschen is daardoor vernietigd."
Vroeg in September kwam alzoo Oranje in de buurt van Bergen en sloeg hij zijn kamp op te Hermigny, een halve mijl van de stad, terwijl Don Frederik met zijn leger bij het dorp St. Florian lag. In den nacht van 11 September, ging Juliaan Romero met 600 man naar Hermigny. De nacht was donker en de soldaten hadden hunne hemden over hun wapenrusting getrokken, om elkander in de duisternis goed te herkennen. Het gelukte hun, de schildwachten te verrassen en nadat ze deze hadden neergesabeld, baanden ze zich een weg naar het in slaap gezonken kamp. Oranje hoorde geen rumoer, maar sliep rustig door, totdat hij door zijn hondje, dat aan zijn voeten sliep, werd gewekt. Niet tevreden met blaffen, likte het beestje zijn meesters gelaat. De Prins sprong uit zijn bed, nam een paard, dat gezadeld stond en reed in de duisternis weg. Zijn mannen waren minder gelukkig. Zeshonderd kwamen er om, gedeeltelijk door het zwaard, gedeeltelijk verdronken ze in een nabijzijnden stroom. Het verlies der Spanjaarden was gering, het werd op 60 geschat.
Volgens la Huguerye wist Aldegonde in Bergen te komen, om aan Lodewijk te vertellen, hoe de Prins was verdreven en hoe hij besloten had, naar Mechelen terug te gaan, om zijn krijgsvolk bijeen te houden. Lodewijk zag toen weinig hoop meer op verlossing en stemde eindelijk toe in een onderhandeling met Don Frederik. Hij zond La Noue met drie andere Fransche edellieden naar het vijandelijk kamp, waar Noircarmes, een der onderhandelaars van Spaansche zijde was. Op den 19en September werd de capitulatie van Bergen op de volgende voorwaarden geteekend: Lodewijk zou met zijn troepen de stad verlaten met behoud hunner wapenen. Hij zou met zijn volgers, door vier compagnieën begeleid, naar Roermond gebracht worden, om van daar naar Duitschland terug te gaan. Zijne Fransche troepen zouden òf hem kunnen volgen òf naar Frankrijk worden geleid tot aan de grens bij Avesnes. Die laatste bepaling was niet naar den zin van Karel IX, die begeerd had, dat Alva alle manschappen, als zijnde Hugenoten, had laten ombrengen. Doch Alva wilde met een politieke bedoeling den koning niet van alle vrees voor de Hugenoten bevrijden.
Lodewijks ziekte werd de laatste dagen, die hij in Bergen doorbracht, steeds ernstiger; hij was genoodzaakt een aderlating te ondergaan. Toch gaf hij onmiddellijk order, alles in gereedheid te brengen voor zijn vertrek. Inzonderheid was hij angstig over het lot zijner Fransche soldaten, voor wie hij niet veel goeds verwachtte, als ze over de grenzen van hun vaderland waren gekomen. Hij deed dus nog alle moeite, hen bij zich te houden. De meesten echter weigerden dit en namen het aanbod aan, om tot de grens te worden geëscorteerd. Het was een slechte keus. Want nauwelijks waren ze over de grenzen gekomen, of ze werden door de soldaten van Karel IX gruwelijk vermoord. Slechts een deel kon zich nog redden, geholpen door den hertog van Longueville, gouverneur van Picardië.
De graaf kon niet te paard zitten; hij moest in een wagen Bergen verlaten. Even daarbuiten werd hij door een officier in naam van Alva begroet. Zes mijlen buiten Bergen, in een dorp waar men halt hield, viel Lodewijk, bij het uitstijgen uit den wagen in zwijm en moest, te bed liggende, worden bijgebracht. Daarop trok men onder begeleiding van het Spaansche escorte voort en kwam men te Roermond aan, waar een ontmoeting tusschen de beide broeders plaats had. Zij overlegden, wat hun thans te doen stond. Vier dagen bleven ze samen en het resultaat van hun besprekingen was, dat Lodewijk tot herstel zijner gezondheid naar Duitschland zou teruggaan, terwijl de Prins zijn leger ontbinden en naar Holland gaan zou. Van de volvoering van dat plan zullen we in een volgend hoofdstuk getuige zijn.
Lodewijk kon, ziek naar lichaam en ziel, zijn reis naar Dillenburg slechts uiterst langzaam voortzetten. In het begin van October was hij pas in Meurs. Van daar reisde hij naar Keulen, waar de magistraat uit vrees hem niet eens toestond het Nassau-huis te betrekken en waar hij toen verplicht was in Deutz, in het Joden-kwartier, tijdelijk zijn intrek te nemen. Eerst tegen het eind der maand kwam hij op het voorvaderlijk kasteel, waar zijn moeder Juliana, die hem zoo teeder liefhad, de grootste zorg aan hem wijdde. Hij was toch zoo ziek, dat men algemeen dacht, dat hij zonder Gods hulp niet langer leven zou. Gelukkig echter werd de uitnemende zorg der moeder beloond. Langzaam herstelde Lodewijk en kon hij zich weer met de goede zaak der Nederlanders bezig houden. Als wij hem weder terugvinden, zullen we hem met nieuwe kracht zien aangegord, om mede te werken tot bevrijding van ons vaderland.
HOOFDSTUK XVI.
DE PRINS IN HOLLAND. BELEGERDE STEDEN. 1572-1573
De schaduw van succes, door het volk dat zijn gezag trotseerde behaald, verbitterde Alva buitengewoon. Ook andere gebeurtenissen hadden zijn toorn niet bedaard, misschien werkte zelfs de komst van Medina-Coeli, die bestemd was zijn plaats in te nemen, ook mede tot zijn besluit, om thans met krachtige hand op te treden.
Nu Bergen heroverd was, had hij de handen vrij, om de afvallige steden en gewesten in het Noorden voor hun ongehoorzaamheid te doen boeten. Aan Don Frederik gaf hij het opperbevel over het leger van 15.000 man, dat de strafoefening in het Noorden zou voltrekken.
De tocht ging van Bergen over Mechelen, dat voor de opening van de poorten voor den Prins vreeselijk moest boeten. Drie dagen lang duurde daar een plundering en verwoesting, welke zelfs op koningsgezinden een allerdroevigsten indruk maakte. "Het was, alsof de kerkelijke hoofdstad der Nederlanden een Turksche stad was geworden," terwijl een Spanjaard uit Brussel schreef: "Nauwelijks had men een spijker in de muren overgelaten."
Van Mechelen ging de tocht van het Spaansche leger noordwaarts; eerst de Maas over bij Maastricht en daarna bij Lobith den Rijn weder over, ten einde de IJselsteden te herwinnen. In die streek had de Graaf van den Bergh, de zwager van den Prins, met Duitsche troepen Zutfen en andere plaatsen bezet. Ook de Prins kwam daar in het midden van October op zijn doorreis naar Holland nog aan en meende, dat de plaats in veiligheid was. Spoedig zou Zutfen de wraak van Alva ondervinden. Hij had bevel gegeven, geen enkel man in de stad te sparen en al de huizen tot den grond toe te verbranden. Het bevel werd bijna letterlijk opgevolgd. Don Frederik rukte Zutfen binnen en deed onmiddellijk de geheele bezetting over de kling jagen; maar niet alleen de bezetting, ook de weerlooze burgers moesten het ontgelden, en de stad, die zoo smadelijk bij de nadering van den vijand door van den Bergh in den steek was gelaten, werd zoo goed als uitgemoord.
Na Zutfen kwam Naarden aan de beurt. Don Frederik kreeg n.l. bevel naar Amsterdam op te rukken om van daar de verovering van Holland te beproeven. Op zijn weg daarheen kwam hij langs Naarden, dat genomen werd en waarop een slachting plaats had zoo gruwelijk, dat men zich afvroeg of het wel menschen waren, die daar aan het werk waren geweest. Alva schreef met eenig welbehagen aan den koning, dat "zij burgers en soldaten afgemaakt en geen menschenkind in het leven gespaard hadden."
Don Frederik rukte van Naarden naar Amsterdam, waar Alva destijds verblijf hield, die vol vreugde was over al het goede, dat zijn zoon reeds verricht had. Behalve de vaderlijke goedkeuring ontving hij ook die van zijn koning, die vond dat Don Frederik zich een zoon had betoond zulk een vader volkomen waardig!
Een maand te voren echter was de Prins reeds in Holland. Van Zutfen over Zwolle en Kampen en verder over de Zuiderzee, had hij met een zestigtal volgelingen de reis gedaan. Op den 18en October had hij uit Zwolle aan zijn broeder Jan een brief geschreven. Deze brief, onder den indruk van de macht der Spaansche wapenen, de overgave van Bergen, de verwoesting van Mechelen en den schrik der bevolking geschreven, gunt ons weder een blik in het gemoed van den schrijver. "Ik vrees," zoo zegt hij, "dat ik mij waarlijk geheel en al van alle kanten verlaten zal vinden, als God niet wonderdadig er in voorziet."
Hij betreurt ten zeerste de lafhartige vlucht van de benden van zijn zwager. "Zelf ben ik besloten naar Holland en Zeeland te gaan, om zoo mogelijk daar den toestand te behouden en daar mijn graf te vinden."
Twee dagen na het schrijven van dien brief, was de Prins te Kampen en vandaar vertrok hij met de zijnen op enkele galeien, die hem te gemoet waren gezonden naar Enkhuizen, waar hij zonder eenigen tegenspoed aankwam en met groote vreugde werd ontvangen. Zijn aankomst in Holland was dringend noodig, om de inwoners, die den moed hadden verloren, met nieuwen moed te bezielen; zelfs de ijverigsten waren op het punt den ongelijken strijd op te geven of het land voor altijd te verlaten. Zijn tegenwoordigheid was niet minder noodig, om de wettelooze plundering van zijn eigen zeelieden tegen te gaan; voor vriend en vijand waren de Watergeuzen een schrik.
Na te Enkhuizen geland te zijn, deed de Prins een reis door Holland en kwam in den loop van November in Dordrecht aan. Op die reis bezocht hij ook Haarlem, dat na Naarden aan de beurt lag, om door Don Frederiks leger belegerd en gestraft te worden. Daar Oranje zich in Zuid-Holland gevestigd had en zijn stadhouder Sonoy zich in het Noorderkwartier bevond, was Haarlem voor Alva van groot belang. De stad lag n.l. op een landstrook daartusschen en bij verovering zou Holland in twee stukken zijn verdeeld, waardoor de strijdkrachten der opstandelingen in tweeën gesplitst konden worden, tengevolge waarvan verdere wederstand onmogelijk zou zijn; althans zoo dacht men in het Spaansche hoofdkwartier. Gedurende den herfst had die stad reeds alle voorbereidselen genomen om een beleg, dat onvermijdelijk scheen, te kunnen volhouden.
Het bezoek van den Prins was een bemoediging en waarschuwing voor de burgers. Van daar schreef hij op den 1en November aan den burgemeester en de burgers van Amsterdam, de eenige van al de noordelijke steden, die zich niet voor hem verklaard had. Hij vroeg hun, zijn pogingen om Alva te bestrijden, te ondersteunen en gaf te kennen, dat hij bereid was, tot hen te komen, indien ze dat wenschten, maar zijn brief werd door geen antwoord gevolgd. Met het oog op de vreeselijke gebeurtenissen in Zutfen en Naarden was de aarzeling wel begrijpelijk. Ook in Haarlem bestond bij de magistraat diezelfde kleinmoedigheid; deze zond zelfs een drietal hunner naar Alva, om in geheime onderhandelingen met hem te treden, doch die plannen werden door Ripperda, den heldhaftigen commandant van het garnizoen, verijdeld. Twee overheidspersonen, de pensionaris Assendelft en de schepen Schagen werden onthoofd, nadat ze nog voor den schijn te recht hadden gestaan en onder het bestuur van den Prins benoemde Aldegonde een geheel nieuwe corporatie.
Een gelukkige gebeurtenis scheen voor den naderenden strijd om Haarlem een goed voorteeken. Een kleine vloot, aan Holland behoorende, was in de nabijheid van Amsterdam ingevroren geraakt. Don Frederik zond een afdeeling over het ijs om die vloot te bemachtigen, maar het scheepsvolk had een breede bijt rondom de schepen opengehakt, zoodat de vloot in een groot vastgevroren en drijvend kasteel was herschapen. Een sterke bende goed geoefende musketiers ging op de schaats de aanvallers tegemoet. Een kortstondige en glibberige schermutseling volgde, waarin de Hollanders, op het ijs door en door thuis, gemakkelijk de overwinning behaalden en den vijand met achterlating van eenige honderden dooden verjoegen.
"Het was iets tot dusver ongehoords" schreef Alva, "een troep haakschutters zoo te zien schermutselen op de bevroren zee." Gelukkig kwam de vloed en de sterk ingevallen dooi de schepen verlossen, die allen naar Enkhuizen ontkwamen, terwijl de vorst, welke onmiddellijk daarop weder inviel, de vervolging onmogelijk maakte.
Spoedig daarna begon het merkwaardige beleg van Haarlem, dat zoo meesterlijk door den geschiedschrijver Motley is meegedeeld en dat we daarom, tevens als voorbeeld van een beleg, hier in haar geheel laten volgen:
"De stad Haarlem, over wier puin de Spaansche dwingelandij Holland wilde binnendringen, lag in het smalst gedeelte van de landstrook, die de Noordzee van de Zuiderzee scheidt. De afstand van de eene zee tot de andere is nauwelijks anderhalf uur gaans. Ten westen van de stad vond men een gewezen moeras, destijds vruchtbaar weiland door onvermoeide zorg uit een stormachtige zee boven water gehouden. Tusschen de Noordzee en den uitersten zoom van dat weiland verrezen die wilde, zonderling gevormde duinen, door wind en golven opgehoopt, die nog door het tengerste van alle rietsoorten versterkt, de golven onder de heerschappij van den mensch stellen zouden. Aan de tegenovergestelde of oostelijke zijde had Haarlem het uitzicht op Amsterdam, welke toen reeds bloeiende stad slechts drie uren vandaar verwijderd was. De twee steden, door een binnenwater gescheiden, stonden slechts door een smallen dijk met elkander in gemeenschap. Het Haarlemmermeer, nog geen eeuw vroeger door het samenvloeien van vier kleinere meren ontstaan bij een storm, die het gansche schiereiland gedreigd had te verzwelgen, strekte zich ten zuiden en oosten uit, een waterkom vormende van betrekkelijk geringe afmetingen, daar de diepte maar vijftien voet, de oppervlakte niet meer dan zeventig vierkante mijlen bedroeg; maar, blootgesteld aan alle winden, werd het water bij stormweer soms even gevaarlijk als de golven van den oceaan. Aan de overzijde van het meer, ten noorden, stroomde het IJ bijkans over het schiereiland heen. Deze inham der Zuiderzee was van het Haarlemmermeer slechts door een smalle landstrook gescheiden en over die engte liep de dijk, die de twee steden, thans zoo jammerlijk tegen elkander in 't harnas, verbond.
Halverwege was de dijk afgebroken en van sluizen voorzien, waardoor men het meer in het IJ kon laten loopen en zoodoende het omliggende land onder water zetten.
Haarlem was een der grootste en schoonste steden in de Nederlanden, doch tevens een der zwakste. De muren waren oud, met torens voorzien, doch niet sterk en de uitgestrektheid der verdedigingswerken maakte eene aanzienlijke bezetting noodig; toch was de bezetting nog zwakker dan de vest. Steun vond de stad alleen in de kloekmoedigheid der bewoners. De straten waren, voor dien tijd, breed en regelmatig; de grachten met lindeboomen en populieren beplant. De oude kerk van St. Bavo, een groot indrukwekkend steenen gebouw, verrees bijna in het midden der stad; mijlen ver was zij zichtbaar zoowel van uit zee, als van de landzijde, terwijl het rustige stadje onder hare heilige en beschermende vleugels scheen te schuilen. Haar rijzige torenspits droeg van boven een reusachtige kroon, die men voor een zinnebeeld zou kunnen houden van de glorierijke martelaarskroon der stad, voor haren heldenmoed en bangen strijd toegereikt.
Het water tusschen Haarlem en Amsterdam zou het voornaamste tooneel der aanstaande krijgsverrichtingen moeten opleveren. Spoedig werd met het beleg een aanvang gemaakt; de uit de stad geweken burgemeester Dirk de Vries had de onbeschaamdheid, met goedvinden van Alva, den burgers een brief te doen toekomen, waarin hij hen vermaande, zich onvoorwaardelijk over te geven. De bode werd opgehangen--een wreed, maar krachtig antwoord, dat aan alle verdere verraderlijke gemeenschap met den vijand een einde maakte. Dit geschiedde in de eerste week van December; den 10en zond Don Frederik een aanzienlijke afdeeling om zich van de schans en het dorp Spaarndam meester te maken, als voorbereiding tot het beleg. Een boer wees Zapata, den aanvoerder van de bende, een verborgen pad dwars door de overstroomde en bevroren weilanden en de Spanjaards dreven de bezetting op de vlucht, deden er driehonderd man van sneuvelen en namen de schans en het dorp in bezit.
Den volgenden dag verscheen Don Frederik voor Haarlems wallen en begon hij de plaats geregeld in te sluiten. Door het mistige weer hierin begunstigd, versterkte hij intusschen zijn leger, tot er minstens dertigduizend man, waaronder vijftienhonderd ruiters, rondom de stad vereenigd waren. De Duitschers onder graaf Overstein hadden hun kwartier in een fraai en uitgestrekt bosch van linden en beuken, dat tusschen de zuidelijke wallen en de oevers van het Haarlemmermeer verrees; Don Frederik zelf nam met zijne Spanjaards eene stelling in aan de overzijde, bij het zoogenaamde Huis te Kleef, waarvan nog de bouwvallen over zijn. De Walen en andere regimenten waren op verschillende plaatsen zoo verdeeld, dat de stad volkomen ingesloten was. Aan den hoek van het meer had de Prins een ring van schansen laten opwerpen, waardoor Haarlem vooreerst van de bevroren wateren meester bleef, maar gedurende den loop van het beleg werden er door Don Frederik andere sterkten opgericht, waardoor de toestand veranderde.
Tegenover de ontzaglijke vijandelijke macht, in getal bijkans met de geheele bevolking der stad gelijk, telde de bezetting binnen de wallen nooit meer dan vierduizend man. Eerst was zij zelfs nog minder talrijk. Dezelfde omstandigheid evenwel, die de eerste krijgsverrichtingen van Don Frederik begunstigde, kwam ook den Haarlemmers te stade. Een dichte ijsnevel hing voortdurend over het meer; door dat gordijn gedekt, werden er dagelijks gewapende mannen, levensmiddelen en krijgsbehoeften binnen de stad gebracht, in spijt van alle pogingen der belegeraars om het te beletten.
Mannen, vrouwen, zelfs kinderen, die zich op hunne schaatsen en met hunne ijssleden zoo snel als de wind repten, kwamen in de donkere korte dagen en lange nachten van December in Haarlem aan. Men telde minstens duizend schansdelvers, drieduizend strijdbare mannen en omtrent driehonderd strijdbare vrouwen. De laatsten, die goede diensten deden, met zwaard, musket en dolk gewapend, stonden onder Kenau Hasselaar, een weduwe van aanzienlijke afkomst en onbevlekten naam, omtrent zevenenveertig jaren oud, die aan het hoofd harer amazonen, aan vele der hevigste gevechten, zoowel buiten als binnen de veste deel nam. Waar zelfs vrouwen met zulk een kloeken geest bezield waren, liet zich verwachten, dat de mannen de stad niet licht zouden overgeven.