Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 27
Alva zelf toonde zich tot matiging bereid; ook hij wilde eenige verlichting van den tienden penning aan handel en zeevaart toestaan, de stedelijke belastingen op eet- en drinkwaren tot verlichting der armen verminderen enz. Doch met dat al bleef die belasting uiterst drukkend voor den kleinhandel en de lagere klassen. De verbittering nam van dag tot dag toe, toen plotseling de gebeurtenissen een wending namen, noch door Alva, noch door den Prins verwacht.
Gedurende den winter van 1571 hadden 24 kleine schepen onder het bevel van Lumey, graaf van der Marck, bij de Engelsche kust gekruist. Het had niet ontbroken aan pogingen om de Watergeuzen te overmeesteren, doch de ervaren zeelieden hadden steeds weten te ontkomen en vonden daarbij vooral steun in twee plaatsen n.l. Dover en Emden.
In Maart echter werd hun door den invloed van Alva door Elisabeth het verblijf in Engeland verboden en moesten zij een goed heenkomen zoeken. Tengevolge van het verbod de Geuzen van vleesch, brood of bier te voorzien, verlangden zij natuurlijk levensmiddelen op te doen en besloten ze daarom een inval te wagen op de kust van Noord-Holland.
Ze zetten koers, waarschijnlijk van uit Dover, naar de monden van de Schelde en wilden in de richting van het Vlie, maar door den wind werden ze genoodzaakt voor den breeden Maasmond het anker te laten vallen. Tusschen den Briel op den zuidelijken uithoek van die monding en Maaslandsluis aan de overzijde, kwam de vloot, tot groote verbazing van de bewoners, opdagen.
De inwoners van den Briel, geheel van alle garnizoen ontbloot, zonden in hun schrik over de verschijning van die vloot voor hunne stad een veerman, Pieter Koppelstok genaamd, op hen af, ten einde te weten te komen, wat zij in hun schild voerden.
Het eerste vaartuig, dat Koppelstok ontmoette, stond onder bevel van Willem van Bloys van Treslong. Deze edelman, wiens broeder door den hertog van Alva in 1568 ter dood was gebracht, behoorde tot een der weinige overgeblevenen uit den slag bij Jemmingen. Zijn vader was baljuw op Voorne geweest, zoodat hij met de gansche streek goed vertrouwd was. Nadat de veerman aan boord van den admiraal was gebracht, werd met goedkeuring van Lumey, Koppelstok naar den Briel teruggezonden met den formeelen eisch, de stad aan de Geuzen over te geven. Die boodschap behaagde den veerman, die met de rebellen sympathiseerde; hij keerde naar het stadhuis terug, waar de overheidspersonen bijeen waren om op zijn terugkomst te wachten. Hij deelde hun mede, dat de admiraal en Treslong wenschten, dat er twee van hen zouden worden afgevaardigd naar de patriotten en hun doel was, den tienden penning af te schaffen en het land te bevrijden van Alva's bestuur. De overheidspersonen vroegen, over welke macht Lumey beschikte en Koppelstok antwoordde daarop: "Ongeveer 5000 man," terwijl hun werkelijk aantal slechts een goede 400 bedroeg.
Die mededeeling deed de magistraat zoo ontstellen, dat zij aanstonds een samenkomst goedkeurde, doch zelf onmiddellijk lafhartig uit de stad vluchtte, gevolgd door de meest aanzienlijke burgers.
De geuzenmacht werd in tweeën gesplitst en terwijl de eene helft onder Treslong de Zuiderpoort aantastte, rukte de andere onder den admiraal op de Noorderpoort aan. Het gelukte Treslong binnen te komen; van der Marck legde bij de Noorderpoort een vuur aan, waarna de half verbrande deur met een ouden mast opengeloopen werd. Tegen zonsondergang waren de Geuzen ten getale van ongeveer 200 man binnen de stad. Verzet vonden ze niet, menschenlevens werden dan ook gespaard, maar een plundering volgde.
Lumey was van plan zich doodeenvoudig met den buit tevreden te stellen, maar gelukkig werd de raad van Treslong gevolgd. Op zijn aandrang nam de admiraal bezit van de bemachtigde plaats, in naam van den Prins van Oranje als zijn lastgever en als de wettige stadhouder. Kort daarop keerden de gevluchte burgers in den Briel terug, die door een eed van trouw aan den Prins van Oranje, zich met de Watergeuzen verbonden.
De tijding van het gewichtig feit van de inneming van den Briel verspreidde zich met groote snelheid. Alva begreep niet aanstonds den vollen omvang van deze gebeurtenis, zoodat de caricatuur ten volle verdiend was, die hem voorstelde op het oogenblik dat Lumey hem den bril van den neus trok en uit zijn mond de woorden voortkwamen: "no es nada," "het is niets," zijn gewone opmerking bij het ontvangen van nieuwstijdingen.
Spotvogels van Brussel zorgden wel deze gunstige gelegenheid niet te laten ontsnappen, want de naam der stad gaf aanleiding tot een woordspeling en de gebeurtenis had plaats gegrepen op Allernarrendag. Het rijmpje:
"Den eersten dag van April Verloor Duc d'Alva zijn bril"
werd een volksdeun en deze toespeling leeft thans nog in de herinnering voort.
Wel zond Alva troepen naar Vlissingen om Walcheren te beschermen en gaf hij Bossu, den koninklijken stadhouder over Holland, Zeeland en Utrecht bevel, om den Briel te hernemen, maar het een, noch het ander gelukte.
Vlissingen weigerde Alva's troepen te herbergen, maar opende zijn poorten voor de Geuzen, wier aantal spoedig vermeerderd werd door terugkeerende ballingen uit Engeland met Tseraerts aan het hoofd en tal van Engelsche edellieden, die een groot deel van Walcheren bezetten.
Bossu stak van Maaslandsluis naar het eiland Voorne over en deed den Briel opeischen. Door het kranig optreden van Rochus Meeuwisz., die naar de Nieuwlandsche sluis zwom en deze openhakte, werd het den vijand onmogelijk gemaakt, van de Noordzijde te naderen. Daarop trok Bossu met zijn troepen naar de Zuiderpoort, maar hier werd hij zoo krachtig met grof geschut begroet, dat hij moest terugtrekken. Uit vrees voor het steeds wassende water werd Bossu genoodzaakt naar Rotterdam de wijk te nemen; deze stad verklaarde zich wel voor Oranje, maar zij werd door gemis aan verdediging door Bossu veroverd en geplunderd.
Het voorbeeld echter van den Briel werkte op menige stad aanstekelijk. Enkhuizen, Leiden, Haarlem en tal van andere plaatsen vereenigden zich om den standaard van den Prins van Oranje, die de belichaming werd van den weerstand tegen den tienden penning en tegen alle tirannie.
Welken indruk maakten deze belangrijke gebeurtenissen op den Prins?
Niet minder dan Alva werd Oranje door den stouten greep der Watergeuzen verrast. Hij was er niet in het minst op voorbereid, dat van dien kant de verlossing der Nederlanden beginnen zou, verdiept als hij was in de plannen om met Lodewijk onder bescherming van Frankrijk, den strijd bij vernieuwing in het Zuiden aan te vangen. Toen Lodewijk de inneming van den Briel hoorde, riep hij uit: "Ah, les sots! ils se sont trop hâtés et ne m'ont pas voulu croire." Hij had den Watergeuzen n.l. Fransche hulp voor hun onderneming beloofd.
De Prins liet zich niet in zulk een afkeurenden zin uit. Hij schreef op den 25en April uit Dillenburg een opgewekten brief aan Wesenbeke, waarin hij, hoorende dat de beweging in Holland en Zeeland, die hij blijkbaar eerst niet had vertrouwd, aanhield, God dankte voor de genade, aan de inwoners bewezen. Hij vond het heerlijk, dat zij eindelijk hadden bemerkt, waartoe al de praktijken van hun vijanden strekten.
"Ik bid God," zoo gaat hij daarin voort, "dat, nu het ijs eenmaal gebroken is, zij met standvastigheid zullen voortgaan, om zich geheel te ontlasten van de onrechtvaardige onderdrukking, tirannie en onverdragelijke slavernij, waarin men ze hield. En wat mij aangaat, zij kunnen zich verzekerd houden, dat ik niet zal te kort schieten, met denzelfden ijver en affectie die ik altijd heb gehad, die in niets is verminderd en nooit in mij verminderen zal, hen te secundeeren, te helpen en bij te staan in al wat mij mogelijk zijn zal.... Wel zou ik gewenscht hebben, dat gezegde Lumey niet buiten mijn weten en zonder eenige opdracht van mijnentwege, de zaak had ondernomen of ten minste mij daarvan eerst had verwittigd; dan zouden we in onderlinge verstandhouding des te beter de zaak hebben kunnen leiden."
Doch die opmerking omtrent het eigenmachtig optreden van Lumey had in het minst niet zijn sympathie met de zaak verminderd. Het verheugde den Prins namelijk zeer, dat Lumey van Wesenbeke en anderen ondersteuning ontving; ja, hij wekte hen op, allen mogelijken bijstand te verleenen.
Uit deze en andere particuliere brieven van den Prins zoowel als uit de openbare brieven aan de burgemeesters, schepenen en inwoners van Gouda, Middelburg, Enkhuizen, Harderwijk en Vlissingen blijkt, met welken ijver de Prins ook de zaken voor Holland behartigde. Toch gaf hij, zeer begrijpelijk zijn lang beraamd plan met Lodewijk gevormd niet op, een tweeden inval in het Zuiden te doen.
Eerst de herhaling van de teleurstelling van het jaar 1568 zou hem, gelijk wij zien zullen, persoonlijk naar Holland doen komen.
In den winter van 1571-1572 waren langzamerhand de plannen tot vastheid gekomen, waarover we vroeger spraken en die niets meer of minder bedoelden dan een gezamenlijken aanval van Frankrijk en Engeland op Spanje, d.w.z. op de Zuidelijke Nederlanden. De Prins van Oranje zou deze onderneming steunen.
Na lange aarzeling werd vooral door toedoen van Lodewijk van Nassau op den 29en April 1572 een verbond tusschen Engeland en Frankrijk gesloten, dat als hoeksteen gold van het gebouw voor de bevrijding der Nederlanden van het Spaansche juk. Op 15 Mei verliet Lodewijk Parijs teneinde Bergen te overmeesteren, terwijl Coligny met 25.000 man koninklijke troepen zou volgen en de Prins met de door hem aan den Rijn en in Zwitserland verzamelde regimenten in de Zuidelijke Nederlanden zou verschijnen. Hoogst gedenkwaardig is en blijft de verrassing en de inneming van Bergen.
Zekere Antoine Olivier, een schilder, tevens een handig teekenaar van kaarten, uit Bergen afkomstig, had het vertrouwen van Alva weten te verwerven. Daar Olivier een reis naar Frankrijk te doen had, droeg Alva hem op de handelingen van Lodewijk van Nassau na te sporen en hem verslag te zenden van den voortgang der geheime onderhandelingen tusschen den graaf en het Fransche hof. De schilder was evenwel slechts een spion in schijn, want hij was de zaak der vrijheid toegedaan en stond met Oranje en zijn broers in briefwisseling. Zijn omgang met graaf Lodewijk te Parijs had dan ook een geheel ander gevolg, dan Alva verwacht had. Met verschillende aanvoerders der Hugenoten werd een plan beraamd, dat met behulp van Olivier zou ten uitvoer gebracht worden.
In den avond van den 27en Mei 1572 kwamen er eenige als kooplieden verkleede mannen in Bergen, die de wegbereiders voor Lodewijk en zijn leger waren. Vroeg in den morgen van den volgenden dag wist Olivier den portier over te halen, zijn wagens (die zoogenaamd met wijnvaten, maar eigenlijk met wapens gevuld waren) door de poort te brengen. De portier liet haar open en ging weer te bed, weinig vermoedende, wat er gebeuren zou. Kort daarop stormde Lodewijk van Nassau met 60 voetknechten en 80 ruiters de stad binnen onder de kreten: "Frankrijk! Vrijheid! De stad is ons! De Prins komt! Weg met den tienden penning! Weg met den bloeddorstigen Alva!" De kleine bende maakte zooveel lawaai en hun optreden was zoo stoutmoedig, dat de nog in slaap gezonken bewoners meenden, dat er wel 1000 man in de stad gekomen waren. Haar met zoo'n kleine bende binnen te komen was nog niet zoo moeilijk, doch zich er staande te houden was veel bezwaarlijker, vooral daar de magistraat Lodewijk niet wilde ontvangen en ook het volk verdeeld was. De graaf werd ongeduldig, ging met de zijnen de stad weder uit, om echter spoedig met 2000 man daarin terug te keeren.
Terstond werd de burgerij door klokgelui op de markt bijeengeroepen, waar de geestelijkheid, de overheid en de Raad zich vervoegden. Lodewijk hield een toespraak tot de aanwezigen en verklaarde geen strijd te voeren tegen den koning, doch tegen Alva en zijn wreedheden. De overheid gaf wel niet dadelijk toe, maar het meerendeel der burgers was op de hand van Lodewijk en hiermede was ook Bergen aan de zijde van den Prins. Wel werden de kerkelijke eigendommen verbeurd verklaard, maar de katholieken werd geen overlast aangedaan.
Alva wilde aanvankelijk geen geloof slaan aan het bericht omtrent de verrassing van Bergen te meer, omdat hij Lodewijk nog altijd in Parijs waande, maar het duurde niet lang of hij moest de waarheid van het onwelkome nieuws erkennen.
Reeds woedend op het hooren van de tijding uit het Noorden, zond Alva zoo spoedig mogelijk zijn zoon Don Frederik naar het Zuiden en deze sloeg den 3en Juni reeds met 20.000 man het beleg voor Bergen.
Alva's ster was echter in die dagen reeds belangrijk aan het dalen. In Spanje bestond namelijk ontevredenheid over zijn bestuur in de Nederlanden. Vooral de machtige Gomez en zijn partij lieten niet na, den koning tegen den Nederlandschen landvoogd op te zetten.
Dit viel bovendien samen met klachten van den landvoogd zelven, die o. a. aan Filips schreef: "De haat, dien het volk mij toedraagt, om de tuchtiging, die ik het, hoewel met de grootste gematigdheid der wereld heb moeten doen ondergaan, verijdelt al mijn pogingen; mijn opvolger zal meer meegaandheid vinden en meer nut doen." Hij verzocht om ontslag en Filips zond als zijn opvolger den hertog van Medina-Coeli naar de Nederlanden.
Reeds den 11en Juni was deze te Sluis aangekomen, begeleid door veertig schepen en twee duizend Spanjaarden onder Juliaan Romero. Deze had echter niet gerekend op verzet, maar de Watergeuzen deden op de Schelde zulke heftige aanvallen op het eskader, dat Medina zelf met moeite kon ontsnappen en in de hoofdstad, in plaats van een statige intree te doen, slechts door enkelen begeleid, binnenkwam. Nog slechter kwam er een rijke koopvaardijvloot af, die onder zijn bescherming was meegevaren. De Watergeuzen maakten zich van alle schepen meester en van zooveel geld, juweelen en koopwaren, dat ze alleen daarvan verscheidene maanden den oorlog en hun crediet konden gaande houden. Op den aangewezen opvolger van Alva, den zachtmoedigen Medina, van wien een verzoenende politiek verwacht werd, maakten die gebeurtenissen zulk een diepen indruk, dat hij zelf weinig genegen was den post te aanvaarden en inzag, dat Alva eerst met zoo sterk mogelijke hand den opstand moest bedwingen. Hij heeft zich dan ook later teruggetrokken.
Al deze onheilen van de Spaansche regeering verlevendigden den moed van den Prins, dien hij dubbel noodig had, om zijn in Bergen opgesloten broeder te hulp te komen. Al zijn uiterste krachten spande hij in, om een leger te verzamelen; geldelijke hulp ontving hij thans van vele kanten, van Engeland, Frankrijk en uit andere bronnen en toch werd zijn wachten nog steeds door geldgebrek veroorzaakt. Nog altijd gedrukt door zijn vroegere schulden, zag hij zich vaak in groote geldverlegenheid. Uit Frankfort, waar hij 24 Juni was heengegaan om geld te verkrijgen, schreef hij o. a. onder het aangenomen pseudoniem George Certain, aan zijn broeder Lodewijk over zijn nijpend geldgebrek. De Duitsche vorsten hadden eerst wel neiging getoond hem te helpen, maar zich teruggetrokken, toen Maximiliaan, nu Filips' schoonvader, een proclamatie had uitgevaardigd, die verbood Oranje te steunen. Ook schreef de Prins in den voorzomer van 1572 menigen brief aan de Hollandsche steden. In een dezer komt o. a. de volgende opwekking voor:
"Hecht U toch niet zoo aan een somme gelds, dat gij haar zoudt stellen boven uw eigen leven, boven dat van uwe vrouwen, uwe kinderen en uw nakomelingschap.... op het oogenblik, dat wij met een genegenheid, die uit het hart voortkomt, ons inspannen, U te helpen en te bevrijden. Denkt aan Gods toorn en aan de minachting der vreemde volkeren en vorsten, die gij op U laadt, denkt aan het wreede juk, dat gij zoudt laten drukken op U en uwe kinderen, als gij het geld weigert, dat wij noodig hebben, om met ons leger bij U te komen."
Ook liet de Prins weder proclamatiën en vlugschriften drukken, die het volk tot opstand tegen de onderdrukkers zijner vrijheden aanzetten. Alva gold daarin als de belichaming der meest satanische tirannie en als een weergalm op die in tallooze exemplaren verspreide opwekkingen, klonken ras op pleinen en straten van de Hollandsche steden de geweldigste geuzenliederen."
Een zeer belangrijke gebeurtenis, welke den Prins betrof, had tegelijkertijd in Holland plaats. De overgang van steden en gewesten ging met zulk een spoed voorwaarts, dat reeds in de maand Juli die hoogst merkwaardige vergadering kon worden gehouden, waar de grondslagen van de toekomstige staatsinrichting gelegd zijn. De mannen, door wier invloed die vergadering belegd werd, begrepen, dat de "ordeloosheid die zich dreigend in de geuzerij" verhief, moest worden bezworen en dat men naar rechtsvormen moest omzien, ten einde aan den volksgeest vastheid te geven. Die vergadering werd bijeengeroepen te Dordrecht en bijgewoond door gedeputeerden van verreweg de meeste Hollandsche steden. Alleen Amsterdam, Rotterdam, Schiedam, Delft, Woerden en Schoonhoven, die nog in Spaansche handen waren, ontbraken.
Oranje zelf werd er vertegenwoordigd door Filips Marnix van St. Aldegonde, die in een welsprekende rede aandrong op de inwilliging van de noodzakelijke gelden (100.000 kronen voor de eerste maand) tot onderhoud van zijn leger. In dien zelfden tijd had Bossu, de wettige stadhouder, in den Haag een vergadering belegd, doch deze liep op niets uit. De afgevaardigden in Dordrecht namen krachtdadige besluiten tot hulp van den Prins, tot erkenning van hem als generalen gouverneur, luitenant des konings over Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht. De gelden zouden gevonden worden uit de belastingen en loopende beden, uit een gedwongen leening bij de rijke burgers en uit den verkoop van kerkelijk goud en zilver, daar dit meer tot sieraad diende, dan dat het noodzakelijk was. Gilden en fraterniteiten kwamen edelmoedig met voorschotten, op welker terugbetaling niet veel te rekenen viel en ook vele burgers voegden hun zilver bij het kerkzilver, om versmolten te worden. Bij monde van Marnix deed de Prins verklaren, dat hij geen enkele gewichtige daad zou doen, zonder de Staten te raadplegen en tevens werd ook zijn beginsel van volkomen verdraagzaamheid tegenover alle belijdenissen door de vergadering aangenomen.
Over het min of meer revolutionair karakter dezer vergadering te redetwisten, valt buiten het bestek van ons plan. Zonder twijfel waren noch de samenkomst noch hare besluiten wettig. Maar binnen de wettige bepalingen was niets dan ellende te wachten. In het leven van een volk breken er oogenblikken aan, dat het vrij over zich zelf beschikken kan en moet. Holland vond in Oranje den man, die stadhouder geweest zijnde, alleen door nood gedrongen, dat ambt had opgegeven. Wie zou, nu de gebeurtenissen voor de zaak der vrijheid zulk een gunstigen loop genomen hadden, wie zou dan in naam eener wet zijn eigenmachtig optreden kunnen veroordeelen? Na vier jaren geduldig wachten en strijden hadden de gebeurtenissen een nog sneller loop genomen, dan iemand kon hebben gedroomd.
In dezelfde maand, dat deze belangrijke gebeurtenis in de afwezigheid van den Prins had plaats gehad, schreef Oranje een brief aan Lodewijk, waarin de Prins hem waarschuwt vooral op zijn hoede te zijn tegen eene verrassing of overvalling van den vijand, want Oranje had gehoord, dat Alva hem dood of levend in handen wilde hebben. Ook meldt de Prins, dat zijn volk in het land van Meurs ligt en de meest geschikte plaats wordt gezocht om over den Rijn te trekken. Verder houdt de brief de hoopvolle tijding in omtrent het overgaan van Dordrecht, Tergou, Gorcum en andere plaatsen, terwijl hij tevens de inname van Loevestein aan zijn broeder bericht. Aan het slot vraagt Oranje tal van inlichtingen omtrent de legersterkte van Lodewijk, de hulp die hij verwacht en al hetgeen er van den vijand bekend is, opdat de Prins zich daarnaar zal kunnen gedragen.
Nog dienzelfden dag, den 8en Juli 1572 trok de Prins met 24.000 man over den Rijn. Vier jaar te voren had hij ook zijn aangenomen vaderland met een leger bereikt, maar nauwelijks had er één stem weerklonken om hem te verwelkomen en geen stad opende voor hem hare poorten. Ontmoedigd had hij zich teruggetrokken, maar niet hopeloos. In zijn afzondering had hij het web gesponnen, dat het heuvelkasteel van Dillenburg met de Hollandsche steden verbond. Nu keerde hij terug, weliswaar nog niet als overwinnaar, maar toch ondersteund en erkend.
Ondertusschen bleef Lodewijk in Bergen opgesloten, belegerd door Don Frederik, die niet van die plaats zou wijken, voor hij de stad had genomen. Niettegenstaande zijne insluiting had de graaf toch den Franschen edelman Genlis naar Frankrijk kunnen zenden, om hulptroepen van daar mede te brengen, die hem in vereeniging met het leger van den Prins, waarop hij ook zeker rekende, zou kunnen verlossen. Nog steeds stond Coligny toch in hooge gunst bij den koning en Karel IX had zelfs een brief aan Lodewijk geschreven, om hem van zijn sympathie te verzekeren. En inderdaad, spoedig verscheen er een klein leger Hugenoten in Henegouwen, dat echter door de troepen van Don Frederik geheel werd verslagen. Genlis zelf werd gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Voordat het vonnis werd uitgevoerd, vernam men, evenals eertijds van de Villers in 1568, uit zijne papieren en bekentenissen de plannen der Hugenoten en die van den Prins. Dit had op den 19en Juli plaats. Vier dagen later maakte de Prins zich van Roermond meester en den 25en Juli schreef Oranje aan zijn broeder Jan over die inneming. Niettegenstaande zijn gedurige waarschuwingen tegen alle woestheid en plundering, niettegenstaande hij, waar hij slechts kon, de instructie herhaalde: "Doe alles om de harten zoowel van Katholieken als van Hervormden te winnen; bescherm beide godsdiensten," toch had de verovering van Roermond met moord en plundering plaats. Priesters en monniken, kerken en kloosters werden daar helaas niet gespaard.
Dit feit, dat zich telkens herhaalde kan niet worden aangemerkt als een bewijs van 's Prinsen onverdraagzaamheid, waarvan het tegendeel door al zijn uitlatingen wordt bewezen. Wel is het een bewijs van gemis aan krijgstucht in zijn leger en tevens van den woesten volksgeest dier tijden, bij katholieken en hervormden, die door de hoogste en beste uitingen van Oranje toch niet kon worden bedwongen. Hij drukt zijn innigen spijt uit over de plunderingen, waaraan zijn soldaten zich tegen zijn wil hadden schuldig gemaakt.
Uit brieven van den Prins bleek, dat hij nog altijd geldgebrek had; hij wachtte nog steeds afgevaardigden van de Staten te Dordrecht, die de middelen nog niet bezaten, hem van gereed geld te voorzien. Ook had hij gehoord van de nederlaag van Genlis en toen de bevestiging daarvan kwam, werd zijn teleurstelling daarover verminderd door de hoop op spoedige aankomst van verdere hulp uit Frankrijk. Dat er troepen op weg waren uit dit land om Alva te helpen, kon Oranje niet gelooven, vooral niet, omdat de verstandhouding tusschen Karel IX en Lodewijk te goed was en de kapiteins bovendien meest allen Hugenoten waren.
Langer dan een maand bleef Oranje in het kamp van Hellenrade bij Roermond, in afwachting van tijding van Coligny, die beloofd had met een groot leger in het Zuiden de Nederlanden binnen te dringen en die had aangeraden te wachten, tot hij zou zijn aangekomen, om met vereende krachten den vijand aan te vallen.
Natuurlijk was de vertraging van den Prins, ook nog veroorzaakt door geldgebrek, voor Lodewijk een groote teleurstelling, want deze had in Bergen een zwaren post. Dat dit oponthoud zijn oorzaak vond in de jaloezie van Oranje op Lodewijk wordt volkomen weerlegd door de natuurlijke redenen, welke de Prins ervoor opgaf. Toch vonden enkelen dat praatje geloofwaardig en gaf het aanleiding om den Prins te belasteren. Eerst in het laatst van Augustus gaven de Staten van Holland hem een waarborg voor drie maanden betaling van zijn leger en toen trok hij over de Maas.