Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 26
Anna overstroomde haar verwanten met brieven om hulp. De onderpanden van haar huwelijksgoed waren verpand en ze wenschte vurig ze in te lossen. Ze verlangde in Siegen een huishouden op te zetten. Zij beklaagde zich, dat de keurvorst haar wedde niet geregeld betaalde, waarop hij antwoordde, dat ze niemand naar de markt te Leipzig gezonden had, om die te innen. Daarop schreef ze weer, om te weten te komen, wat haar kansen waren om de som van 30.000 daalders te verkrijgen, die men haar bij den dood van haar stiefvader verschuldigd was, en waarvoor zij een hypotheek had op Dornberg, Kamberg en Sachsenburg.
Jammerend herinnerde zij den Keurvorst, dat hij het was geweest, die haar huwelijk had doen sluiten en daarom moest hij haar helpen, in plaats van koel aan te zien, dat zij aan elken kant van haar rechten beroofd werd. Eindelijk loste hij haar verpande juweelen ten getale van 385 in.
Dat het Anna niet ontbrak aan een zekere hofhouding, bewijst de lijst van hare volgelingen in Juli 1569:
"Twee jonge dames, een jong edelman, een hofmeester, twee assistenten en een meid. Twee kamermeisjes, een min, twee kindermeisjes, een waschvrouw, een page, een keukenschrijver (?), een kleermaker, een bottelier, een kok, een lakei, een portier, een hofmeestersjongen, een predikant, zuiver in de leer, die H. Excellentie troostte en met haar bad."
Deze bijzonderheden over de Prinses kunnen dienen, om den gemoedstoestand van den Prins, die in den volgenden brief (geschreven uit Dillenburg in Nov. 1569) uitkomt, des te beter te begrijpen.
Mijne vrouw,
Uit uw brieven heb ik gezien en van onzen secretaris gehoord de reden en de oorzaak, die u bewogen hebben, om niet tot mij te komen, welke redenen ik volstrekt niet voldoende vind uit het oogpunt van den plicht, die eene vrouw aan haar man verschuldigd is, in geval zij hem eenige liefde toedraagt. Want gij zegt wel dat gij beloofd hebt nooit meer in dit land te komen, maar dan moet gij ook bedenken, dat gij van te voren voor God en Zijne kerk beloofd hebt, alle dingen ter wereld te verlaten, om uw man te volgen, hetgeen mij toeschijnt, dat u meer ter harte moest gaan dan alle kleine beuzelingen, indien gij althans eenigszins aan uwe verplichting denkt te voldoen.
Ik zeg dit niet, om u te willen overhalen hier te komen, want daar dit u zoo tegen de borst stuit, laat ik het aan u over, maar wel zeg ik het u, om u aan uw verplichting te herinneren, zooals ik moet doen, zoowel omdat God het beveelt, als uit vriendschap voor u, dan kan er morgen of daarna komen wat wil, ik heb aan mijn geweten voldaan en u aangewezen, wat gij voor God en de wereld verplicht zijt. Vooral in dezen tijd meer dan in eenigen anderen, nu ik in zulke moeilijkheden ben, zooals gij zelf weet, is er niets in de wereld, dat meer troost geeft dan zich getroost te zien door zijn vrouw en te weten, dat zij met geduld het kruis wil dragen, dat de Almachtige haren man zendt, vooral als deze lijdt ten gevolge van pogingen om de eer van God te bevorderen en de vrijheid van zijn vaderland te bereiken.
Dan is er nog een andere reden die u moest overreden tot mij te komen, namelijk, dat er zoovele zaken zijn, die ik u moet mededeelen, die zich niet laten beschrijven en waarvan thans mijn eer en leven afhangen. Indien gij mij althans eenige vriendschap toedraagt, dan moest u dat meer ter harte gaan, dan allerlei frivole affecties en bedenkingen.
Ik wil niet eens op het feit drukken, dat ieder thans gelegenheid heeft, over ons te praten en verschillend te redeneeren en ieder onze zaken naar zijn eigen lust en karakter kan beoordeelen. Ik kan u verzekeren, dat, indien gij mij geschreven hadt dat gij mij in Frankfort, in plaats van in Siburg, te midden mijner grootste vijanden, wildet ontmoeten, ik voor niets ter wereld zou hebben verzuimd, met u daar samen te komen, omdat ik groot verlangen heb u te zien, niettegenstaande al mijn vrienden, die ik over de zaak sprak, mij om het gevaar, waaraan ik mij zou blootstellen, afraadden naar welke stad ook te gaan.
Ik laat het aan uw gedachten over, om te bedenken, wat het voor mij zegt, dat gij die mijne echtgenoote zijt, bezwaar maakt mij te komen zien en dat ik mij in mijne ellende moet laten troosten door anderen, die mij niet zoo na zijn.
Wat uw raad aangaat, om naar Engeland en Frankrijk te gaan: ik zou wel wenschen, dat de zaken in Frankrijk van dien aard waren, dat wij er gerust heen konden gaan, maar de toestand der arme Christenen was er vroeger beter dan thans en ik kan u verzekeren, dat, als God in zijn barmhartigheid geen geneesmiddel aanbrengt, de arme Christenen daar er erger aan toe zullen zijn, dan in de Nederlanden. Als de Koning van Frankrijk zijn eigen onderdanen zoo hard behandelt, wat zal hij dan met vreemdelingen doen? Gij kunt dus wel denken, wat er te wachten zou zijn, indien we ons daarheen begaven.
Wat Engeland aangaat, er zijn redenen voor, die ik niet kan schrijven, maar ik verzeker u, als gij ze gehoord hadt, dan zou uw verlangen, om daar heen te gaan, wel vervliegen. Buitendien zijn onze zaken in zulk een toestand gekomen, dat het niet meer de vraag is, te besluiten waar wij heen zullen gaan, maar wel, waar men ons zal willen ontvangen. In de meeste steden en staten zou men zich wel meer dan tweemaal bedenken, voordat men ons ontving. De koningin van Engeland, de koning van Denemarken en van Polen en vele Duitsche vorsten zouden hetzelfde doen. Ik spreek niet van u, maar van mij, omdat ik in ongenade bij den keizer ben. Hierover en over vele andere zaken hadden we samen kunnen spreken, als wij elkander in het geheim hadden kunnen zien. Want al mijn vrienden zijn van meening, daar mijn vertrek uit de Nederlanden aan iedereen bekend begint te worden, dat ik mij niet op ééne plaats kan ophouden, maar heden hier en morgen daar moet vertoeven.
Daar het God behaagd heeft, dat ik in deze ellende ben, had ik zoo gaarne het geluk gehad, u althans eenige dagen te zien; het komt me voor, dat ik dan des te blijmoediger alle ongelukken, die de goede God mij heeft toegezonden en mij nog zal toezenden, zou hebben kunnen dragen. Nu vertrek ik morgen; van mijn terugkomst, of wanneer ik u nu zal kunnen zien, kan ik u op mijn eer niets zekers melden, want ik ben besloten, mij te stellen in de hand van den Almachtige, opdat Hij mij geleide, waar Hij wil. Ook zie ik wel, dat ik dit leven verder in ellende en arbeid zal moeten doorbrengen, waaraan ik mij wil onderwerpen, omdat het alzoo behaagt aan den Almachtige, want ik weet, dat ik grooter kastijding verdiend heb. Ik bid u alleen, mij de gunst te bewijzen, alles geduldig te dragen, gelijk ik tot heden gedaan heb. Ik ben zeer blij uit uw brief te hooren, dat de zaak, die gij thans in de Nederlanden tracht te bereiken, goed staat en dat Hovelmans zijn plicht doet. Gij kunt verzekerd zijn, dat uw zaken nimmer zoo goed zullen gaan, of ik wenschte, dat ze nog beter gingen en dat mij niets aangenamer kan overkomen, dan te hooren, dat gij tevreden zijt.
Ik bid den Almachtige, U te verlichten door Zijn Heiligen Geest en ons allen voor hetgeen ons het heilzaamst is, opdat wij, voor Hem op den dag des oordeels verschijnende, Hem dan beter rekenschap kunnen geven van al onze daden. Ik beveel mij enz."
Merkwaardige, eenvoudige en treffende brief. Oranje overdrijft er niet zijn affectie tot zijn vrouw in; hij zegt ronduit, wat haar plicht was geweest en toch doet hij haar gevoelen, van hoeveel waarde het bijzijn zijner vrouw had kunnen zijn en hij tracht zelfs nu nog met Anna weder in goede verstandhouding te komen. Of zij zulk een brief waard was, we zouden het bijna betwijfelen, want hoewel het zeker is, dat ze in geen aangename verhoudingen was gekomen, vergeleken bij haar vorstelijken staat in de Nederlanden, ze had in het minst geen besef van hetgeen de tijd van haar echtgenoot eischte en van hetgeen zij dus met onderwerping had moeten dragen. In een brief van den 7en Febr. 1570 schreef Oranje aan zijn broeder Jan, dat het beter was dat zijn vrouw bleef waar ze was en dat ze niet moest gedwongen worden te komen, daar zij het niet verlangde. Hoe treurig steekt bij Oranje's zachtmoedigen toon het bitter woord af, dat Anna's pen op den 8en Febr. nederschreef:
Goedgunstige waarde Heer,
De reden, waarom ik den uwen van 14 Dec. niet beantwoordde, zal uw secretaris u wel mededeelen, tegelijk met andere dingen, die ik hem opdroeg, u te rapporteeren. In antwoord op uw vraag, dat ik een plaats zou aanwijzen, waar we elkander konden ontmoeten en daar gij niet wenscht te komen in de nabijheid der Nederlanden, weet ik geen betere plaats dan Leipzig. Ik denk toch binnenkort den keurvorst een bezoek te brengen, daar ik hem in negen jaar tijds niet gezien heb. Dan zal ik mijn weg over Leipzig nemen, welke plaats u wel schikken zal, daar ik hoor, dat gij daarvan niet ver verwijderd zijt. Of indien het u beter voorkomt, kom dan in Braubach, in het rijk van Landgraaf Filips gelegen. Ik weet geen beter en geschikter plaatsen aan te wijzen dan in de landen van mijn beide neven, waar gij ook wel veilig zult zijn. Doe me weten, welke van de beide plaatsen gij verkiest, dan kan ik aan Landgraaf Filips schrijven en hem zijn huis voor ons ter leen vragen, want nooit ga ik weer naar een uwer vrienden. Indien gij mij daartoe zoudt willen dwingen, dan zou ik dat als een bewijs aanmerken, dat gij mijn dood wilt."
Met al de halsstarrigheid, haar klein karakter eigen, had Anna een besluit genomen, waarvan ze niet wilde afwijken. Het was dezelfde geest, dien zij in haar 17e jaar getoond had, toen ze tegenover iedereen, die het afraadde, besloten had den Prins te huwen. Wat toen echter nog als behagelijke beslistheid van karakter kon worden aangemerkt, was thans onbehagelijke eigenzinnigheid geworden.
Op den 6en April schrijft zij weder:
Goedgunstige waarde Heer,
Uw brief en uw boodschap heb ik van Tseraerts ontvangen. Ik kan niet gelooven wat gij schrijft omtrent uw verlangen mij te zien, want uw daden waren niet in overeenstemming met uw woorden. Wat de plaats aangaat, waar gij wenscht dat ik komen zou, die is in 't geheel niet geschikt voor mij en ook weet ik niet, hoe ik aan reisgeld zou komen, om u en mijn betrekkingen te zien.
Gij schrijft, dat gij niet in staat zijt, mij geld te zenden, maar ik heb tot nu toe wel ondervonden, dat gij nooit bijzonder bereid zijt om mij te helpen. Gij weet beter dan ik, of het u wezenlijk aan macht, mij bij te staan, heeft ontbroken. Daar ik echter van u noch van de uwen krijgen kan, wat mij van rechtswege toekomt, moet ik mij wel op mijn vrienden beroepen, om hulp te erlangen. Ik zie wel, van u heb ik niets goeds meer te wachten, wat gij mij ook beloofd hebt. Maar ik wensch niet meer genoemd te worden een schade en verderf van het huis Nassau, hoewel dit terecht mijn schade en verderf kan heeten. Wat uw schrijven aangaat, dat ik, als ik bij u kom, mijn toorn maar te Keulen moet laten: nooit ben ik toornig tegenover u of de uwen geweest, dan om goede redenen. Onze samenkomst zou waarschijnlijk de oorzaak zijn, dat mijn rechtmatige toorn niet verminderd, maar vermeerderd werd, als ik van u dingen moest hooren naar uwe oude gewoonte. Daar het u niet behaagt, te komen op de vier plaatsen, die ik genoemd heb, moet ik dat geduldig dragen. Wat mij aangaat, ik kan niet komen op de plaats, die gij aangeeft. Ik beveel u in Gods bescherming en ik bid, dat Hij u beter mag behandelen, dan gij mij."
Verwondert het ons, dat de Prins op het ontvangen van zulke brieven zijn geduld verloor? Hij gevoelde zich gedrongen, aan een van Anna's verwanten, Willem van Hessen, verslag te doen van de houding zijner vrouw tegenover hem. Hij begreep toch wel, dat Anna niet zou nalaten, hare bloedverwanten op haar manier in te lichten. Daarom wilde de Prins zich verantwoorden en deed hij Willem van Hessen gevoelen, dat het hem eenvoudig onmogelijk was, die soort van dingen langer van zijn vrouw te verdragen. Toen hij haar eenige maanden geleden een hartelijken vriendelijken brief had geschreven, liet zij hem twee maanden zonder antwoord. Allerlei voorstellen had hij haar gedaan, om elkander te ontmoeten, maar die waren alle afgestuit op den onwil van zijn vrouw en nu schreef ze hem zulk een hoogst onaangenamen brief, waarvan Oranje aan Willem van Hessen de copie zond. Geduld had hij genoeg gehad, maar zulke impertinente, dwaze brieven deden het hem verliezen. Alsof hij nog niet genoeg andere hoofdbrekende zorgen had, kwam zijn vrouw die nog vermeerderen door haar gedrag te zijnen opzichte. Toch schijnt Willem van Hessen medelijden met Anna's geldelijke verlegenheid gehad te hebben. Hij zond haar althans geld, een oude hofmeesteres en eenig ander vrouwelijk gezelschap. Of dat vriendelijk ontvangen werd, is niet waarschijnlijk.
Nog eens in Mei deed de Prins een poging, om Anna goeden raad te geven en betitelde hij haar zelfs met de oude geliefde benaming "Ma mie." In haar boezem was echter de liefde tot Oranje geheel gestorven. In haar brieven uit die jaren vinden we geen enkel spoor van sympathie met de teleurstelling en ontberingen van haar echtgenoot. Trouwens geen wonder--want de hartstochtelijke, trotsche, eigenzinnige Anna van Saksen was reeds in 1570 tot nog diepere zedelijke afdwaling gevallen, die ons bij het noemen van haar naam met weerzin vervult. Het schetsen van haar verderen levensloop kan ons dan ook niet behagen, en toch mogen in het leven van den Prins de droevige feiten niet geheel onvermeld blijven.
In de afwezigheid van den reeds genoemden rechterlijken raadsman van de Prinses, Dr. J. Betz, werd een ander rechtsgeleerde, die eveneens uit Antwerpen had moeten vluchten, bij Anna van Saksen geroepen, ten einde ook de aangelegenheid van haar huwelijksgoed te behartigen. Deze tweede rechtsgeleerde was de vader van den Vlaamschen schilder Rubens en met dezen leefde Anna te Keulen in overspel. Zelfs toen ze in den aanvang van 1571 zich te Siegen had gevestigd, ontving zij ook daar bezoek van Rubens. Men schijnt in den familiekring van de Nassau's dienaangaande eenig kwaad vermoeden gehad te hebben. Althans in Maart 1571 werd Rubens op een reis naar Siegen opgelicht en op last van den Prins en van graaf Jan van Nassau gevankelijk naar Dillenburg gebracht. Daar bekende hij zijn misdaad. Overeenkomstig de landswetten hadden de Nassau's volkomen recht gehad, Rubens ter dood te doen brengen. Want twijfel aan de zaak bestond niet.
Anna zelve schreef wel aan Oranje een brief vol betuigingen van haar onschuld, ja zelfs achtte ze zich ten hoogste beleedigd, dat men haar zulk een ontrouw durfde ten laste leggen. Doch het ongeluk voor haar wilde, dat een briefje van haar aan Rubens, den Prins in handen viel, dat haar misdaad ontwijfelbaar bewees.
Rubens werd te Dillenburg in de gevangenis geworpen en was zoo zeker dat hij zijn misdadige liefde met den dood moest boeten, dat hij alleen nog de genade vroeg onthoofd te worden. En toch, het leven werd hem gespaard. Aan den eenen kant begreep men in Nassau, dat de voornaamste schuldige Anna was, overeenkomstig Rubens' confessie; aan den anderen kant was het Rubens' beleedigde echtgenoote, Maria Pepeling, die niet ophield, voor haar man bij de Nassau's tusschenbeide te treden. Reeds in 1573 mochten zij weder in Siegen samenwonen; in 1577 ontving het echtpaar verlof zich elders te vestigen, mits niet in de erflanden van den Prins of in zijn nabijheid.
En wat den Prins aangaat, het was natuurlijk, dat Oranje liefst zooveel mogelijk de zaak geheim gehouden had. Opmerkenswaard is zeker, dat de brief, dien de Prins er over schreef aan zijn broeder Jan, veel meer over de oneer, die de zaak hem zou kunnen berokkenen loopt, dan over de daad zelf, die zich "leider had zugetragen." Doch dit behoeft ons, na al wat Oranje reeds van Anna verdragen had, niet zoo zeer te bevreemden. In Mei schreef deze nog eens een brief aan haar schoonbroeder Jan en verzocht ze hem in haar belang bij den Prins tusschenbeide te komen. Uit dien brief blijkt wel, dat haar berouw niet diep was. "Ze had den raad van den landgraaf moeten volgen en nimmer met een Nassau moeten huwen. Zij verlangt naar den dood enz." Drie jaren bleef ze nog in Nassau en was in dien tijd woonachtig te Beilstein, maar een voortdurende lastpost voor de bloedverwanten van haar echtgenoot. Hare kinderen waren van haar weggenomen; die werden door graaf Jan met meer dan vaderlijke zorg opgevoed. Vele brieven werden er over haar gewisseld tusschen Jan van Nassau en Anna's bloedverwanten. Zoo schreef Willem van Hessen op 20 Februari 1572 in eene instructie omtrent haar het volgende:
"Wanneer men God den Heer vergeet, in alles het vleesch naleeft en aan den Duivel zooveel macht over zich toestaat, dan kan het niet anders afloopen, zooals de geschiedenissen des O. en N. T. zoowel als die der Heidenen en de dagelijksche ondervinding dat bevestigen. Mijne nicht weet, hoe wij niet alleen als een neef, maar als een vader meermalen vermaand en gebeden hebben, van God niet met zooveel minachting te spreken, vlijtig aan te houden in het gebed en het lezen der H. S. Ook haren heer en gemaal, die haar niet is opgedrongen, maar dien zij naar willekeur, ja zelfs tegen den wil en het verbod van onzen vader, hoogloffelijker gedachtenisse, genomen heeft, moet zij behoorlijken eerbied en achting bewijzen en zich voor 't overige eerbaar en onbesproken gedragen, zooals het eene eerbare vorstin naar oud Duitsch gebruik past. De lichtvaardige zeden der Walen, hun ijdelen pronk dient zij vaarwel te zeggen en de loffelijke Duitsche manieren te volgen, door slechts zeldzaam of liever in het geheel niet, vreemde manspersonen tot haar onderhoud en in hare kamer toe te laten. Had zij dien raad opgevolgd, zij zou thans niet onder een zoo zware schuld gebukt gaan."
Uit deze woorden blijkt voldoende, hoe Willem van Hessen Anna van Saksen geheel de schuld gaf. De keurvorst daarentegen zette die op 's Prinsen rekening. Hij zeide, dat dit nu de gevolgen waren, als men zijn vrouw liever Amadis de Gaule dan den Bijbel liet lezen; dat Oranje haar veel te veel had toegelaten, haar zin en lust op te volgen; dat alles zou voorkomen zijn, als de Prins bijtijds haar moedwilligheid had gebroken en haar in tucht en gehoorzaamheid had gehouden, enz. Tegen die beschuldigingen verdedigde Oranje zich op de volgende wijze:
"Wat hij destijds van Amadis de Gaule aan de keurvorstin had gezegd, was alleen spotternij geweest en gesproken op een tijd, toen hij zelf nog niet was gekomen tot de kennis der waarheid.
"Anna zelf had booze "mores" onder de leden, voor zij in de Nederlanden kwam. Ze had die reeds op weg naar hare woonplaats Breda getoond en daarbij steeds volhard.
"De Prins had niet nagelaten, haar daarover ernstig te onderhouden en zelfs nu en dan had hij lichtzinnige lieden, die zij om en bij zich had, met slagen uit zijn huis moeten doen jagen.
"Bij booze vrouwen zijn tranen en gramschap even vruchteloos; waar de inborst boos is, daar moeten zich booze daden openbaren."
Kortom, hoe ook de diepe val zijner tweede vrouw Oranje getroffen moet hebben en onder al de bekommernissen van die jaren zijne zorgen verdubbeld, hij kon er zich boven verheffen, overtuigd, dat niet aan hem de schuld lag van al het kwaad, dat Anna van Saksen hem en den zijnen berokkend had.
Het is treurig te zien, hoe ellendig de overspelige vrouw haar leven geëindigd heeft. Na nog drie jaren in Nassau te zijn geweest, werd zij in 1575 naar Saksen gebracht. Er was geen huis met haar te houden. Men kon eindelijk geen dienaren, zelfs tegen hooge belooning vinden, om bij haar te wonen. Haar gedrag was zoo heftig, dat de omstanders dikwijls in levensgevaar verkeerden. In rustige oogenblikken verlangde ze slechts naar haar dood, een wensch, die zeker ook haar bloedverwanten deelden. Toch zou ze daarna nog twee jaren in Dresden leven. Daar werd ze opgesloten in een gevangenis; haar voedsel werd haar door een opening toegereikt, terwijl een predikant belast werd met de zorg voor haar ziel. Daar haar geest reeds geheel was ondergegaan, zullen dit wel ijdele woorden geweest zijn. Eindelijk stierf ze 18 December 1577, razend krankzinnig in haar 33e jaar. Den volgenden dag werd de booze "dochter van den grooten keurvorst" te Meiszen begraven, en wel in het graf harer voorouders. Een groote stoet van "schoolkinderen, predikanten, overheidspersonen, edellieden en burgers" volgde de lijkbaar.
Voor den Prins was ze al lang dood geweest.
HOOFDSTUK XV.
EERSTE VOORDEELEN 1572.
Zooals wij vroeger zagen, was in 1569 Alva's voorstel aangenomen, om voor den tijd van twee jaren in plaats van den tienden penning een heffing van twee millioen te doen. Die termijn zou in Augustus 1571 verstrijken, zoodat reeds in het voorjaar beraadslagingen werden gehouden over de invoering van de nieuwe belasting, welke den koning, volgens Alva millioenen zou opbrengen. Dat dit niet zoo gemakkelijk zou gaan, bleek reeds uit het verzet, waarmede Alva te kampen had, toen hij de financieële voorstellen in den Raad van State bracht. Zelfs de president Viglius, lang een buigzaam werktuig van den landvoogd, kwam met groote kracht tegen Alva's plannen op en beweerde, dat de belasting het volk beleedigde. Alva stoorde zich echter weinig aan het gevoelen van Viglius en zijn ambtgenooten en bij plakkaat van 31 Juli kondigde de landvoogd aan, dat thans onverbiddelijk de tiende penning zou worden geheven. Alva schatte, dat deze belasting jaarlijks een 50 millioen zou opbrengen.
Een nieuwe storm stak tegen die poging op onder de burgers van het handeldrijvend volk, die niet weinig vermeerderde, toen het bericht uit Spanje kwam, dat thans de heffing moest plaats hebben. Onder alle klassen en standen van de bevolking ontstond zulk een beweging tegen dien maatregel, dat al het verzet van vroeger dagen, daarbij vergeleken, bijna kinderspel was.
De Staten der provinciën, de vroedschappen der steden, de gilden, ja de adel en de geestelijkheid, allen zonden protesten in. Drie bisschoppen zelfs van Vlaanderen vereenigden zich met de wenschen van het volk en drongen evenzeer op de intrekking van de nieuwe belasting aan, omdat ze vooral de lagere klassen zou drukken en den handel zou vernietigen. Als protest schorsten de kooplieden alle zaken, de winkeliers sloten hun winkels. Zoo voelden zij zich in hun nering bedreigd, dat zij liever niet meer wilden verkoopen, ten einde niet gedwongen te zijn, het leeuwendeel hunner winst aan de regeering te geven. Het volk liep te hoop en verklaarde de onwettige en drukkende belasting niet te zullen gedoogen.
De z.g. "zevenstuiverslieden," spionnen der regeering, die zich voor die karige belooning lieten gebruiken om overal af te luisteren, wat naar verraad zweemde, waren thans niet meer in staat al de verwenschingen aan te brengen, die zij over den landvoogd te hooren kregen.
"Hadden we slechts gereed geld," schreef Oranje in het begin van 1572, "dan zouden we met Gods hulp wel wat goeds kunnen uitrichten, want na de tijding, die we van alle oorden bekomen, zou het nu tijd zijn en zou men thans met geringe sommen meer kunnen doen, dan op andere tijden met groote."
Gewoon als de Prins was, de publieke meening te polsen en van zijn veilig standpunt uit de wacht te houden, met tallooze oogen tot zijn dienst, doorzag Oranje dat die tot wet verheven aanval op de beurzen van een handeldrijvend volk een geest van verzet zou wakker roepen, zooals geen enkel ander onrecht zou hebben kunnen doen.