Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 25

Chapter 253,923 wordsPublic domain

Reeds in September 1569 had de beruchte Zuid-Nederlandsche edelman Adriaan de Bergues, heer van Dolhain, zulk een commissie van den Prins ontvangen. Hij deed dat krachtens zijn recht als onafhankelijk souverein van het vorstendom Oranje. De Watergeuzen waren niets anders dan piraten, maar het waren voor het grootste deel martelaren van het Spaansche schrikbewind. Dat was dan ook zeker de eerste reden, waarom de Prins zich met hen in betrekking stelde--een tweede, niet minder van belang was, dat Oranje hoopte door een deel van hun buit in zijn geldnood te kunnen voorzien. Door zijne onbetwistbare verhouding tot hen heeft de Prins van de zijde zijner vijanden, van zijne dagen af tot heden, den grootsten smaad ondervonden.

Omdat de Watergeuzen eene van hem afkomstige aanstelling bij zich droegen en de Prins den band vormde, die eenheid gaf aan hun vrijbuiten, is hij aansprakelijk gesteld voor al de bandeloosheden en gruwelen door dien wilden hoop bedreven. Toch is dit hoogst onbillijk. De Prins liet niet na, in zijn commissiebrieven de hoofdleiders en de matrozen aan te sporen tot het inachtnemen van orde en goede manieren. "Ils ayent surtout à user de toute la discrétion et pourvoyance que leur sera possible." Was de Prins er dan verantwoordelijk voor, dat dergelijke raadgevingen niet hielpen? Hij kon niet anders doen dan hij deed. De mannen, die het vertrouwen onwaardig bleken, afzetten en nieuwe commissiebrieven aan anderen geven. Aldus handelde hij ook.

De beruchte Dolhain, die het talent geheel miste, zich te doen eerbiedigen door zijn roofzieke schepelingen en die, in Dillenburg ter verantwoording geroepen, den Prins niets ter hand stelde dan alleen een onbetaalde rekening, werd vervangen door den Heer de Lumbres, ook een Zuid-Nederlandsch edelman, een man van meer geestkracht. En toch gelukte het ook dezen niet, met zijn onderbevelhebbers Lancelot van Brederode en Guillaume de Lumey, uit het huis van La Marck, orde en tucht te handhaven onder de verwilderde zeeroovers.

In 's Prinsen kas vloeide na de benoeming van Lumbres wel iets meer, maar toch nog zeer weinig. De afzetting van Dolhain en de aanstelling van zijn opvolger was mede het gevolg van eene briefwisseling van den Prins met den Kardinaal de Châtillon, broeder van Coligny, die hem den raad gaf, zijn commissiebrieven terug te nemen, daar de handelingen der Watergeuzen zijn zaak in discrediet brachten.

Van toen af werd bepaald, dat op elk schip een evangelie-dienaar aanwezig zou zijn, geen vreemdeling mocht scheepscommandant worden; misdadigers moesten niet meer op de rol worden gezet, terwijl alle muiterij en wangedrag streng zou worden gestraft.

Deze verscherpte orders waren ook meestal een doode letter en de Watergeuzen bleven als vroeger de schrik van de kust.

Het bleven dus in 1570 donkere dagen voor het land en voor den man, die in Dillenburg onophoudelijk bezig was, om op maatregelen tot redding bedacht te zijn. Ook van Spanje's zijde werd de toestand voor de Nederlanden niet gunstiger. Wel hoopte men in dat jaar, dat een nieuwe opstand van de Mooren eenige afleiding zou geven en misschien de oorzaak zou worden, dat de Spaansche troepen het land zouden verlaten. Maar de jongere broeder van Filips, Don Juan, toonde zich krachtig genoeg, met de Spaansche macht alleen den opstand te bedwingen. Alva werd niet op het tooneel geroepen; zijn soldaten bleven in de Nederlanden, die buitendien geld naar Spanje moesten zenden. Ook aan een andere hoop, waarmee men zich in 1570 korten tijd vleide, werd de bodem ingeslagen.

Op den 16en Juli kondigde Alva een pardon af, dat naar hij hoopte, het volk zou bevredigen. Filips had hem er drie gezonden, om naar omstandigheden van een daarvan gebruik te maken. Alva koos de mildste en op genoemden datum werd dat pardon op de groote Plaats te Brussel aan de verzamelde menigte voorgelezen en ook naar andere steden gezonden. De toehoorders echter waren even wijs bij het slot als bij het begin. Wel werden er publieke vermakelijkheden, door Alva bevolen, gevierd, die de uiting der blijdschap over dat pardon moesten zijn, maar de Nederlanders ontwaakten ras tot het besef, dat dit pardon gelijk aan al de andere was, die Filips reeds vroeger had uitgevaardigd, daar aan niemand iets werd gegeven, behalve aan hen, die niet tegen de kerk en tegen den koning hadden gezondigd. En alsof al die teleurstellingen niet wreed genoeg waren, op den eersten November van dat jaar werd Nederland door een vreeselijken watervloed geteisterd, die in alle zeegewesten de grootste verwoestingen aanrichtte, doch vooral in Friesland en Groningen onbeschrijfelijke ellende na zich sleepte. Duizenden verloren het leven en duizenden werden tot den bedelstaf gebracht.

Een groote aanwinst voor den Prins was, dat in den winter van 1570 op 1571 Filips Marnix van St. Aldegonde voor goed in zijn dienst kwam en sedert Oranje's getrouwe dienaar en medestander is gebleven. Dit feit is daarom te merkwaardiger, omdat die vriendschap den nauwen band heeft gevormd tusschen hem en de Nederlandsche Calvinisten. We herinneren ons, hoe weinig de Calvinisten hem eigenlijk genegen waren, hoe hij zelfs in Antwerpen in 1567 met de Lutherschen en de Katholieken tegenover hen stond. Nog steeds bleef men in Nederland den Prins verdenken van de poging, om de Augsburgsche Confessie aan Nederland op te dringen. Die vrees werd door de thans voor goed gesloten vriendschap met Marnix geheel beschaamd, doch deze had nu ook weder dit nadeelige gevolg, dat de Luthersche vorsten nog minder tot hulp geneigd waren, afkeerig als ze waren van alle Calvinisten. Van alle plannen, die met Wesenbeke en anderen waren besproken of beschreven, kwam in het jaar 1570 niets dan de verrassing van Loevestein door Herman de Ruyter, die door het ontbreken van andere pogingen en door den dood van den aanvoerder op enkel teleurstelling uitliep.

Hoe ook het een en ander den Prins zelf ontmoedigde, den moed verliezen deed Oranje niet. Mochten al de Duitsche vorsten hem hunne hulp weigeren, mochten de beurzen der Nederlanders te veel gesloten blijven, mochten de Watergeuzen door hun gedrag zijn zaak in discrediet brengen, mochten Alva's geheime zendelingen in Nassau zelf hem met den dood bedreigen, Oranje's hoop en moed werden daardoor niet uitgebluscht. De man, die eertijds gestaan had in het midden van diplomatieke onderhandelingen, die reeds toen had leeren begrijpen, van welk hoog gewicht voor het nationale leven van één volk de inwerking was van de volken in den omtrek; de man, die reeds in 1559 doorzien had, hoe de draden van het diplomatiek beleid van Engeland, Frankrijk en Spanje door elkander liepen, en die daarbij later door zijn verhouding tot de Hugenoten en tot Coligny geheel op de hoogte was gekomen van de inwendige Fransche politiek; die man begreep, dat de verlossing der Nederlanden ten deele ook van diplomatieke combinatiën afhing. En nu wilde het geluk, dat het hem niet moeilijk kon vallen, op dat oogenblik den draad daarvan, al was hij persoonlijk ver van het tooneel verwijderd, in handen te krijgen.

Zijn broeder Lodewijk was toch in Frankrijk achtergebleven, toen de Prins zelf op het eind van 1569 naar Duitschland was teruggekeerd. Hij was daar na den slag van Moncontour de rechterhand van Coligny gebleven. Al waren in dien slag de Hugenoten verslagen, de Katholieken hoopten tevergeefs, dat de tegenstand hunner vijanden nu voor goed was gebroken. Coligny herstelde zich en stond in Juni 1570, met een klein, maar goed georganiseerd leger in Bourgogne. Karel IX verlangende naar den vrede, sloot op den 8en Augustus van dat jaar den vrede van St. Germain, waarbij vier steden den Hugenoten werden ingeruimd en de Prins zijn vorstendom Oranje terugkreeg.

Ook daarna bleef Lodewijk in Frankrijk, zoowel om als regent van het Prinsdom Oranje daar alles te regelen, maar ook om de diplomatieke taak te vervullen, die de Prins voor de verlossing der Nederlanden op het oog had. Daartoe stelde zich Lodewijk met den Engelschen gezant Walsingham in betrekking en wist dezen te winnen voor het groote plan, om Karel IX over te halen tot een openlijken oorlog met Spanje. De Nederlanden zouden allereerst worden aangevallen en behalve op Engelands hulp zou men dan op de vrienden van den Prins in de Nederlanden kunnen rekenen, om de Spaansche heerschappij aldaar omver te werpen. "Van den zomer van 1570 dagteekent dan ook de later te midden van alle bezwaren en gevaren vastgehouden politiek van den Prins, om Frankrijks koningen--zoo mogelijk met Engeland verbonden--met Spanje in oorlog te brengen, ten einde dan in den strijd tusschen de mogendheden, de Nederlanden te bevrijden." Wel was Lodewijk de man, die op dit oogenblik in Frankrijk die politiek uitvoerde, maar de Prins was de eigenlijke drijfveer van al zijne bewegingen.

Het gevolg hiervan was, dat in 1571 de plannen tot den gemeenschappelijken aanval op Spanje en de Nederlanden werden uitgewerkt en dat de samenwerking van de Hugenoten en het Fransche koningshuis zou bezegeld worden door een huwelijk tusschen Hendrik van Navarre en Margareta van Valois. Zooals we later zullen zien liep dit uit op een jammerlijke mislukking.

Hier moet nog een woord in het midden gebracht worden over een zaak, die den Prins persoonlijk betrof namelijk over zijn goederen en bezittingen in de Nederlanden. Het was Alva niet onbekend gebleven, dat de Prins, in plaats van dood te zijn, naar alle zijden zijn werkzaamheden uitbreidde, om de bevrijding van het land voor te bereiden. Van dat nieuwe leven opgeschrikt, wilde hij een poging te meer aanwenden, om zijn naam in vergetelheid te brengen. Daartoe trachtte hij den koning van Spanje te bewegen, al de bezittingen van de Nassau's in de Nederlanden te verkoopen en voor den graaf van Buren, den naar Spanje opgelichten zoon van den Prins, aequivalente goederen in Spanje aan te koopen.

In die dagen stelde Alva ook aan Filips voor, den Prins in den vorm van een stroopop te doen executeeren, zijn wapenschild aan de staart van een paard door het vuilnis te sleepen en dan in stukken te breken, zijn kinderen te ontadelen en ze onbekwaam te verklaren, goederen in des konings rijken te bezitten.

Mogelijk hing het eerste voorstel van Alva wel samen met den hoogen prijs dien de Prins op die goederen en bezittingen zelf toonde te stellen. Was het wonder dat hij zulks deed? Was het wonder, dat er in diezelfde dagen onderhandelingen door den Prins en door Lodewijk met Spanje zijn gevoerd over de teruggave dier bezittingen? Zeer onbillijke verwijten zijn daaromtrent den Prins gedaan. Doch allereerst moet gezegd worden, dat het volkomen ontbreekt aan uitvoerige berichten omtrent die onderhandelingen; hoever de Prins zich geneigd toonde, zich buiten de Nederlanden te houden, indien hij zijn goederen terug ontving, is onbekend. Doch aangenomen, dat er dienaangaande onderhandelingen gevoerd zijn, moeten we dan niet toegeven, dat het toch recht natuurlijk was, dat Oranje ook zich zelf niet vergat?

Waarlijk, wat hij tot op dat oogenblik van den goeden wil der Nederlanders had ondervonden, was tamelijk ontmoedigend. Zou het dan zoo vreemd zijn geweest, dat hij, zoo de Nederlanders niet zich zelf wilden helpen, toch op zijn eigen belangen bedacht was? Was het niet onnatuurlijk, indien hij zich daaromtrent onverschillig betoond had? Doch wij herhalen, al wat hem dienaangaande wordt ten laste gelegd, grondt zich op enkele aanduidingen, op geen bewezen feiten en vloeit daarbij voort uit den haat tegen den zoogenaamden geloofsheld, dien men daardoor in de schatting der menigte wil doen dalen. In elk geval voerden de onderhandelingen tot geen resultaat en bleef de Prins zijn eigen belangen aan die van de Nederlanden paren, bleef hij in de donkere dagen, die hij doorleefde, werkzaam voor de toekomst.

Over die donkere dagen viel nog een andere sluier, dien wij genoodzaakt zijn, hoe droevig ook, in een volgend hoofdstuk op te lichten.

HOOFDSTUK XIV.

HUISELIJK VERDRIET.

De ernstige verliezen en hinderlijke tegenstand, die Oranje gedurende den zomer van 1568 en in de volgende jaren leed en ondervond, het jammerlijk gebrek aan geld, dat hij noodig had, om zijn plannen ten uitvoer te brengen, waren niet de eenige hardheden, die hij had te dragen. Er was nog een andere kwelling en marteling, die hem overal volgde, waar slechts brieven hem konden bereiken.

Toen hij zijne familie veilig op het kasteel Dillenburg had gehuisvest, had hij mogen verwachten, dat zijn vrouw zich volkomen gelukkig en tevreden met haar schoonzusters in de groote vrouwelijke huishouding aldaar zou gevoeld hebben. Maar zelfs voor de meest onzelfzuchtige vrouw was het verblijf niet gemakkelijk en aangenaam. Alleen een vrouw, die zoo vurig belangstelde in al de plannen van haar echtgenoot, dat elke overweging daaraan ondergeschikt gemaakt werd, zou het met geduld hebben kunnen dragen. Anna van Saksen was zoodanige vrouw niet en ze deed zelfs geen poging, haar ontevredenheid over haar verblijf te Dillenburg en haar vrees voor toekomstige bezwaren te verbergen.

In 1567 was haar wensch, naar de Nederlanden terug te keeren, door de vereenigde weigering van haar echtgenoot en bloedverwanten verijdeld. Gedwongen had zij van haar voorkeur afgezien en Maurits was in het voorouderlijk huis geboren. Gedurende de volgende lente en zomer was Oranje met bezigheden overladen en kwam hij slechts met zeldzame tusschenpoozen in Dillenburg. Het leven binnen de wallen was somber en het nieuws, dat de angstig verwachte boden brachten, ontmoedigend.

Na haar echtgenoot verzocht te hebben, elders heen te mogen gaan, wat hij haar geweigerd had, maakte Anna van zijn afwezigheid gebruik, trachtte in het wild overal geld op te nemen en ging naar Keulen. Van daar schreef ze aan haar oom en verzocht hem haar een vertrouweling te zenden. Tegen het eind van 1568 zond Augustus overeenkomstig haar wensch Volmar von Berlepsch, een kolonel, uit Thüringen. De inhoud van het rapport, dat deze gezant aan den keurvorst zond uit Langensalza, was hoofdzakelijk het volgende:

Anna beklaagde zich tegenover hem bitter over haar harde positie en zeide, dat haar oom naast God haar eenige hoop was. Altijd had zij haar gemaal gewaarschuwd tegen oorlog met Spanje, maar hij was steeds doof voor haar geweest, en nu was hij in het net gevangen, dat over hem door anderen was geweven, in het bijzonder door Lodewijk, dien zij niet kon uitstaan. Haar echtgenoot en al zijn broeders hadden al hun gereed geld verteerd, ze hadden hun zilver en juweelen opgeofferd voor het onderhoud hunner soldaten, die nimmer konden verwachten iets te zullen volbrengen. Bijgevolg was al haar geld denzelfden weg gegaan; ze had er zich niet tegen verzet, maar alles was nutteloos geweest, juist zooals ze voorzien had.

De onbetaalde soldaten eischten nu hun loon, ze dreigden zelfs den Prins met mishandeling of hem als gijzelaar gevangen te nemen, totdat zijn vrienden hem zouden kunnen loskoopen. Oranje had haar in bijna twee jaren slechts 250 kronen gegeven. Kon haar oom hen niet helpen om haar eigendom, dat zij zoo tegen wil en dank had verpand, terug te krijgen? Ze zou blij genoeg zijn, als zij met haar echtgenoot als graaf, of als edele, of als eenvoudig burger kon leven, maar het was werkelijk onverdragelijk niets in de wereld te bezitten, van den wind te moeten leven en zijn eigen handen en voeten op te eten.

Daarom smeekte zij den keurvorst, een bedreigde naasting van haar eigendom te voorkomen. Binnen vijf of zes dagen wachtte zij weder eene bevalling en dat was een andere reden, waarom zij naar Keulen was gegaan. Haar schoonmoeder en al de andere vrouwen in Dillenburg waren zeer onaangenaam tegenover haar; dikwijls kon ze niet eens een glas wijn of bier krijgen en sommige dagen gingen geheel voorbij, zonder dat zij haar in haar vertrekken bezochten. Het zou eenvoudig verschrikkelijk zijn, daar een ziekte van zes weken te doorstaan, dan zou zij gebrek aan alles hebben. En nog was dat niet de werkelijke reden van haar plotselinge reis.

Er was in Dillenburg een epidemische ziekte uitgebroken en in het geheele Westerwald was geen geneesheer te vinden. Hoe kon zij dan daar blijven wonen? Te Keulen waren een honderdvijftig Nederlandsche dames, met wie zij kon praten en zich aangenaam bezig houden, om de verveling van haar kraamdagen te breken. Ze had er voor gezorgd, een geleerden, vromen predikant mee te nemen, die uit de Nederlanden was gebannen en van Spaansche tusschenkomst had zij niets te vreezen. Ze hoopte zoo in Keulen te leven, dat er geen enkel kwaad gerucht van haar in omloop kon komen. Haar toestand was anders moeilijk genoeg, want ze had geen stuiver.

Gerhard Koch, een Antwerpsche koopman die nu in Keulen woonde, had haar een groote som gelds geleend, maar daar de Prins hem ook al 30.000 florijnen schuldig was, zou hij haar niet verder helpen. Haar juweelen en tafelzilver waren reeds in pand. Diep in de schuld zat ze bij haar dienaars voor vleesch, brood en wijn. Graaf Jan had haar geschreven, dat het tafelzilver, waarop ze zeer weinig gekregen hadden, verbeurd was verklaard, daar het niet op den datum was ingelost. Doodarmoedig als ze was, wilde zij niet zonder haar echtgenoot naar Dillenburg terugkeeren; liever wilde ze sterven. Waarom konden ze niet de Nassau-woning te Dietz herstellen?

Berlepsch getuigde, dat inderdaad haar tafel sober was, doch dat er nog 43 personen aan gevoed werden. Hij had haar aangeraden niet stijfhoofdig te zijn, maar den raad van haar echtgenoot op te volgen. Na uit Langensalza aan Augustus geschreven te hebben, ging Berlepsch naar Dillenburg en besprak daar Anna's zaken met Jan van Nassau, de groote kosten van de huishouding te Keulen, het herstellen van de woning te Dietz enz.

Jan zeide, dat Berlepsch in gebreke was gebleven, bij Augustus en den landgraaf te klagen over Anna's voortdurende aanmerkingen en gemor. Wat haar levenswijze te Dillenburg aanging, de Dillenburgers waren geen vorsten en als Anna niet kreeg wat zij wenschte, dan moest ze nemen, wat ze kon krijgen. Indien ze zich zelf niet schikken wilde naar hunne levensmanier en zich niet aangenaam wist te maken, dan kon ze naar Keulen gaan of waarheen zij wilde, maar verdere hulp van hem had ze niet te verwachten. Hij had reeds veel meer voor haar gedaan, dan rechtens van hem kon verwacht worden.

Eerst had hij den Prins 50.000 florijnen geleend; daarop hem in het tweede jaar met zijn vrouw en zijn hofhouding onderhouden, met 150 tot 200 personen, zonder een woord te spreken van betaling. Het laatste doopfeest van Maurits was op zijn kosten gevierd. Daarop had hij nog aan Zijne Excellentie twaalf goede stukken geschut gegeven en hem voor het grootste deel voorzien van zijn uitrusting, waarvan de wagens alleen 5000 florijnen gekost hadden. Hij had 170.000 florijnen op het crediet van Dillenburg geleend enz., enz.

"Het was hem absoluut onmogelijk, de schuldbekentenis van 12.500 daalders aan de Prinses verschuldigd, te voldoen, of het huis te Dietz te herbouwen. Ter wille van haar gemaal zouden ze Anna met 10 of 12 personen te Dillenburg ontvangen en met haar deelen, wat de Heer hun gaf. Beviel haar dit niet, dan kon ze het huis te Freudenberg krijgen. Het tafelzilver, dat aan de Prinses, aan haar echtgenoot en aan hem zelf toebehoorde, was verpand voor 22,000 zilveren marken en de juweelen voor 20.000 marken. Konden de keurvorst en de landgraaf die niet inlossen? Hij zelf had voor zijn deel meer gedaan dan van hem verwacht kon worden."

Berlepsch zeide toen verder, dat Anna in Keulen drie maanden zonder betaling geleefd had in het huis van Jan Molon, den penningmeester van den Prins. De vrome weduwe Brederode, in wie de Prinses veel vertrouwen stelde en die juist wist, hoe met haar om te gaan, was bij haar. Een jong Nederlander met name Hauff, was haar rentmeester. Het huishouden, verschrikkelijk duur, werd niet met overleg bestuurd. Gerhard Koch had Berlepsch verteld, dat de Prinses niemand had, die verstand had van beheer, al had ze ook een troep nuttelooze dienaars. Haar stallen waren teruggebracht tot twee koetspaarden en twee ezels. Aan Koch was zij 60.000 florijnen schuldig en inderdaad, de Prinses had geen stuiver buiten hetgeen hij haar gaf. Slagers, bakkers en wijnkoopers plaagden haar om betaling enz.

Toen Augustus dit rapport ontving, schreef hij Anna, dat ze naar Dillenburg moest terugkeeren, berispte haar eveneens over haar stijfhoofdig karakter en deelde haar nog eens mede, wat Graaf Jan al had ten offer gebracht. Maar de wijze, waarop haar schoonbroeder zich over haar had uitgelaten, was niet van dien aard, om Anna te overtuigen, dat zij in Dillenburg zou worden behandeld, zooals ze dat begeerde. Ze wees dan ook die uitnoodiging geheel van de hand, hetgeen zeker de bewoners van Dillenburg niet erg betreurden.

Daarop deed ze een stap, die den Prins zeer moest verbitteren. Zij besloot de zaak zelf in handen te nemen en te zien, wat ze doen kon, om haar verbeurd verklaarde goederen terug te krijgen. Weder schreef ze aan den keurvorst, met het verzoek haar te helpen, om "maatregelen te nemen voor mij zelf en mijne drie arme kinderen, opdat we niemand verder tot last zijn. Er is niemand anders die mij in de wereld helpt."

Dit beroep op Augustus en den landgraaf had tot gevolg, dat zij voldoende geld van hen ontving, om haar procureur, een zekeren Dr. Betz, naar Maximiliaan te Weenen te zenden, ten einde den keizer te verzoeken, haar zaak ter harte te nemen en haar request in Spanje te ondersteunen.

Haar pleidooi was meer vernuftig, dan vrouwelijk. Zij beweerde, dat de Prins van Oranje door zijn weigering om de dagvaardingen van zijn leenheer te beantwoorden en de voortdurende proclamatiën tegen hem, burgerlijk dood was. In de oogen van de Nederlandsche wet was hij een dood man; ergo was zij op Nederlandschen bodem weduwe; ergo waren de Nederlandsche goederen de hare, daar zij een gerucht had gehoord, dat Alva geen enkele vrouw van rang van haar eigendom wilde berooven. Korten tijd later schreef zij aan haar "dierbare vriendelijke tante," de keurvorstin, dat ze vreesde, dat dit gerucht valsch was en ze verzocht haar om nader nieuws daaromtrent.

Het antwoord, haar door Spanje gegeven, was natuurlijk, dat ze geen weduwe was. Al was ze zelf geen rebel, ze had toch rebellen geholpen en opgestookt. Ze had haar zilver, 200.000 florijnen waard, verkocht, om den opstand van haar echtgenoot te steunen. In 1568 was zij zelfs op den koninklijken troep te Kerpen aangevallen en had verschillende zaken mee naar Keulen genomen, hetgeen haar van zelf medeplichtig maakte. Anna's Duitsche procureur antwoordde op naïeven toon, dat onmogelijk de Prinses bedoeld kon zijn met "la gueusesse," want dat haar naam was Anna, dochter van Maurits van Saksen. Haar reis naar Duitschland in den vroegen winter van 1567 had alleen tot doel gehad, haar stervenden grootvader, Filips van Hessen, nog levend te zien. Haar echtgenoot was ze gevolgd om drie goede en voldoende redenen: 1. Het was haar vrouwelijke plicht. 2. Ze was geen onderdane van Spanje. 3. Men had haar niets gelaten, zelfs niet iets zoo groot als eens mans hand. Al haar zilver was eenvoudig bij dat van haar man gevoegd; haar juweelen had ze zoolang mogelijk onder zich gehouden. Toen Kerpen was geplunderd, was zij in Heidelberg geweest en in 't geheel niet in Keulen. Zij wilde de zaak voor het keizerlijk hof te Spiers brengen, of Alva overreden, haar klachten te doen gelden, maar haar schoonbroeder Jan hield het tegen. Niets was krachtens de wet gedaan.

Dr. Betz bereikte Weenen, maar ging niet naar Spanje, om de zaak voor Filips te brengen. Het oogenblik, bij den koning te komen, was anders goed gekozen, namelijk bij gelegenheid van zijn huwelijk met Anna van Oostenrijk, daar 's konings hart dan misschien medelijdend gestemd zou zijn. Tegen 15 Juni was Dr. Betz in Heidelberg terug, van waar hij zich zelf verontschuldigde, dat hij zijn zending niet had uitgevoerd.