Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 24

Chapter 243,857 wordsPublic domain

In de Spaansche koninklijke familie waren in het laatste jaar twee sterfgevallen voorgekomen. De ongelukkige Don Carlos, de lichamelijk en geestelijk zwakke eenige zoon van Filips II, overleed in Juli 1568. Zijn dood liet den koning zonder mannelijken erfgenaam. En korten tijd daarna stierf ook Elisabeth van Valois en liet haar Spaanschen gemaal voor den derden keer als weduwnaar achter, die daardoor vrij werd, weder een andere vorstelijke dochter te huwen. Die dubbele dood werd de oorzaak, dat Maximiliaan een zachter toon tegenover Filips begon aan te slaan en in zijne aanvankelijk krachtige verdediging van de Nederlanden niet volhardde. Want Maximiliaan had zes dochters en ook Filips thans alleen vrouwelijke erfgenamen, zoodat de kans niet mocht verloopen, dat òf een zijner zonen met een van Filips' dochters huwde, die dan later den Spaanschen troon kon beklimmen, òf dat Filips zelf vroeg om de hand van een van de dochters des keizers. Dit laatste had werkelijk plaats. Filips deed het voorstel, de aartshertogin Anna te huwen. Dit werd met beide handen aangenomen en de aartshertog Karel, die begonnen was in Madrid zoo krachtig en stout voor de Nederlanden in naam des keizers op te treden, verliet op den 4en Maart 1569 de Spaansche hoofdstad met een geschenk van 100.000 kronen, terwijl alle verdere onderhandelingen over de arme, slecht behandelde Christenen in Filips' noordelijke gewesten werden gestaakt en de keizer zich voortaan bepaalde tot enkele zwakke onbeteekenende vermaningen. Dus ook de steun van den Duitschen keizer was voor den Prins verloren, op het oogenblik dat zijn veldtocht geheel mislukt was en te Straatsburg zijn leger werd ontbonden. Hadden Alva en Languet dan geen gelijk met te zeggen: "De Prins is een dood man!"

Dood! dat zou Oranje, wiens gemoed steeds meer levend werd en wiens vertrouwen op de toekomst verdubbelde, naarmate zijn ervaringen somberder en zijn dagen donkerder werden, dat zou Oranje anders leeren. Daartoe was echter op dat oogenblik voor alle dingen noodig, dat hij zijn verloren krijgsroem herstelde; daarom besloot hij, zich met 1200 ruiters, die hem getrouw bleven, bij het leger te voegen, dat onder Wolfgang von Zweibrücken het leger der Hugenoten onder Condé zou te hulp komen. Zijne broeders Lodewijk en Hendrik bleven bij hem en verleenden, evenals Oranje, hunne persoonlijke diensten aan de Fransche Protestanten. De hertog van Anjou werd met het opperbevel over het leger van de regeering belast en won op den 10en Maart 1569 den bloedigen slag bij Jarnac, waar Condé den dood vond. Bij dien slag was Oranje met zijn legerafdeeling niet tegenwoordig, daar hij tevergeefs op de komst van Wolfgang gewacht had.

Eerst den 30en Maart kon de Prins zich met het leger van Wolfgang vereenigen en trokken zij gezamenlijk door den Elzas naar de Fransche grenzen in Lotharingen. Nu was het natuurlijk hun plan het leger der Hugenoten, dat na den slag bij Jarnac, zich onder Coligny had hersteld en dat zich aan de Loire bevond, te gemoet te trekken. Daartoe moest het geheele vijandige land worden doorkruist. Die bange tocht werd ondernomen, ook al werden ze onmiddellijk door het Fransche leger gevolgd. De onderneming werd met de grootste stoutheid volvoerd; doch al waren zij bij het stadje la Charité ook bij de Loire gekomen, nog konden ze zich niet met Coligny vereenigen, daar nog steeds de hertog van Anjou tusschen den admiraal en zijne bondgenooten stond. Die vereeniging gelukte pas op den 10en Juni te Saint IJriex, in de nabijheid van Limoges. Een paar dagen later had de slag bij La Roche-Abeille plaats, waar Anjou werd verslagen en in welken slag Lodewijk zoowel als Oranje grooten roem behaalden.

Gedurende den zomer bezocht Oranje in gezelschap van verschillende Hugenootsche hoofden het kasteel van den beroemden Brantôme, den schrijver van verscheidene belangrijke werken, die zijn loopbaan als militair in den dienst der regeering, o.a. tegen de Hugenoten, begonnen was. Deze Brantôme geeft in zijn Grands Capitaines étrangers de volgende beschrijving van dat bezoek.

"Verscheidene Fransche bondgenooten van den hertog von Zweibrücken zoowel als de Prins van Oranje, graaf Lodewijk en hun jongere broeder, kwamen na den dood van dien hertog (deze was nog voor de vereeniging der beide legers overleden) op het kasteel Brantôme, waar ik mij teruggetrokken had wegens een ernstige vierdaagsche koorts, die mij zoo kwaadaardig had vergiftigd, dat ik er in maanden niet van kon bevrijd worden. Zoo zag ik al die edellieden, Franschen en vreemdelingen, in mijn huis. Om strijd bewezen ze mij elke mogelijke eer, zonder eenige schade aan mijn huis toe te brengen. Geen enkel beeldje werd er vernield, geen enkele glasruit gebroken. Ik onthaalde hen uitstekend, daar de koning van Navarre en de admiraal beiden zeer op mij gesteld waren. Aan den laatstgenoemde was ik door zijn vrouw zelfs verwant. In het kort, ik had reden, over hen allen zeer voldaan te zijn.

Daar zag ik de vreemde prinsen en had in een laan van mijn tuin lange gesprekken met den Prins van Oranje. Ik vond hem een gedistingeerd persoon, geheel naar mijn smaak. Uitstekend redeneerde hij over de zaken. Hij vertelde mij, hoe krachteloos zijn leger was; hij weet dit aan zijn armoede en aan de vreemden, die hem geen liefde toedroegen. Maar hij was niet van plan, in het midden van den weg te blijven staan en heel spoedig zou hij den verloren grond terugwinnen. Hij had een zeer aangename manier van omgang en maakte ook uitwendig een goed figuur. Graaf Lodewijk was kleiner. Den Prins vond ik verdrietig gestemd; hij was terneergeslagen door zijn rampspoed. Maar graaf Lodewijk was openhartiger in zijn houding en scheen blijmoediger te zijn. Hij werd voor meer vermetel en meer ondernemend dan de Prins gehouden, maar deze was wijzer, rijper en voorzichtiger."

In den slag van La Roche-Abeille deelde de Prins het commando met graaf de la Rochefoucauld. Toen volgde de belegering van Poitiers, dat dapper verdedigd werd en ook niet werd ingenomen. Bij die belegering was de Prins ook aanwezig; doch kort nadat het beleg door de Hugenoten was opgegeven, verliet Oranje hen, om naar Duitschland terug te keeren.

Lodewijk en Hendrik bleven bij het leger der Hugenoten en namen deel aan den ongelukkigen veldslag van Montoncour, waar Lodewijk, trots den jammervollen uitslag, vele lauweren behaalde. Terwijl deze Coligny op zijn verdere tochten vergezelde, in het Prinsdom Oranje de orde herstelde en met den admiraal werkzaam was, toen de belangrijke vrede van St. Germain werd gesloten, om daarna uit La Rochelle voor de belangen van den Prins te werken en met hem nieuwe plannen tot bevrijding der Nederlanden te maken, was de Prins zelf diep in het geheim naar Duitschland teruggegaan. Dat vertrek had zelfs zoo in stilte plaats gehad, dat het niet behoeft te bevreemden, dat er allerlei geruchten, het een al dwazer dan het andere, aan werden vastgeknoopt.

De Spaansche gezant te Parijs, Alava, schreef, dat het Hugenootsche leger met verachting van den Prins sprak, toen het hoorde van zijn plotseling vertrek en dat hij beschouwd werd als een man, wiens reputatie verloren was. Ook werd deze vlucht, drie dagen voor den slag van Montoncour, als een daad van gebrek aan moed aangemerkt. Anderen dachten, dat Oranje in het geheim naar Engeland ging om hulp van Elisabeth te vragen en zelfs om een huwelijk voor te bereiden tusschen Hendrik van Navarre en Elisabeth. Nog anderen meenden, dat het doel zijner geheimzinnige reis was, La Rochelle in de handen der Engelschen te spelen, terwijl de koninklijke troepen zich in het Oosten van Frankrijk ophielden.

Het meeste geloof echter verdient de meening, dat de Prins zich haastte naar Duitschland te komen, omdat hij bij vernieuwing eenige kans zag, de Nederlandsche vluchtelingen tot vereenigd handelen te brengen.

Zelfs wordt verteld, dat Oranje als boer verkleed met enkele volgelingen het kamp in Frankrijk verliet en met groot gevaar voor zijn leven den Rijn bereikte, ten einde in Duitschland nieuwe versterkingen te gaan zoeken.

In November bereikte hij Dillenburg, maar hij scheen het onveilig te vinden lang op ééne plaats te blijven en reisde daarom het land op en neer. Omtrent Kerstmis bereikte hij Arnstadt, vanwaar hij aan zijne broeder Jan te Dillenburg schreef. Uit dien brief blijkt, hoe de Prins tot zijn droefheid, in Duitschland reizende, bij vernieuwing van den haat der Lutheranen tegen de Calvinisten had gehoord. De predikanten der eerstgenoemden ontzagen zich niet de Calvinisten in Frankrijk en in de Nederlanden van den kansel voor muiters, rebellen, heiligschenners en beeldstormers te schelden. En daaraan wijt hij het ook, dat zijn arbeid in Duitschland zoo vruchteloos blijft en dat zelfs een Alva nog door lichtingen uit Duitschland (Eric van Brunswijk) wordt versterkt. Weemoedig roept hij uit:

"Terwijl onze tegenstanders werken en wij alles moesten doen, om hunne ondernemingen te vernietigen, slapen wij.... De zaken zijn zoover gekomen, dat, als God niet wonderlijk helpt, de godsdienst gevaar loopt, voor langen tijd uitgeroeid te worden; want niemand zal dien durven steunen, ziende de weekheid en het gebrek aan moed bij hen, die zedelijk verplicht waren, dien te bevorderen en te onderhouden...."

Van welke zijde hulp te wachten zou zijn, was in dien tijd moeilijk te ontdekken; toch ging Oranje voort en vond al zoekende, overal met gevaar voor zijn eigen leven, hier en daar een weinig hulp. Hij was gedwongen zich zoo geheim te houden, dat men meende, dat hij dood was. Toen dit gerucht ter oore van Viglius kwam, zeide deze: "Als het hoofd is weggenomen, dan hebben wij de rebellen niet meer te vreezen." Wel scheen het op het einde van 1569 alsof de troebelen geheel waren bedaard en Alva vrij naar zijn wil kon handelen maar de Prins rustte niet, doch werkte dag en nacht om aan alle kanten vrienden en te gelegener tijd volk te bekomen.

Behalve het geheim beroep, dat hij in persoon op talloozen deed, zond hij een menigte adressen om hulp overal heen. Brief op brief richtte hij tot de gevluchte edelen en tot de hervormde congregaties in Engeland, in Kleef, Emden, Hamburg, Bremen en elders. Ook met verscheiden invloedrijke personen in de Nederlanden onderhield Oranje geheime briefwisseling, met Sonoy, van Swieten, van Calslagen, Cant en Wesenbeke.

De toenmalige Leidsche pensionaris Mr. Paulus Buys, die in 1572 advocaat van den lande werd en later in menig opzicht de rechterhand van den Prins was, wijdde zich reeds in 1569 met grooten ijver aan de nationale zaak. Hij was het, die op het eind van dat jaar, terugkeerende van de Algemeene Statenvergadering te Brussel, die over den eisen van den 10en penning van Alva beraadslagen moest, diep in het geheim een reis naar Dillenburg waagde en 24 uren vertoefde bij den Prins, wien hij alle inlichtingen omtrent den toestand in de Nederlanden geven kon.

Hoofddoel van de geheime correspondentie, welke van die reis van Buys het gevolg was, werd een opwekking van de Nederlanders, toch te bedenken, dat de welvaart van het vaderland van hen eischte als eerste plicht, gelden bijeen te zamelen. Eene proclamatie van den Prins van 22 April 1570 bevatte o. a. het volgende:

"Wij twijfelen niet, of gijlieden en elk van U gedenkt wel den eed en de verbintenis, die gij schuldig zijt uwen lieven vaderlande en tot onderhouding der rechten, vrijheden, voordeelen en voorspoed van hetzelve, waardoor we ons verzekerd houden, dat gijlieden als vrome, verstandige lieden, wel ter harte neemt 't gemeen welvaren van het vaderland in 't algemeen als van elk van U in 't bijzonder....

"Wij overdenken de verdrukking, de tirannie en de gewelddadigheden, die men tegen eed, geloof en recht en zonder eenige reden of misdaad nu zoolang U heeft aangedaan en aandoende is en met meerdere verdrukking U dagelijks bedreigt. Wij hebben niet kunnen laten ons dikwijls te verwonderen, hoe het mogelijk is, dat gijlieden zoo lang daartoe hebt kunnen stilzwijgen en daartegen U niet hebt getoond....

"In hoop en goed vertrouwen dat gij niet zult verzuimen.... hebben wij u willen aanzeggen, dat wij gewillig zijn en niet zullen ontzien goed en bloed op te zetten voor de welvaart van het land en voor de vrijheid" enz.

In dien toon waren de brieven en de proclamaties van den Prins gesteld. Er werd zelfs een geheel stelsel van geheime correspondentie uitgedacht, om door verdichte namen de regeering op een dwaalspoor te brengen, als de brieven soms werden opgevangen. De steden, die men wilde verrassen, werden met godennamen uit de Romeinsche en Grieksche mythologie aangeduid; de personen met voorletters of pseudoniemen, enz. Om de verzameling van gelden was het allereerst te doen en dan verder om de verrassing van steden.

Hoe konden echter Oranje en de zijnen gegronde hoop koesteren, na de mislukking van den aanval van 1568, op een réveil van het volk? Was toen niet de poging afgestuit op den onwil van de Nederlandsche burgers om zijn poorten voor den Prins te openen? Zagen we niet, dat Alva in het eind van dat jaar als de geduchte overwinnaar werd gevreesd, dat alles voor hem had gebukt?

Het was natuurlijk reactie, die hier de zaak van den Prins heeft geholpen. Alva's overwinningen hadden hem overmoediger dan ooit gemaakt; hij dacht thans met het Nederlandsche volk te kunnen doen, wat ook zijn hart begeerde. De oprichting van het standbeeld, dat hem als overwinnaar voorstelde, met den voet op den nek van een tweehoofdig monster, adel en volk, was de sprekende profetie, wat men thans van hem had te wachten. Zijne plannen waren zoo veelomvattend, dat niet alleen de Bourgondische Nederlanden, maar ook de aangrenzende gewesten in het Duitsche Rijk onder Spaanschen invloed moesten komen. Al de maatregelen, die dienen moesten om dit groote doel te bereiken, waren van dien aard, dat ze van zelf het in slaap gezonken volk tot nieuw verzet prikkelden.

Alsof er al niet genoeg ellende over het land was gebracht! Het schrikbewind van Alva had haar uitwerking niet gemist en de Raad van Beroerten hield niet op over schuldigen en onschuldigen een vonnis uit te spreken.

Al is het te sterk gekleurd toch wordt die toestand van ons land, reeds eenige maanden na Alva's komst, treffend weergegeven door de beschrijving van Motley: "Het gansche land werd een knekelhuis; de doodsklok luidde ieder uur in alle dorpen; aan geen enkele familie werd de rouw gespaard over haar dierbaarste betrekkingen, terwijl de overlevenden onverschillig rondzwierven, de schimmen van wat zij vroeger waren, tusschen de puinhoopen van wat eens hun woning was. De energie van het volk scheen binnen weinige maanden na de komst van Alva hopeloos gebroken. Het bloed van de besten en dappersten onder hen had reeds het schavot bevlekt; de mannen, tot wie zij gewoon waren geweest uit te zien om leiding en bescherming, waren dood, gevangen of in ballingschap. Onderwerping had geen nut meer, ontvluchting was onmogelijk en wraakzucht woedde aan elken haard. Dagelijks liepen rouwdragenden langs de straten, want er was bijna geen huis, waar de dood niet gewoed had. De schavotten, de galgen, de brandstapels, in gewone tijden voldoende, leverden nu een volkomen ontoereikend materiaal voor de steeds elkaar opvolgende terechtstellingen. Palen, stokken in iedere straat, deurposten van particuliere huizen, schuttingen op het veld torschten geraamten van menschen, die geworgd, verbrand of onthoofd waren. De boomgaarden op het land droegen aan menigen tak, afzichtelijke vrucht, lichamen van menschen. Zoo werden de Nederlanden vernietigd en ware het niet dat de scherpe dwingelandij nu hare poorten gesloten had, ze zouden ontvolkt zijn geworden. Het gras begon te groeien in de straten van die steden, die nog kort geleden zoo vele werklieden gevoed hadden. In al die groote nijverheids- en handelsplaatsen, waar de polsslag van het leven zoo sterk geklopt had, heerschte nu stilte en middernachtelijke duisternis."

Onder die nieuwe maatregelen nu, welke Alva nam, was een der voornaamste, de invoering van vaste rechtstreeksche belastingen, een stelsel, dat in Spanje reeds langen tijd bestond onder den naam van alcabala. Van Spaansch standpunt uit was het streven naar zulk een vaste regeling zeer begrijpelijk. Maar de Staten vonden tot heden hunne eenige kracht in de contrôle, die ze om een zeker aantal jaren door de goedkeuring der beden op de regeering konden uitoefenen. De Staten hadden feitelijk de koorden van de beurs in handen. Een vaste regeling zou, bij gemis van elke andere contrôle, totale slavernij van het volk ten gevolge gehad hebben.

Bovendien waren de voorgestelde belastingen zeer drukkend, want bij verkoop van roerende goederen zou 10 % (tiende penning), van onroerend goed 5 % (twintigste penning) betaald worden, terwijl dan nog 1 % (honderdste penning) zou geheven worden van de waarde van alle goederen, zoowel roerende als onroerende. Dat de kooplieden in hun handel ten zeerste bedreigd werden door deze voorstellen laat zich begrijpen.

Geen wonder daarom, dat dit plan een storm in het land verwekte, veel grooter dan al de godsdienstige vervolgingen en onrechtvaardige daden gedurende de laatste twee jaren. En die storm was zoo geweldig, dat zelfs een Alva daarvoor bukken moest. Na eindelooze nieuwe voorstellen van den kant des landvoogds en nieuwe uitvluchten en bezwaren van de vergaderingen der Staten, werd Alva's voorstel, om in plaats van den tienden en den twintigsten penning een heffing van 2 millioen 's jaars te doen voor twee jaar, aangenomen, doch de Landvoogd was vast besloten, zoodra mogelijk, op de zaak terug te komen en de financiën behoorlijker te regelen.

Deze en andere maatregelen, die alleen dienen moesten, om alle privileges der bevolking te ontrooven, deden echter de ontevredenheid van dag tot dag toenemen. Daarbij begon de indruk van de strafoefeningen en de krijgstochten van 1568 allengs te verminderen en het natuurlijk gevolg daarvan was, dat de geheime invloed van Oranje door middel zijner agenten in Holland hoe langer hoe meer van beteekenis werd en dat men reeds weder kon beginnen te denken aan overmeestering of verrassing van steden.

Een zware last bleef echter hevig op den Prins drukken, die hem zeer in zijn plannen belemmerde. Dat waren de schulden, die hij had aangegaan bij de expeditie van 1568. De Nassau's hadden bijna elke bezitting, alles wat van eenige waarde was, verpand, om de eischen der huursoldaten te bevredigen. Uit de brieven van Oranje aan zijn broeder Jan blijkt duidelijk, in welk een verlegenheid hij zich vaak bevond en tot welk een bezuiniging hij de toevlucht nam. Hij had, gelijk we vroeger zagen, aan de huurtroepen beloofd, dat als hij binnen een bepaalden tijd niet kon betalen, hij zich dan zelf als gijzelaar in hun handen zou stellen.

Op 1 Januari 1570 schrijft hij nu aan zijn broeder Jan en verzoekt hem een zekeren Tieman van Hort naar een vergadering van de onbetaalde troepen te zenden, om dezen aan het verstand te brengen, hoe onzinnig het zou zijn, als hij die belofte vervulde. Indien hij onder den rijksban kwam, of in handen van den keizer, dan was alle hoop verloren, dat hij ooit het verschuldigde kon betalen. Bleef hij vrij, dan bestond altijd de kans, dat de zaken een voordeeligen keer namen. Ook draagt hij zijn broeder in den brief op, een kleinen beker ter waarde van 100 florijnen aan Hartman Wolf, een kapitein van een zijner troepen, die in het huwelijk was getreden, te zenden. Wat de 10.000 florijnen van den hertog van Saksen betrof, de Prins had gedaan wat hij kon, maar had niets gekregen. Dit schreef hij uit Sondershausen en op den 17en Januari richtte hij weder tot denzelfden broeder uit Arnstadt een brief, die ons nog meer in bijzonderheden teekent, in welk een benauwden toestand Oranje was gekomen. Na zijn vruchtelooze onderhandelingen te hebben vermeld, zegt hij:

"Ik ben bevreesd, dat mijne brieven soms door den vijand zullen gelezen worden, want zij zouden er uit kunnen zien, hoe weinig vooruitzicht er voor mij op hulp van de vorsten bestaat. Terzelfdertijd durf ik niet nalaten om Coligny en anderen omtrent den toestand inlichting te geven.... Schwarzburg is teruggekeerd, maar heeft niets bereikt. Hij en George von Holl rieden mij aan, naar U te gaan, maar om verschillende redenen acht ik dit ongeschikt. Ik zou niet geheim genoeg kunnen reizen, om ontdekking te ontgaan en ik heb te weinig paarden, om openlijk te komen.... Alle vrienden van de partij van den koning zijn op middelen bedacht om mij te verschalken en mijne soldaten zouden mij ter zake van het geld, dat ik hun nog schuldig ben, wel kwade parten kunnen spelen. Daarbij is Dillenburg een versterkte plaats en daarom kan men licht denken, dat, als ik daar heen ging, er dan ook van alle kanten vreemdelingen zouden heenvluchten en dan kon de hertog gemakkelijk iemand zenden, om de plaats te bespieden, of zelfs om mij te vergiftigen. En behalve dat, zouden uwe uitgaven zoozeer door die vreemdelingen vermeerderd worden en als er krijgsvolk in de buurt was, dan konden ze licht een aanval op de plaats doen.... De Landgraaf is het hiermede eens.... Graaf Gunther, Hans Gunther en graaf Albert verzoeken mij bij hen te blijven en bewijzen mij tal van beleefdheden, die ik ten hoogste waardeer...."

De Prins eindigt dien brief met de mededeeling aan zijn broeder, dat hij den raad, om nog eenigen tijd te blijven waar hij was, zou opvolgen, tenzij zijn vrouw in Dillenburg kwam, in welk geval hij zoo geheim mogelijk een reis daarheen wilde doen, om dan met zijn broeder Jan en zijn moeder een besluit te nemen, wat er verder moest gedaan worden.

Op den 20en Januari schreef de Prins weder aan Jan, om hem te danken voor zijn mededeeling, maar vooral om hem in te prenten, te Dillenburg op zijn hoede te zijn. Hij gaf hem allerlei raadgevingen ten opzichte van de versterking der plaats. O. a. schreef hij:

"Het komt mij voor, dat uwe buren u moesten helpen, want ook in hun belang is het, dat Dillenburg goed versterkt is. Zou het niet zeer van pas zijn, dat gij aan de landgraven Lodewijk en Willem en aan andere graven in de buurt schreef, om ten minste zeker te zijn, hoeveel gewapende mannen zij u in geval van nood zouden kunnen leveren. Ook was het te wenschen, dat gij uw geschut terug hadt, dat thans hertog Casimir van u heeft en dat het weer in Dillenburg werd geplaatst. Ook moeten er menschen aan het werk gesteld worden om salpeter te zoeken; ik twijfel niet, of er is in uw gronden een voldoende hoeveelheid te vinden om uw huis van kruit te voorzien...."

De rest van dezen brief is gewijd aan kleine bijzonderheden, die bewijzen, hoe de Prins zich genoodzaakt zag, zich met de minste zaken (b.v. zijn kousen) te bemoeien. Ook vermeldt hij nog aan zijn broeder, dat Gunther naar Dresden is vertrokken, om den keurvorst te zien voor zijn reis naar den keizer. "Ik droeg hem op, bij den keizer van de zaak der arme Christenen nog eens gewag te maken, maar vrees, dat het vergeefsche moeite zijn zal."

Niettegenstaande al de bezwaren tegen het vertoeven van den Prins te Dillenburg, vinden we hem toch op den 15en Maart op het kasteel terug en wel in briefwisseling met zijn broeder Jan, die zich toen eenigen tijd in Frankfort ophield. Van daar begon hij toen die belangrijke briefwisseling met Wesenbeke; van daar gaf hij zijne proclamaties en commissiebrieven in het belang der Nederlanden. Tot de laatste behoorde ook de opdracht, die door Oranje aan de Watergeuzen gegeven werd.