Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 23
Ondertusschen was Alva als een dwaallicht van Tongeren naar St. Truyen en van daar naar Jokoigne gegaan. Gaarne had hij den vijand door een moerasstreek geleid en hem alzoo een valstrik gespannen, maar het terrein was goed en Oranje kende het door en door; steeds verder drong hij Alva's jurisdictie binnen.
De Hugenoten waren in dien tijd onder Genlis de Maas bij Charlemont overgetrokken. Op den 21en of 22en October vereenigde deze Fransche edelman aan het hoofd van 4 à 5000 voetknechten zich met de troepen van den Prins. Bij het riviertje de Geete had Alva den laatsten op 20 October den overtocht betwist. Hoogstraten, die met 3000 man de achterhoede vormde, werd jammerlijk geslagen en ontving zelf eene wonde, waaraan hij kort daarop overleed. Ook De Hames en andere edelen vonden daar hun graf.
Twee dagen daarna vereenigden zich de Hugenoten met den Prins, doch niets was daardoor gewonnen, want ook dit was een bandelooze troep, een woeste bende, die de heilige kerksieraden op hun weg geroofd, ten spot op de hoeden droeg. Hun aankomst berokkende meer schade dan voordeel. De Franschen brachten niets dan nieuwe behoeften mede. "Waar er vroeger één van honger en gebrek omkwam, daar stierven er thans twee."
Slechts op een paar mijlen afstands was Oranje van Brussel, maar geen enkele plaats opende voor hem hare poorten. Zijn leger was geheel en al uitgeput en een week lang dwaalde het rond over het veld, binnen de kleine uitgestrektheid, die de vijand hun openliet. De Prins zag geen ander redmiddel dan in een terugtocht. Bij den reeds naderenden winter verlangden zijn Duitsche benden naar huis. Terug over de Maas bij Luik scheen de eenige overgebleven weg. Doch evenmin als de prins-bisschop van Luik in October, trots alle pogingen van 's Prinsen vrienden, Oranje had gesteund, wilde hij hem thans helpen. De toegang tot de stad werd hem geweigerd.
De poging om Luik in te nemen geschiedde eigenlijk met het doel, dáár de winterkwartieren op te slaan en tegen de vervolging van Alva verschanst te zijn. Oranje's belofte aan de muitende ruiters, dat zij zich, zoodra hij in de stad was met plundering van kerken en van 't paleis konden schadeloos stellen, wordt terecht veroordeeld en "zijn brieven aan den bisschop en het kapittel geschreven, waren rauwe weerklanken van de ontstemdheid zijner ziel."
Van een ernstig beleg van Luik kon met het achtervolgend leger van Alva geen sprake zijn. Oranje wist zeer goed, dat zulk een stad als zij haar verdediging voortzette, niet dan door een langdurig en moeitevol beleg kon worden gedwongen. Na drie dagen vechten trokken de troepen van den Prins af. Het eenige dat thans noodzakelijk scheen, was: zooveel mogelijk manschappen bijeen te houden als een kern voor de krijgsverrichtingen der aanstaande lente. Hij besloot zich op Fransch grondgebied terug te trekken en de Hugenoten daar hulp te verschaffen. De Duitschers wilden echter niet de Fransche grenzen over. Met een deel van zijn leger nam Oranje toen zijn weg door Namen en Henegouwen; aan kerkroof, plundering en brandstichting bezondigden zich ook op dezen tocht weer de woeste Hugenoten. Doch met snelle marschen ging het voort--want Alva's troepen volgden het leger van den Prins op de hielen. Op den 12en November had er tusschen de voorhoede van Alva en de achterhoede van den Prins een bloedige schermutseling plaats te Quesnoy, waarbij vooral Alva's troepen groot verlies leden. "Het was de schitterendste daad van den veldtocht en bij het verlaten van het land een vermaning, wat deze dapperen zouden vermogen als zij te eeniger tijd onder gelukkiger gesternte, terugkeerden." Volgens Alva werd die overwinning bloedig bij Kamerijk gewroken, kort voor den dag, 17 November, dat het leger van den Prins de Fransche grenzen overtrok.
En toen was hij op bekenden grond. Daar had hij tien jaar geleden de Fransche grens ten behoeve van zijn ouden en nieuwen meester geruimen tijd bewaakt. En thans bevond hij zich in diezelfde streken in gewapenden, maar hopeloozen toestand tegen dien vorst, wiens regeering zoo uitstekend was begonnen en die onlangs den dappersten aanvoerder van dien krijg, wien hij zijn schitterendste overwinning te danken had, met den dood eens misdadigers had betaald.
Treurig, diep treurig zag het er met zijn leger uit. Een brief van Jan van Nassau, die steeds de krijgsmacht zijns broeders had vergezeld en er mede in Frankrijk kwam, is een sprekend getuige van de innerlijke ellende, waaraan het leger ten prooi was. Oranje voerde het leger naar Picardië, ten einde het te vereenigen met de benden, die Condé tegen den koning te velde had gebracht.
De koninklijke Fransche troepen onder maarschalk de Cossé hielden het oog op 's Prinsen leger en volgden dezelfde tactiek daartegenover als Alva gedaan had. De Cossé echter was te zwak om veel nadeel te berokkenen. Hij stelde zich tevreden met formeel tegen de gewapende verschijning van den Prins op Fransch grondgebied te protesteeren. Nog bleef de Prins moed houden bij het denkbeeld, dat hij zich met Condé kon vereenigen; te meer omdat deze aan Oranje's ruiters dubbele betaling beloofde. Er heerschte echter weerzin tegen de voortzetting van den krijg. De Prins trachtte nog door een pakkende rede den Duitschers den gezamenlijke dienst met de Hugenoten aan te prijzen, maar de meesten, den krijg moede, verlangden naar huis. Driftig antwoordde daarop Oranje, dat ze hem dan den weg naar Duitschland maar moesten wijzen, hij wist er geen.
Die weg werd hun echter door de Fransche regeering gebaand. Want in naam van Karel IX gaf maarschalk Gaspar de Schomberg te kennen, dat zij vrijen doortocht door Frankrijk konden verkrijgen, maar dat de koning het zeer vreemd vond, dat de Prins met zulk een groot en machtig leger op zijn grondgebied was gekomen. Oranje antwoordde daarop, dat hij geen kwade bedoelingen had, maar alleen aan Z. Majesteit een goeden dienst wilde bewijzen. Die dienst bestond daarin, dat hij zijn koninklijke onderdanen wilde helpen tegen pauselijke onderdrukking.
Die brief is ook daarom merkwaardig, omdat niet alleen het laatste spoor van gehechtheid aan "notre vraie et ancienne religion" er uit is verwijderd, maar ook omdat de Prins daarin van volledige tolerantie tegenover alle Christenen getuigt. Eerlijke overtuigingen moesten zich overal vrij kunnen uiten en daarom meende hij Karel een goeden dienst te bewijzen, door zijn onderdanen te helpen tegen geestelijke onderdrukking. Doch het hooge standpunt, waarop de Prins zich daarin plaatste, baatte hem niet veel. Hij had gehoopt, zich bij Condé en de zijnen aan te sluiten en het gevolg van de komst van den maarschalk van Schomberg was, dat velen zijner ruiters de zijde der Geuzen verlieten, dat anderen zich lieten overhalen, om in het leger des konings over te gaan, terwijl nog anderen te hardnekkiger op hun betaling aandrongen. Er schoot den Prins niets anders over dan den uitweg door Frankrijk, hem aangeboden, aan te nemen; hij voerde zijn leger door Champagne en Lotharingen naar Straatsburg, waar hij het ontbond. Dit zelfs kon hij niet bereiken, zonder zijne muitende soldaten gedeeltelijk met het geld, van zijn tafelzilver gemaakt, te voldoen, gedeeltelijk zich persoonlijk te hunner beschikking te stellen, als hij zonder voldoende sommen van zijn veldtocht in Frankrijk terugkeerde. Die veldtocht werd in het voorjaar van 1569 ondernomen en herstelde zijn goeden naam als krijgsoverste.
Door den bevrijdingstocht van 1568 had hij dien naam niet omhoog gehouden. "De tocht over de Maas was wel een der eerste, maar geenszins een der luisterrijkste pogingen ter herwinning der verloren rechten en zij levert een duistere bladzijde in onze geschiedenis. De kansen schenen gekeerd, de rollen gewisseld: de beradenheid en gematigdheid bleven aan de zijde van Alva; de misrekening en radeloosheid aan die van den Prins; dapperheid en tucht zegevierden ditmaal met de Spanjaarden over de teugelloosheid en den moedwil der bevrijders. Hoe aanzienlijk ook de macht was, door den Prins te velde gebracht; hoe ze ook de geringschatting zijner vijanden beschaamde.... toch was het later zichtbaar, dat de toegevloeide hulpmiddelen, nauwelijks genoeg een krijg te beginnen, te kort schoten om dien voort te zetten. Hieruit bleek dat Oranje's macht verre beneden de maat zijner groote ontwerpen was."
Het was inderdaad een bedroevende tocht geweest. Mocht, kon hij rekenen op het openen van de poorten der Brabantsche steden? Hij heeft het gedaan en was zeer terneergeslagen over die teleurstelling. Maar ook die tegenslag had een schakel moeten zijn van de keten zijner overleggingen. Hij had de krijgskunst van Alva moeten kennen, die hij thans bij ervaring leerde en die, wel verre van zich met hem te willen meten in het open veld, hem met het oog op den aanstaanden winter en het aanstaand gebrek, niets deed dan afmatten. De vreeselijkste maatregelen nam hij tevens tegen allen onderstand van burgers en boeren, waarop de Prins had gerekend.
De tocht van 1568 was mislukt, maar met instemming herhalen wij, wat Bakhuizen van den Brink aan het slot van zijn studie over dit tijdstip schrijft: "Voor de glorie van Alva week de zaak der vrijheid in een duistere schaduw terug. Die schaduw breidde zich over haar hoofd, over Willem van Oranje uit. Wij stelden hem voor, zooals wij hem vonden: door misrekening bedrogen, door het ongeluk vervolgd, door zijn noodlot medegesleept, ongeduldig, neerslachtig, wrevelig. En toch is op het jaar 1568 het jaar 1572 gevolgd. Wat verbond beide tijdpunten? Het genie van den man zijner eeuw; het genie, dat geen nevel van ongeluk of zwakheid zóó kon omhullen, of het koesterde nog den goeden moed in het hart zijner aanhangers."
Donkere dagen zouden nog volgen, maar het licht in Oranje's gemoed nooit gebluscht, zou het licht ook weder ontsteken in ons arm vaderland.
HOOFDSTUK XIII.
DONKERE DAGEN. 1569-1571.
Onder hen, die den Prins op zijn tocht in het jaar 1568 vergezeld hadden, behoorden vele zeer besliste Calvinisten. Katholieken waren niet uitgesloten, zooals het voorbeeld van Hoogstraten bewijst, maar de bondgenooten van den Prins waren vooral de vurige hervormers. Daar hij den oorlog tegen Alva bovenal tot een heiligen krijg wilde verheffen, waren vooral de hervormde predikers hem welkom; zijn veldprediker, Adriaan Savary, schreef zijn "hartgrondige begeerte van den edelen, lankmoedigen, hooggeboren Prins van Oranje," waarin de geloofsgenooten tot een plechtige voorbede werden opgewekt om den wonderdadigen arm Gods over den krijg in te roepen. Al was Oranje nog niet bepaald overgegaan tot het Calvinisme, toch wenschte hij, dat men in hem reeds den held van het hervormde geloof aanschouwde. Zijn voornaamste volgelingen, als Culemborg, Leefdael, van der Noot en Sonoy hadden reeds openlijk den ouden godsdienst vaarwel gezegd en blaakten van ijver voor het nieuwe geloof.
Tot dezen behoorde in de eerste plaats Filips Marnix van St. Aldegonde, de edele broeder van den te Austruweel gesneuvelden Toulouse. Reeds had deze een eerste rol in het Verbond der Edelen vervuld en behoorde hij in Antwerpen tot die Calvinisten, die van ter zijde uit geloofsijver den beeldenstorm in de hand werkten. Daardoor stond hij zelfs in de moeilijke dagen die Antwerpen in Maart 1567 doorleefde, niet aan de zijde van den Prins, doch had zich onmiddellijk in 1568 onder zijne vanen geschaard, toen hij met een leger voor gewetensvrijheid de Nederlanden betrad. Als dichter en schrijver is hij bovenal bekend en naar alle waarschijnlijkheid was het tijdens de donkere dagen, na den treurigen afloop van den eersten bevrijdingstocht zijn dichttalent, dat het aanzijn gaf aan ons "Wilhelmus van Nassouwe." Op de wijs van een bekend Fransch lied geeft het uitnemend de stemming weer, waarin de Prins en zijn vrienden toen verkeerden. Het luidt in zijn geheel aldus:
Wilhelmus van Nassouwe Ben ik, van Duitschen bloed; Den vaderland getrouwe Blijf ik tot in den dood. Een prince van Orangiën Ben ik vrij onverveerd; Den koning van Hispangiën Heb ik altijd geëerd.
In Godes vrees te leven Heb ik altijd betracht; Daarom ben ik verdreven, Om land, om luid' gebracht: Maar God zal mij regeeren Als een goed instrument, Dat ik zal wederkeeren In mijnen regiment.
Lijdt u mijn onderzaten, Die oprecht zijt van aard: God zal u niet verlaten, Al zijt gij nu bezwaard; Die vroom begeert te leven, Bidt God nacht ende dag, Dat Hij mij kracht wil geven, Dat ik u helpen mag.
Lijf en goed al te zamen Heb ik u niet verschoond; Mijn broeders, hoog van namen, Hebben 't u ook vertoond; Graaf Adolf is gebleven In Friesland in den slag: Zijn ziel in 't eeuwig leven Verwacht den jongsten dag.
Edel- en hooggeboren, Van Keizerlijken stam, Een Vorst des Rijks verkoren, Als een vroom Christen-man Voor Godes Woord geprezen Heb ik vrij onversaagd, Als een held zonder vreezen, Mijn edel bloed gewaagd.
Mijn schild ende betrouwen Zijt Gij, o God, mijn Heer! Op U zoo wil ik bouwen. Verlaat mij nimmermeer! Dat ik toch vroom mag blijven, Uw dienaar t' aller stond, De tirannie verdrijven, Die mij mijn hert doorwondt.
Van al, die mij bezwaren En mijn vervolgers zijn, Mijn God! wil toch bewaren Den trouwen dienaar dijn; Dat zij mij niet verrassen In haren boozen moed, Haar handen niet en wasschen In mijn onschuldig bloed.
Als David moeste vluchten Voor Saul den tiran, Zoo heb ik moeten zuchten Met menig edelman; Maar God heeft hem verheven, Verlost uit aller nood, Een koninkrijk gegeven In Israël, zeer groot.
Na 't zuur zal ik ontvangen Van God, mijn Heer, dat zoet, Daarnaar zoo doet verlangen Mijn vorstelijk gemoed; Dat is, dat ik mag sterven Met eere in het veld, Een eeuwig rijk verwerven, Als een getrouwe held.
Niets doet mij meer erbarmen In mijnen wederspoed, Dan dat men ziet verarmen Des konings Landen goed. Dat u de Spanjaards krenken, O edel Neerland zoet! Als ik daaraan gedenke, Mijn edel hert dat bloedt.
Als een prins, opgezeten Met mijnes heires kracht, Van den tiran vermeten Heb ik den slag verwacht, Die, bij Maastricht begraven, Bevreesde mijn geweld. Mijn ruiters zag men draven Zeer moedig door het veld.
Soo het de wil des Heeren Op dien tijd was geweest, Had ik geern willen keeren Van u dit zwaar tempeest; Maar de Heer van hier boven, Die alle ding regeert, Die men altijd moet loven, En heeft het niet begeerd.
Seer christelijk was gedreven. Mijn prinselijk gemoed; Standvastig is gebleven Mijn hert in tegenspoed; Den Heer heb ik gebeden Van mijnes herten grond, Dat Hij mijn zaak wil reden, Mijn onschuld doen oorkond.
Oorlof! mijne arme schapen, Die zijt in grooten nood; Uw herder zal niet slapen, Al zijt gij nu verstrooid. Tot God wilt u begeven, Zijn heilzaam woord neemt aan, Als vrome Christen leven, 't Zal hier haast zijn gedaan.
Voor God wil ik belijden, En Zijner grooter macht, Dat ik tot geenen tijden Den koning heb veracht, Dan dat ik God den Heere, Der hoogster Majesteit, Heb moeten obediëeren In der gerechtigheid.
Terecht is van dien zang gezegd, dat die uit de ziel des volks is gegrepen en ook oogenblikkelijk daartoe weer zijn terugweg vond; dat die "het Souterlied van Nederland, de nationale psalm der vaderen" is geworden. Van 1568 ruischt en bruist het met vollen toongalm door onze geheele geschiedenis, het is er als de muzikale adem van. In alle wereldoorden, waar de Prinsevlag Neêrlands kleuren toont, klinkt ook het Prinselied onder de meest wisselende toestanden.... Als elegie [6] van het lijdend, als krijgszang van het strijdend, als dithyrambe [7] van het triomfeerend Nederland is het "Wilhelmus van Nassouwe" een historisch volkslied, zooals geen enkele andere natie er een bezit." Nu het in onze dagen in de oude toonzetting wordt ten gehoore gebracht, is het als het ware bij vernieuwing een stuk volksleven geworden.
Brengt men zich daarbij te binnen, hoe dat lied tallooze malen neerslachtigheid heeft opgeheven tot vertrouwen, verslagenheid heeft getroost en bemoedigd, hoe het heeft geprikkeld en aangevuurd tot den felsten kamp; hoe het de machtige wapenkreet is geweest in de 16e eeuw tegen Spanje, in de 17e tegen Lodewijk XIV, in den aanvang onzer eeuw tegen Napoleons onderdrukking, dan kunnen we den dichter, uit wiens aderen het vloeide en den held, wien het een eerzuil stichtte, niet dankbaar genoeg herdenken.
Voor dien held en de zijnen werd het in de donkere dagen, die nog volgden, voor het licht aan de kim verrees, een der krachtigste prikkels om te volharden en trots allen tegenspoed, alle tegenkanting, alle teleurstelling te vertrouwen op de toekomst, te vertrouwen op Hem, die daarin wordt genoemd:
Mijn schild en mijn betrouwen, Zijt gij, o God mijn Heer.
Met hoeveel opgewektheid en hoop was de tocht van 1568 door Oranje aangevangen, al was hij aanstonds door de nederlaag van de Villers te Daelhem, van de Hugenoten in het Zuiden, van Lodewijk bij Jemmingen, in zijn schoon en veelomvattend plan gestuit.
De overwinning bij Heiligerlee, de betrekkelijke grootheid van zijn eigen leger en de vaste hoop, dat de poorten der steden zich van zelf voor hem zouden openen, hadden hem weder moed gegeven. En thans was die veldtocht geheel vruchteloos gebleken en de geheele onderneming van den Prins was mislukt. Wat bleef er over, dan te wanhopen aan de toekomst en de Nederlanden slechts over te geven aan de willekeur en tirannie van een Alva, die daarmede nu scheen te kunnen doen, wat zijn hart begeerde? De ontbinding van zijn huurleger te Straatsburg scheen het eind te zijn van Oranje's Nederlandsche roeping. Wat kon hij thans beter doen dan onder den eeuwenouden lindeboom van Dillenburgs kasteel, die nog steeds zijn kruin verheft, te gaan droomen over het verloren verleden, te gaan peinzen over het "transeat gloria mundi?" Zoo scheen het den oppervlakkigen tijdgenoot. Languet, de beroemde diplomaat en publicist dier dagen, de groote vriend der Hervorming, de redder van vele slachtoffers van den Bartholomeusnacht, verkeerde zoo onder den indruk van 's Prinsen jammerlijken staat op het eind van 1568, dat hij schreef: "De Prins is een dood man. Niet alleen dat zijn soldaten deserteeren, maar ze bedreigen hem zelfs te wurgen en Nassau te verwoesten." En Alva schreef hetzelfde aan Filips: "De Prins kan beschouwd worden als een dood man. Hij is thans zonder eenigen invloed of crediet."
Inderdaad laat het zich volmaakt begrijpen, hoe beide partijen dien indruk van het oogenblik ontvingen. Reeds zijn terugtrekken over de Fransche grenzen, m. a. w. zijn vlucht voor Alva, was een diepe vernedering. Catharina de Medicis, waarschijnlijk onder den invloed der gewone Fransche politiek dier dagen, die steeds wankelde in haar houding tegenover het hervormd geloof en tegenover Spanje, ondersteunde nog eenige weken met geheime hulp het leger van den Prins. Toen die houding niet langer kon worden volgehouden en Alva verontwaardigd daarover sprak, werd het feit met de gewone dubbelzinnigheid der koningin eenvoudig geheel ontkend. Er ging zelfs een gerucht, dat een Hugenoot, die Schomberg vergezelde, een gelegenheid vond, om in het geheim tot den Prins te zeggen: "Luister niet naar Schomberg. De koning is niet gereed om U te bestrijden. Gij kunt uw eigen voorwaarden stellen."
Het schijnt dan ook, dat de Prins nog minder om dadelijk verzet van de Fransche regeering, dan wel om den onwil zijner soldaten het Fransche grondgebied verliet en te Straatsburg zijn leger ontbond. Was het wonder, dat hij toen voor een dood man werd gehouden, dat men meende, dat het voor goed gedaan was met al zijn plannen om Spanje te bestrijden en de Nederlanden te bevrijden?
Er kwam nog meer bij, dat dien indruk versterkte. In het laatst van het jaar 1568 scheen het werkelijk een poos, alsof keizer Maximiliaan ten gunste van de Nederlanden zou tusschenbeide komen. De Duitsche keurvorsten hadden namelijk 28 September van dat jaar den keizer een memorie aangeboden, waarin zij Alva's wreedheden tegenover alle hoog- en laaggeboren Nederlanders beschreven. De keurvorsten beweerden dat de Nederlanden, als afzonderlijke kreits nog immer aan het Duitsche Rijk verbonden, recht hadden op de voorrechten van den godsdienstvrede van Augsburg. Maximiliaan werd daarom verzocht niet toe te staan, dat de koning van Spanje langer door middel van de inquisitie en de edicten van het concilie van Trente, die voorrechten der Nederlanders gewelddadig schond. En inderdaad! die aandrang van de keurvorsten hielp. Maximiliaan zond zijn eigen broeder, den aartshertog Karel, naar Spanje, om aan Filips te zeggen, dat hij aan den aandrang der publieke meening geen weerstand bieden mocht. Op den 21en October reeds was de brief met instructiën van den aartshertog gereed en op den 10en December kwam deze in Madrid aan.
Toen Filips de boodschap van den aartshertog ontving, drukte hij de grootste bevreemding uit, dat iemand het durfde wagen, hem te beoordeelen in zijn zachtmoedig bestuur van zijn eigen rijk. Natuurlijk had hij in de zaak van den godsdienst alles gedaan, om het belang der kerk te bevorderen, gelijk de plicht was van elken geloovigen zoon, maar verandering in de regeering der gewesten had hij niet gemaakt, enz.
Hij zond twee brieven aan zijn neef den keizer, een openbaren en een bijzonderen brief, beide met de bedoeling hem te doen weten, dat de koning met zijn eigen land kon doen, wat hem behaagde en dat zijn neef het best zou doen, zich met zijn eigen zaken te bemoeien. Op den 23en Januari, drie dagen na de ontvangst van die documenten, beantwoordde de aartshertog den openbaren brief op een stoutmoedigen, onafhankelijken toon, en verdedigde hij de zaak der Nederlanden en van den Prins van Oranje, terwijl hij verklaarde, dat de keizer vrije Vlaamsche en Hollandsche burgers niet kon noch wilde behandeld zien als de inwoners van Sicilië en Spanje. Hij bedreigde zelfs den koning, dat een groot aantal Duitsche vorsten en niet alleen Protestantsche, den Prins zouden steunen. Inderdaad, dit klonk zeer goed in de ooren van Europa; ongelukkig echter dat tegelijkertijd een andere onderhandeling tusschen Spanje en Oostenrijk die hooge keizerlijke gevoelens geheel in duigen wierp.