Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 22
Ras wierp men een zwart laken over het lichaam en het bloed, en na weinige oogenblikken zag men den admiraal naderen. Zijn kale schedel was ongedekt. Zijne handen waren los. Hij groette bedaard de kennissen, die hij onderweg opmerkte. Onder een zwarten mantel, dien hij afwierp zoodra hij het schavot beklommen had, droeg hij een eenvoudig zwart wambuis, maar niet, zooals Egmond, de orde van het Gulden Vlies. Met een blik op het lijk onder het zwarte laken vroeg hij, of dat het lichaam van Egmond was. Toen dit bevestigend beantwoord werd, mompelde hij eenige woorden in het Spaansch. Daarop zag hij zijn eigen omgekeerd wapenschild en hij drukte zijne verontwaardiging uit over deze verguizing van zijn wapen, met de betuiging, dat hij dien hoon niet verdiend had. Toen sprak hij eenige woorden tot de menigte, wenschte ieder heil toe en verzocht voor zijn ziel te bidden. Hij kuste het kruisbeeld niet, maar knielde op het schavot neder om zijn gebed te doen en werd daarin door den bisschop van Yperen bijgestaan. Daarna stond hij weder op, trok een milaneesche kap geheel over het gelaat, uitte in het Latijn dezelfde aanroeping als Egmond en legde den hals op het blok."
Het vonnis was voltrokken.
Gansch Europa voelde den schok door die misdaad aan het publiek geweten berokkend. Al had Filips II geen enkele andere onrechtvaardigheid bedreven, die beide doodvonnissen waren voldoende, hem als een wreed tiran te brandmerken.
Omtrent vele historische gebeurtenissen is de opinie in den loop der 19e eeuw gewijzigd, maar nooit is er eenige verandering gekomen in de algemeene veroordeeling van de gruwelijke gerechtelijke moorden van den 5en Juni 1568.
Kort daarop vertrok Alva zelf naar het Noorden, om den dood van Aremberg op de geuzen te wreken en het leger van Lodewijk van Nassau met zijn veteranen te vernietigen. Deze had met al zijn geestdrift en energie niets kunnen uitwerken gedurende de weken die op zijn overwinning volgden. De buit te Heiligerlee veroverd, had voor een korte wijle zijn soldaten bevredigd, maar toen die was uitgeput, bestonden de eenige inkomsten van zijn leger in hetgeen nolens-volens van de arme bewoners van het land kon worden opgeëischt.
Zoo jammerlijk was de toestand, dat de ridderlijke Lodewijk zelf op den 5en Juni eene proclamatie uitvaardigde, waarbij allen, die weigerden hulp te verleenen, bedreigd werden met het verbranden hunner huizen. Door middel van zulke bedreigingen kreeg hij af en toe kleine sommen gelds, zoodat hij eindelijk een 10.000 fl. had verzameld. Het arme volk was er wel ongelukkig aan toe. Alva had reeds te veel bewijzen van zijn krijgsmanskunst gegeven, dan dat men eenige hoop kon voeden, dat Lodewijk zelfs met hun hulp, hem 't hoofd zou kunnen bieden. Ze wisten dat Alva kwam, om Aremberg te wreken en dat ze van hem geenerlei genade te wachten hadden en hun vrees werd spoedig verdubbeld door de proclamaties, die Alva aan de kerkdeuren liet slaan, waarin hij verbood eenigen onderstand aan de rebellen te geven, onder bedreiging van tweemaal zooveel aan de Spanjaarden te zullen moeten afstaan.
Wel zag het er dus slecht met den toestand van Lodewijks leger uit, toen Alva reeds naderde. Dat leger was buitendien zeer moeilijk in bedwang te houden. Alleen door voortdurende persoonlijke opwekkingen van den aanvoerder kon de jonge leider zijn troepen bijeenhouden en tegen muiterij bewaren. De strijdmacht was kort te voren door 800 Walen, 600 ruiters en groote benden uitgewekenen, die de Eems overkwamen versterkt; zoo bedroeg het leger omstreeks 12000 man. Deze legermacht vereenigde hij in zijn kamp voor Groningen, toen de nadering van den Hertog zeker was. Op den 14en Juli bereikte Alva met 17000 man de stad en deed onmiddellijk een aanval op Lodewijks leger. De Duitsche huurlingen hielden slechts een oogenblik stand en togen op de vlucht; ze werden nagejaagd door een gedeelte van Alva's troepen en 300 man sneuvelden of kwamen in de grachten om.
Alva meende, dat reeds het geheele leger was verslagen en schreef dien nacht aan den Raad van State dat hij twijfelde, of hij nog een soldaat zou vinden, als hij hen den volgenden dag verder achterna ging jagen. Den 20en Juli bevond Alva zich aan de Eems, waar hij bij Jemmingen Lodewijk in een zeer ongunstige stelling aantrof. Deze bevond zich namelijk met zijn leger op een schiereiland, door de Eems en de Dollart gevormd; op die ongelukkige plaats begonnen daarbij zijn huurlingen hun loon te eischen. In welsprekende bewoordingen deed Lodewijk hun gevoelen, dat overwinnen hun eenige kans was. Omringd door de Eems, de zee, de Dollart en de Spanjaarden, was het ontkomen aan dien vierdubbelen vijand onmogelijk. Het krijgsvolk liet zich door die onweersprekelijke feiten tot gehoorzaamheid bewegen, maar er was door den woordentwist te veel tijd verloren gegaan. Als de dijken bijtijds waren doorstoken, dan ware redding mogelijk geweest. Nu nam te elfder ure Lodewijk zelf de spade ter hand, om zijn soldaten door zijn voorbeeld te bezielen. Doch het was te laat. De Spaansche voorhoede, 1500 man sterk, te 10 uur op het terrein verschijnende, maakte zich van de dijken meester en het leger van Lodewijk trok in wanorde terug, achtervolgd door de voorhoede des vijands.
Nog eenmaal vatten de benden van den graaf moed. Doch plotseling kwam Alva zelf met de hoofdmacht opzetten en al deed Lodewijk persoonlijk wonderen van dapperheid, er volgde een ijzingwekkende slachting. De aanvoerder kon slechts zijn leven redden, door naakt over de Eems te zwemmen. Meer dan de helft van zijn leger was gedood, slechts enkele honderden volgden Lodewijk naar Duitschland, waar hij nog den zomer in het Noorden bleef, om met hulp eener half toegezegde Engelsche vloot, den vijand uit Emden nadeel te kunnen toebrengen.
Men kan zich den schrik voorstellen, die de Dillenburgsche familie verpletterde op het hooren van die tijding. Oranje, die toen een leger van 20.000 man bij elkander had, was op dit oogenblik in Straatsburg, gereed om in het Zuiden een inval te doen, terwijl Alva in het Noorden werd bezig gehouden. Doch er was gebeurd, wat Oranje had voorzien.
Hij had zijn broeder gewaarschuwd, niet voor Groningen te blijven, maar zijn raad was door den jongen, onbedachtzamen man in den wind geslagen, die met meer geestdrift dan oordeel had gehandeld. Stap voor stap was Lodewijk, zonder de kosten te berekenen, voorwaarts gegaan en bij zijn jammerlijke nederlaag toonde de oudere broeder een geduld en een zelfbeheersching, die den moed en de drijfkracht van den jongeren evenaarde.
Nauwelijks had Lodewijk zich het water van de onvriendelijke Eems van de blonde haren geschud, of hij schreef aan Taffin, een predikant der Hervormde Kerk, die toen juist bezig was, gelden in Engeland voor de bevrijding der Nederlanden te verzamelen. Deze moest vooral hulp vragen aan de Nederlandsche vluchtelingen in Londen, Norwich en Colchester; in de laatste plaats waren ongeveer 2500 gevluchte geloofsgenooten en hij werd verzocht, alles in het werk te stellen, opdat de Engelsche schepen toch spoedig te hulp zouden komen. De volgende brief van Oranje aan Lodewijk geeft een getrouwe schets van den toestand en vergunt ons een blik te werpen in het karakter van den Zwijger.
31 Juli Mijn Broeder,
Ik heb heden uw brief door Godfried ontvangen en buitendien in bijzonderheden gehoord, wat gij hem hadt opgedragen mij te zeggen. Wat het eerste punt aangaat, gij kunt wel verzekerd zijn, dat ik nooit meer getroffen ben dan door de tijding van het jammerlijk ongeval, u op den 21en dezer maand overkomen, om verschillende redenen, die gij licht zelf kunt begrijpen. Die nederlaag van U is een groot beletsel voor de lichting, waarmee wij ons bezig hielden en heeft de harten van velen, die anders zeer bereid waren te helpen, verkoeld. Desniettegenstaande, daar het alzoo aan God behaagd heeft, moeten we geduld hebben, den moed niet verliezen en overeenkomstig Gods wil ons gedragen, gelijk ik van mijn kant besloten heb te doen, bij alles wat er moge gebeuren. Daarom ben ik besloten met Gods hulp verder te gaan en hoop op den 8en der maand Augustus op de plaats der wapenschouwing te zijn, d. i. op dezelfde plaats, die ik u door den heer St. Aldegonde heb doen weten. Met dit doel heb ik aan den graaf Joost von Schauenburg geschreven, of hij ook met de 1000 paarden, waarvoor hij zou zorgen, op dezelfde plaats wilde zijn; doch ik weet niet, waar hij tegenwoordig is en ik vrees, dat hij door hetgeen is gebeurd, zich daar niet zoo vroeg zal kunnen bevinden. In geval hij dus bij u is, of indien gij weet, waar hij zich bevindt, waarschuw hem dan bijtijds, opdat hij, als het mogelijk is, met ons denzelfden weg ga, want alle uitstel is schadelijk.
Daar het gerucht gaat, dat de hertog van Alva die wapenschouwing wil beletten, verzoek ik U te zorgen, dat ik verwittigd kan worden, of hij nog in Friesland is, of dat hij van daar is vertrokken en over welke krachten hij nog kan beschikken. En in geval gij hoort, dat hij van plan is, naar die genoemde plaats te gaan, wil daarvan onmiddellijk bericht doen aan Balthazar van Wollfven, die niet ver van de Lippe woont en ook aan Otto von Maulsburch. Waarschuw hen het eerst, want als gij mij er van bericht zondt vóór hen, dan kon de verwittiging wel eens te laat komen.
Wat uw onderneming aangaat, waarin gij om mijn raad vraagt, zou ik niet goed weten, wat daarvan te zeggen, aangezien ik niet weet, over welke middelen en krachten gij kunt beschikken en ook niet welke macht de vijand ter zee kan ontwikkelen. Ook weet ik niet, of gij van geld voorzien zijt, om een dergelijke onderneming uit te voeren; want van onzen kant--wij kunnen niet te veel verwachten, als God geen andere middelen geeft. Daarom kan ik u niets anders zeggen, dan dit, dat indien er eenige redelijke schijn is, dat gij iets goeds zult kunnen uitwerken, gij dit dan doet in naam van God. U echter te raden tot die onderneming, kan ik niet ter wille van uw persoon, want u met onbekende mannen te wagen, zelfs ter zee, acht ik niet aan te raden. Daarom verzoek ik u, mij alles meer in het bijzonder te melden. Houd steeds uwe briefwisseling met mij open, gelijk ik zal doen van mijn kant. Voor alles wensch ik u toe, dat de goede God u in zijn bescherming moge nemen.
Van Dillenburg den laatsten Juli 1568.
Uw zeer liefhebbende broeder steeds tot Uw dienst bereid, WILLEM VAN NASSAU.
Het postscriptum luidt:
Mijn broeder. Ik schreef u boven, acht te geven op den hertog van Alva, of hij ook van plan is, onze wapenschouwing te beletten. Gij zult ook goed doen mede acht te slaan op hertog Eric van Brunswijk en op hetgeen in zijn land voorvalt. Ingeval gij u op de genoemde monsteringplaats zult kunnen bevinden, zal mij dat een groot genoegen zijn om alle zaken samen te overleggen. Kunt gij niet komen, dan zou ik wenschen, van dag tot dag tijding van U te ontvangen en dat ge in gestadige briefwisseling blijft met den graaf van Emden, om te weten, wat daar plaats heeft.
Stelt deze brief ons geheel op de hoogte van den toenmaligen toestand, hij doet ons niet minder een blik werpen in het innerlijke leven van den Prins van Oranje in het jaar 1568. En dan weten we niet, wat meer te bewonderen, zijn ongebroken moed, zijn bedachtzaamheid of zijn uitnemende zachtmoedigheid tegenover Lodewijk. Geen woord van verwijt komt er uit zijn pen tegenover zijn broeder, die ongetwijfeld zeer dapper in het noorden was geweest, maar geheel in strijd met 's Prinsen raad had gehandeld. In plaats daarvan niets dan krachtige opwekking tot vernieuwde handeling, verlangen naar zijn broederlijke tegenwoordigheid en herhaalde aanmaning tot voorzichtigheid tegenover den vijand.
Die stemming is het geweest, waaruit zooveel goeds voor ons land is geboren; een stemming, die daarbij uit innig vertrouwen en geloof ontwaakte, dat hooger macht hem aangordde. Zijn kalme berusting in den wil dier macht, ook al scheen die nog zoo donker en raadselachtig, was niet minder dan zijn vast vertrouwen, voortgekomen uit het geloof, dat als zijn persoonlijk eigendom in hem begon te ontwaken. Welk een kracht lag er besloten in dit korte en fiere zeggen: "Ik ben besloten met Gods hulp voort te gaan."
De beide nederlagen van Daelhem en Jemmingen hadden ten gevolge, dat de lichtingen van den Prins van Oranje in Duitschland niet meer dat succes hadden als in de eerste dagen, toen hij in Dillenburg kwam. De keurvorst van de Paltz toonde nog wel eenige ondersteuning door aan de Nederlandsche ballingen toe te staan, eenige oude kloosters in zijn land te bezetten, doch andere Duitsche vrienden begonnen zich ernstig te verzetten tegen zijn verdere plannen.
Augustus van Saksen beval in naam van den keizer den Prins aan, geen verdere vijandige maatregelen tegen den koning te nemen. De keizer zelf, die Oranje's militaire preperatieven afkeurde en die waarschijnlijk door invloed van Filips was bewerkt, beproefde zelfs formeel de lichtingen van Oranje te verhinderen. Hij schreef op den 12en Mei aan den Keurvorst van Saksen, hem te verzoeken de voorbereidende oorlogsmaatregelen van zijn aangehuwden neef te beletten. Hij kon binnen zijn jurisdictie geene vijandige pogingen tegen den koning openlijk toestaan. Zelfs gebood de keizer Oranje in diezelfde maand uitdrukkelijk, op te houden met zijn lichtingen, uit vrees dat de gevoelens van zijn Spaanschen neef zouden worden gekrenkt.
Oranje antwoordde daarop in een langen brief en herhaalde de argumenten zijner justificatie, terwijl hij verklaarde wel degelijk in zijn recht te zijn. Ook andere, mindere vorsten van het rijk trachtten den Prins te bewegen, van zijn plannen af te zien. Willem van Hessen schreef riemen papier vol, om Oranje te overtuigen van zijn dwazen strijd en ging eindelijk zoover, dat hij elke hulp weigerde en zelfs geen enkel zijner officieren toestond, den Prins te vergezellen, den Prins, die "machteloos was tegenover zulk een machtig potentaat als Filips, dien we steeds een goeden en milden vorst (!) hebben hooren noemen."
Hoe gelukkig, dat Oranje bij zooveel flauwhartigheid en tegenwerking in zijn eerste vaderland, ergens anders niet tevergeefs naar ondersteuning uitzag. Zijn onderhandelingen met de Fransche protestanten leidden tot een verbond met een hunner erkende leiders, n.l. Coligny.
De Fransche burgeroorlogen van die jaren verdienen om een dubbele reden onze volle belangstelling. Ten eerste streden de Hugenoten voor dezelfde zaak als hier te lande de Geuzen. Ook zij wilden godsdienstvrijheid verwerven. En ten andere hebben die godsdienstoorlogen in Frankrijk sedert het begin van onzen opstand een grooten invloed op de toestanden in de Nederlanden uitgeoefend. Dit zagen we reeds vroeger, zelfs tijdens het voorspel van den 80-jarigen oorlog, toen de strijd tegen Granvelle gelijk stond met den strijd der Hugenoten tegen den kardinaal van Lotharingen.
Wij zullen van nu af in het leven van den Prins van Oranje steeds weder ontdekken hoe groot de wisselwerking was. Nog altijd streden de Hugenoten in 1568 en 1569 om het verkrijgen van die godsdienstvrijheid, die hun in 1570 werd toegestaan, toen hun als waarborg daarvoor vier veiligheidsplaatsen werden ingeruimd. Onder de dappere leiding van Condé en den admiraal Coligny werd die bange strijd daar gestreden. Welnu, Oranje had daarvoor een wijd geopend oog en zijn onderhandelingen hadden een verbond ten gevolge.
In naam van Louis de Bourbon, Prins van Condé, Gaspar de Coligny, admiraal van Frankrijk en Willem van Nassau, Prins van Oranje, verscheen er in Augustus 1568 een proclamatie waarin zij verklaarden, "dat ze hunne krachten zouden vereenigen, om de onbillijke inbreuk, die gemaakt werd op de vrijheid van geweten in de Nederlanden en in Frankrijk, te weerstaan." Het bleef van beide zijden een strijd in naam en ten bate van de vorsten, tegen hunne slechte raadgevers en leiders. "Afin que rien ne se fasse au dommage de nos princes." De onderlinge hulp, die werd toegezegd, strekte zich zoover uit, dat wanneer het God behaagde, de eene partij niet zou ophouden hulp te geven aan de andere (ne laisseront de secourir l'autre partie, comme si ils étaient en la même peine).
Niettegenstaande het verzet tegen den Prins van vriend en vijand, voelde hij zich door dat verbond sterk en we kunnen ons begrijpen, met hoeveel blijden moed hij den 31en Augustus 1568 zijn manschappen, thans ten getale van ongeveer 13 à 14000 monsterde. Hij had de stemming in Brabant door tal van welsprekende vlugschriften laten bewerken. "De scherpe verklaringe ende uutschrift" tegen Alva; de "waarschouwingen des Princen van Orangien en zijn getrouwe vermaninge" vlogen in tallooze exemplaren, in het fransch en in de volkstaal door het land. Zijn manifesten "à tous capitains, hommes d'armes et autres bons et vaillants soldats" en zijn "fidelle exhortation aux inhabitans des Pais-Bas" vonden vele lezers. Half September rukte hij op van den Rijn naar de Maas. Op zijn vanen stond geschreven: Pro lege, rege, grege d. i.: Voor de wet, den koning en het volk.
Ook voor den koning. Op den dag der wapenschouwing, 31 Augustus, vaardigde hij eene formeele proclamatie, als hoofd van het leger ten behoeve van den koning, uit. Daarin komen o. a. de volgende woorden voor:
"Wij roepen alle loyale onderdanen van de Nederlanden op, om tot ons te komen en te helpen. Laat ze de onbehoorlijke strengheid der wetten en het gevaar van zich te onderwerpen aan een schandelijke slavernij en van den ondergang van den Evangelischen godsdienst goed ter harte nemen. Alleen dan, wanneer Alva in zijn loop zal zijn gestuit, kunnen de gewesten hopen, het vrije bestuursrecht en den voorspoed te zullen genieten."
De opwekking tot alle inwoners der Nederlanden bevatte tot motto de woorden uit het boek der Spreuken, hoofdstuk 10 vers 28-30: "De hoop des rechtvaardigen is blijdschap, maar de verwachting der goddeloozen zal vergaan. De weg des Heeren is voor den oprechte sterkte, maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring. De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden, maar de goddeloozen zullen de aarde niet bewonen."
Aan vertrouwen op de rechtvaardigheid der zaak, die de Prins voorstond, ontbrak het dus niet. Had hij een daaraan geëvenaard vertrouwen op de duurzaamheid van stoffelijke hulp kunnen koesteren, dit ware nog beter geweest. Maar helaas! gering waren de inkomsten, die den Prins ten deel vielen. Beloften waren gemakkelijker te geven dan baar geld, maar zelfs die beloften waren niet warm. Enkele der armste hervormde gemeenten gaven van hunne geringe middelen nog het meest.
In September was het geheele leger in de provincie Trier bij het klooster Romersdorf gekampeerd. Ook daar voegden zich nog steeds nieuwe officieren bij hem. De keus dier officieren was niet altijd gemakkelijk in zulk een staat van zaken als waarin de Prins verkeerde. Op zulk een oogenblik moeten de leiders vaak nemen, wat ze krijgen kunnen en krijgen ze niet wat ze noodig hebben. Naar 's Prinsen smaak waren lang niet alle officieren, die hun diensten kwamen aanbieden, evenmin als Washington in den onafhankelijkheidsoorlog van Amerika tevreden was met al zijn kapiteins, die hij toch noodig had. Onder deze minder aangename bondgenooten behoorde zeker ook Lumey, graaf van der Marck, met een bende onafhankelijke troepen. Een zijner voorouders droeg den bijnaam van het wilde zwijn der Ardennen en hij was een dito exemplaar. Hij had gezworen, zich nimmer te laten scheren noch het haar te laten snijden, voor Egmonds dood was gewroken.
Met dit leger, uit zoo verscheiden bestanddeelen saamgesteld en van welks welslagen de geheele zaak scheen af te hangen, trok de Prins eerst naar de buurt van Keulen, met het voornemen Luik voor zich te winnen; maar daar was men te bevreesd voor Alva's troepen en had men te weinig vertrouwen in 's Prinsen legermacht; hij gaf dat plan dus op en was spoedig daarop in den omtrek van Maastricht.
Het is niet te verwonderen, dat er allerlei verhalen bestaan omtrent dezen tocht van den Prins. Behalve de gewone brieven schreef Alva's officieele secretaris o. a. een Rélation de l'expédition du Prince d'Orange dans les Pays-Bas.
De overtocht bij Stockhem over de Maas is vooral een hoogst merkwaardige gebeurtenis uit dien tocht geweest. Deze had op den 7en October plaats; ze wekte de verbazing van Alva op, die aan de overzijde van de Maas gelegerd was. Hij sprak de merkwaardige woorden: "Is dan het leger van den Prins een vlucht wilde ganzen?" Volgens sommigen had de Prins dien wonderlijken overtocht over de Maas daardoor kunnen volbrengen, dat hij een zware massa ruiterij als een dam in de rivier plaatste, waardoor de stroom eenigszins werd gebroken en het voetvolk gelegenheid werd geboden, door de rivier te trekken. Anderen spreken van een brug, waarover de artillerie ging, nadat de ruiterij en voetvolk door de rivier waren getrokken. Doch hoe dan ook volbracht, Oranje trok thans Brabant in tot bij Tongeren en hij hoopte òf Alva tot een slag te bewegen òf in de Brabantsche steden achter zijn rug oproer te kunnen verwekken. Maar in die plannen werd hij door de houding van den Hertog geheel teleurgesteld.
Alva's talent als krijgsaanvoerder lag vooral in zijn bekwaamheid, een gelegenheid, hoe die ook was, aan te grijpen. Door zoogenaamde militaire regels werd hij nooit in de war gebracht. Hij was een aanhanger van de militaire politiek van Fabius Cunctator, den geweldigen bestrijder van Hannibal. In Juli was een slag een besliste noodzakelijkheid geweest. De Geuzen hadden een overwinning behaald, die een grooten indruk op het volk maakte. Zoo die beweging niet met krachtige hand werd gestuit, zou het volk niet meer in toom zijn te houden. Thans was echter de toestand geheel anders. In Alva's handen was de overwinning. Het was October en de vraag naar winterkwartieren voor een leger, dat tot geen bepaald grondgebied behoorde en dat niet door de schatkist werd ondersteund, werd van ernstig gewicht. Kon de Hertog zijn vijanden slechts ophouden, totdat het weer hen noodzaakte, een schuilplaats te zoeken dan zouden ze gedwongen worden zich te verstrooien en ook de Prins zou dan weer alleen zijn.
Aan den anderen kant was een veldslag voor de patriotten van groote beteekenis. Eene overwinning zou de schande van Jemmingen uitwisschen en den zuinigen Nederlandschen kooplieden den moed geven om hun guldens aan de kans van een laatste succes te wagen. Daarom trachtte de Prins den Hertog tot een slag te dwingen. Doch tevergeefs! Een geheele maand hield de Hertog de verbitterde rebellen op de pijnbank. De Prins was verplicht in dien tijd 20 maal van kamp te veranderen en elken keer verscheen de Hertog weer aan zijn zijde, zoodat ze dikwijls binnen elkanders schot waren.
Alva zorgde, dat overal de zeilen en de steenen der molens werden weggenomen en er dus geen middel bestond om het koren te malen. Hij verbood niet alleen den boeren eenig proviand in de kampen der rebellen te brengen, maar verwoestte zelfs alle huizen en dorpen, die mogelijkerwijze den patriotten tot schuilplaats konden verstrekken. De soldaten werden ten uiterste verbitterd en ontevreden. Het voetvolk miste schoenen; allen leden honger en kou. Geen lichtstraal van hoop aanschouwden ze; was het wonder, dat zij tot muiterij oversloegen? Eens, terwijl Oranje bezig was een oproer te dempen, werd zijn zwaard van zijn zijde weggeschoten. Zijn drie broeders, Lodewijk, Jan en Hendrik, allen stonden hem van harte ter zijde en waren aan hetzelfde gevaar van vriend en vijand blootgesteld.