Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 21

Chapter 213,886 wordsPublic domain

De derde inval in het Noorden, onder Lodewijk van Nassau, had wel in den aanvang meer succes, maar eindigde toch ook met den totalen ondergang van zijn leger. Daar die tocht met de volgende gebeurtenissen het naast in verband staat, mogen de bijzonderheden daarvan ook in de levensbeschrijving van den Prins niet ontbreken.

Op den 6en April had de Prins de commissiebrieven geteekend, waarbij aan Lodewijk vergunning werd gegeven, om op 's Prinsen naam troepen te verzamelen. Hij koos het slecht verdedigd Noorden, op het oogenblik dat de stadhouder van Groningen, Aremberg, afwezig was, als het meest geschikte punt van den aanval. Met 4000 man, die zich in korten tijd vol geestdrift onder zijn aanvoering stelden, met het devies: "Nunc aut nunquam, recuperare aut mori," [5] trok de dappere veldheer op den 24en April de grenzen bij Wedde over en verraste Arembergs kasteel aldaar. Vandaar trok hij naar Appingedam, waar hij zich met zijn jongeren broeder Adolf vereenigde, die een kleine ruiterij bij zich had. Te Wedde, Appingedam en Slochteren richtte Lodewijk zijn standaards op en tallooze zwervers en avonturiers voegden zich daarbij.

Allereerst had men het op Groningen gemunt. Zijn bedoeling was, die stad in zijn macht te krijgen, dan Friesland in opschudding te brengen en vandaar over zee naar Holland te trekken. Doch niets van dat alles gelukte. Hij eischte van Groningen, zich te scharen onder de vaan van de zaak der vrijheid. Geen ijdel avontuur jaagde hij na, maar de begeerte, om de arme Christenen van het land te redden, had hem daarheen gebracht. Indien de overheid hem niet hielp, dan moest hij ze beschouwen als vijanden van het land en van den koning. Want ook hier maakte hij gebruik van de fictie, dat hij vocht ten behoeve van Filips tegen de tirannie van Alva en de zijnen. De Groningers echter weigerden en ze zonden hem alleen een som gelds, niet zoozeer uit sympathie voor zijn zaak, als wel om een mogelijken aanval op de stad af te koopen.

Aremberg, die in het Zuiden was, werd toen het gerucht van Lodewijks inval in Groningen Alva ter oore kwam, met ongeveer 4000 man, waarvan 2500 Spanjaarden, onmiddellijk Lodewijk te gemoet gezonden, terwijl de graaf van Meghen met 1500 volgde. Zeer gering scheen dus de hoop op succes voor de ongeoefende, saamgeraapte troepen van den dapperen aanvoerder, die bovendien zelf geheel ongeoefend was in den krijg.

Op den 20en Mei kampeerden de Spanjaarden bij een klooster op 2 mijlen afstand van Appingedam. Meghen nam zijn stelling bij Wedde met 8 compagnieën voetvolk en 400 paarden, hopende aldus van twee zijden Lodewijks leger te kunnen aanvallen. Toen deze dit gehoord had, besloot hij aanstonds den vijand te voorkomen. Doch zijn troepen sloegen aan het muiten; ze werden slecht betaald en wilden hem eerst niet helpen. Toch slaagde Lodewijk door smeeken en bidden er in, hen over te halen hem nog eenige dagen te helpen.

Op den 23en Mei nam hij toen zijn stelling in den omtrek van het klooster van Heiligerlee. Op deze plek was de grond hoog, maar omringd door uitgestrekte moerassen. Voor hen, die onbekend waren met het land, was dit bijzonder gevaarlijk, want op de plaats, waar de turf uit het veen was gesneden, dreef een dik bruin schuim aan de oppervlakte, dat er als aarde uitzag en dus zeer geschikt was, om hen, die daarop niet bedacht waren, te verrassen.

Terwijl Lodewijk met zijn broeder Adolf in het klooster aan den maaltijd zat, werd hij door een boer gewaarschuwd, dat Aremberg op den nauwen straatweg, die Heiligerlee alleen met den vasten grond verbond, naderde. Hoewel Aremberg zelf eerst begreep, dat hij daar geen slag kon leveren, werd hij echter, naar men zegt, door zijn soldaten, die den ordeloozen troep van Lodewijk minachtten, daartoe genoodzaakt.

Vol moed vloog zijn voorhoede, de Spaansche afdeeling, op de beide carrés van den vijand in en Lodewijks voorposten weken terug. Doch dat terugwijken was een krijgslist; de Spanjaarden, die hen vervolgden, zaten in een oogenblik in het moeras en werden toen zoo van alle kanten bestookt, dat slechts een klein gedeelte den dood ontkwam. Tegelijkertijd werd de achterhoede van Arembergs leger, uit Duitschers samengesteld, plotseling in den rug door het eene carré van Lodewijk, dat achter den heuvel was omgetrokken, aangegrepen en uiteengedreven. Nog trachtte Aremberg de kans te doen keeren. Met zijn kleine ruiterbende en 400 man viel hij aan op de nog nietiger ruiterij van Lodewijk. Op haar beurt werd deze uiteengejaagd, terwijl hun aanvoerder, Adolf van Nassau door Aremberg zelf met een pistoolschot en sabelhouw op het hoofd werd gedood. De overwinning was dus wel groot geweest, maar het geslacht Nassau had zijn eerste menschenoffer aan het Spaansche monster gebracht. Ook Aremberg sneuvelde.

Omtrent den dood der beide mannen schrijft Prof. Fruin: "Terwijl het voetvolk op den veengrond handgemeen raakte, begonnen op den weg de ruiters van weerszijden te schermutselen. Adolf van Nassau bereed dien dag een vurig, jong paard, dat zeker nog niet aan het slaggewoel gewend, door het knallen van het geschut en geschal der trompetten verschrikt, niet te regeeren was, en, toen de schermutseling begon, met zijn berijder doorging en hem midden onder den vijand voerde. Tevergeefs zocht Adolf het paard met zweep en sporen te bedwingen om naar de zijnen terug te rijden; het bleef steigeren en voorwaarts dringen. Al dichter werd hij door de vijandelijke ruiters omringd en moedig strijdende viel hij weldra onder hun slagen eer de zijnen hem konden ontzetten. Dat hij niet weerloos was afgemaakt, toonden na den slag de vele lijken van vijanden die om hem lagen. Hij was de eerste Nassau, die strijdende voor de vrijheid van Nederland het leven liet, een jong man van groote verwachting, maar te jong gestorven om te toonen wie hij was. Zijn dood wierp over de vreugde van de overwinning, althans voor den veldheer, een somber floers.

Aan den anderen kant was vooral het lot van Aremberg te betreuren. Van de geestdrift en blijde hoop, waarmee hij den slag had aangevangen, was hij in niet veel meer dan een uur tot de diepste wanhoop vervallen. Het leger, dat hem was toevertrouwd, had hij voor zijn oogen, onder zijn bevel, door verachte rebellen zien slaan en vernielen. Terwijl alles rechts en links wegvluchtte, bleef hij nog altijd op het slagveld omdwalen. Eindelijk bezon hij zich en ging de vluchtenden volgen, maar te laat, de onzen waren hem reeds op de hielen. In zijn volle harnas, op zijn afgemat strijdros gezeten, kon hij zoo hard niet voort. Bij het overspringen van een hek miste zijn paard en stortte neer; eer hij het had opgeholpen, had hem reeds een der vervolgers, een balling uit Amsterdam, een kogel tusschen het harnas en het helmet in den nek geschoten. Aan ontkomen viel niet meer te denken, zijn vervolgers omringden hem reeds.

"Ik ben de graaf van Aremberg, neem mij gevangen," riep hij hun toe. Maar zijn naam en rang konden hem niet beveiligen. "Dan zijt gij de man, dien ik zoek," was het antwoord van den wraakzuchtigen Geus en met het roer, dat hij in de hand hield, bracht hij den weerlooze een slag toe, die hem den helm deed afvallen. In een oogenblik was het dus ontwapende hoofd onder tal van slagen verbrijzeld.

In de verwachting op een ruime belooning voor hun heldendaad, brachten de moordenaars de blijde tijding en het paard van den verslagene ten bewijze, aan Lodewijk van Nassau. Maar zij werden teleurgesteld. "Hadt mij den man levend gebracht!" kregen zij ten antwoord, "nu het gebeurd is, kan ik u echter voor uw daad niet straffen." Aan het lijk bewees de overwinnaar de eer, waarop de doode recht had; hij liet het in de gewijde aarde van Heiligerlee begraven. Zoo eindigde de graaf van Aremberg, die eens met Oranje en Egmond en zoo veel anderen tegen Granvelle had saamgespannen, maar, later van partij veranderd, de regeering vervolgens trouw had bijgestaan. Hij was de eerste der Nederlandsche grooten, die aan de zijde der Spanjaarden tegen de bevrijders van zijn vaderland sneuvelde."

De overwinning was schitterend, maar de machtigste bondgenoot van Lodewijk tegen de Spaansche veteranen was de bedriegelijke grond geweest en daarbij waren hare resultaten zeer teleurstellend. Want al had hij ook honderden Spanjaarden gedood, al was dit op zich zelf een groote gebeurtenis--inderdaad had hij geen enkele stad genomen en niet zooveel buit veroverd, om zijn huurlingen tevreden te stellen, terwijl daarbij zijn jongere broeder voor altijd was heengegaan.

"Wat moest Lodewijk nu doen? De Prins raadde hem, zich òf in Delfzijl, of in Appingedam te werpen en daar den uitslag van zijn eigen bewegingen in het Zuiden af te wachten, òf zich dwars door Friesland naar Enkhuizen te begeven en dan Holland in opstand te brengen."

Had Lodewijk dien raad gevolgd, waarschijnlijk zouden de gebeurtenissen een geheel anderen loop hebben genomen; maar hij sloeg dien raad in den wind--legerde zich den 10en Juni voor Groningen, een onbezonnen werk bij de zwakheid van zijn leger en den muitzieken geest zijner soldaten. Een memorandum van hem aan den Prins bevat een tamelijk optimistische beschrijving van den toestand in zijn leger. Een groote maand lang bleef Lodewijk in de nabijheid van Groningen gelegerd en brandschatte den omtrek om zijn huurlingen bevriend te houden. Ook trachtte hij de Friezen te overreden, zich onder zijne vanen te rangschikken, maar deze, bevreesd voor de naderende komst van Alva in het Noorden, waren daartoe niet te bewegen.

Toen de tijding van de nederlaag der Spaansche troepen bij Heiligerlee in Brussel kwam, was Alva woedend, dat zijn beproefde veteranen door ongeoefende mannen, onder leiding van een aankomeling, zonder eenige ervaring, verslagen waren. Hij vervloekte den ongelukkigen Aremberg, die zijn nederlaag met zijn leven had geboet en onmiddellijk nam hij maatregelen.

Hij besloot verder geen ondergeschikten te vertrouwen, maar in persoon te velde te trekken en de onbeschaamde rebellen geheel en al te vernietigen. Maar de zaken moesten in Brussel veilig zijn en er moest geen kans bestaan, dat gevangenen van belang in zijn afwezigheid werden bevrijd. Eerst uitte hij zijn toorn in een wilde proclamatie gedagteekend 28 Mei, waarbij Oranje, Lodewijk, Hoogstraten en anderen op straffe des doods uit het land gebannen werden. Daarop verwoestte hij het paleis van Culemborg in Brussel, waar het merkwaardig feest was gevierd en er werd op die plaats een zuil opgericht, als een herinnering aan de verschrikkelijke samenzwering, die binnen zijn hallen was tot stand gekomen. Hoogstraten zond aan den Prins berichten omtrent een en ander, die een koerier uit Brussel hem zelf had overgebracht.

Tallooze executies hadden er in de eerste dagen van Juni plaats; den 1en werden achttien aanzienlijke gevangenen op de markt te Brussel ter dood gebracht en op den 2en Juni viel het hoofd van graaf de Villers, die na zijn nederlaag bij Daelhem, zelfs niet door zijn bekentenissen en mededeelingen omtrent Oranje's plannen, zijn leven had kunnen redden.

Nu werd ook het lot van Egmond en Hoorne beslist. Zooals wij zagen waren ze reeds spoedig na de komst van Alva gevangen genomen. Dit was op zeer listige wijze geschied. "Op den 9en September (1567)," zoo verhaalt Motley, "gaf de groot-prior Don Ferdinand een prachtig gastmaal, waarop Egmond en Hoorne benevens Noircarmes, de burggraaf van Gent en vele andere edelen, genoodigd waren. Het feest werd verlevendigd door de muziek van Alva's eigen garde, die hij gezonden had om het gezelschap te vermaken. Om drie uur liet hij de heeren verzoeken na afloop van het maal hem aan zijn woning (het huis van Jauche) met hun gezelschap te vereeren, daar hij hen wenschte te raadplegen over het plan der citadel, die hij voornemens was te Antwerpen te stichten.

Op dit oogenblik fluisterde de groot-prior, naast Egmond gezeten, hem in: "verlaat oogenblikkelijk deze plaats, heer graaf; neem het snelste paard uit uw stal en ga op de vlucht, zonder een oogenblik te verzuimen."

Uiterst ontsteld en zich de menigvuldige voorspellingen en waarschuwingen herinnerende, die hij in den wind geslagen had, stond Egmond van tafel op en begaf zich naar het aangrenzend vertrek. Hij werd door Noircarmes en twee andere heeren gevolgd, aan wie zijn ontroering niet ontglipt was en die nieuwsgierig waren, er de oorzaak van te vernemen.

De graaf deelde hun de geheimzinnige woorden, die de groot-prior hem zooeven toegefluisterd had mede en voegde er bij, dat hij besloten was, dien raad zonder tijdverlies op te volgen.

"Ha! graaf!" riep Noircarmes uit, "stel toch niet zoo losweg zulk een blind vertrouwen in dien vreemdeling, die u ten kwade raadt. Wat zal de hertog van Alva, wat zullen de Spanjaards zeggen van zulk een overhaaste vlucht? Zullen zij niet meenen dat uwe Excellentie als een schuldige gevlucht is? Zal men die vlucht niet houden voor eene bekentenis van hoogverraad?"

Indien deze woorden werkelijk door Noircarmes gesproken zijn (en dat zij het werden, daarvoor hebben wij het getuigenis van een Waalsch edelman, die met Egmonds vrienden en met de geheele katholieke partij voortdurend gemeenschap hield), leveren zij een nieuw bewijs van het boosaardig en wreed karakter van den man. Zijne vermaning besliste het lot van den wankelmoedigen Egmond. Van tafel opgestaan met het voornemen om den raad van een edelmoedigen Spanjaard te volgen, die zijn leven op het spel had gezet om zijn vriend te redden, keerde hij nu terug, gehoorzaam den trouweloozen raad opvolgend van een Vlaamsch edelman en de welgemeende waarschuwing van een vreemdeling met onverschilligheid bejegenend, om weder te gaan aanzitten aan het laatste gastmaal, dat hij bijwonen zou.

Toen tegen vier uur het middagmaal afgeloopen was, begaven zich Hoorne en Egmond, vergezeld van de andere heeren naar het huis van Jauche, door Alva bewoond, om deel te nemen aan de voorgestelde beraadslagingen. Zij werden door den hertog met groote beleefdheid ontvangen. Een ingenieur Pietro Urbino spreidde over de tafel een perkamenten rol uit, waarop het plan van de te bouwen citadel was aangegeven. Weldra ontspon zich hierover een warme woordenwisseling, waaraan Egmond, Hoorne, Noircarmes, met de ingenieurs Urbino en Pacheco deelnamen. Na een poos verliet de hertog van Alva het vertrek, onder voorgeven van een plotselinge ongesteldheid, het gezelschap verdiept in het onderwerp achterlatend.

Toen men omstreeks zeven uur 's avonds uit elkander ging, verzocht Don Sancho d'Avila, hopman van 's hertogs lijfwacht, aan Egmond om een oogenblik te blijven, daar hij hem iets had mede te deelen. Na een paar onbeduidende opmerkingen, vroeg de Spaansche hopman, zoo ras als hij met Egmond alleen was, hem zijn degen af. Ontroerd en, niettegenstaande al wat er voorafgegaan was, toch nog verbaasd, wist de graaf nauwelijks wat te antwoorden. Don Sancho verklaarde andermaal, dat hij last gekregen had om den graaf in hechtenis te nemen en eischte opnieuw zijn degen. Tegelijk werden de deuren van het aangrenzend vertrek geopend en zag Egmond zich omringd door een vendel Spaansche musketiers en hellebaardiers. Zoo in den val geraakt, gaf hij zijn degen over, met een bitter verwijt dat die den koning ten minste eenige diensten bewezen had in thans verleden en vergeten dagen.

Hij werd nu naar eene kamer op de bovenverdieping van het huis gebracht, voorloopig tot gevangenis voor hem ingericht. De vensters waren versperd, het daglicht buitengesloten, het gansche vertrek met zwart behangen. Hier bleef hij veertien dagen, van den 9en tot den 23en September, zonder dat het hem vergund werd, met zijn vrienden eenige gemeenschap te houden. Dag en nacht was zijn kamer met kaarsen verlicht; hij werd onder het diepste zwijgen door Spaansche knechten bediend en door Spaansche soldaten bewaakt; de hopman der wacht trok telkens te middernacht het bedgordijn open en wekte hem uit den slaap, opdat de officier, die hem kwam aflossen, zich van 's graven tegenwoordigheid overtuigen zou.

Graaf Hoorne werd bij dezelfde gelegenheid, toen hij het binnenplein overging, door hopman Salinas in hechtenis genomen. In een andere kamer van het huis opgesloten, onderging hij dezelfde behandeling als Egmond. Op den 23en September zouden beide edelen onder sterke bedekking naar de citadel van Gent vervoerd worden.

Hier bleven Egmond en Hoorne maanden in gevangenschap, toen de gebeurtenissen in het Noorden ook het einde dezer droevige tragedie kwamen verhaasten.

Den 3en Juni werden de graven van Egmond en Hoorne in een wagen van Gent naar Brussel gevoerd, onder bedekking van tien vendels voetvolk en een kornet ruiterij en op het Broodhuis, recht tegenover het stadhuis op de groote markt van Brussel, gevangen gezet. Den 4en Juni verklaarde Alva plechtig, dat hij alle stukken en documenten in zake Egmond en Hoorne had onderzocht en sprak hij het doodvonnis uit over de gevangenen als medeplichtigen van Oranje, als beschermers der verbonden edelen en als afvalligen van den waren godsdienst.

Alva zond de stukken, van handteekening en zegel voorzien, aan den Raad van Beroerten, die het vonnis, reeds voor Alva's vertrek uit Spanje door Filips geteekend, moest bekrachtigen. Dat de bloedraad het vonnis goedkeurde is te begrijpen, te meer daar het geheele rechtsgeding aan twee der meest beruchte leden Vargas en del Rio was opgedragen geweest. Of er geen behoorlijk gerechtelijk verhoor had plaats gehad en de rechtbank onbevoegd was, het deed er niet toe, evenmin dat de gevangenen geen verdedigers hadden gehad en zij zich al beriepen als Ridders van het Gulden Vlies op het privilege van die orde om volgens hare statuten verhoord te worden, het deed alles niets ter zake; het vonnis was reeds in Madrid gewezen, vóór nog de aangeklaagden te Brussel in hechtenis genomen werden.

Toen het bevel tot onmiddellijke terechtstelling van Egmond aan zijn vrouw bekend werd, snelde deze naar den man, die het lot van haar gemaal in handen had en smeekte hem ootmoedig om genade. Naar het verhaal luidt, zou Alva met ongelooflijk kalmen spot de gravin gerust gesteld hebben met de verzekering, dat haar echtgenoot den volgenden dag zeker zou uitgaan! 't Is wel terecht, dat men om de eer der menschheid dit verhaal gaarne voor verdicht zou houden.

Den 5en Juni werd het doodvonnis aan de beide graven voltrokken. "Gedurende den nacht," zoo verhaalt Motley, "had men op de groote markt te Brussel alles voor het treurspel van den volgenden ochtend in gereedheid gebracht. Het was het doel der regeering om het volk schrik aan te jagen door een indrukwekkend en ontzettend schouwspel: de onbeperkte en van alle verantwoording ontheven macht, die over het land heerschte, zou zich openbaren in het dooden dier beide mannen, zoo verheven in rang, zoo aanzienlijk vermaagschapt en die zulke uitstekende diensten hadden bewezen.

De indruk zou nog verhoogd worden door het eigenaardige van de plek, waar dit treurspel plaats had. Treffend was en is nog altijd de groote markt van Brussel. De bouworde der huizen, die haar insluiten, heeft de bewonderende blikken, van vele geslachten tot zich getrokken. Het prachtig stadhuis met zijn trotschen toren en rijk versierden gevel, bekleedt een der zijden van het plein en recht daar tegenover verrees grillig van stijl, maar toch bevallig, het Broodhuis, de laatste verblijfplaats op aarde van de twee aanzienlijke slachtoffers, terwijl tusschen deze hoofdgebouwen de fantastische gildehuizen prijkten der boogschutters, schippers en anderen met hunne gebeeldhouwde muren en trapgevels, zinnebeelden en versierselen. Het plein was het tooneel van menige bloedige terechtstelling geweest. Wakkere ridders hadden hier gekampt, aangevuurd door schoone oogen, die van die schilderachtige balkons en uit die sierlijke vensters op hen neerzagen. Martelaars voor godsdienstige en staatkundige vrijheid hadden op diezelfde plaats folteringen verduurd, die zelfs de steenen, waarmee zij geplaveid was, tot opstand hadden moeten aanzetten of tot deernis bewegen. Hier had Egmond zelf in gelukkiger dagen den prijs van behendigheid en stoutheid weggedragen en aller oogen tot zich getrokken en hier zou zijn door schitterende daden opgeluisterd leven nog in den bloeitijd afgesneden worden door de hand der dwingelandij.

In den morgen van den 5en Juni schaarden zich drie duizend Spaansche krijgslieden rondom het schavot, dat te midden van het plein was opgericht. Op dat schavot, met zwart laken bekleed, werden twee fluweelen kussens, twee ijzeren spietsen en een tafeltje met een zilveren kruisbeeld geplaatst. De provoost-maarschalk Spelle aan den voet van 't schavot te paard, met de roode roede in de hand, droomde weinig dat hem een nog vreeselijker lot wachtte, dan hetgeen hij thans hielp volvoeren. De scherprechter was achter de bekleeding van het schavot verborgen.

Om elf uur kwamen Juliaan Romero en kapitein Salinas met een compagnie Spaansche krijgsknechten in Egmonds kamer. De graaf stond gereed. Men wilde hem de handen binden, maar hij kwam driftig tegen dien smaad op, sloeg zijn tabbaard open en toonde hun, hoe hij zelf de kragen van zijn kleederen afgesneden en alles voor zijn dood gereed gemaakt had. Nu ging Egmond door den bisschop vergezeld, met vasten stap den korten weg naar de gerechtsplaats over. Juliaan Romero volgde met de wacht. Onderweg las hij overluid den een-en-zestigsten psalm: "O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed!"

Hij scheen dit gedeelte uitgekozen te hebben als om te bewijzen hoe, in weerwil van de lagen zijner vijanden en den wreeden dood waartoe zij hem gebracht hadden, de trouw aan zijn vorst bij hem even diep ingeworteld en even heilig was, als de eerbied voor God. "Gij zult dagen tot des Konings dagen toedoen; zijne jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht; hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat ze hem behoeden." Ziedaar het opmerkelijk gebed van den man, als een verrader veroordeeld, op zijn weg naar het blok.

Toen hij het schavot beklommen had, stapte hij het twee of driemalen in de rondte. Hij droeg een tabbaard van rood damast, waarover een zwart met goud bestikt manteltje hing. Hij had een zwartzijden hoed met zwarte en witte pluimen op en hield een zakdoek in de hand. Terwijl hij zoo op en neerliep, betuigde hij, hoe bitter het hem speet, dat hem niet vergund was, met den degen in de hand, in den strijd voor land en koning te sterven. Hoopvol tot het laatst toe, vroeg hij driftig aan Romero, of het vonnis inderdaad onherroepelijk was en of er niet nog kwijtschelding kon verleend worden. Juliaan haalde de schouders op en mompelde een ontkennend antwoord: Toorniger dan wanhopend knarste Egmond op de tanden; maar hij herstelde zich spoedig, wierp zijn tabbaard en mantel af en nam de orden van het Gulden Vlies van den hals. Toen knielde hij op een der kussens neder, zeide luid het Onze Vader op en verzocht den bisschop die naast hem nederknielde, dit driewerf te herhalen. Nu gaf de kerkvoogd hem het zilveren kruisbeeld te kussen en sprak daarop den zegen over hem uit. De graaf stond weder op, legde zijn hoed en zakdoek weg, knielde andermaal op het kussen, trok een kapje over zijne oogen, vouwde de handen en riep met luider stem: "Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest." Toen trad plotseling de scherprechter te voorschijn en hieuw het hoofd met een enkelen slag af.

Op den slag volgde een oogenblik van huiveringwekkende stilte: de gansche menigte scheen dien in het hart gevoeld te hebben. Tranen vloeiden uit de oogen, zelfs van de Spaansche soldaten, want zij kenden en achtten Egmond als een dapper veldheer. De Fransche gezant Mondoucet, die het schriktooneel uit een verborgen plaats gadesloeg, fluisterde, dat hij nu het hoofd had zien vallen, waarvoor Frankrijk tweemaal gesidderd had. Men zag zelfs tranen op de ijzeren wang van Alva, terwijl hij uit een venster van een huis, recht tegenover het schavot gelegen het moordtooneel aanzag.