Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 2

Chapter 23,818 wordsPublic domain

Hendrik was voortdurend aan het Fransche hof op verschillende diplomatieke tochten en, ter erkenning van de voortreffelijke diensten, door hem bij een dezer gelegenheden aan Frans I bewezen, schonk deze hem de hand van Claudia, zuster van Philibert, prins van Oranje-Chalons. Dit huwelijk was in zijn gevolgen nog gewichtiger voor de Nassau's dan dat van Engelbert met de erfgename van Polanen en Leck, want bij den dood van Philibert, zonder mannelijke erfgenamen, werd hun zoon Réné tot legataris benoemd.

Hendriks bezittingen werden zeer vermeerderd door giften, aankoopen en verbeurdverklaringen, zoodat Réné een veel grooter erfgoed ontving dan zijn vader had verkregen.

De lucht van hun geboortegrond Nassau scheen de familie beter te bekomen, dan die van de Nederlanden; misschien ook was het rustig gravenleven bevorderlijker voor een hoogen ouderdom, dan het heen en weer trekkend bestaan, waartoe de volgers van het huis van Bourgondië verplicht waren. Geen der uitstekende Nassau's in Nederland bereikte meer dan een middelbaren leeftijd en was de Duitsche bloeiende stam niet in de gelegenheid geweest, om steeds nieuwe enten op den Nederlandschen tak over te planten, dan zou geen Nassau het leiderschap in Holland hebben kunnen op zich nemen, toen de noodzakelijkheid van zulk een leider ontstond. Hendrik stierf in 1538, op 55-jarigen leeftijd, één zoon Réné als opvolger voor zijne staten achterlatende, die in 1530 Prins van Oranje geworden was.

Uit dankbaarheid aan zijn oom Philibert, van wien hij het rijkste deel zijner erfenis ontving, was zijn gewone onderteekening: Réné van Chalons. Zijn volle titel was: "Bij de gratie Gods Réné, Prins van Oranje, geboren van Nassau en Chalons, graaf van Catzenellenbogen, Vianden, Dietz, Tonnerre, Pointhièvre, Charny, Heer van Breda, Diest, Warneton, Arlay, Roseroy en Chastelbelin."

Hij nam de wapens van Oranje en Chalons aan met het devies: "Je maintiendrai Chalons". Willem van Oranje veranderde Chalons in Nassau, maar later werd de spreuk eenvoudig: "Je maintiendrai", terwijl men het voorwerp van dit werkwoord naar verkiezing invulde.

De titel van Oranje, door Réné in de Nassau-familie gebracht, werd zoo geheel en al met hen vereenzelvigd en speelde zulk een belangrijke rol in hun achtereenvolgende geschiedenis, dat een korte schets van dit kleine vorstendom hier niet misplaatst kan zijn.

Oranje, een naam die zoo wereldberoemd is geworden, was een kleine landstreek niet grooter dan 38.248,4 acres, in het Zuiden van Frankrijk, ten Oosten van de Rhône gelegen.

Het graafschap Avignon ligt rondom het gewest, uitgezonderd waar de Rhône de westelijke grens vormt. Dit kleine vorstendom behield althans een nominale onafhankelijkheid van den Franschen souverein tot 1713, toen het ten slotte werd afgestaan aan Lodewijk XIV.

In de 6e eeuw dreven de ruwe stammen van het Noorden de Romeinen uit Oranje, zoowel als uit andere steden in de provinciën, maar ze werden op hunne beurt door de Saracenen, die uit het Zuiden kwamen, verjaagd.

Jonckbloet heeft een modern Fransche vertaling geleverd van een oud romantisch gedicht, getiteld: Guillaume d'Orange of Guillaume au Court Nez; de held van dit verhaal, ridder aan het hof van Karel den Groote, deed wonderen van dapperheid. Hij was het, die Oranje, dat de rijkste en prachtigste stad van de Saraceensche steden geworden was, bevrijdde, Orable, de Saraceensche prinses, die hem tegen haar eigen geslacht bij de belegering hielp, huwde en het vorstendom uit de handen van Karel den Groote ontving.

In de twaalfde eeuw bracht prinses Tiburge, bij gebreke aan mannelijke erfgenamen, Oranje als huwelijksgoed aan haar echtgenoot, Bertrand des Baux. Ook deze familie stierf uit in de mannelijke lijn en het vorstendom ging door Marie des Baux aan haar echtgenoot Jean van Chalons, stichter van het huis Oranje-Chalons over.

De achtereenvolgende heeren van Oranje verkozen als regel liever het fortuin van den keizer te volgen, dan dat der Fransche koningen, in wier rijk de armzalige bunders verzwolgen werden. Misschien was dit eenvoudig de begeerte om met hun onafhankelijkheid van iemand, aan wien zij geografisch hulde verplicht schenen, te bluffen. Doch hoe dit ook zij, het gevolg van hun keuze was voor het vorstendom niet gelukkig, daar de regeerende koning van Frankrijk, in het geval hij zich openlijk aan de zijde van den keizer plaatste, onmiddellijk er toe overging, het kleine arme land, dat bij afwezigheid van zijn heer weerloos was, te confisqueeren.

Ook Réné bracht zijn leven door in het gevolg van den keizer en door de voortdurende vijandschap tusschen dezen vorst en Frans I, werden Réné's vorstendom en andere staten op Fransch grondgebied telkens verbeurd verklaard. Er bleef dus weinig gelegenheid voor Réné over om Oranje of Chalons te handhaven.

Was Frans op den jongen vorst zeer verbitterd wegens zijn actief en dikwijls succesvol deelnemen aan de veldtochten, Réné stond in hoog aanzien bij Keizer Karel, die hem in weerwil van zijn jeugd in 1540 tot stadhouder over Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht aanstelde en hem tevens met de orde van het Gulden Vlies bekleedde. In 1542 trok hij weer te velde en werd persoonlijk zeer geroemd, al was Karel ook niet gelukkig in den veldtocht.

Toen Karel in 1544 zijn plan wilde volvoeren om naar Parijs te trekken en het hiervoor noodzakelijk was Saint-Dizier, een vesting aan de Marne, te bezetten, ontving Réné het opperbevel over de belegerende troepen.

Den 17en Juli werd een aanval op de wallen gedaan en daarbij ontving Réné een ernstige wond, waaraan hij reeds den volgenden dag op 26-jarigen leeftijd overleed. Hij werd door het geheele leger betreurd en Karel was tegenwoordig, toen hij den laatsten ademtocht uitblies.

Had Réné een voorgevoel van zijn naderend einde gehad? Men zou het haast zeggen, want op den 20en Juni had hij vergunning van den keizer gevraagd en gekregen, om zijn uitersten wil te maken, waarbij hij al wat hij geërfd had van zijn oom Philibert aan zijn kleinen neef Willem, oudsten zoon van graaf Willem van Nassau, naliet.

Alzoo stierf de lijn Nassau-Breda wederom uit en krachtens de overeenkomst, die tusschen Willem en Hendrik herhaald was, keerde de Nederlandsche bezitting van de familie Nassau naar den Duitschen tak terug. Réné's testament betrof alles wat hij bezat, maar was alleen noodzakelijk voor de bezittingen, die hij van moederszijde had gekregen. Hij liet dit alles na aan Willem en diens rechtstreeksche of zijdelingsche erfgenamen of, indien deze ontbraken, aan de erfgenamen van diens vrouwelijke erfgenamen. Op deze clausule beriep zich Pruisen in 1702 voor zijn aanspraak op Oranje, toen Willems mannelijke lijn met den dood van Willem III van Engeland uitstierf.

Het in den loop der eeuwen herhaaldelijk geconfisqueerde Oranje, kwam dan ook dit jaar aan Frederik I, Koning van Pruisen, als erfgenaam van Louise Henriëtte, kleindochter van Willem den Zwijger. In 1713 werd een nieuwe schikking gemaakt tusschen Frederik en Lodewijk. In ruil met andere goederen werd toen het vorstendom aan den koning van Frankrijk afgestaan en is sedert dien tijd een deel van het Fransche rijk gebleven. Voor dit pesthol van Hugenoterij, zooals Lodewijk XIV het noemde, werd alles gedaan om het minder aantrekkelijk te maken voor de Protestanten. Drie duizend hunner verlieten de stad, gingen naar Genève en vormden later een kleine kolonie in Pruisen. Van de 10.000 inwoners waren er op Kerstmis 1890 nog slechts 78 mannen, vrouwen en kinderen, die in een kleine zijstraat voor hun Protestantsche godsvereering te zamen kwamen.

Terwijl Hendrik zich vooral bewoog aan het Bourgondische hof, speelde Willem daarentegen dezelfde stille rol in Dillenburg als zijn vader. In 1516 verkreeg hij bij het overlijden van Jan V, de Nassau-Dillenburgsche erfenis, terwijl aan zijn ouderen broer Hendrik alleen zijn aandeel in het voorvaderlijk kasteel van Nassau toekwam.

Reeds in Augustus 1516 ontving Willem de eeden van getrouwheid, eerst van zijn vazallen in Siegen en daarna van die in andere deelen van zijn klein vorstendom.

Hoewel hij het recht had op al de titels van de Nederlandsche staten van zijn broer, noemde hij zich eerst eenvoudig Graaf van Nassau, Vianden en Dietz, waarbij hij pas later dien van Catzenellenbogen voegde.

Hij werd de Rijke genaamd, maar deze rijkdom bestond meer in den vorm van land met aanspraken daaraan verbonden, dan in geld en deze naam zou meer toepasselijk zijn, als we denken aan zijn vijf zonen en zeven dochters uit zijn huwelijk met Juliana van Stolberg.

Inderdaad vond de graaf het in 't minst geen gemakkelijke zaak aan de gedurige eischen van den keizer te voldoen, die steeds naar den eenen hoek van zijn wereldrijk om geld keek om het in een anderen hoek weer uit te geven.

Van de voortdurende vijandschap en oneenigheden tusschen de huizen Nassau en Hessen kreeg Willem ook ruim zijn deel, want de twist, die reeds 15 jaar lang gevoerd werd over de aanspraken op de Catzenellenbogen-staten, door Jan V begonnen ten behoeve van zijn vrouw, werd door Willem na den dood van zijn vader overgenomen.

Geen rijksdag werd er gehouden, zonder dat die zaak te berde kwam; geen voet zette de keizer op Duitsch grondgebied, zonder door de Nassau's of Hessens geprest te worden om een beslissing te nemen. In 1520 nam Karel volgens zijn keizerlijk recht zelf de zaak in handen, maar vertrouwde haar spoedig toe aan een commissie, daar hij zelf te kort op één plaats vertoefde om het getuigengehoor te eindigen en vonnis te vellen. Ook deze commissie had niet veel succes, want was ze gereed met een beslissing, dan kon de keizer door zijn afwezigheid niet tot uitvoering overgaan; de tijd verliep en men kon van voren af weer beginnen.

In 1557 eindigde de strijd. Het besluit was, dat Hessen het grootste deel van de landen verkreeg met de voorwaarde daarbij, dat Nassau schadeloos gesteld zou worden. De Nassau's mochten de wapens en den titel van Catzenellenbogen dragen, de Hessens die van Dietz. Indien beiden, Willem van Oranje en zijn vader, zonder erfgenamen stierven, dan moesten de Hessens het voorrecht hebben om de afgestane landen terug te kunnen koopen, als ze dat verlangden. Zoo eindigde de zaak tot niemands bevrediging, behalve tot die der scheidsrechters.

Hoe stond Graaf Willem tegenover de Hervorming?

In 1521 was hij op den beroemden rijksdag van Worms en de Wittenberger monnik liet niet na, grooten indruk op hem te maken; toch vereenigde hij zich niet met de eerste protestantsche bewegingen.

Misschien was het voorzichtigheid, die hem tot die neutrale houding dreef en werd hij door de gedachte aan zijns broeders positie aan het keizerlijk hof daartoe aangespoord; ook kan het zijn, dat hij met het oog op zijn proces met Hessen ongeneigd was, openlijk een stelling in te nemen, die den jongen keizer zou kunnen mishagen.

Eenige jaren later ontving hij op Dillenburg bezoek van den jongen hertog Hans Frederik van Saksen, met het doel hem te bewegen, zich bij de Evangelische partij aan te sluiten en na het vertrek van zijn gast zond deze hem tal van geschriften van Luther toe en schreef bij het eerste pakket:

"Zooals ik u beloofde, zend ik U hierbij eenige van Luthers geschriften, zooveel als ik op dit oogenblik kon verzamelen. Ik hoop met Gods hulp daardoor een goed Christen van U te maken."

Frederiks hoop om een proseliet te winnen, werd niet zoo spoedig vervuld, want al stond Willem in 1528 den monniken van het klooster te Thron toe, zelf een reformatie te bewerken en hun invloed aan te wenden om die op de gemeente van Old Weilnau en Wehrheim over te brengen, toch bleef het voorloopig hierbij en pas langzamerhand kwamen meer veranderingen.

In de hoop op een vonnis in zijn proces, ging hij ook naar den Rijksdag van Augsburg, die in persoon door Karel werd gepresideerd; zag Willem zijn wensch niet vervuld, wel werd de graaf versterkt in zijn neiging tot de nieuwe leer, want na dien Rijksdag, waar de Luthersche geloofsbelijdenis werd geformuleerd, werden volgens de Dillenburgsche Kroniek "godsdienstige en kerkelijke verordeningen veranderd en de mis afgeschaft."

Toch ging de hervorming in zijn staten slechts voet voor voet vooruit en waren er bewijzen, die deden vermoeden, dat de graaf werd beschouwd als iemand, die nog tusschen de partijen aarzelde.

In 1533, eigenaardig het geboortejaar van onzen Willem van Oranje, nam de graaf twee maatregelen, die toonden, dat hij zich met de hervorming had verbonden. Hij weigerde de orde van 't Gulden Vlies, omdat daartoe een eed van trouw aan Rome noodzakelijk was en in de kerken Siegen en Dillenburg voerde hij de "Neurenbergsche Reformatie" in, eene confessie, die de markgraaf van Brandenburg in Frankrijk had opgesteld. Ook liet hij in 1536 door den weinigen voortgang van den nieuwen godsdienst, tengevolge van onwetende en luie predikers, de "Nassausche Kerkregelingen" samenstellen, waarbij hij zelf een inleiding schreef, ten einde "hun gemis aan oordeel door een kleine verklaring en instructie te hulp te komen."

Graaf Willem gaf dus zelf de leiding aan, maar van dwang, in welke richting ook, was in zijn rijk nooit sprake! Hij streefde er alleen naar, beter onderwijs in te voeren. Het Duitsch was de taal, die bij den doop gebruikt werd; voor de viering van het avondmaal moest de predikant eene duidelijke uiteenzetting van zijne meening geven en met eene algemeene belijdenis van de gemeente moest hij zich tevreden stellen.

Na het avondmaal in beide gestalten mocht de mis in gewone kleeding en met onschadelijke plechtigheden gecelebreerd worden. De opheffing van de hostie was verboden. Bijzondere missen, ook die op gewone weekdagen, waren eveneens verboden. In kerken, waar dagelijksche missen gewoon waren geweest, moest een eenvoudige dienst worden gehouden, waar een brief of evangelie werd gelezen en verklaard met gebed. In andere kerken zou er een preek worden gehouden op Woensdagen. De kinderen moesten ten minste tweemaal 's jaars worden geëxamineerd. Het getal feestdagen, in een jaar toegestaan, werd tot zes-en-twintig teruggebracht. De overige artikelen handelden over de levenswijze der predikanten, over kerkbestuur, gebruik van den Duitschen bijbel enz. Daar was ook een bijzonder verbod omtrent bijgeloovige vereering van zaken. Het is duidelijk, dat deze regelingen met gezag werden afgekondigd en dat Willem algeheele bisschoppelijke jurisdictie in zijn landen had aangenomen. De eerste superintendent van de Nassau-kerken was een zekere Erasmus Sarcerius, die een weldadigen invloed uitoefende, welke lang in de nabuurschap van Dillenburg nawerkte. Zijn arbeid werd echter door het Interim van 1548 vernietigd, dat de kerkelijke zaken weer in een staat van onzekerheid bracht.

Na den Rijksdag van Augsburg n.l. was door de ligue der Schmalkalden een defensieve alliantie gesloten tusschen de Protestantsche edelen en sommige van de vrije steden, tengevolge waarvan Karel V den eersten godsdienstvrede, dien van Neurenberg sloot. Door tegenwerking van Filips van Hessen om zich bij die ligue aan te sluiten, wat Willems plan was, kon Willem zijn staten nog juist sparen voor het gevaar van gewikkeld te worden in den oorlog van Schmalkalden, die zoo noodlottig werd voor zijn naburen Saksen en Hessen. Het zag er, na den slag te Mühlberg in 1547, donker uit voor het protestantisme; Willem zond zijn hervormde predikers weg en stond den terugkeer der priesters toe.

In dezen tijd werd door Granvelle, toen bisschop van Arras, veel moeite gedaan om den graaf weer in de kerk terug te brengen. Zoo wordt verhaald, dat na een redetwist over zijn godsdienstverandering, graaf Willem aan Granvelle op vasten toon ten antwoord gaf: "Of het waar is of niet weet ik niet, maar daar zijn zekere dingen, die tot den godsdienst betrekking hebben, die mij zeer verontrusten."

Bij den godsdienstvrede van 1555 werd door den keizer toegestaan, dat de godsdienstige zaken van elk land geregeld moesten worden overeenkomstig den wil van den bestuurder en dit was het eerste stuk van keizerlijke beteekenis, waaraan ook de onderteekening van Nassau-Dillenburg is gehecht.

Natuurlijk was nu het gevolg van dezen vrede voor Nassau, dat de Evangelische predikers weder hersteld werden, terwijl ook de Synoden en kerkvisitatiën in 't leven werden teruggeroepen. Zonder tegenwerking ging dit echter niet.

De bisschop van Trier liet niets na, om zijn gezag in Dietz te herstellen en werd zonderling genoeg gesteund door Filips van Hessen, den meest protesteerenden Protestant van allen, maar zulk een geducht hater van Nassau, dat hij liever te weinig protesteerde, wanneer hij daardoor zijn erfelijken vijand slechts kwellen kon, met wien hij openlijk in vrede leefde.--Dat Filips Zwingliaansch en Willem geheel Luthersch in zijn denkbeelden was, maakte den strijd nog heviger, want het verschil tusschen deze beide takken van de hervorming begon al even bitter te worden als tusschen de Protestanten en Katholieken.

Er was in de wijze waarop de hervorming in zijn landen werd ingevoerd nooit eenig fanatisme. Zelfs in de aanvaarding van het Protestantsche geloof was hij gematigd en hij beoefende verdraagzaamheid bij elke hervorming, die hij invoerde; priesters, die weigerden de nieuwe kerkverordeningen te aanvaarden, werden met consideratie behandeld en in vele gevallen gepensionneerd. Zeker hoorde hij niet tot de edelen, die de hervorming gebruikten als middel om hun inkomsten te vermeerderen; geen kerkelijke noch monnikgoederen werden voor wereldlijke bedoelingen gebruikt en er werd zorg gedragen, dat alle kerkelijke inkomsten alleen zouden worden aangewend voor gemeenschappelijke belangen.

Als krijgsman kan graaf Willem niet gerekend worden tot de groote en uitstekende mannen van zijn dagen. Wel vergezelde hij zijn broeder Hendrik bij de eerste veldtochten van Karel V tegen Frankrijk in 1511-1522 en was daardoor tegenwoordig bij het beleg van Mézières, maar de latere aanbiedingen van Karel V, die hem het commando over de geheele infanterie wilde geven en van Jan Frederik van Saksen, die 6000 gulden bood, als hij in zijn dienst wilde treden, sloeg hij af.

Militaire betrekkingen weigerde hij, maar dikwijls werd hij gekozen als de vertrouwde, de raadgever en bemiddelaar van vele voorname vorsten van het rijk, want men hield hem voor een man van gezond oordeel en van zulk een onbevooroordeelden geest, als bij mogelijkheid te vinden was in dat tijdvak van partijzucht en persoonlijken invloed. Eigenaardig, dat bij zijn welbekend talent om moeilijkheden van anderen te vereffenen en bij zijn grooten invloed aan het hof, zijn eigen belangrijke zaak zoo lang aanhangig bleef.

Kan hij al niet onder de groote mannen van zijn geslacht gerekend worden, zeker is het, dat hij een van de voornaamste bestuurders uit het huis Nassau was.

Door het labyrinth van godsdienstige sympathieën en politieke belangen, bedreigd nu door de eene, dan door de andere partij, met verlies of verwoesting van zijn landen, heeft graaf Willem zich met voorzichtigheid en standvastigheid bewogen. Hij heeft zijn land tegen den oorlog met al zijn verwoestende gevolgen weten te vrijwaren en liet aan zijn zonen zijn vaderlijk erfdeel, aanzienlijk vermeerderd, achter. Zijn verhouding tot zijn onderdanen was uitstekend en hunne belangen waren goed bij hem verzorgd.

In October 1559 stierf graaf Willem op den leeftijd van 72 jaar en werd begraven in de keurige kleine kerk te Dillenburg, door zijn vader gebouwd en door hem zelf veranderd.

Geen Duitsch staatsman ging met hem heen, maar een uitmuntend bestuurder van het graafschap Nassau. Hij is alleen bekend geweest als Willem de Oude of de Rijke, terwijl het voor zijn zoon was weggelegd, Willem van Nassau te worden.

HOOFDSTUK II.

DE JEUGD VAN WILLEM VAN ORANJE EN ZIJN EERSTE VELDTOCHTEN 1531-1555.

Graaf Willem, over wien we in het vorige hoofdstuk een en ander hebben meegedeeld, was in 1505, op achttien jarigen leeftijd gehuwd met Walpurga, dochter van graaf Jan van Egmond. Uit dezen echt waren twee dochters, waarvan alleen Magdalena, in 1538 getrouwd met graaf Herman van Nuenar, de moeder overleefde.

Walpurga stierf in 1529 en aanstonds schijnt de quaestie van haar opvolgster in de familie druk besproken te zijn, want kort na haar dood ontving Willem van zijn broeder Hendrik van Nassau een brief, waarin hij verschillende prinsessen van Lotharingen, Wurtemberg en Saksen aanbeval als begeerenswaardige partijen voor zijn broeder. We kunnen ons dien broederlijken aandrang tot een tweede huwelijk begrijpen, wanneer we bedenken, dat in die dagen een chatelaine of dame van het kasteel dringend noodzakelijk was. Niet alleen werd er in het kasteel gesponnen en geweven en moesten er kleeren gemaakt worden, geen kleinigheid als de bewoners talrijk waren, maar ook diende de zuinigheid in acht genomen te worden.

Elk Duitsch edelman was verplicht een vast bedrag te betalen; de keizerlijke rijksdagen, die nu in de eene dan in de andere stad werden gehouden en het onophoudelijk oorlogvoeren gaven bovendien aanleiding tot veel reizen. Bij trouwen begrafenisplechtigheden kwamen bloedverwanten tot een zeer ver verwijderden graad te zamen en werden overdadig onthaald en niet alleen bij dergelijke gebeurtenissen was het aantal gasten op het kasteel zoo groot.

Dillenburg was, door haar ligging op een der wegen van Brunswijk, Brandenburg en andere noordoostelijke gewesten naar Frankfort, in den regel de plaats, waar vele zaken werden afgehandeld. De Dillenburgsche Kroniek vermeldt o.a. een bezoek van Hendrik, den hertog van Brunswijk, op het kasteel met een gevolg van 134 ruiters en van den markgraaf van Thüringen met 150 volgelingen. Wat er dan te doen viel, behoeft geen nadere vermelding.

Willem gaf echter niet zoo spoedig gehoor aan den raad van Hendrik en het blijkt ook hieruit, dat haast geen karaktertrek van hem is geweest, daar hij twee jaar wachtte, voor hij een nieuwe gravin ten huwelijk vroeg.

Het was Juliana van Stolberg, weduwe van Filips van Hanau, waarmee Graaf Willem in 1531 trouwde. Zij was geen onbekende voor hem; in hetzelfde jaar dat Willem weduwnaar werd (1529), was ook Filips van Hanau overleden, Juliana met 5 kinderen achterlatende. Willem, die ook voogd van den minderjarigen Filips was geweest en toen tijdelijk het bestuur over Hanau had gevoerd, werd thans bij zijn dood tot uitvoerder benoemd van zijn uitersten wil en tevens tot voogd over de kinderen. Met groote zorg had hij die taak ondernomen en daardoor was hij tevens in de gelegenheid geweest, de jonge weduwe, met wie hij nu huwde, beter te leeren kennen. Al zijn pleegkinderen nam hij ter opvoeding in zijn eigen huishouden op. Woonde Willem wel eens te Siegen, de vaste woonplaats was Dillenburg, waar ook de kinderen van Juliana geboren werden.

Den 24en April 1533 werd de oudste zoon van Graaf Willem en Juliana geboren. Hij ontving denzelfden naam als zijn vader en bij de geboorte bestond niet het minste vooruitzicht voor den jongen Willem om een grooter erfgoed te krijgen dan zijn vader hem kon geven, want zoowel Hendrik als Réné van Nassau waren in hun volle levenskracht, ja de laatste had nog niet eens het prinsdom Oranje geërfd, een naam, die bestemd was wereldberoemd te worden.

Over de eerste jaren van Willem is zeer weinig bekend, maar zeker is het, dat zijn jeugd niet eenzaam is geweest. Volgens de gewoonte van dien tijd trachtte men de jonge edellieden van een vorstelijk huisgezin geplaatst te krijgen, in een, als het kon, van hooger rang, ten einde de opvoeding te voltooien. Het hof van Graaf Willem had een uitstekenden naam en ouders achtten zich gelukkig, als zij er in slaagden, hun zoons daar geplaatst te krijgen. Het gevolg hiervan was, dat het kasteel steeds vol leven was, niet alleen door de vele jonge edellieden, die er in huis waren, maar ook door het groot aantal kinderen op het Dillenburger kasteel geboren.