Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 19
Hoewel deze berichten geen geschiedkundigen grondslag hebben, stemmen alle schrijvers toe, dat Oranje en Egmond elkander omhelsden en droevig scheidden.
Zeker heeft nooit een verrader en--van het Spaansche gezichtspunt uit was Oranje dit ongetwijfeld--met dergelijke overwegingen als Willem van Nassau het land verlaten, dat hij besloten had uit de macht van een tiran te bevrijden. De edelen vertrokken dienzelfden dag na het middagmaal en Oranje keerde naar Antwerpen terug om de laatste, voorbereidende maatregelen te nemen, voor hij de gewesten verliet. In de Brabants hoofdstad echter durfde hij den voet niet zetten.
Op den 10en April schreef hij aan Filips een brief, waarin de Prins zijn optreden in Antwerpen en Holland rechtvaardigt; hij deelt den koning mede, hoe hij in de eerstgenoemde stad bij zijn terugkeer het oproer heeft bedwongen.
Wat den eed aangaat, waarover de hertogin van Parma hem heeft geschreven, deelt de Prins den koning zelf mede, dat hij dien geweigerd heeft af te leggen, reden waarom hij zijn ambten en bedieningen nederlegt. Hij eindigt met de verzekering zijner trouw, loyauteit en gehoorzaamheid aan den koning.
Mocht iemand de herhaalde getuigenis van zijn trouw en loyauteit aan den koning overdreven vinden, hij bedenke, dat de briefstijl dergelijke uitingen eischte, waardoor alleen een plichtmatige vorm werd nagekomen. Nemen we dat in aanmerking, dan is er geen eerlijker overgang van loyauteit tot rebellie denkbaar dan die, waarvan deze brief getuigenis geeft. Zelfs de 50.000 florijnen, die de Staten van Holland hem wilden vereeren als een geschenk voor het dempen van het oproer, weigerde hij, hoe goed hem dat geld ook bij al zijn schulden zou te pas gekomen zijn. Aan Filips schrijft Oranje, dat hij den nieuwen eed uit beginsel niet kan afleggen en daarom van de Staten van Holland het geschenk niet wil aanvaarden voor zijn persoonlijk gebruik, daar hij eerstdaags geen stadhouder meer zal wezen.
Het vertrek van den Prins wordt op verschillende wijzen uitgelegd. Zelfs beweert men, dat hij na den slag bij Austruweel en onder den indruk van de jongste berichten van Lodewijk van Nassau, nu er op geenerlei hulp uit Duitschland te rekenen viel, erover gedacht heeft zich met den koning van Spanje te verzoenen en dat nog wel door middel van Granvelle. 't Is waarlijk nog al eigenaardig, dat men dit van hem beweert en men moet den Zwijger al erg naïef vinden, wanneer men meent, dat deze verzoening, stel het geval, kon bereikt worden door tusschenkomst van den man, die zijn gansche vernedering aan den Prins had te wijten. Die geheele verzoening echter was een fictie, want wat zou anders de herhaalde weigering van den eed af te leggen, beteekend hebben.
Ook zegt men, dat de Prins vluchtte uit vrees. Dat hij van nature bang was wordt echter evenmin door iets bevestigd. Van angstvalligheid was toch zeker geen sprake in Antwerpen van 14-16 Maart! Zijn vlucht was integendeel het gevolg van een lang beraamd plan, dat hij slechts noode vervulde en waartoe hij eerst, door de omstandigheden gedrongen, overging.
Bevreemdend blijft alleen het slot van zijn brief aan den koning, want Oranje wist zeer goed, dat hij in Duitschland gevlucht, niet de trouwe gehoorzame vazal des konings zou kunnen blijven. En toch beweert hij, dat hij met Gods hulp in trouw en gehoorzaamheid hoopte te volharden, zoodat Z. M. er ten volle mee tevreden zou zijn.
Men moet echter niet vergeten, dat hij nog geruimen tijd ook na zijn terugkeer in het land is blijven voortgaan, in naam des konings op te treden en dat zijn opstand tegen de Spaansche macht alleen bedoelde vrijmaking van het geweld, waarmede hij zelfs den kwaad ingelichten vorst een dienst hoopte te bewijzen tot het behoud van zijne Nederlanden. De gedachte daaraan kon ons nog meer dan de briefstijl en de vorm verzoenen met Oranje's krachtige betuiging van trouw en loyauteit in dien laatsten brief voor zijn vertrek aan Filips II.
Den 11en April verliet de Prins Antwerpen en ging naar Breda, met het plan, ook die stad zoo spoedig mogelijk, na orde op zijn zaken gesteld te hebben, te verlaten. Tien à elf dagen vertoefde hij er nog, wel een bewijs, dat angst niet het motief was van zijn vlucht. Wat daar gedurende dien tijd plaats had, is onvolledig bekend. Aangaande een paar zaken zijn we slechts met zekerheid ingelicht. Hij ondervond allereerst van den kant zijner vrouw een hoogst onaangenaam verzet tegen het vertrek naar Duitschland.
Anna's kleine, onbeduidende, zelfzuchtige natuur was de oorzaak, dat ze de betrekking, waarin haar echtgenoot tot zijn vorst stond niet kon begrijpen. Zij was zeker Protestant, maar ze vond het in het geheel niet noodzakelijk voor haar man, de zaak van een onbeduidend volk te omhelzen, zoodat hij verplicht werd, zijn positie, zoo hoog in rang en macht, te verlaten en zijn privaat eigendom in de waagschaal te stellen door met een jongeren broeder op een ver afgelegen, geïsoleerd Duitsch kasteel de toevlucht te nemen, ver verwijderd van alle gemakken, die in Brabant te verkrijgen waren. De zaken zouden allen terecht komen als hij slechts een weinig diplomatie wilde gebruiken, meende Anna, en onverdragelijk was het haar, zoo uit haar huis te worden weggerukt.
Niets is ongerijmder dan de meening, alsof Anna den Prins tot die verhuizing had aangezet of eenig deel aan den opstand had genomen door mede te Spa of elders met de verbondenen te onderhandelen. Anna knorde en gromde alleen; ze had in 't minst geen denkbeeld van de plichten van haar gemaal en maakte de laatste dagen van zijn verblijf in Breda, door haar zelfzuchtigen tegenstand, voor Oranje nog onaangenamer.
Uit Breda schreef de Prins afscheidsbrieven aan Egmond en Hoorne en ook aan den graaf van Bergen in Madrid. De beide eerste brieven waren in het latijn. Het zijn antwoorden op de laatste pogingen der beide graven, om hem in het land te houden. Waarom hij de deftige Latijnsche taal koos, om aan zijne weigering uiting te geven, is onbekend; maar 't schijnt een stijf en vreemd middel van communicatie tusschen mannen, die aan dagelijkschen familiaren omgang gewoon waren.
Ook aan Egmond herhaalde hij, dat, wat hem ook verplichtte het land te verlaten, hij niet ophield Filips' getrouwe vazal te blijven. De brief aan Hoorne is vrijer van toon en krasser in uitdrukkingen omtrent het kwaad door Filips aan de Nederlanden bedreven. Bovendien viel de Spaansche honig, waarvoor Filips van Hessen nog op zijn sterfbed had gewaarschuwd, niet in zijn smaak.
Den 22en April ging de Prins op reis uit Breda, eerst naar Grave, van daar naar Kleef en toen naar Dillenburg. Ofschoon hij openlijk alle toebereidselen had genomen om het land te verlaten en er nog dagen verliepen, voor hij uit Breda vertrok, wordt toch voorgesteld, dat alleen lafhartigheid oorzaak was van de groote haast waarmede hij naar Dillenburg vertrok. Te Kleef vereenigden zich zijn echtgenoote en hofhouding met hem, terwijl tal van geestverwanten hem volgden.
Aan Margareta werd gemeld, dat een derde deel van de inwoners van 's Hertogenbosch naar Kleef ging.
"Een groote menigte Brabanders en Walen ging voorbij Delfzijl naar Emden; armen en rijken, vrouwen en kinderen," zoo schreef men den 5en Mei aan Aremberg en deze berichtte den 9en Juni aan Margareta: "Mevrouw, ik heb vernomen, dat de voornaamste beeldstormers en oproermakers met tal van Brabanders, Hollanders en anderen dagelijks vluchtende zijn naar Emden."
Bossu, die in plaats van Oranje tot stadhouder van Holland benoemd was, werd een maand later ingelicht omtrent het feit, dat Emden boordevol vluchtelingen was, dat er in het huis van een bakker alleen dertig waren en er dagelijks nieuwe aankwamen.
Voor Oranje Breda had verlaten, had hij zijn zoon Filips Willem, die in Leuven studeerde, daar ontboden, om hem vóór zijn vertrek nog eenmaal te zien; het verbaasde hem bij die gelegenheid, dat de zaken al zóó ver gekomen waren, dat de vader zonder suspicie den zoon niet eens kon zien en spreken.
Wij, die het lot van dien zoon kennen en die weten, hoe Filips Willem, door Alva opgelicht, zijn gansche leven bijna in Spanje heeft moeten doorbrengen, verbazen ons nog meer, dat de Prins hem te Leuven liet. Misschien wenschte Oranje, door hem in het land te houden, eenig vertrouwen in Filips te toonen voor het geval de zaken veranderden, te meer omdat hij ontwijfelbaar geloofde in het heiligdom van den neutralen grond der Universiteit, niet kunnende vermoeden, dat die zelfs door de wreede hand van Alva zou worden geschonden.
Zijn dertienjarige dochter, die aan het hof van Margareta was en zeer door haar geliefd werd, duldde hij niet langer in het land, dat hij zelf ging verlaten; ook Juliana van Stolberg vond de aanwezigheid van Willems dochter daar aan het hof minder gewenscht en achtte het veel beter, dat Marie in Dillenburg kwam onder hare leiding.
Oranje schreef, dat zijn moeder verlangde haar kleindochter te zien en daarop ontving hij het volgend briefje van Margareta, dat ook om andere redenen hier in zijn geheel wordt vermeld.
Mijn neef,
Uit uw brief van den 22en dezer maand heb ik gezien, dat gij nu eindelijk besloten zijt tot die reis naar Duitschland, waarop gij reeds lang geleden plan hadt, ter wille van zaken, die u en uwe verwanten en vrienden betreffen; waarin gij ook de belofte doet, om, waar gij u ook bevinden moogt, de nederige en getrouwe dienaar en vazal van den koning, mijn heer, te blijven.
Ik twijfel dan ook niet, of die belofte oprecht is, te meer daar ik Uwe groote en goede hoedanigheden ken en gij weet, dat ge te doen hebt met een vorst, die u altijd liefde en goeden wil toedroeg. Ook dank ik U voor Uwe goede voornemens, om mij altijd genegen te zijn, waar gij ook zijt en verzeker u dat ik u, in alle opzichten vriendschap, hulp en genoegen zal blijven doen, daar ik u steeds als mijn zoon heb liefgehad. Wat Mlle Oranje aangaat, haar heb ik steeds bemind als mijn eigen kind. Maar gelijk gij zegt: Mevrouw uw moeder wenschte haar voor haar dood te zien; reden genoeg, waarom zij moet gaan, om haar vaarwel te zeggen. Begeert ze bij mij terug te keeren, ze zal mijn liefde onverminderd vinden. Gedurende uw afwezigheid zal ik Uw dienaars en ambtenaars behandelen, alsof gij hier waart en in uw zaken zal ik niet minder belangstellen, dan ik gedaan heb. Ik bid den Schepper, dat Hij u goede raadgevingen, een aangename reis en alle geluk moge geven.
Uit Antwerpen den laatsten April 1567.
Het bleek later zeer gelukkig te zijn, dat Marie bij haar grootmoeder was gekomen, want in 1570 verscheen een gerechtsdienaar met een bevel van Alva om haar op te vorderen! Keerde ze niet terug, dan zouden haar goederen worden verbeurd verklaard.
Het is begrijpelijk, dat deze eigenaardige opvordering geen succes had en Marie rustig bij haar grootmoeder bleef en ook, dat de latere vorstin van Hohenlohe haar grootmoeder altijd dankbaar bleef voor haar redding uit Spaansche handen.
Aldus eindigde het tweede hoofdstuk van Willems leven. Den dag nadat hij Breda verliet, had hij zijn 34e jaar voleindigd. Zijn leerjaren als vredelievend staatsman waren voorbij. Nu stond hij geheel op eigen voeten. Zijn familie, zijn vrienden, het land verwachtten nu van hem een opbouwende politiek, die grooter lasten van verantwoordelijkheid op zijn schouders zou leggen, dan de gehoorzaamheid aan de bevelen van een verwijderd vorst.
HOOFDSTUK XI.
DE UITGEWEKEN PRINS. 1567.
Het was juist bijtijds, dat de Prins uit het land was verdwenen, want nauwelijks in Duitschland gekomen, deelde de geheimschrijver van Filips II, die tevens Oranje's spion was, hem mede, dat hij een brief van den koning aan Alva gezien had, waarin de hertog het bevel ontving, den Prins aanstonds gevangen te nemen en zijn rechterlijk verhoor niet langer dan 24 uur te doen duren! Gelukkig dan ook, dat de Oranjevorst op geen eiland verzeild was, toen hij in Dillenburg aankwam. Met de grootste welwillendheid en gastvrijheid werd hij aanstonds opgenomen.
Jan van Nassau, die in leeftijd op hem volgde, was het hoofd der familie geworden; hij was gehuwd met Elisabeth, landgravin van Lautenberg en had een aantal kinderen. Wettig had Oranje geenerlei aanspraak meer op eenige inkomsten van het graafschap, want toen hij erfgenaam werd van Réné, had de Prins van zijn rechten afstand gedaan, zoodat hij alleen een zeker pandrecht op het oude kasteel van Nassau en mogelijk ook op Dillenburg had behouden, ter wille van de titels en waardigheden.
Het was echter een aartsvaderlijke huishouding, die onder het dak van het kasteel te Dillenburg bijeen was. Behalve Jan van Nassau, die er het hoofd was, zooals we zeiden, bevond de weduwe van Willem den Oude, Juliana van Stolberg, zich er ook met haar ongehuwde dochters. Ook Lodewijk, Adolf en Hendrik hadden allen, behalve hun wettig aandeel in het huis, volkomen vrijheid en beweging daarin. De gehuwde zusters met hunne echtgenooten Schwarzberg en Nieuwenaar en de anderen, werden in hunne aanspraken als bloedverwanten door hen ten volle erkend.
Bij dezen uitgebreiden familiekring kwam nu de Prins van Oranje met ongeveer een 150 van zijn partij; ook zijn echtgenoote Anna, die geen gemakkelijk lid van een huishouden was, zelfs niet als hoofd en eerste persoon en die zeker geen aangename bezoekster was onder de tegenwoordige lastige omstandigheden.
Tijdens haar verblijf in de Nederlanden had zij zonder omwegen alle menschen en dingen smadelijk bejegend. Met verachting sprak zij van den Prins, "die maar altijd andere menschen liet voorgaan en nooit zijn eigen rechten deed gelden." Toen het plan doorging, het gehate land te verlaten, kreeg de zaak in haar oogen een geheel andere gedaante en Anna verzette er zich heftig tegen. Zij weigerde niet haar echtgenoot te volgen; misschien was er wel een bijzondere oorzaak, die haar bevreesd maakte, toen zij op 22 April Breda verliet. Nauwelijks was ze echter in Dillenburg gekomen, of haar nieuwe omgeving was minder overeenkomstig met haar wenschen dan haar oude. Het huis was overvol. Jans echtgenoote behandelde haar niet met eerbied en ze begon verlangend naar Nederlandsche zeden en gewoonten terug te zien. Daarenboven waren niet alleen al de eigendommen van Oranje-Nassau in de Nederlanden achtergelaten, maar ook haar eigene en ze hield niet op, haar echtgenoot te plagen met vergunning te vragen om voor hare bezittingen te zorgen, voordat ze werden verbeurd verklaard. Ook werd zij, op Duitschen grond teruggekeerd, weder het verschil indachtig, dat er tusschen haar rang en dien der Nassau's bestond en zij maakte zich boos over de benarde omstandigheden, waartoe zij, de dochter van den grooten keurvorst, was teruggebracht.
Op den 11en Mei schreef Oranje aan Willem van Hessen, sedert den dood van den ouden landgraaf ([+] 31 Maart 1567) het hoofd van zijn huis, om hem zijn komst in Duitschland te melden. Op den 21en Mei zond de Prins aan den keurvorst van Saksen een uitvoerig schrijven, waarin hij hem de beweegredenen uiteenzette, die hem naar Duitschland hadden doen komen, en waarin Oranje tegelijkertijd om raad vroeg.
Het kan moeilijk op aandrang van den Prins geweest zijn, dat de Duitsche vorsten een deputatie naar Margareta zonden. Hij moet zich bewust zijn geweest van de volstrekte onbeduidendheid van eenige verdere onderhandeling; hij moet alleen in het plan berust hebben, al kon hij het ook niet goedkeuren. Toch deden de vorsten het onder den indruk van de gebeurtenissen in de Nederlanden en van de aanstaande komst van Alva, die den vrede van Europa bedreigde. De vorsten, van wie dit petitionnement aan Margareta uitging, waren de keurvorsten van Saksen en Brandenburg, de markgraaf van Baden, de hertog van Wurtemberg en de landgraaf van Hessen. Het doel van hun vertoog was alleen tusschen beiden te treden ten gunste van de Lutheranen; vandaar dat een Calvinist als de keurvorst van de Paltz er geen deel aan nam.
De petitionarissen vonden Margareta echter in geen enkel opzicht geneigd, iets toe te geven. De ketters, die het meeste vat op zich gaven, waren lang niet meer zoo te vreezen, als in den aanvang van het jaar; Oranje was genoodzaakt geweest, het land te verlaten; Egmond was een onderworpene, trouwe vazal geworden, die zijn best deed te gelooven in de goede trouw des konings. Valenciennes was ten onder gebracht en er bestond geen enkele reden, om tegenover iemand bijzondere gunst te toonen.
Het gezantschap van de Duitsche vorsten werd vrijwel afgescheept; Filips zou wel rechtvaardig handelen enz. en het ging dan ook naar Duitschland terug, even wijs als het was gekomen. Van die slotsom gaf Willem van Hessen aan Oranje bericht en op den 13en Juni dankte deze den landgraaf voor zijn rapport, daarbij voegende, dat ze op God en op den tijd moesten vertrouwen, om geholpen te worden. De vorsten schijnen er toen nog over gedacht te hebben een deputatie te zenden naar Catharina de Medicis, die goede Christin(!) om te zien, wat er van haar zijde voor de onderdrukte zaak van den godsdienst in de Nederlanden te wachten zou zijn; zelfs maakten ze reeds instructies gereed, maar de zaak schijnt in de wieg gesmoord te zijn.
Van denzelfden 13en Juni dagteekent een andere brief van den Prins aan Willem van Hessen, die vooral daarom belangrijk is, omdat hij ons inlichting geeft omtrent het standpunt van godsdienstige ontwikkeling, waartoe Oranje destijds was gekomen. Die brief is van den volgenden inhoud: "Wij zouden van ganscher harte begeeren tot sterking en bevestiging van ons gemoed en geweten, den tijd, dien wij hier buiten onze Nederlandsche graafschappen en heerlijkheden doorbrengen, te besteden met het lezen en hooren uitleggen der heilige goddelijke schrift. Want zonder er op te roemen, wij gevoelen een bijzondere affectie voor Christelijken ijver, maar hebben daartoe een eerbiedwaardigen, geleerden, zachtmoedigen en wereldkundigen man noodig, dien wij gaarne in onze nabijheid hadden en nu vernemen we na veelzijdig onderzoek en navraag, dat er in Tresza in Hessen een zekere Nicolaas Zell woont, die enz."
Wij herhalen: die brief is merkwaardig voor den godsdienstigen ontwikkelingsgang van den Prins. Tot nu toe zagen we niet veel van het eigenlijk godsdienstig leven bij hem. Was dit een tijdlang geheel in slaap gebleven, reeds vroeger zagen we, dat het toch niet geheel in hem was gestorven. Van groote belangstelling in het godsdienstig leven vinden we geen spoor, aan algemeen religieus gevoel ontbrak het hem niet. Maar noch zijn aanleg, noch de omstandigheden waren van dien aard, dat hij zich veel moeite had getroost, zich rekenschap te vragen van de eigenlijke beteekenis der geloofsverschillen. Het meest had hij nog naar het Lutheranisme overgeheld, doch niet veel meer dan politiek was die neiging geweest. De Duitsche hulp, die hij verwachtte was alleen mogelijk, indien hij althans het Lutheranisme niet veroordeelde. Van werkelijke belangstelling daarin was geen sprake. Hier echter in Dillenburg begon in de eenzaamheid die belangstelling te ontwaken. Hij wilde voorgelicht worden door een bekwaam, rechtschapen man, die zijne godsdienstige begrippen kon verhelderen.
Willem van Hessen antwoordde, dat de verlangde predikant Zell een zeer geacht man was, dat daarom de gemeente, die hij diende, hem zeer ongaarne miste, maar dat de Prins hem gedurende een half jaar tot voorlichter zijner godsdienstige denkbeelden kon krijgen. Vijf dagen later zond de Landgraaf een werk van Melanchthon getiteld Loci theologici, een zuiver theologisch handboek, naar Dillenburg; de afzender hoopte, dat het den Prins geheel zou overtuigen van de waarheid der Luthersche dogmata.
Uit een en ander blijkt, dat de Prins met open armen in Duitschland werd ontvangen, dat zijn verwanten en vrienden hem tegemoet kwamen met groote liefde en innige belangstelling. Dat hij ook buiten Duitschland groote vrienden had, die oprecht deelden in zijn lot, bewijst wel de uitnoodiging van den koning van Denemarken, Frederik II, tot hem gericht, om in zijn staten een toevluchtsoord te zoeken. De brief, die uitnoodiging behelzende, was op den 9en Juli 1567 geschreven en werd op den 22en van dezelfde maand door den Prins beantwoord. De alleronderdanigste toon van den Prins in zijn antwoord aan dien koning, toen hij hem de reden van zijn verblijf in Duitschland meldde en hem voorloopig dankte voor die uitnoodiging, die toon tegenover een vorst, die slechts een tweeden of derden rang innam onder de vorsten in Europa, bewijst wel, hoe Oranje op dat oogenblik nog geheel vervuld was van de rechten der monarchie en verklaart dus ook van ter zijde zijn nog jarenlang volgehouden eerbiediging van den wettigen koning van Spanje.
De vlucht van den Prins uit de Nederlanden was niets te vroeg geweest. Binnen een maand, nadat hij Breda had verlaten, scheepte Alva zich met een uitgelezen leger te Carthagena in, met de opdracht van Filips om alle onbeschaamde eischen van "dat beest, dat men het volk noemt" eens voor al te weerstaan.
Al de geruchten van het voorgaand jaar omtrent Filips' duistere plannen werden meer dan bewaarheid. De koning had zelfs zijn gehoorzame Nederlandsche regentes niet in zijn vertrouwen genomen en haar in den waan gelaten, alsof hij voornemens was zelf te komen. Vandaar dat Margareta in Zeeland voorbereidende maatregelen nam voor Filips' ontvangst. Hoe weinig had zij kunnen denken, dat ze zou worden ontslagen, juist toen ze, geholpen door haar stadhouders, de oproerige bewegingen in verschillende deelen van het land had gedempt en persoonlijk zegevierend den Roomschen eeredienst in het ontheiligde Antwerpen had hersteld.
Toen Alva's komst haar was aangekondigd, was Margareta nog in onkunde gelaten omtrent het meedoogenloos karakter van zijn instructies; maar het naakte feit van de nadering van een leger vervulde haar met ontzetting. Den geest der Vlamingen kennende, vreesde ze de aankomst van vreemde troepen zeer en zond koeriers naar Alva in Savoye, met het verzoek, alleen de Nederlanden binnen te komen en zijn leger op nadere orders te laten wachten.
Natuurlijk oefende deze raad geen invloed uit op den bevelhebber, die niet aan zijn bekwaamheid twijfelde, om het volk tot gehoorzaamheid aan Filips terug te brengen. "Ik heb wel een volk van ijzer getemd, zou ik dan nu geen volk van boter kunnen temmen?" zoo sprak hij op verachtelijken toon en hij antwoordde de regentes, dat hij niets te doen had, dan de bevelen van den koning op te volgen. Daarom alleen en volstrekt geen acht gevende op wenschen van anderen, schreed de hertog van Alva voort op zijn bepaalden weg. Wel duurde het eenige maanden, voordat hij de Nederlanden bereikte met zijn leger van 12000 man, in drie afdeelingen verdeeld.
Op zijn weg uit Italië had de hertog ook Genève, het broeinest van het Calvinisme, in het voorbijgaan willen verwoesten, doch door de diplomatieke zorgen van Condé en Coligny had dit wreede plan niet kunnen vervuld worden. In Augustus kwam hij in Luxemburg aan, waar hij begroet werd door Barlaimont en Noircarmes, die hem in naam der regentes welkom heetten. Graaf Egmond reed hem zelfs tot Tirlemont tegemoet en bood hem als welkomstgeschenk eenige schoone paarden aan. De ontvangst echter was, trots dat geschenk, niet zeer hartelijk. Alva had Egmond nooit de overwinningen bij St. Quentin en Grevelingen vergeven. Toen hij den "Prins van Gavere" [4] zag, zeide hij zoo luid, dat Egmond het kon verstaan: "Ziedaar de groote ketter!" Dit voorspelde den graaf weinig goeds, die alles van zijn loyauteit verwachtte. Een oogenblik later veranderde de hertog van toon en deed hij, alsof hij dat woord in scherts had gesproken. Hij werd plotseling hartelijker, sloeg den arm om zijn hals--den hals, dien hij reeds den beul had gewijd!