Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 18

Chapter 183,853 wordsPublic domain

En wat stelden ze hem voor? Zouden we het kunnen gelooven, indien de documenten het niet bewezen? Ze stelden Egmond voor, zich met hen te verbinden tot het afschaffen van de openbare preek, tot het herstellen der orde en daardoor tot het weren van de Spaansche troepen, voor wier komst de aanleiding dan zou zijn weggenomen. Wij gelooven gaarne, dat het doel van den Prins: het weren der Spaansche soldaten, ernstiger gemeend werd dan het middel: de vrije prediking af te schaffen. Maar ondertusschen werd het door hem voorgesteld.

Wel een bewijs hoe weinig Oranje en de zijnen nog wisten wat hun te doen stond. Terwijl de Protestanten goed en bloed te hunner beschikking stelden, om de vrije prediking te behouden, stonden zij in beraad die desnoods met geweld te verhinderen. Toonde Margareta met haar dwaze eischen den geest des tijds niet te verstaan; die geest, die strooming werd evenmin begrepen door Oranje. Werd zij gedreven door den angst voor haar koning of het naderend leger, door hem gezonden; ook de Prins, voor wien de orde alles was in den staat, werd door diezelfde vrees tot de wanhopigste en onmogelijkste reactie gebracht, die wij ons bijna niet van hem kunnen voorstellen. Men mag echter niet vergeten, dat het doel van dat schrijven was, Egmond te winnen.

Doch Egmond was een royalist pur sang. Hij was dit door afstamming en traditie, van den aanvang zijner loopbaan af, als overwinnend generaal van de troepen van zijn meester! Ook hem mishaagde wel het gedrag van den koning; diens bevelen vielen ook niet in zijn smaak, maar rebel te worden, de wapens tegen den koning op te nemen, dat kon hij nog minder verdragen. Van den aanvang af had hij dit geweigerd en bij die verklaring volhardde hij. Als aristocraat kon hij zich niet met het volk verbinden tegen zijn souverein; als katholiek wilde hij zich niet vereenzelvigen met de bestrijders van het gezag der kerk. Buitendien was er nog een andere factor in het spel, die zijn houding van die van Oranje deed verschillen. Al zijn eigendommen en belangen waren op den Nederlandschen grond.

Oranje had zeker ook van zijn recht op zijn vaderlijk erfgoed afstand gedaan ter wille zijner broeders, maar de Nassau's waren zoo aan elkander gehecht en zoo loyaal tegenover elkander, dat hij zeker was, een veilig toevluchtsoord in het ouderlijk huis te vinden. Egmonds diensten aan Filips bewezen, waren door heel Europa bekend en hij kon niet gelooven, dat de overwinnaar van St. Quentin en Grevelingen, die zooveel glans had geworpen op de eerste regeeringsjaren van den vorst, door Filips verkeerd zou worden beoordeeld. Hij antwoordde daarom aan de vier edelen, dat hij zich niet met hen wilde verbinden. Hij vermaande hen te doen, wat ze hem voorstelden: de preek af te schaffen, het volk te beteugelen en dan nederig den koning te bidden, niet met zulk een geduchte legermacht in het land te komen. Geen defensief verbond wilde hij mee sluiten; tot meer dan nederig bidden, mochten de edelen zich niet verstouten.

Oranje en zijne vrienden wilden nog een poging wagen, Egmond tot beter inzicht te brengen. Ze noodigden hem tot een gesprek, maar hij weigerde hen te ontmoeten. Hij vermaande hen zich als getrouwe vazallen te gedragen. Hij voor zich was besloten, de wijk te nemen als de koning het land overheerde, maar in geen geval zou hij zijn meester bestrijden. Dit was zijn laatste woord en daarmee keerde hij zich voor goed van zijn oude vrienden af.

Egmond legde den nieuwen eed, dien Oranje geweigerd had, af en op den zelfden dag gaf Brederode de instructies aan de bevelhebbers zijner troepen.

HOOFDSTUK X.

DE SLAG VAN AUSTRUWEEL. ORANJE EN HET OPROER IN ANTWERPEN. VERTREK VAN DEN PRINS. 1567.

Wat in den aanvang van 1566 mogelijk was geweest, indien de gedachte van Nicolaas de Hames was verwezenlijkt, doch wat toen door den tegenstand van Oranje en de andere grooten niet geschied was, dat werd thans, nu de zaak der verbondenen veel wanhopiger stond, ter elfde ure nog beproefd.

Alleen wanhoop kon op dat oogenblik nog tot zulk een waagstuk drijven, want overal in het land was de regeering sedert veel machtiger geworden, terwijl de legerbenden van Alva het land naderden. Toch werd het nog beproefd en eere den mannen, die de proef met hun dood hebben bezegeld en door hun offer een bezielend voorbeeld gaven voor het verzet, dat enkele jaren later met het schoonste succes zou bekroond worden.

Als legerhoofd trad Hendrik van Brederode op en de meeste oprichters van het compromis der Edelen werden bevelhebbers zijner troepen. Nicolaas de Hames was er niet bij; deze was reeds sedert eenige maanden naar Duitschland verwijderd en op zeer ongunstige wijze door Margareta aan den keizer afgeschilderd. Na Brederode was Jan van Marnix, heer van Toulouse de opperste veldheer, terwijl zijn broer St. Aldegonde de functie van thesaurier-generaal bekleedde. Op naam van "Brederode en die van de nieuwe religie" werd in en buiten Antwerpen krijgsvolk aangeworven en dat Oranje zich daartegen niet verzette blijkt wel uit het feit, dat sommige werfofficieren er durfden bijvoegen: "Op last van den Prins van Oranje."

Een boekje in die dagen verspreid, kon als manifest van den opstand gelden; in het bijzonder bevatte het eene aansporing tot de grooten en edelen, niet langer te weifelen, maar vastberaden het eenige middel aan te grijpen, dat nog redden kon, n. l. eendrachtige bestrijding der regeering. Men begreep zeer goed, wat men van den Spaanschen koning te vreezen had en tevens dat ze hun goed en leven, dat zij nu op het spel gingen zetten, toch reeds verbeurd hadden. Zij, de gereformeerden, wisten het wel, maar de "Heilige Raad," zooals het boekje werd genoemd, overtuigde slechts hen, die reeds overtuigd waren, niet echter de grooten, die bleven weifelen.... totdat het te laat was.

De verbondenen hoopten allereerst Antwerpen meester te worden, teneinde deze stad tot het middelpunt hunner onderneming te maken; zij rekenden tevens op den bijval van niet minder dan 52 Noord-Nederlandsche steden. Daar ze meester waren van Deventer en Maastricht, kon de uit Duitschland verwachte hulp over de bruggen van Maas en IJsel komen, terwijl de bezetting van Zeeland, hetgeen ze niet moeilijk achtten, hen in de gelegenheid zou stellen met Fransche en Engelsche geloofsgenooten in gemeenschap te komen.

Antonie van Bombergen maakte zich bij verrassing van 's Hertogenbosch meester en trachtte ook daar krijgsvolk te werven op naam van Oranje en Hoogstraten. Wel verbood Oranje verdere lichtingen, maar hij kan niet onbekend zijn geweest met het feit, dat zijn bevel niet werd gehoorzaamd.

Het krijgsvolk, dat zich aanmeldde, was echter onvoldoende geoefend en aan wapenen ontbrak het geheel, vooral ook doordat Mechelen, waar de arsenalen zich bevonden, door de regeering was bemachtigd. Deze liet de opstandelingen niet den tijd tot organisatie, doch tastte nu ook door. Utrecht werd door Meghen verrast en ook Amsterdam liep gevaar, maar deze stad bleef door de komst van Brederode voor de geuzen behouden. In plaats van Brederode, die de troepen bij Vianen en Antwerpen zonder hoofd had moeten achterlaten, kwam de jonge Toulouse, een edel en moedig man, geen veldheer, maar een geleerde.

Zijn aanslag op Walcheren mislukte en daarop verschanste hij zich bij het dorp Austruweel in het gezicht van Antwerpen, in de hoop dat de Prins zich eindelijk voor hen verklaren zou. Die hoop bleek ijdel.

De regeering zat inmiddels niet stil en geholpen helaas door den ouden veldheersblik van Egmond, die zijn troepen uit Vlaanderen had aangeboden tegen het geuzenleger, dat een sterke stelling had ingenomen, werd Filips van Lannoy, heer van Beauvoir, tegen Toulouse afgezonden. Waarschijnlijk vertrouwde Margareta haar raadsman niet zoozeer, om hem zelf met het commando te belasten.

Op den 12en Maart ontmoette Beauvoir de troepen van Toulouse bij Austruweel. Deze was daardoor geheel verrast; ja hij meende eerst nog dat het de Duitsche hulptroepen waren, waarop zoolang was gehoopt. Geen gevecht, maar een ware slachting was het gevolg; de meeste geuzen sneuvelden of werden in de Schelde gejaagd; van de 3000 krijgsknechten onder Toulouse ontkwam er bijna geen een, al waren de overwinnaars slechts ten getale van 800 man. Ook de arme Toulouse zelf kwam strijdend om en werd in honderd stukken neergehouwen.

Dit was het droevig einde van de eerste poging van den Nederlandschen opstand.

Welken indruk die gebeurtenissen op de Calvinisten maakten en hoe de houding van den Prins daarbij was, blijkt uit de volgende beschrijving:

"Ondertusschen verlangden de Antwerpsche Calvinisten, toen zij van hunne bolwerken het vuur van Austruweel en de ongenadige behandeling van de arme Toulousianen zagen, zich met hen in den slag te vereenigen. Zij haastten zich naar de marktplaats, gemeenlijk genoemd Place de Meir, waar in een oogwenk 1300 à 1500 man waren verzameld. Sommigen waren gewapend met puntige hamers, maliekolven en oude wapens, anderen met werpspietsen en slagzwaarden. Bij dezen voegde zich een corps muitelingen, ongeveer 4000 man sterk, op dezelfde manier uitgerust....

"De Prins van Oranje, over deze plotselinge beweging ontzet, riep de acht compagnieën katholieke soldaten en achtenswaardige burgers, die hij in de maand September had ingeschreven, te zamen. Hij liet deze in het stadhuis en op plaatsen aan de markt grenzende, postvatten, ten einde de muitzieken en de hervormden, die samenspanden om de stad te plunderen, in bedwang te houden. Daarop ging hij, vergezeld door Hoogstraten en van Straalen, burgemeester van Antwerpen, naar de Place de Meir om te weten te komen, wat die woeste menigte verlangde.

"Ze werden met beleedigingen begroet. Oranje werd een vuile verrader genoemd, een dienaar van den Paus, een beambte van den Anti-Christ. Met dergelijke liefelijke woorden zooals de Hugenoten gewoon waren naar hun vijanden te slingeren, werd de Prins overvallen. Daarop begonnen zij als krankzinnigen te roepen, dat zij den dood van hun gesneuvelde broeders, die door de Katholieken zoo wreed waren gemassacreerd, wilden wreken en bevalen den Prins gebiedend, dat hij de poorten moest openen of anders zouden zij ze afbreken. Toen hij daarmede langer wachtte, dan hun beviel, ijlden ze naar de naastbijzijnde poorten, maakten ze met hun maliekolven open, ten einde hun plan te gaan uitvoeren, geen acht slaande op de waarschuwing van den Prins, dat ze niet in staat waren met goed toegeruste soldaten te vechten en dat Toulouse en zijn troepen, die voor hun oogen waren vernietigd, hun tot waarschuwing konden dienen. Eindelijk ziende, dat zijn vermaning niets uitwerkte, keerde de Prins naar de Place de Meir terug.

"Nu moet men niet vergeten dat Beauvoir, vóór de nederlaag van Toulouse, gewaarschuwd was, dat de Antwerpsche sektarissen zich verzamelden om hem aan te vallen... Daarom beval hij al de gevangenen ter dood te brengen ten getale van ongeveer 300, uit vrees, dat deze hem soms een poets zouden spelen. Dat was zeker een zeer onmenschelijke daad, maar misschien op dat oogenblik een militaire noodzakelijkheid. Daarop trok hij naar de stad, vast besloten de Evangelische muiters, die zich wilden wreken op den dood hunner kameraads, te straffen... Toen deze echter Beauvoir met zijn overwinnende troepen, die de lucht vervulden met de geluiden van krijgstrompet en trommelslag, zagen naderen, was hun drift bekoeld en kalm gingen ze naar de Place de Meir, om den raad van den Prins van Oranje op te volgen, dien ze daareven zoo verachtelijk hadden verworpen.

"Beauvoir bleef eenigen tijd in slagorde op hen wachten, maar toen hij zag, dat ze niet het minste verlangen hadden, zijn uitdaging te beantwoorden, plaatste hij de standaards van den ongelukkigen Toulouse tot een bespotting op den hoek van de haven, liet die daar een poos staan en ging toen, met roem overdekt en met buit beladen, met zijn soldaten naar Brussel.

"Het scheen, alsof de Calvinisten van spijt zouden barsten, want ze zwoeren, dat de Antwerpsche papisten niet lang over hun ongeluk zouden lachen. Den nacht bracht de menigte gewapend op de Place de Meir door, onophoudelijk roepende: "Vivent les gueux." Vroeg in den ochtend haalden ze 17 stukken geschut uit het arsenaal, want ze vertrouwden de magistraat niet en daarop gingen ze als waanzinnigen van kerk tot kerk, van klooster tot klooster, plunderend en roovend al wat zij vonden, terwijl ze priesters en geestelijken, vooral de Minoriten, die in slechten dunk stonden, kwalijk bejegenden. Daarop stonden ze gereed de rijke woningen te gaan plunderen, met het plan allen, die niet tot hun geloof behoorden, te verjagen en de stad onder hun macht te brengen.

"Ze haatten de Lutherschen nog meer dan de Katholieken; die noemden ze "halve-papisten," "erger dan papisten" en ze wilden geen woord ten gunste van de Anabaptisten hooren, hoewel zij (altijd volgens Pontus Payen) kinderen van den duivel waren niet minder dan deze.

"Waarschijnlijk zouden ze geslaagd zijn in hun verderfelijke oogmerken, als de Prins van Oranje dit niet door zijn voorzichtige zorg had voorkomen. Hij, die de bloeddorstige natuur der Calvinisten haatte, besloot hun stoutheid met sterke hand te keeren. Hij nam daarom de voornaamste Spaansche, Italiaansche, Engelsche en Duitsche kooplieden in vertrouwen en ook de dekens van alle gilden, die niet tot de opstandelingen behoorden. Daarop verzamelde hij de gewapende Katholieken en Lutheranen; hij overreedde hen een verbond te sluiten en tezamen pogingen in het werk te stellen om de buitensporigheden van die sektarissen te beteugelen, die geboren schenen, om de wereld in beroering en alles in wanorde en verwarring te brengen.

De Lutherschen waren daartoe volkomen bereid. Ze hadden dikwijls van te voren zulk een verbond aan de Katholieken voorgesteld, met wie ze in goede verstandhouding gedurende de troebelen geleefd hadden. De Prins beval toen, dat de groote klok geluid werd en op een andere marktplaats, geheel afgezonderd van de Place de Meir, verzamelden zich de Katholieken en Lutheranen. Deze bestonden enkel uit deftige lieden, rijke kooplui en achtenswaardige burgers, terwijl de anderen slechts uit schorriemorrie bestonden, voor 't grootste deel vreemdelingen, vluchtelingen, bankroetiers en minder volk, aangevoerd door een ellendigen galgevogel, met name Hermans.

"Zeker, er waren ook in de stad vele rijke kooplieden, die den godsdienst van Calvijn beleden, doch die vermengden zich niet openlijk met het gepeupel, al ondersteunden zij ze misschien in het geheim. Er bestond dus gelegenheid, de stad van slecht bloed te zuiveren, maar de Calvinisten, de ongelijkheid van den strijd erkennende, zonden hunne predikanten naar den Prins, om voorwaarden te maken en ze boden aan, zich aan zijn besluiten te onderwerpen. Oranje willigde dit in en bedaarde den toorn der Katholieken en Lutheranen, die er eindelijk in toestemden het verbond te teekenen, dat de Prins met de Consistories had gemaakt en die beloofden, zich aan den inhoud daarvan te houden. Zoo werd het oproer zonder bloedvergieten gestild, geheel tegen de algemeene verwachting in.

"De Prins wordt om dit optreden door velen hoogelijk geprezen; men gaat zelfs zoover, dat men hem alle eer geeft, de stad tegen plundering en bloedvergieten door zijne tegenwoordigheid te hebben bewaard. Men beweert, dat door hem het leven der Katholieken is gespaard, die zonder de tijdelijke hulp der Lutheranen in het uiterste gevaar zouden verkeerd hebben.

"Wat mij aangaat, (zoo eindigt de katholieke royalistische schrijver), ik zou niet gaarne de eer, die den Prins in die zaak toekomt, ontkennen; maar toch komt het mij voor, dat de Calvinisten meer reden van dankbaarheid hadden, dan de Katholieken en de Lutheranen; want het Compromis dat hij maakte, was geheel in het voordeel van de zwakste partij, die op het punt stond voor haar heiligschennis en diefstallen, die ze begaan hadden, een waardige straf te ontvangen."

Ziedaar het verhaal, verteld door een katholiek schrijver, die bijna tijdgenoot dier gebeurtenis was, doch die Margareta doet voorkomen als een voorbeeldige regentes, wie de belangen harer kerk bovenal ter harte gingen. Natuurlijk moet dus dit verhaal als zoodanig beoordeeld worden.

De overeenkomst, waartoe de verschillende sekten zich verbonden, was de volgende: De stadssleutels bleven in de handen van den Prins en van Hoogstraten. Burgers en soldaten samen moesten verantwoordelijk blijven voor den algemeenen vrede; de burgers benoemden de kapiteins, wier keuze door den Prins moest worden goedgekeurd; 1200 burgers moesten de poorten bewaken en de stad werd in districten verdeeld. Binnen de wallen kon de overheid geen gewapend volk toestaan, noch eenig soort van garnizoen, zonder toestemming der gemeente. De burgers moesten den eed afleggen aan den koning, de stad en het volk, met behoud der privileges, inzonderheid van dat der Joyeuse entrée. Het verdrag van 1566, betreffende de beide godsdiensten, bleef onaangetast.

De eerste vorm van deze overkomst werd door het volk niet aangenomen. Op den volgenden dag kwamen er vijftien additioneele artikelen bij, o.a. bepalende, dat de conventie van den 27en moest worden in stand gehouden, totdat de koning en de staten het punt van den godsdienst hadden toegestaan. De stadssleutels moesten onmiddellijk aan Oranje en Hoogstraten gegeven worden, die, indien ze het noodzakelijk achtten, 400 ruiters mochten lichten en gewapende schepen in de Schelde konden opstellen. Al de inwoners zonder uitzondering moesten bijdragen aan de uitgaven, die de algemeene verdediging eischten; op de bolwerken zouden kanonnen worden geplaatst en de gouverneurs moesten het geschut controleeren. Op den 15en Maart stemden de Calvinisten er in toe, deze artikelen te onderteekenen.

Er is geen twijfel aan, of door deze conventie werd een bloedbad voorkomen, zoo vreeselijk als Parijs ooit gezien heeft; de stad werd door het vergelijk beveiligd en tot rust gebracht en aan Oranje komt ten volle de eer van deze heilrijke uitkomst toe. Hij bewees op dat gespannen oogenblik, te midden van tallooze sekten, die elkander ten bloede toe haatten, een staatsman van groote wijsheid te zijn. Men moge terecht zijn weifelen en zijn besluiteloosheid in 1566 en 1567 betreuren; te midden van zulk een oproerige stad, waar de meest booze plannen werden gekoesterd, de rust hersteld te hebben, is het beste pleidooi voor zijn helder inzicht, ik zeg niet in den tijdgeest, maar in de eischen van het oogenblik. En die geest van staatsmanswijsheid is hem ook later, toen hij gelouterd in het land wederkeerde, bijgebleven en toen aan het gansche land, gelijk thans Antwerpen, ten goede gekomen. Oranje moet den dood van Toulouse, den jongen geleerde en van zijn 3000 man, diep betreurd hebben, maar hij behield zijne kalmte en bestuurde te midden van de gevaarlijkste samenscholingen met den besten uitslag de oproerige stad.

Op den morgen van den 15en Maart werden de troepen, door de stad geworven, op de Place de Meir verzameld. Oranje, Hoogstraten, de stedelijke overheid en een honderdtal ruiters reden naar de markt, allen met roode sjerpen om hun wapenrusting, het embleem door hen, die de orde wilden handhaven, aangenomen.

De menigte Calvinisten stond met toornige blikken aan het eene eind van de plaats. Oranje beval, dat de artikels van het vergelijk overluid zouden worden gelezen en toen hield hij een korte toespraak, waarin hij, met het noodlottig voorbeeld van Toulouse en zijn ongeoefende vrijwilligers tegenover ervaren soldaten voor oogen, het volk waarschuwde tegen het garnizoen, dat onder het gezag der stad stond, om toch geen ijdele pogingen aan te wenden, nog meer concessies te verkrijgen. Hij eindigde zijn toespraak met de woorden: "Leve de koning!" Na een oogenblik stilzwijgen herhaalde de menigte dien kreet en de rust was hersteld.

Twee weken was het bijna geleden, sedert Margareta den Prins om vernieuwing van den eed van getrouwheid had gevraagd en een weigerend antwoord van hem had ontvangen, terwijl hij afstand deed van al zijn bedieningen. Hij was echter niet van zijn dienst ontheven, zoodat hij, overeenkomstig het officieel gebruik, nog gebonden was, toe te zien, dat de dienst volgens den wil des konings vervuld werd.

Wat hij zou gedaan hebben, als Toulouse, in plaats van Beauvoir, overwinnaar was geweest, kan niet worden bepaald. Maar in den staat van zaken, zooals die op het oogenblik was, stelde hij zijn verplichting tegenover Filips hooger, dan het feit, dat hij reeds afstand had gedaan, hetgeen zeker op dat oogenblik het beste was, dat hij kon doen. De Landvoogdes, wel verplicht den Prins te prijzen met zijn succesvol optreden, was toch ontevreden met het resultaat en zij meende dat Oranje voor het volk had ondergedaan. Haar goed- of afkeuring was echter een zaak van de grootste onverschilligheid voor hem.

Aan een Duitsch vorst, waarschijnlijk Willem van Hessen schreef hij den 17en Maart het verhaal over het voorgevallene te Antwerpen. Hij vermeldt in dien brief, dat het alleen met de grootste inspanning en met gevaar voor zijn leven gelukt is de Calvinisten te overmeesteren en de eer der stad te handhaven. Veel dank zal hij er niet mee inoogsten, dat begrijpt hij, maar "God en alle eerlijke lieden zullen onze daden erkennen."

Ook zegt de Prins nog in hetzelfde schrijven, dat hij reden heeft God te danken, nu hij aan zulk een groot gevaar is ontkomen en dat hij zich zelf door de genade Gods kan beschouwen als een nieuw geborene. Hoe hij geheel gered zal worden, weet hij nog niet, maar op God en op de gebeden zijner vrienden vertrouwt hij.

Zonder twijfel hebben wij het recht deze woorden aan te merken als een uiting van het ontwaakte religieuse leven van den Prins, want ook elders laat hij niet na den naam van God te noemen en zich en de zijnen in zijn hoede aan te bevelen. De angstige dagen in Antwerpen doorleefd, schijnen zijn hart te hebben geopend voor het godsdienstig gevoel, dat zich hier in innige dankbaarheid, diepe afhankelijkheid en hartelijk vertrouwen uit.

Zijn besluit om het land te verlaten had hij reeds vroeger genomen, maar thans besefte hij ten volle, dat hij weg moest gaan en aan Willem van Hessen schrijft hij dan ook, hoe onmogelijk het voor hem was na Alva's komst te blijven.

Hoewel Margareta, zooals we zagen, lang niet voldaan was met Oranje, verzuimde zij toch niet, pogingen in het werk te stellen, hem in de Nederlanden te houden.

Ze zond nog eenmaal haar secretaris Berty met het voorstel, indien hij bleef weigeren, den nieuwen eed af te leggen, een samenkomst te hebben met zijn vroegere medeleden van den Raad van State, zooals Aerschot, Barlaimont, Egmond en Mansfelt. Deze samenkomst had wel plaats te Willebroek bij Mechelen met Egmond en Mansfelt, doch succes had deze bespreking niet. De Prins bleef bij zijn wensch, te worden ontlast van al zijn ambten en bedieningen, zoowel van die welke de Koning, als van die welke de Landvoogdes hem had opgedragen. Hij wilde zich eerst naar Breda, dan naar Duitschland terugtrekken en beloofde de nederige vazal van den koning te blijven.

Margareta zegt in haar brief aan Filips, dat ze aan zijn laatste verklaring niet veel waarde hecht.

Het was de laatste maal, dat Oranje en Egmond samen waren. Een Calvinist, die zich in den schoorsteen van de audiëntiezaal had verborgen, deelde omtrent deze ontmoeting het volgende mede: Toen alles van weerszijden was gezegd en de graaf volhardde bij zijn voornemen, zijn lot met dat van zijn land te blijven deelen en de Prins vast bij zijn besluit bleef, het Nederlandsche stof van zijn voeten af te schudden, zei de eerste: "Vaarwel, Prins zonder Staten!" en Oranje antwoordde: "Vaarwel, graaf zonder hoofd!", waarop ze elkander omhelsden en vertrokken. Een ander verhaalt, dat Oranje zou gezegd hebben: "Mijn neef, de Spanjaarden zullen de Nederlanden binnentreden, maar ik verzeker u, uw hoofd zal hun tot brug dienen."